Het edel hart.
Het edel hart is Liefde's wijk en wapen,
Gelijk voor 't vogelken het dicht geblaart;
Niet heeft Natuur de Liefde 't eerst geschapen,
Noch eer dan Liefde 't Hart van eedlen aard.
Maar zooals mèt de zon
Van aanvang af het licht de ruimte kliefde,
Doch éér niet stralen kon;
Zoo woont in al wat edel is en puur
Vanzelf de zoete Liefde,
Gelijk de gloed in 't glanzen van het vuur.
Der Liefde vuur komt in 't eêl harte stralen
Als zuivre glans in kostelijken steen:
Geen ster kan tooverkracht in hem doen dalen
Eer hem het loutrend licht der zon bescheen.
Maar dan, wanneer dier kracht
Al 't slechte uit zijnen aard wegzengde en blaakte,
Krijgt ook de ster haar macht.
Zoo kan een vrouw in 't hart dat door Gods gloed
Tot eedle deugd ontwaakte,
Haar Liefde stralen als 't die sterre doet.
De Liefde heeft het edel hart tot woning
Zooals de vlam den top van de flambouw;
Zij straalt er fier tot eigen vreugd en looning,
Alsof zij nimmer anders branden zou.
Wie slecht is van natuur,
Vermag zoo min de Liefde te verdragen
Als water 't heete vuur.
Besloten ligt de Liefde in 't harte rein,
Als in verborgen lagen
Een diamant in 't ijzer eener mijn.
Moog' heel den dag de zon het slijk bestralen:
't Blijft vuil; de zon haar zuivren glans behoudt.
"'k Ben edel van geboort", wie dùs kan pralen
Is als dit slijk, de Deugd is 't zonnegoud.
Geloove niemand ooit,
Dat adel buiten 't edel hart kan leven:
Wien konings hoogheid tooit
Blijft laag zelfs, zoo niet Deugd zijn hart doordringt,
Dat kaatse als water 't beven
Van sterrenglans die uit den hemel blinkt.
De Schepper straalt voor 's hemels Intellekten
In klaarder gloed dan voor ons oog de zon.
Ontfloersd aanzien ze 't Licht dat hen verwekte,
En in aanbidding voor der Waarheid bron,
Bereikt van aanvang af
Hun streven doel, naar Gods algoed beschikken.--
Dat zòò mijn Vrouwe ook gaf
De waarheid van haar eedle deugd, die straalt
Uit hare zuivre blikken,
Aan mij die nimmer haar te minnen faalt!
Mijn Vrouwe, "Wat vermat ge u!" zal God spreken,
Wanneer mijn ziel ten laatste voor hem staat.
"Kwaamt ge alle heemlen door tot mij geweken,
Te plaatsen mij naast minne die vergaat?
Uw lof zij slechts gericht
Tot mij alleen en die genaderijke
Voor wie àl logen zwicht."
Maar 'k antwoord: "Met een engel die gìj zond,
Moest ik haar wel gelijken;
Zoo laak het niet dat mij haar liefde bond."