(Hij was minister van keizer Frederik II en een man van groot gezag,
totdat hij, onder verdenking van verraad, in de gevangenis werd
geworpen. Hij pleegde zelfmoord in 1249. Het onderstaande sonnet is,
evenals het daarop volgende van Lentino, een antwoord op een sonnet
van Jacopo Mostacci, den valkenier des keizers, die twijfel geuit
had aan het bestaan der Liefde "omdat zij nooit zichtbaar verschijnt".)
Wijl Liefde nimmer zichtbaar is verschenen.
Als een lichamelijk en tastbaar ding,
Zijn er nog enkelen die dwaaslijk meenen
Dat liefde niets is dan begoocheling.
Maar wijl zij met een macht niet te verkleenen,
Heerscht in het hart van elken sterveling,
Moet men veel hooger waarde haar verleenen,
Dan zoo men haar kon zien als zichtbaar ding.
Hoe de magneet door zijn verborgen kracht
Het ijzer aantrekt kan geen mensch aanschouwen;
Toch trekt hij het, en onweerstaanbaar aan.
En dit heeft mij tot het geloof gebracht,
Dat liefde is en schenkt mij vast vertrouwen
Dat men dit ook gelooven blijft voortaan.