III.

Gelukkig was het dak sterk en de helling zacht. Door een klein venster,

waarboven zich een soort afdakje bevond, klom men erop. Daardoor was

het dat onze kleine familie vluchtte. De vrouwen gingen zitten. De

mannen gingen het dak rond, tot aan de hooge schoorsteenen, om hun

schuilplaats te verkennen. Uit het venster, waardoor wij zooeven naar

boven geklommen waren, onderzocht ik den horizon naar alle windstreken.

"De hulp kan niet lang uitblijven," zei ik moedig. "De mannen van

Saintin hebben schepen. Zij zullen zeker hierheen komen... kijk eens

daar beneden, is dat geen lantaarn?"

Maar niemand antwoordde mij en Pierre, zonder eigenlijk goed te weten

wat hij deed, stak zijn pijp aan en rookte zoo ruw, dat hij bij iederen

trek een stuk van zijn pijpesteel afbeet. Jacques en Cyprien staarden

met treurig gezicht in de verte, terwijl Gaspard, de vuisten ballende,

over het dak bleef rondloopen, alsof hij een uitweg zocht. Aan onze

voeten zaten de vrouwen bijeen gehurkt, sprakeloos, bibberend, het

gelaat verbergende om niets meer te zien. Rose hief echter het hoofd

op, wierp een blik om zich heen en vroeg:

"Maar de dienstboden, waar zijn die? Waarom komen die niet boven?"

Ik vermeed haar blik om geen antwoord behoeven te geven, doch zij

zag mij lang en doordringend aan, terwijl zij herhaalde:

"Maar waar zijn de dienstboden toch?"

Ik keerde mij om, daar ik er tegen opzag haar een leugen op den mouw

te spelden. Ik voelde dat de koude hand des doods ook onze vrouwen en

dochters aanraakte. Zij begrepen mij. Marie richtte zich op, zuchtte

diep en viel daarop weder neer, in tranen losbarstende. Aimée had

haar beide kinderen in haar rokken verborgen, als wilde zij ze zoo

beschermen. Véronique, het gelaat in de handen, bewoog zich niet

meer. Tante Agathe zelfs, doodsbleek, maakte het teeken des kruises

en prevelde onophoudelijk Pater's en Ave's.

Om ons heen won het schouwspel echter in vreeselijke schoonheid en

kracht. 't Was een maanlooze hemel, doch de lucht was als met sterren

bezaaid en van een zóó helder blauw, dat zij de ruimte vulde als met

een blauw licht. Het scheen dat de schemering voortduurde, zoo klaar

en helder was de horizon.

En onder dezen heerlijken hemel strekten de oneindige wateren

zich uit, schitterend blank, als glimlachend over de eigen glans,

een phosphorieke gloed die kleine vlammen deed branden op iederen

golf. Men kon van de aarde niets meer zien; de vlakte was verzwolgen

door het water. Er waren oogenblikken dat ik het gevaar vergat. Aan

de kust te Marseille had ik eens de zee gezien en ik was betooverd

geweest door hare schoonheid.

"Het water stijgt, het water stijgt," herhaalde mijn broeder Pierre,

tusschen zijn tanden nog altijd den pijpesteel vermorzelend; het vuur

was in het pijpje zelf echter gebluscht.

Het water was het dak tot op een meter genaderd. De wind stak meer

op; met de kalmte was het gedaan. Wanneer het nog iets steeg, zouden

wij door den heuvelrug, die ons nu nog beschutte, niet meer gedekt

zijn. In minder dan een uur werd het water dreigend en kreeg het een

valsch gelen gloed. Het stormde op het huis aan; tonnen, stukken hout

en hoopen gras medevoerende. Nu en dan hoorden wij hoe in de verte

de muren werden gebeukt en gerammeid. De populieren braken met een

ijzig gekraak, huizen stortten in, alsof 't karren steenen waren,

omgekeerd aan den kant van den weg.

Jacques, wiens hart verscheurd werd onder de klachten der vrouwen,

riep uit: "Wij kunnen hier niet blijven. Wij moeten wat probeeren

.... Vader, ik smeek u, laten wij 't een of ander beproeven.

"Ja, ja, er moet wat beproefd worden."

Maar geen van allen wisten we eigenlijk wat.

Gaspard bood aan Véronique op zijn rug te nemen en haar zwemmende

te redden. Pierre sprak van een vlot maken. Dat was dwaasheid

natuurlijk. Cyprien eindelijk zeide:

"Als wij de kerk slechts konden bereiken."

Met zijn vierkanten toren stak de kerk hoog uit boven het water.

Door zeven huizen waren wij van haar gescheiden.

Onze hoeve, de eerste van het dorp, grensde aan een hooger gebouw,

dat op zijn beurt weer tegen een naburig huis leunde. Misschien zou

men over de daken inderdaad de sacristie en van daar de kerk kunnen

bereiken. Reeds hadden verscheidene dorpsbewoners er een toevlucht

gezocht; de naburige daken waren tenminste ledig en wij hoorden uit

den toren het geluid van stemmen tot ons doordringen. Hoeveel gevaren

waren echter aan dien tocht verbonden!

"'t Is onmogelijk," zei Pierre. "Het huis der Raimbeau's is te

hoog. Wij zouden ladders noodig hebben om het te beklimmen."

"Toch wil ik het eens probeeren," zeide Cyprien. "En ik kom terug

als het niet gaat. Als het mij gelukt gaan wij allen en zullen wij

de vrouwen dragen."

Ik liet hem gaan. Hij had gelijk. Men moest zelfs het onmogelijke

beproeven. Door middel van een ijzeren haak, vastgemaakt in den

schoorsteen, gelukte het hem op het dak van het naburige huis te

klimmen. Het hoofd opheffende bespeurde zijne vrouw Aimée plotseling,

dat hij verdwenen was en riep uit: "Waar is hij? Ik wil niet dat hij

ons verlaat. Wij behooren bij elkaar, wij zullen ook samen sterven."

Toen zij hem op het naaste dak bespeurde, vloog zij over de pannen

heen, zonder de kinderen los te laten, uitroepende:

"Cyprien, wacht mij. Ik kom bij je, ik wil met je sterven."

En zij bleef voortgaan. Tevergeefs boog hij zich voorover en bezwoer

haar terug te keeren, zeggende dat hij terugkwam en dat het voor ons

aller welzijn was, wat hij deed. Zij scheen hem niet te begrijpen,

schudde het hoofd en herhaalde: "Ik kom bij je, ik kom bij je. Wat

er ook gebeurt, ik ga met je."

Hij moest de kinderen van haar aannemen en daarna haar behulpzaam zijn

bij 't opstijgen. Wij konden al hun bewegingen op den nok van 't huis

volgen. Zij vorderden langzaam. De beide kinderen, die schreiden,

had zij weer in haar armen genomen: bij iederen pas keerde hij zich

om, om haar te ondersteunen.

"Breng haar in veiligheid en kom dan dadelijk terug!" riep ik hem toe.

Ik zag hem de hand bewegen, doch het gebruisch van het water maakte

het onmogelijk zijn woorden te verstaan. Weldra zagen wij hem niet

meer. Zij waren op het andere huis, lager dan het eerste afgedaald. Na

verloop van vijf minuten verschenen zij op het derde, welks dak

zeer steil moest zijn, daar zij zich op de knieën langs de goot

voortbewogen. Een plotselingen angst overviel mij. Ik zette de handen

voor den mond en schreeuwde uit alle macht: "keer terug, keer terug!"

En allen, Pierre, Jacques, Gaspard, schreeuwden hun eveneens toe

terug te keeren. Een oogenblik deden onze stemmen hun stilhouden. Toen

zetten zij hun gevaarlijken tocht voort.

Thans bevonden zij zich bij den draai van de straat, vlak voor het

huis der Raimbeau's, een hoog gebouw, dat zeker drie meter boven de

andere uitstak. Een oogenblik aarzelden zij.

Cyprien klom vervolgens met de vlugheid van een kat tegen de

schoorsteenpijp op. Aimée, die had moeten beloven, hem te wachten,

bleef met de kinderen op het dak achter. Wij konden haar duidelijk

onderscheiden, de kinderen tegen haar borst aandrukkende, zwart

afstekende tegen den lichten hemel. Van dat oogenblik af, begon de

reeks van ongelukken.

Het huis der Raimbeau's, oorspronkelijk tot werkplaats bestemd,

was licht gebouwd. Ten overvloede stond het juist op den wind en

meende ik dat het beefde en schudde bij de stooten van 't water;

met beklemd hart volgde ik Cyprien, terwijl hij het dak overstak.

Plotseling deed zich een vreeselijk gerommel hooren. De maan kwam te

voorschijn, een ronde maan, eenzaam hangende aan den hemel, en wier

geel licht het onmetelijke meer verlichtte met den bleeken gloed

eener lamp. Geen enkele bijzonderheid van den ramp ontging ons.

Het huis der Raimbeau's stortte in.

Een ontzaglijke wanhoopskreet rees uit ons op, toen wij Cyprien zagen

verdwijnen. Een oogenblik zagen wij niets dan een groote opspatting

van water, waaronder het dak verdween, toen werd alles weer stil,

het water herkreeg zijn gladde oppervlakte; alleen lag daar nog als

een zwart gat het karkas van het ingevallen huis; balken en latwerk

wild dooreen geworpen. En tusschen die balken scheen zich een lichaam

te bewegen, iets levends, dat bovenmenschelijke krachten inspande.

"Hij leeft!" riep ik uit. "God zij gedankt! Hij leeft! .. Zie daarboven

dat licht dat de maan op het water werpt!"

Een zenuwachtige lach weerklonk. Wij klapten van vreugde in onze

handen, alsof wij verblijd waren over onze eigen redding.

"Hij zal wel weer bovenkomen," zeide Pierre.

"Ja zeker", voegde Gaspard er bij, "zie hij beproeft den balk aan

den linkerkant te grijpen."

Maar ons lachen verstomde. Wij wisselden geen woord meer; de keel

werd ons door de angst als toegesnoerd. Wij begrepen den vreeselijken

toestand, waarin Cyprien verkeerde. Bij het instorten van het huis

waren zijn voeten tusschen twee balken beklemd geraakt, en hij hing nu,

zonder zich los te kunnen maken, met het hoofd naar beneden, slechts

een halve handbreedte boven het water. Dat was een verschrikkelijke

doodstrijd. Op het dak van 'n naburig huis stond Aimée nog altijd

overeind, haar twee kinderen in de armen geklemd. Een zenuwschok

doortrilde haar. Zij stond daar, den dood van haar echtgenoot

voor oogen, geen oogenblik haar blikken van het vreeselijk tooneel

losmakende dat zich een paar meter onder haar afspeelde. Een wild

gehuil steeg uit haar borst op, als van een hond, die dol dreigt te

worden van pijn.

"We kunnen hem toch zoo niet laten sterven", zei Jacques. "Wij moeten

naar beneden."

"Misschien zouden wij langs de balken af kunnen dalen om hem zoo te

bevrijden," voegde Pierre er bij.

En zij spoedden zich naar het naaste dak, toen eensklaps het tweede

huis instortte. De weg was nu geheel versperd. Een afgrijselijke

huivering beving ons. Werktuigelijk grepen wij elkaars handen en

drukten ze of wij ze verbrijzelen wilden, zonder onze blikken van

het vreeselijk tooneel af te wenden.

Cyprien had eerst beproefd zich op te richten. Met buitengewone

krachtsinspanning was het hem gelukt zich van het water verwijderd te

houden, zijn lichaam in een schuine richting brengende. Die houding

was echter al te vermoeiend. Toch worstelde hij nog en poogde zich

vast te hechten aan de balken; hij sloeg de handen om zich heen om te

voelen of er niets was waaraan hij zich kon optrekken. Ziende dat er

niet te worstelen viel, gaf hij zich over, liet zich ruggelings vallen

en bleef bewegingloos hangen. 't Duurde lang voor de dood kwam. Zijn

haren raakten even het water aan, dat langzaam steeg. De verkoeling

moést hij in zijn hersenen wel voelen. Een eerste golf bedekte hem

het voorhoofd, een tweede sloot hem zijn oogen. Langzaam zagen wij

zijn hoofd verdwijnen.

De vrouwen aan onze voeten, hadden het gelaat in de handen

verborgen. Wij zelf waren op de knieën gevallen, de armen uitgestrekt,

weenend, smeekbeden fluisterend. En op het andere dak stond Aimée

nog altijd overeind met hare twee kinderen, afgrijselijk huilende in

den nacht!

Nantas · 第 22 / 44 题