De uitgeefster dezer Brieven heeft den beoordeelaar voor een
moeilijk vraagstuk gesteld. Tusschen de regelen bevat dit tweede
deel de uitnoodiging een oordeel uit te spreken in de zaak, welke
ons hier voorgesteld wordt. Het heele boek bevat één doorloopende
aanklacht tegen Van Lennep. Het is alsof er tusschen de nagedachtenis
van Van Lennep en die van Dekker beslist moet worden. Het is eene
beschuldiging van Van Lennep wegens verraad (dit woord wordt in de
Brieven herhaaldelijk gebruikt), verraad aan de vriendschap, die hij
met Dekker had aangegaan, eene beschuldiging, die, in de schatting der
volbloed-Multatulianen zich ongetwijfeld vergroot tot een van verraad
jegens het vaderland, omdat, zoo redeneeren zij, had de Havelaar
uitgewerkt hetgeen Dekker er mede bedoelde, dan zoude Dekker het
bestuur der koloniën of iets dergelijks in handen hebben gekregen
en zou het vaderland tot bloei en grootheid zijn gebracht. Ja, het
jongere, radikale, geslacht in Nederland zal er eene beschuldiging te
meer in zien tegen het oude régime, vertegenwoordigd door een zijner
leiders, Van Lennep.
Er is echter nog een andere zijde aan dit vraagstuk, en als wij het
van die zijde bezien ontwaren we, dat wij dubbel voorzichtig en vooral
niet voorbarig moeten zijn met het formuleeren eener opinie. Wij
bedoelen: als wij den blik wenden naar Van Lennep's nakomelingen. Al
achten wij, naar onze persoonlijke meening, karakterdeugden van een
sekundair belang waar het de appreciatie van verbijsterend groote
talenten geldt (uitdrukking van Huet),--wij achten Van Lennep, gelijk
reeds werd aangemerkt, volstrekt niet een talent van die grootte
te zijn. Opdat hij eenigszins eene reputatie behoude, moet zijn
karakter onaangetast blijven. Dit meenen wij niet alleen, dit meenen
ongetwijfeld zijne nakomelingen evenzeer, en hij zelf was niet minder
van die meening. 2 October 1863 schrijft Van Lennep aan Multatuli:
".... ik ben herhaaldelijk door u in openbaren druk beschuldigd,
gespeculeerd te hebben op uw boek. Niet voor het publiek, waar ik
mij evenmin aan stoor als gij het doet, maar voor mijn kinderen en
kindskinderen, wien ik gaarne het bewijs wilde nalaten, dat geen
vlek van baatzucht op mij kleeft, verlang ik van u een schriftelijke
retractatie van die beschuldiging."
Laat ons, voor we ons eene meening over deze zaak vormen, met aandacht
en kalmte nagaan wat er eigenlijk was geschied. Om met juistheid en
volledigheid Dekker's eigen interpretatie der feiten te doen kennen,
zouden wij den brief, waarin hij aan zijn advokaat, Mr. Faber, een
exposé van den toestand geeft, geheel en al moeten aanhalen; doch
wegens de te groote uitgebreidheid van dien brief moeten wij daarvan
afzien. Dit stuk bevat trouwens bijzonderheden over de armoede en het
ongeluk, waarin Dekker verkeerde toen hij tot den heer Van Lennep kwam,
die wel zeer geschikt zijn om den heer Faber een juiste waardeering van
den toestand te geven, naar moreelen maatstaf; maar die ons vooreerst
reeds meer dan bekend zijn en ten andere tot de feiten als zoodanig
niets afdoen.
Laat ons zien, wat was er gebeurd, waarover liep het proces?
Toen Dekker in het voorjaar van 1860 in Brussel was gaan wonen met
zijn gezin om eenige rust te genieten, daartoe in staat gesteld door
Van Lennep's voorschot op de opbrengst van Max Havelaar (zoo als de
heer Van Lennep het later volhield), daartoe in staat gesteld door
een voorschot van den heer Van Lennep buiten verband met de eventueele
opbrengst van M. H. (zooals Dekker steeds bleef beweren); toen Dekker
dus in Brussel vertoefde, ontving hij van Van Lennep een schrijven,
waarin de volgende alinea:
"Om nu met De Ruyter een contract te kunnen maken dien ik bewijs
te hebben, dat ik daartoe recht heb. Noch hij, noch eenig uitgever
zal natuurlijk drukken, veelmin geld geven zonder overdracht van
het copyrecht, en dat kan ik hem niet overdragen, zonder te kunnen
aantoonen dat ik het bezit. Wees daarom zoo goed mij met het adres
aan Sire een stuk op zegel (Belgisch) te zenden, waarbij gij verklaart
mij het copyrecht over het werk, getiteld enz., te hebben afgestaan,
en daarvoor te zijn voldaan naar uw genoegen. Ik kan dan in de
overeenkomst die ik met De Ruyter maak..."
Dekker voldeed aan dit verlangen door aan Van Lennep de volgende akte
van cessie te zenden:
"De ondergeteekende Eduard Douwes Dekker, schrijver van het werkje,
getiteld: Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche
Handelmaatschappij, door Multatuli, verklaart het copyrecht over
gezegd werk te hebben afgestaan aan den heere Mr. J. van Lennep,
zijnde de ondergeteekende daarvoor naar genoegen en volkomen
voldaan.