II.

Aan Lucia.

Ik wil naar waarheid mijne Vrouwe loven,

Wier schoonheid roze en lelie bei gelijkt,

Ze is als de morgenster, als al wat boven

Ons schoon en stralend aan den hemel prijkt.

Al kleur en tint van bonte bloemenhoven,

Van lucht en groene beemden haar gelijkt,

Goud en lazuur voor haren glans verdooven

En Amor zelf schijnt door hààr schoon verrijkt.

Zij gaat, getooid van zòòveel lieflijkheden,

Dat ze ieders hoogmoed breekt door haren groet

En elken heiden 't waar geloof zou schenken.

Nooit kan een laag man voor haar aanschijn treden.

Maar grooter nog is 't wonder dat zij doet:

Wie haar aanschouwt kan niets wat slecht is denken.

Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova) · 第 33 / 48 题