"Les grands états auraient tort de mépriser les avertissements qu'ils
reçoivent des petits pays: il appartient quelquefois aux petits de
donner de grands exemples."
Geen land ter wereld ongetwijfeld waarop men met meer recht dit
zoo juiste woord van den Franschen schrijver G. Valbert [2] mag
toepassen dan op het groothertogdom Luxemburg, welks zoo verlichte
regeering al den tijd dat zij aan het bewind is,--en dat is al heel
wat jaren!--zoo'n warm hart en open oog toonde te bezitten voor de
sociale behoeften des volks en de bevordering van diens geestelijk
en stoffelijk welzijn. En dank zij de krachtige medewerking van de
Kamer der afgevaardigden, is haar het voorrecht beschoren geweest haar
streven in dat opzicht met schitterenden uitslag bekroond te zien. Om
die reden alleen reeds zou het voormalige graafschap der Ardennen
aanspraak mogen maken op onze hartelijke sympathie en een persoonlijke
kennismaking overwaard kunnen geacht worden, al is tegenwoordig onder
den zooveel weidscher naam van Groothertogdom, zijn grondgebied met
een bevolking van niet meer dan 235,000 zielen, beperkt tot nauwelijks
het vijfde gedeelte van zijn vroegere oppervlakte, en al moet het
ook alle staatkundige beteekenis derven.
Het is hier niet de plaats om zijn grootsch verleden in herinnering
te brengen, noch om zijn economischen toestand, zijn staatswezen
of staatsinrichtingen, de bronnen van zijn welvaart, de geestelijke
stroomingen, die er zich vertoonen, of zijn beteekenis op het gebied
van kunst en wetenschap in het licht te stellen. Ik deed dit trouwens
reeds elders en kan daarnaar verwijzen. [3]
Maar in niet mindere mate moet, mijns erachtens, dit kleine land
de belangstelling van de bezoekers wekken door de indrukwekkende
bouwvallen van middeleeuwsche ridderburchten, die daar vele hoogten
bekransen, door het rijke en dankbare onderzoekingsveld, dat het
oudheidkundigen, botanisten en mineralogen aanbiedt, bovenal door
zijn trotsche wouden van eiken, sparren of beuken, zijn liefelijke
valleien en de haar bezoomende heuvelruggen, zijn steile rotsgevaarten,
stoute bergkloven en huiveringwekkende afgronden, zijn kabbelende
beekjes en snelvlietende rivieren, in één woord zijn afwisselend
natuurschoon. Dit kan in verhevenheid wedijveren soms met dat van
Zwitserland, dikwerf met dat van de Saksische Schweiz of den Hartz.
De roep van dat natuurschoon, vroeger slechts bekend hoofdzakelijk
aan Duitschers en Belgen, drong eindelijk tot ons vaderland door. En
sedert een veertig jaren ongeveer neemt in Luxemburg het bezoek van
onze landgenooten gestadig toe.
Verschillende omstandigheden, voor den lezer zonder belang, noopten
in 1878 ook mij naar het Groothertogdom mijn schreden te richten,
om daar eenige weken door te brengen.
En het ging mij als zoo velen anderen.
Wie eens het voorrecht heeft gehad met land en volk kennis te maken--en
ze kennen is ze liefhebben--verzuimt niet licht de gelegenheid tot
een nieuw bezoek. Herhaaldelijk, bijna jaarlijks kan ik wel zeggen,
keerde ik er voor korteren of langeren tijd terug, totdat het klimmen
mijner jaren mij tegen de vermoeienissen, onafscheidelijk van de reis
en het verblijf in dat Hoogland, deden opzien.
Onvergetelijke dagen bracht ik er door. En een aantal hartelijke en
blijvende vriendschapsbanden knoopte ik er aan, waarvan, helaas! reeds
verscheidene door den dood zijn verbroken.
En hoe dikwijls, wanneer ik ter verfrissching van geest en lichaam er
met volle teugen de heerlijke stalende berglucht ging inademen en de
schoone natuur bewonderen, hoe dikwijls zag ik mij verrast door nieuwe
schoonheden, schoonheden die ik vroeger niet had kunnen aanschouwen
om de eenvoudige reden, dat zij nog niet toegankelijk waren.
't Is toch pas sedert ruim een kwart eeuw, dat, vooral op aanstichting
van den toenmaligen directeur-generaal van Justitie en Openbare
Werken, die sedert geruimen tijd de hooge waardigheid van Ministre
d'État et Président du Gouvernement met zooveel eere bekleedt, den
kunstlievenden en smaakvollen Dr. P. Eyschen, men zich beijvert de
schilderachtigste, te voren niet gemakkelijk of in het geheel niet
te genaken punten onder het bereik van ieders blik te brengen of
toegankelijk te maken. Jaarlijks worden er aanzienlijke sommen, ten
minste in verhouding tot de geheele staatsbegrooting, besteed om in
den winter tegen de hellingen paden aan te leggen, hinderpalen uit
den weg te ruimen, doorgangen in gevaarten van graniet te banen,
trappen in rotsen uit te houwen, bruggen te slaan over beken
en stroompjes of bergkloven. Jaarlijks wordt ook een belangrijk
krediet aan de Kamer aangevraagd ter ondersteuning van plaatselijke
Verfraaiings-vereenigingen, die in grooten getale verrezen, en ter
bevordering van het toeristenverkeer. De bedoelingen der regeering zijn
voor niemand een geheim en verdienen allen lof. Zij wil naar Luxemburg
de buitenlanders lokken, die anders elders ontspanning van den
dagelijkschen arbeid en nieuwe krachten daarvoor gaan zoeken. Doch zij
doet dit niet door sterk-prikkelende vermaken of door, uit een zedelijk
oogpunt beschouwd, minder aanbevelenswaardige middelen. Herhaaldelijk
doch vruchteloos kwamen wel met de verleidelijkste aanbiedingen bij de
Regeering aanvragen in van avonturiers om verlof tot oprichting van een
speelbank. Deze wil slechts partij trekken van wat het land in kwistige
mate en rijke verscheidenheid aanbiedt: een merkwaardig natuurschoon.
En niet onvruchtbaar is haar streven geweest.
Van jaar tot jaar stijgt het aantal bezoekers, ook onder onze
landgenooten.
Velen dezer meen ik een dienst te hebben bewezen door de uitgave
van mijne hierboven reeds vermelde Schetsen, waarvan de derde druk
in 1892 verscheen, vermeerderd met een aanhangsel, aanwijzende de
voornaamste wandeltochten in de buurt van Diekirch en de uitstapjes,
van daar in een halven dag en op een geheelen dag te ondernemen.
Moge het mij nu maar door de volgende bladzijden gelukken, bij
vernieuwing de aandacht te vestigen op dat merkwaardige Hoogland
en eenige lezers van dit tijdschrift, zoo mogelijk vele, te bewegen
in den aanstaanden zomer enkele vacantiedagen aan een kennismaking
daarmede te wijden! Zeker zou ik dan, wat hen betreft, geen ondankbare
taak op mij hebben genomen, toen ik de uitnoodiging aanvaardde om,
ter toelichting der Gezichten uit Luxemburg, welke in dit tijdschrift
zouden worden opgenomen, eenige mededeelingen te voegen. Uiteraard
moest ik mij wel herhaaldelijk genoopt voelen daarin naar de meer
uitvoerige beschrijving in mijn bovenvermelde Schetsen te verwijzen.