IV.

Ik weet niet hoe lang wij in dezen toestand zijn gebleven. Toen ik

weer meester over mijzelf werd was het water nog meer gerezen. Op 't

oogenblik bereikte het reeds de daken, ons dak was niet meer dan een

klein eiland, omgeven door de oneindigheid van het water. Rechts en

links waren de huizen ingestort en strekte zich de onmetelijke zee uit.

"Wij drijven", murmelde Rose, die zich krampachtig aan de pannen

vasthield.

En inderdaad hadden wij een gewaarwording alsof wij bewogen, alsof het

dak losgemaakt op het water dobberde als een boot. Wanneer wij onze

oogen echter op den onbeweeglijken kerktoren richtten, bespeurden

wij dat wij ons nog aan dezelfde plaats bevonden, te midden van het

onstuimig gerol der golven.

Thans begon het water den aanval. Tot nog toe had het zich bewogen

in de richting der straat; de ruïnes die het thans den doortocht

belemmerden, deden het terugvloeien. Nu werd het een ongeregelde

aanval. Nauwelijks kwam een plank of een balk in het bereik der

golven, of zij werden opgenomen en met ontzettende kracht tegen het

huis geslingerd. En de golven lieten hen niet los, neen, zij trokken

ze terug om er nog eens de muren mede te rammeien, regelmatig en

geweldig. Tien, twaalf balken werden soms tegelijk aan alle kanten

tegen ons aangeslingerd. Het water huilde, het schuim spatte om onze

voeten. Wij hoorden het doodsgerochel van het volgeloopen, in zijn

gebinten reeds krakende huis. Soms, als de aanval wat al te wild was

geweest, meenden wij dat het met ons gedaan was, dat de muren vaneen

scheurden en ons overleverden aan de woede der rivier.

Gaspard had zich op den rand van het dak gewaagd. Met zijn gespierde

worstelaarsarmen greep hij een balk.

"Wij moeten ons verdedigen," riep hij uit.

Jacques beproefde een langen stok in zijn vaart te grijpen. Pierre

hielp hem. Ik zelf verwenschte den ouderdom, die mij krachteloos

gemaakt had als een zwak kind.

Men begon de verdediging, een zinneloos duel, drie mannen tegen den

machtigen stroom.

Gaspard wachtte met zijn balk de stukken hout af, welke het water met

geweld tegen den muur poogde te slingeren en brak met een ruwen stoot,

op korten afstand, hun kracht. Soms echter was de schok zóó hevig,

dat hij omgeworpen werd. Naast hem beproefden Pierre en Jacques met

hun langen stok hetzelfde doel te bereiken. Een uur ongeveer hielden

ze dezen ongelijken strijd vol. Langzamerhand echter lieten zij den

moed zakken, vloekende en het water verwenschende. Gaspard bracht de

golven steeds degenstooten toe, doch zij rolden voort, onverdragelijk

kalm, zonder één zichtbare wonde. Jacques en Pierre strekten zich

doodelijk vermoeid op het dak uit, terwijl Gaspard, in een laatste

poging, zich door de golven zijn balk liet ontrukken, die op zijn

beurt den aanval tegen ons begon. Er was geen vechten tegen.

Marie en Véronique waren elkander in de armen gevallen. Zij herhaalden

aldoor, op hartverscheurenden toon, dezelfde woorden, welke ik nog

onophoudelijk in mijn ooren hoor weerklinken:

"Ik wil nog niet sterven! Ik wil nog niet sterven!"

Rose sloot beide in haar armen. Zij poogde haar te troosten, haar

gerust te stellen, doch zijzelven, het bleeke hoofd opheffend, riep

ondanks zichzelf:

"Ik wil nog niet sterven!"

Alleen tante Agathe zei niets. Zij bad zelfs niet meer en haar

handen vergaten het slaan van een kruis. Half wezenloos liet zij haar

blikken ronddwalen; als zij echter de mijne ontmoetten, poogde zij

nog te glimlachen.

Nu besproeide het water zelfs de pannen. Geen hulp was meer te

verwachten. Aldoor hoorden wij een klank van stemmen, van den kant der

kerk; twee lantaarns waren een oogenblik in de verte zichtbaar geweest;

een oneindige stilte was echter weder over alles neergedaald en de

wateren stuwden meedoogenloos de gele golven voort. De bewoners van

Saintin, die schepen hadden, waren zeker voor ons door den stroom

verrast.

Gaspard bleef echter nog aldoor het dak rondwandelen. Plotseling riep

hij ons en zei:

"Wacht!... Help mij eens en hou mij vast."

Hij was weer een stok machtig geworden en bespiedde thans een

groote zwarte massa, die langzaam op het huis aandreef. Het was het

reusachtige dak van den een of anderen schuur, uit stevige planken

samengesteld, dat de golven in zijn geheel hadden wegerukt, op ons

afkomende als een vlot. Toen dit dak eenmaal binnen zijn bereik was,

hield hij 't met zijn stok tegen, voelende dat hij medegesleurd werd,

riep hij ons toe hem vast te houden. Wij hadden hem om het middel

en stonden stevig. Eenmaal in den stroom komende, dreef het van zelf

tegen ons aan en wel met zoo'n schok, dat wij vreesden het uit elkaar

te zien vallen. Dapper sprong Gaspard op dit vlot, dat het toeval ons

toezond. Hij liep er over in alle richtingen om zich van de soliditeit

te overtuigen, onderwijl Jacques en Pierre hem bij de hand vasthielden.

Vroolijk riep hij uit:

"Grootvader, wij zijn gered...... Laten de vrouwen niet meer

schreien! ...... 't Is een echt vlot, kijk, mijn voeten blijven

volkomen droog, 't Zal ons best houden. Wij zullen er beter zijn dan

op het dak." Niettemin vond hij het raadzaam de stevigheid wat te

vergrooten. Hij greep de ronddrijvende balken, bond ze met de touwen

aan elkaar, die Pierre bij toeval bij zich had gestoken, toen hij

beneden de kamers voor 't laatst had doorzocht. Hij viel zelf in

't water, doch op den kreet die ons ontsnapte, antwoordde hij met

luiden lach. Het water kende hem. Hij zwom de Garonne een mijl ver

af. Weer op het dak geklommen, schudde hij zich af en riep:

"Vooruit, laten wij geen tijd verliezen, maar ons dadelijk inschepen."

De vrouwen waren op de knieën gevallen. Gaspard moest Véronique

en Marie naar het midden van het vlot dragen, waar hij haar

neerzette. Rose en tante Agathe lieten zichzelve langs de pannen

afglijden en plaatsten zich naast de jonge meisjes. Op dit oogenblik

zag ik den kant van de kerk uit. Aimée stond daar nog altijd. Zij

leunde nu met den rug tegen een schoorsteen, hare kinderen in de hoogte

houdende met uitgestrekte armen, daar het water reeds aan haar middel

was gestegen.

"Houdt u nu goed grootvader," riep mij Gaspard toe. "Wij zullen haar in

't voorbijgaan meenemen, dat beloof ik u."

Pierre en Jacques waren eveneens op het vlot geklommen. Op mijn beurt

sprong ik er ook op. Het boog een beetje naar éénen kant over, doch

in werkelijkheid was het groot genoeg om ons allen te dragen. Gaspard

was eindelijk de laatste, die het dak verliet en ons voorstelde de

stokken te nemen, welke hij tot riemen had gevormd. Hij zelf had

een bijzonder langen genomen, waarvan hij zioh met groote handigheid

bediende. Wij lieten ons gaarne door hem bevelen. Op zijn commando

zetten wij allen de stokken tegen het dak om af te duwen. Het was

echter of het vlot aan het dak was vastgehecht. Ondanks al onze

krachtsinspanning gelukte het ons niet het los te maken. Bij elke

nieuwe poging voerde de stroom ons met kracht naar het huis terug. Dit

was wel een van de gevaarlijkste manoeuvres, daar de schok iederen

keer de planken dreigde te doen losgaan.

En opnieuw voelden wij onze kleinheid en onze onmacht.

Wij dachten gered te wezen en zagen dat wij nog altijd aan de rivier

waren overgeleverd. Ik betreurde het dat de vrouwen zich niet op

het dak bevonden; ieder oogenblik vreesde ik ze te zien neergeworpen

in het water, te zien voortgesleurd door de onstuimige golven. Toen

ik er evenwel van sprak onze oude schuilplaats weder op te zoeken,

riepen allen uit:

"Neen, neen, laten wij nog eens probeeren! Wij sterven nog liever

hier!"

Gaspard lachte niet meer. Wij hernieuwden onze pogingen, met

verdubbelde kracht op de stokken drukkende. Pierre bedacht eindelijk

om weer op het dak te klimmen en met behulp van een touw naar links

te trekken; op die wijze hoopte hij ons buiten bereik van den stroom

te brengen. Toen sprong hij weer op het vlot en een paar duwen met de

stokken deden ons werkelijk de ruimte winnen. Gaspard herinnerde zich

echter de belofte, welke hij mij gedaan had, van onze arme Aimée te

gaan halen, wier klagend geluid niet ophield. Om dat ten uitvoer te

brengen, moesten wij de straat oversteken en in den verschrikkelijken

stroom, aan wiens armen wij juist ontsnapt waren, weder terecht

komen. Hij vroeg mij met den blik om raad. Ik wist niet wat ik doen

moest, alles draaide voor mijn oogen. Acht menschenlevens gingen

wij in de waagschaal stellen. Toch, als ik een oogenblik aarzelde,

was het te laat.

"Zeker, zeker", zeide Gaspard. "Wij kunnen haar daar onmogelijk laten".

Hij boog het hoofd zonder een woord te spreken en begon met zijn

stok te sturen langs de overblijfselen der huizen. Wij voeren langs

het naburige gebouw en over onze stallen. Toen wij evenwel in de

straat kwamen, ontsnapte ons een kreet. De stroom, wiens armen ons

weder vastgrepen, sleurde ons opnieuw mee en slingerde ons tegen ons

huis. Dit alles was het werk van een paar seconden. Als een blad rolden

wij om en zoo snel, dat onze angstkreet werd gesmoord in den schok

van het vlot tegen de pannen. De planken scheurden los en dreven weg,

terwijl wij allen terecht kwamen in den woedenden stroom.

Wat er verder gebeurde, weet ik niet. Ik herinner mij alleen nog,

dat ik onder mijn val tante Agatha op het water zag liggen, drijvende

op haar rokken; ik zag haar verdwijnen, het hoofd naar achteren,

zonder zich te verroeren.

Een vreeselijke pijn deed mij de oogen openen. Het was Pierre die

mij bij de haren tegen de pannen optrok. Ik lag daar, verstomd

toeschouwende.

Pierre wierp zich opnieuw in de golven en ik verwonderde mij

plotseling Gaspard te zien opduiken op de plaats waar hij verdwenen

was, de jonge man had Veronique in de armen. Toen hij haar naast

mij gelegd had, sprong hij opnieuw te water en bracht Marie boven,

wier gelaat wasbleek was en zoo strak en onbeweeglijk, dat ik haar

dood waande. Toen ondernam hij zijn tocht voor de derde maal. Dezen

keer zocht hij echter tevergeefs. Pierre voegde zich bij hem. Zij

spraken tegen elkander en deden elkaar aanwijzingen, die ik niet

verstond. Toen zij uitgeput weer op dak klommen, riep ik uit:

"En tante Agathe, Jacques en Rose?"

Zij schudden het hoofd. Groote tranen stonden in hun oogen. Uit

de weinige woorden, welke zij mij zeiden, begreep ik dat Jacques'

hoofd verbrijzeld was door den schok van een balk. Rose had zich aan

het lijk van haar man vastgeklemd en was door hem mee in de diepte

gesleurd. Tante Agathe was niet meer boven gekomen.

Wij vermoedden dat haar lichaam, door den stroom meegevoerd, het huis

beneden ons door een open venster was binnengedreven.

Mij oprichtende zag ik naar het dak, waar Aiméé eenige minuten

tevoren, zich nog krampachtig had staande gehouden. Het water steeg

aldoor. Aimée huilde niet meer. Ik zag alleen haar verstijfde armen

nog boven het water uitsteken, waarmede zij de kinderen voor den

ondergang had hopen te redden. Toen verdween alles, het water sloot

zich boven haar. En over dat alles goot de maan een bleeken lichtgloed.

Nu waren wij nog maar met ons vijven op het dak. Het water liet ons

ter hoogte van den nok nog slechts een smallen strook over. Een der

schoorsteenen was reeds ingestort. Wij moesten de in zwijm gevallen

Véronique en Marie bijna overeind houden, wilden wij niet dat het

water hare voeten bevochtigde. Eindelijk kwamen zij weer bij en onze

angst werd grooter toen wij haar zoo doornat en bibberend zagen,

aldoor roepende dat zij niet wilden sterven. Wij stelden ze gerust,

zooals men kinderen geruststelt, zeggende dat zij niet sterven zouden,

dat wij den dood wel zouden verhinderen aan haar leven te komen. Zij

geloofden ons echter niet en voelden maar al te goed dat ook haar einde

naderde. Iederen keer dat het woord "sterven" over haar lippen kwam,

begonnen hare tanden te klapperen en deed de angst haar elkander in de

armen vallen. Dat was het einde. Van het verwoeste dorp om ons, stond

hier en daar nog een stuk muur overeind. Alleen de kerk verhief haar

toren ongerept boven het water, en een stemmengeruisch van personen,

die daar in veiligheid waren, drong gestadig tot ons door. In de

verte dreunde het zware geklots van het water. Wij hoorden zelfs het

instorten der huizen niet meer, vallende met het geluid van wagens

met steenen, die plotseling worden leeggestort. Het was een algeheele

verlatenheid, een schipbreuk in volle zee, op duizend mijlen afstands

van de kust.

Een oogenblik meenden wij ter rechterzijde 't geluid van riemen te

vernemen. Men zou gemeend hebben een zachten, gelijkmatigen slag,

die al duidelijker zich deed hooren. O, welk een heerlijke muziek vol

blijde verwachting, hoe richtten wij ons allen op om die ster van

hoop te zien dagen! Wij hielden onzen adem in. Doch wij bespeurden

niets. De gele watervlakte strekte zich rondom ons uit, hier en daar

gevlekt door schaduwvlakken, doch geen dezer zwarte stippen, kruinen

van boomen of overblijfselen van ingestorte muren, bewoog zich.

Stukken drijfhout, bundels gras, leege tonnen, veroorzaakte ons een

telkens teleurgestelde hoop; wij wuifden met onze zakdoeken, totdat

we, onze dwaling bespeurende, terugvielen in den toestand van angst,

die ontstond door het aldoor klinkende geluid, welks oorsprong wij

niet konden ontdekken.

"Ha, ik zie haar!" riep Gaspard plotseling. "Kijk daar, een groote

bark!"

En hij wees ons met uitgestrekte hand naar een ver verwijderd punt.

Ik zag niets. Pierre evenmin. Gaspard hield echter vol. 't Was wel

een bark. Het geplas der riemen in 't water werd duidelijker. En wij

eindigden zelf ook met haar te zien. Zij bewoog zich langzaam en 't

was of zij om ons heen draaide, zonder te naderen. Ik herinner mij nog

hoe wij op dat oogenblik als gek waren. Wij hieven de armen omhoog met

wild gebaar, wij stieten doordringende kreten uit, als wilden wij onze

keel stuk schreeuwen. Doch zij, zwart en stom, ging al langzamer. Was

het werkelijk wel een bark? Ik weet het nog niet. Toen wij haar meenden

te zien verdwijnen, was 't of onze laatste hoop van ons werd weggerukt.

Van nu af kon ieder oogenblik het huis ons medeslepen in zijn val. Het

was als 't ware ondermijnd en steunde nog maar op een dikken muur,

die, wanneer hij instortte, alles moest medesleuren.

Waar ik mij echter bovenal beangst om maakte, was het buigen van het

dak onder ons gewicht. Het huis zelf zou het misschien den ganschen

nacht nog wel uithouden, alleen de pannen verdwenen voor en na,

stukgeslagen en verbrijzeld door de aandrijvende balken.

Wij waren naar de rechterkant gevlucht, waar alles nog stevig in elkaar

zat. Doch ook hier scheen de verzwakking een aanvang te nemen. Als

wij alle vijf opeengehoopt bleven op dit plekje, zou de instorting

niet ver meer zijn.

Sinds eenige oogenblikken had mijn broeder Pierre zijn pijpje

werktuigelijk weer tusschen de lippen genomen. Hij draaide aan

zijn ouden soldatenknevel, de wenkbrauwen gefronsd, sombere woorden

prevelend. Het dreigend gevaar dat hem omringde en waartegen hij zich

machteloos gevoelde, begon hem ongeduldig te maken. Twee of driemalen

had hij in 't water gespogen, met een uitdrukking van minachtenden

toorn. Op eens, terwijl wij voelden dat het dak onder ons zakte,

nam hij een kort besluit en liet zich naar beneden glijden.

"Pierre, Pierre!" riep ik, bevreesd dat ik hem begreep.

Hij wendde zich bedaard om en zei:

"Vaarwel, Louis.... 't Duurt mij te lang, en 'k zal voor jelui

plaats maken".

Toen wierp hij zijn pijpje in de golven en het volgende zeide hij nog:

"Bonsoir, ik heb er genoeg van!"

Hij kwam niet meer boven. Zwemmen kon hij niet al te best. Bovendien

scheen hij zich vrijwillig over te geven, het hart gebroken door onze

ruïne en door den dood van al de onzen, die hij niet wilde overleven.

De torenklok sloeg twee uur in den morgen. De nacht ging eindigen,

die verschrikkelijke nacht vol doodstrijd en tranen.

Al kleiner en kleiner werd de droge plek onder onze voeten; het was

een aanhoudend geklots van water, van kleine kabbelende golfjes,

die aanrolden en terugvielen. Opnieuw was de stroom van richting

veranderd; het drijfhout zocht nu een weg rechts van het dorp,

langzaam drijvende, alsof de wateren bijna het hoogtepunt bereikt,

wat rust namen en loom en moe werden.

Plotseling trok Gaspard zijn schoenen en zijn vest uit. Ik had hem

gedurende enkele oogenblikken zijn handen al zien vouwen en zich de

vingers al te pletter zien drukken. Toen ik hem ondervroeg zeide hij:

"Luister eens, grootvader, ik ga nog liever dood dan zoo te moeten

afwachten. Ik kan hier niet langer blijven.. Laat mij begaan en ik

zal haar redden".

Hij sprak van Véronique. Ik wilde zijn meening bestrijden. Nooit zou

hij sterk genoeg zijn om het meisje tot aan de kerk te brengen. Hij

hield echter vol.

"Zeker, zeker. Ik heb goede armen, ik voel mij sterk .. U zal 't zien!"

Hij voegde erbij dat hij oneindig liever dezen gevaarlijken tocht

ondernam dan hier als een kind te blijven afwachten, tot het huisje

stukje voor stukje onder ons zou afbrokkelen.

"Ik bemin haar en zal haar redden", herhaalde hij.

Ik bleef stil en roerloos en drukte Marie tegen mij aan. Toen meende

hij dat ik hem zijn egoïsme euvel duidde en stamelde hij:

"Ik kom terug om Marie te halen, dat zweer ik u. Ik zal wel een boot

vinden en op de een of andere wijze raad schaffen. Vertrouw gerust

op mij, grootvader".

Slechts zijn broek hield hij aan. Snel en fluisterend richtte hij

zich tot Véronique; zij verweerde zich niet, zij gaf zich gewillig

aan hem over, niet de geringste vrees gevoelende. Op ieder zijner

gezegden antwoordde zij, als wezenloos, slechts "ja".

Na een teeken des kruizes gemaakt te hebben, schoon hij anders

volstrekt niet vroom was, liet hij zich van het dak afzakken,

Véronique aan een touw vasthoudende, dat hij onder de armen door

gebonden had. Zij stootte een vreeselijken kreet uit, sloeg met armen

en beenen in 't water en viel daar in zwijm. "Dat vind ik beter",

riep Gaspard mij nog toe. "Nu sta ik voor haar in".

Men kan zich voorstellen met welk een angst ik hen met de oogen

volgde. Op het blanke water zag ik de minste bewegingen van

Gaspard. Hij ondersteunde het jonge meisje met behulp van zijn touw,

dat hij om zijn eigen hals had geslagen; zoo droeg hij haar, half

rustende op zijn rechterschouder, voort. Soms werd het gewicht hem te

zwaar; niettemin kwam hij vooruit, zwemmende met bovenmenschelijke

inspanning. Reeds een derde van den afstand had hij afgelegd en

ik twijfelde niet meer, toen hij zich plotseling stootte aan een

onder water verborgen muur. De schok was verschrikkelijk. Beiden

verdwenen. Daarna zag ik hem weder te voorschijn komen, alleen; het

touw moest gebroken zijn. Tweemaal dook hij. Eindelijk kwam hij boven,

Véronique weder rustende op zijn rug. Hij had nu echter geen touw

meer om haar te steunen en de last werd te zwaar. Toch ging hij nog

aldoor vooruit. Ik beefde van vreugde nu ik hen al dichter de kerk

zag naderen. Plotseling, ik wilde schreeuwen, bemerkte ik balken die

op hen aandreven. Mijn mond bleef wijd open staan: een nieuwen schok

had hen gescheiden, de wateren waren weer gesloten.

Sinds dat oogenblik waren mijn zinnen verdwenen. Nog maar één gedachte

vervulde mij, die van het beest, denkend aan zijn redding. Toen 't

water nog hooger steeg, kroop ik terug. In deze verstandsverbijstering

hoorde ik eensklaps luid lachen, zonder mijzelf te kunnen verklaren wie

het deed. De zon ging op, een bleeke gloed overstroomde den hemel. Het

was heerlijk weer, frisch en kalm, als aan den kant van een vijver

voor het opgaan der zon. Aldoor klonk die luide lach en omziende zag

ik Marie rechtop staan in haar doorweekte kleeren. Zij lachte zoo.

Ach, dat arme lieve kind, wat was zij teeder en beminnelijk in

dat morgenuur! Ik zag haar zich bukken en in haar handen wat water

scheppen, waarmede zij zich het gelaat waschte. Daarop strikte zij

haar langen blonden haren in een knoop op het achterhoofd. Ongetwijfeld

maakte zij haar toilet en meende zij in haar klein kamertje te zijn, op

Zondagmorgen, als de klok vroolijk luidt. Zij bleef doorlachen met haar

kinderlijken lach, haar heldere oogen, haar van geluk stralend gelaat.

En ik, door haar waanzin aangegegrepen, begon te lachen, evenals

zij. De angst en ontzetting hadden haar krankzinig gemaakt en 't

was een geluk dat zij zoo verrukt was over de heerlijkheid van dien

lente-morgen.

Ik liet haar zich haasten, zonder evenwel iets te begrijpen en het

hoofd schuddend. Zij knapte zich op en toen zij meende gereed te

zijn, begon zij met haar glasheldere stemmetje een kerkgezang aan te

heffen. Zij viel zichzelve echter in de rede en riep als antwoord

op een stem, die haar riep en die zij alleen scheen te hooren:

"Ik ga er heen, ik kom!"

Weder begon zij haar lofzang te zingen, daalde zachtjes het dak af

en liep het water in, dat haar in zijn schoot ontving geruischloos.

Ik glimlachte aldoor en beschouwde met van geluk stralend gelaat de

plek, waar zij verdwenen was.

Daarna herinner ik mij niets meer. Ik was alleen op het dak.

Nog steeg aldoor het water. Eén schoorsteen stond nog slechts overeind

en ik geloof dat ik mij met al mijn krachten daaraan vastklemde,

als een beest, dat niet sterven wil. En daarna niets meer, niets,

een zwart gat, het eeuwige niets......

Nantas · 第 23 / 44 题