Gelukkig was het dak sterk en de helling zacht. Door een klein venster,
waarboven zich een soort afdakje bevond, klom men erop. Daardoor was
het dat onze kleine familie vluchtte. De vrouwen gingen zitten. De
mannen gingen het dak rond, tot aan de hooge schoorsteenen, om hun
schuilplaats te verkennen. Uit het venster, waardoor wij zooeven naar
boven geklommen waren, onderzocht ik den horizon naar alle windstreken.
"De hulp kan niet lang uitblijven," zei ik moedig. "De mannen van
Saintin hebben schepen. Zij zullen zeker hierheen komen... kijk eens
daar beneden, is dat geen lantaarn?"
Maar niemand antwoordde mij en Pierre, zonder eigenlijk goed te weten
wat hij deed, stak zijn pijp aan en rookte zoo ruw, dat hij bij iederen
trek een stuk van zijn pijpesteel afbeet. Jacques en Cyprien staarden
met treurig gezicht in de verte, terwijl Gaspard, de vuisten ballende,
over het dak bleef rondloopen, alsof hij een uitweg zocht. Aan onze
voeten zaten de vrouwen bijeen gehurkt, sprakeloos, bibberend, het
gelaat verbergende om niets meer te zien. Rose hief echter het hoofd
op, wierp een blik om zich heen en vroeg:
"Maar de dienstboden, waar zijn die? Waarom komen die niet boven?"
Ik vermeed haar blik om geen antwoord behoeven te geven, doch zij
zag mij lang en doordringend aan, terwijl zij herhaalde:
"Maar waar zijn de dienstboden toch?"
Ik keerde mij om, daar ik er tegen opzag haar een leugen op den mouw
te spelden. Ik voelde dat de koude hand des doods ook onze vrouwen en
dochters aanraakte. Zij begrepen mij. Marie richtte zich op, zuchtte
diep en viel daarop weder neer, in tranen losbarstende. Aimée had
haar beide kinderen in haar rokken verborgen, als wilde zij ze zoo
beschermen. Véronique, het gelaat in de handen, bewoog zich niet
meer. Tante Agathe zelfs, doodsbleek, maakte het teeken des kruises
en prevelde onophoudelijk Pater's en Ave's.
Om ons heen won het schouwspel echter in vreeselijke schoonheid en
kracht. 't Was een maanlooze hemel, doch de lucht was als met sterren
bezaaid en van een zóó helder blauw, dat zij de ruimte vulde als met
een blauw licht. Het scheen dat de schemering voortduurde, zoo klaar
en helder was de horizon.
En onder dezen heerlijken hemel strekten de oneindige wateren
zich uit, schitterend blank, als glimlachend over de eigen glans,
een phosphorieke gloed die kleine vlammen deed branden op iederen
golf. Men kon van de aarde niets meer zien; de vlakte was verzwolgen
door het water. Er waren oogenblikken dat ik het gevaar vergat. Aan
de kust te Marseille had ik eens de zee gezien en ik was betooverd
geweest door hare schoonheid.
"Het water stijgt, het water stijgt," herhaalde mijn broeder Pierre,
tusschen zijn tanden nog altijd den pijpesteel vermorzelend; het vuur
was in het pijpje zelf echter gebluscht.
Het water was het dak tot op een meter genaderd. De wind stak meer
op; met de kalmte was het gedaan. Wanneer het nog iets steeg, zouden
wij door den heuvelrug, die ons nu nog beschutte, niet meer gedekt
zijn. In minder dan een uur werd het water dreigend en kreeg het een
valsch gelen gloed. Het stormde op het huis aan; tonnen, stukken hout
en hoopen gras medevoerende. Nu en dan hoorden wij hoe in de verte
de muren werden gebeukt en gerammeid. De populieren braken met een
ijzig gekraak, huizen stortten in, alsof 't karren steenen waren,
omgekeerd aan den kant van den weg.
Jacques, wiens hart verscheurd werd onder de klachten der vrouwen,
riep uit: "Wij kunnen hier niet blijven. Wij moeten wat probeeren
.... Vader, ik smeek u, laten wij 't een of ander beproeven.
"Ja, ja, er moet wat beproefd worden."
Maar geen van allen wisten we eigenlijk wat.
Gaspard bood aan Véronique op zijn rug te nemen en haar zwemmende
te redden. Pierre sprak van een vlot maken. Dat was dwaasheid
natuurlijk. Cyprien eindelijk zeide:
"Als wij de kerk slechts konden bereiken."
Met zijn vierkanten toren stak de kerk hoog uit boven het water.
Door zeven huizen waren wij van haar gescheiden.
Onze hoeve, de eerste van het dorp, grensde aan een hooger gebouw,
dat op zijn beurt weer tegen een naburig huis leunde. Misschien zou
men over de daken inderdaad de sacristie en van daar de kerk kunnen
bereiken. Reeds hadden verscheidene dorpsbewoners er een toevlucht
gezocht; de naburige daken waren tenminste ledig en wij hoorden uit
den toren het geluid van stemmen tot ons doordringen. Hoeveel gevaren
waren echter aan dien tocht verbonden!
"'t Is onmogelijk," zei Pierre. "Het huis der Raimbeau's is te
hoog. Wij zouden ladders noodig hebben om het te beklimmen."
"Toch wil ik het eens probeeren," zeide Cyprien. "En ik kom terug
als het niet gaat. Als het mij gelukt gaan wij allen en zullen wij
de vrouwen dragen."
Ik liet hem gaan. Hij had gelijk. Men moest zelfs het onmogelijke
beproeven. Door middel van een ijzeren haak, vastgemaakt in den
schoorsteen, gelukte het hem op het dak van het naburige huis te
klimmen. Het hoofd opheffende bespeurde zijne vrouw Aimée plotseling,
dat hij verdwenen was en riep uit: "Waar is hij? Ik wil niet dat hij
ons verlaat. Wij behooren bij elkaar, wij zullen ook samen sterven."
Toen zij hem op het naaste dak bespeurde, vloog zij over de pannen
heen, zonder de kinderen los te laten, uitroepende:
"Cyprien, wacht mij. Ik kom bij je, ik wil met je sterven."
En zij bleef voortgaan. Tevergeefs boog hij zich voorover en bezwoer
haar terug te keeren, zeggende dat hij terugkwam en dat het voor ons
aller welzijn was, wat hij deed. Zij scheen hem niet te begrijpen,
schudde het hoofd en herhaalde: "Ik kom bij je, ik kom bij je. Wat
er ook gebeurt, ik ga met je."
Hij moest de kinderen van haar aannemen en daarna haar behulpzaam zijn
bij 't opstijgen. Wij konden al hun bewegingen op den nok van 't huis
volgen. Zij vorderden langzaam. De beide kinderen, die schreiden,
had zij weer in haar armen genomen: bij iederen pas keerde hij zich
om, om haar te ondersteunen.
"Breng haar in veiligheid en kom dan dadelijk terug!" riep ik hem toe.
Ik zag hem de hand bewegen, doch het gebruisch van het water maakte
het onmogelijk zijn woorden te verstaan. Weldra zagen wij hem niet
meer. Zij waren op het andere huis, lager dan het eerste afgedaald. Na
verloop van vijf minuten verschenen zij op het derde, welks dak
zeer steil moest zijn, daar zij zich op de knieën langs de goot
voortbewogen. Een plotselingen angst overviel mij. Ik zette de handen
voor den mond en schreeuwde uit alle macht: "keer terug, keer terug!"
En allen, Pierre, Jacques, Gaspard, schreeuwden hun eveneens toe
terug te keeren. Een oogenblik deden onze stemmen hun stilhouden. Toen
zetten zij hun gevaarlijken tocht voort.
Thans bevonden zij zich bij den draai van de straat, vlak voor het
huis der Raimbeau's, een hoog gebouw, dat zeker drie meter boven de
andere uitstak. Een oogenblik aarzelden zij.
Cyprien klom vervolgens met de vlugheid van een kat tegen de
schoorsteenpijp op. Aimée, die had moeten beloven, hem te wachten,
bleef met de kinderen op het dak achter. Wij konden haar duidelijk
onderscheiden, de kinderen tegen haar borst aandrukkende, zwart
afstekende tegen den lichten hemel. Van dat oogenblik af, begon de
reeks van ongelukken.
Het huis der Raimbeau's, oorspronkelijk tot werkplaats bestemd,
was licht gebouwd. Ten overvloede stond het juist op den wind en
meende ik dat het beefde en schudde bij de stooten van 't water;
met beklemd hart volgde ik Cyprien, terwijl hij het dak overstak.
Plotseling deed zich een vreeselijk gerommel hooren. De maan kwam te
voorschijn, een ronde maan, eenzaam hangende aan den hemel, en wier
geel licht het onmetelijke meer verlichtte met den bleeken gloed
eener lamp. Geen enkele bijzonderheid van den ramp ontging ons.
Het huis der Raimbeau's stortte in.
Een ontzaglijke wanhoopskreet rees uit ons op, toen wij Cyprien zagen
verdwijnen. Een oogenblik zagen wij niets dan een groote opspatting
van water, waaronder het dak verdween, toen werd alles weer stil,
het water herkreeg zijn gladde oppervlakte; alleen lag daar nog als
een zwart gat het karkas van het ingevallen huis; balken en latwerk
wild dooreen geworpen. En tusschen die balken scheen zich een lichaam
te bewegen, iets levends, dat bovenmenschelijke krachten inspande.
"Hij leeft!" riep ik uit. "God zij gedankt! Hij leeft! .. Zie daarboven
dat licht dat de maan op het water werpt!"
Een zenuwachtige lach weerklonk. Wij klapten van vreugde in onze
handen, alsof wij verblijd waren over onze eigen redding.
"Hij zal wel weer bovenkomen," zeide Pierre.
"Ja zeker", voegde Gaspard er bij, "zie hij beproeft den balk aan
den linkerkant te grijpen."
Maar ons lachen verstomde. Wij wisselden geen woord meer; de keel
werd ons door de angst als toegesnoerd. Wij begrepen den vreeselijken
toestand, waarin Cyprien verkeerde. Bij het instorten van het huis
waren zijn voeten tusschen twee balken beklemd geraakt, en hij hing nu,
zonder zich los te kunnen maken, met het hoofd naar beneden, slechts
een halve handbreedte boven het water. Dat was een verschrikkelijke
doodstrijd. Op het dak van 'n naburig huis stond Aimée nog altijd
overeind, haar twee kinderen in de armen geklemd. Een zenuwschok
doortrilde haar. Zij stond daar, den dood van haar echtgenoot
voor oogen, geen oogenblik haar blikken van het vreeselijk tooneel
losmakende dat zich een paar meter onder haar afspeelde. Een wild
gehuil steeg uit haar borst op, als van een hond, die dol dreigt te
worden van pijn.
"We kunnen hem toch zoo niet laten sterven", zei Jacques. "Wij moeten
naar beneden."
"Misschien zouden wij langs de balken af kunnen dalen om hem zoo te
bevrijden," voegde Pierre er bij.
En zij spoedden zich naar het naaste dak, toen eensklaps het tweede
huis instortte. De weg was nu geheel versperd. Een afgrijselijke
huivering beving ons. Werktuigelijk grepen wij elkaars handen en
drukten ze of wij ze verbrijzelen wilden, zonder onze blikken van
het vreeselijk tooneel af te wenden.
Cyprien had eerst beproefd zich op te richten. Met buitengewone
krachtsinspanning was het hem gelukt zich van het water verwijderd te
houden, zijn lichaam in een schuine richting brengende. Die houding
was echter al te vermoeiend. Toch worstelde hij nog en poogde zich
vast te hechten aan de balken; hij sloeg de handen om zich heen om te
voelen of er niets was waaraan hij zich kon optrekken. Ziende dat er
niet te worstelen viel, gaf hij zich over, liet zich ruggelings vallen
en bleef bewegingloos hangen. 't Duurde lang voor de dood kwam. Zijn
haren raakten even het water aan, dat langzaam steeg. De verkoeling
moést hij in zijn hersenen wel voelen. Een eerste golf bedekte hem
het voorhoofd, een tweede sloot hem zijn oogen. Langzaam zagen wij
zijn hoofd verdwijnen.
De vrouwen aan onze voeten, hadden het gelaat in de handen
verborgen. Wij zelf waren op de knieën gevallen, de armen uitgestrekt,
weenend, smeekbeden fluisterend. En op het andere dak stond Aimée
nog altijd overeind met hare twee kinderen, afgrijselijk huilende in
den nacht!