Doch ik zal deze conditiën niet zeggen, eerst wil ik zien wat hij
biedt."
Den 22sten November ontving Dekker twee honderd gulden van zijn
broêr, om zijn schuld bij den Brusselschen waard af te doen en naar
Amsterdam te reizen. Den 23sten vertrok hij en kwam dienzelfden dag
te Amsterdam aan.
Tot zoover de opeenvolging der feiten, die wij thans hebben nagegaan
tot het punt, waar het eerste deel der Brieven en de eerste faze
van Dekker's lijdensgeschiedenis eindigt. Want, al hebben wij
er niet telkens en telkens de aandacht op gevestigd, daar uit de
feiten zelf genoeg het lijden bleek, dat er in gelegen was voor hem,
wiens geschiedenis zij uitmaken, en daar het ons er hier vooral om te
doen was, helder te doen blijken, welken indruk de vijandig gezinde
familieleden en kennissen, die ver af woonden en natuurlijk alleen
oordeelden naar den uiterlijken schijn der dingen, ontvingen; want,
herhalen wij, geleden heeft Dekker in deze jaren waarschijnlijk
meer, dan wie ook, die niet uit eigen ondervinding weet hoe hevig
het doorleven van zulke toestanden menschen van Dekker's geëxalteerd
temperament aandoen, zoude kunnen beseffen.
Want behalve door het, niemand buiten hem en hem zelf ternauwernood
toen nog bekende, letterkundig talent, onderscheidde Dekker's persoon
in de woeste levensperiode, welke wij hem hebben zien doorloopen, zich
ook nog hierdoor van gewone avonturiers, dat, terwijl deze lieden zich
juist plegen te kenmerken door de grijnslachende onverschilligheid,
waarmede zij alle tegenspoeden doorleven, mits die hun maar geen
onmiddellijke physieke pijn of ongemakken veroorzaken,--Dekker's
buitengewoon zenuwgestel door dat onregelmatig en koortsachtig leven
ten eenenmale werd van streek gebracht.
Maar,--en zoo keeren wij tot ons uitgangspunt terug--de feiten blijven
de feiten, en niemand, vermoeden wij, die er zich verwonderd over zal
betoonen, dat "de menschen" niet veel goeds, maar alles slechts in
Dekker's gedragingen vonden, van het oogenblik af dat hij zijn vrouw
alleen in Indië achterliet tot dat waarop zij te Brummen vertoefde
en hij in Brussel geheel aan lagerwal was geraakt.
Twee zaken waren er,--dus zullen sommigen oordeelen,--waardoor
Dekker zich dan toch gunstig van gewone avonturiers onderscheidde en
die in het oog moesten springen; te weten: zijn beminnelijkheid en
edelmoedigheid, èn zijn hoogere geestesaanleg, die wel in de verste
verte niet de allerbuitengewoonste hoogte kon doen vermoeden, waarop
zijn talent later zou schitteren, maar waaruit toch bleek, dat hij,
in den gewonen zin des woords, een begaafd man was. En deze twee
zaken,--dus zal men konkludeeren--zouden het oordeel en de houding
der familie hebben moeten wijzigen.
Wij zullen repliceeren met eene verwijzing naar hetgeen wij omtrent
publieke vrouwen in 't algemeen in 't midden hebben gebracht. Evenals
publieke vrouwen meestal enkele zeer goede eigenschappen hebben, zijn
de meeste avonturiers daarvan ook niet verstoken, en de eigenaardigheid
van hun bestaan, het voortdurend leven op plaatsen van openbaar
vermaak, het dagelijks den heelen dag luieren in koffiehuizen,
speelzalen en diergelijke, het voortdurend in aanraking zijn met
gezelschappen van menschen van allerlei slag, ontwikkelt de deugden
in hen, die men de eigenaardige deugden van den Gesellschafter
noemen kan: de beminnelijkheid en daaraan verwante goedhartigheid en
edelmoedigheid. Avonturiers b.v. zijn in 't algemeen veel goedhartiger
en edelmoediger dan parvenu's, die zich met verwaande deftigheid
van armen en on gelukkigen afkeeren, dan vele gezeten burgers,
wier deugden eerder in spaarzaamheid, zedelijkheid, zindelijkheid en
stiptheid in handel en wandel bestaan. Avonturiers: drinkers, spelers,
hoereerders, gewoon hun leven te verdeelen of liever verdeeld te zien
in tijdperken van weelde en losbandigheid, en van armoede en gebrek,
tot gewoonte hebbend hun zóo-gewonnen geld dadelijk te verkwisten,
vinden het gooien met groote sommen iets zoo natuurlijks, dat zij
ook in hun aalmoezen-geven buitensporig zijn en zij even graag
een tientje in de hand eens armen doen glijden, als meer bezadigde
menschen daarin een kwartje zouden deponeeren. Dus de edelmoedigheid
in dezen zin maakte Dekker niet tot een uitzondering onder de lieden,
waarmede zijn verwanten hem gelijk stelden.
En wat de begaafdheid, het vernuftige, aangaat, ook hierin hebben vele
chevaliers d'industrie het tamelijk ver gebracht. Niet alleen heeft
het avontuurlijke leven, het leven van reizen en trekken, van hotels,
koffiehuizen en kroegen, van spoorweg-coupé's, stoombootdekken en
kajuiten, van stadstrammen en dorpsdiligences, het leven in gewesten
van allerlei klimaat en aspekt, het omgaan met menschen van allerlei
ras, stand en karakter, eene dagelijks gevoed wordende ongewone
vatbaarheid voor indrukken in hen doen ontstaan, en een vernuftig
gemak van beweging en konversatie, waardoor eenvoudige lieden worden
overbluft en meer ontwikkelde aangenaam beziggehouden; maar het is of
hun vernuft zich,--daar zij toch allen een vaag besef hebben van de
groote lakune, het gemis aan degelijkheid, in hun leven--bij uitstek
gescherpt heeft op het punt, dat het recht-praten van hun eigen kromme
leven betreft.
Er bestaat bijna geen min of meer toonbaar avonturier, die u, in
oogenblikken van gemoedelijkheid als zijne stem week wordt en zelfs
zijn oog vochtig, niet fraai en breedvoerig weet uit te leggen, òf dat
hij het slachtoffer is der vervolgingen van het noodlot, dat hij heel
anders terecht had kunnen komen indien alles hem maar niet zoo ware
tegengeloopen, en dat hij zich, door losbandig en onwaardig te leven,
nu wreekt op de meêdoogenloosheid van het leven jegens hem; òf hij
neemt de tegenovergestelde houding aan, en overreedt u, in een kunstig
samengesteld pleidooi, opgeluisterd door geschiedkundige voorbeelden
en spitsvondige redeneeringen, dat zijn manier van leven de slimste,
de beste, de prettigste is. Zij die arbeiden en een goed geregeld
maatschappelijk leven leiden, nu ja, dat zijn de sukkels, de domooren,
hij en de zijnen begrijpen het leven eerst op de goede manier. Wat de
geregelde lieden in een jaar tijds van hoofdbrekens en moeilijk werk
winnen,--wèl, dat wint hij in éen avond aan een speeltafel. Overigens,
leven de meeste aanzienlijken, de hoogst-aanzienlijken, zij die niets
behòeven te doen om den broode, niet even als hij, met alleen een
verschil in de onderdeelen, een verschil van minder of meer; bestaat
niet het leven van vele vorsten en prinsen uit een aaneenschakeling
van vermaken, van reizen en feestvieren, van dansen en jagen en eten
en drinken?... Zoo zijn de redeneeringen dezer menschen.
Vele avonturiers buitendien maken een aardig gezelschapsvers, zitten
vol woordspelingen en behendige replieken.
Dus, konkludeeren wij, noch de beminnelijkheid, noch wat men in den
gewonen zin vernuftigheid noemt, kon ten opzichte van Dekker de oogen
der menschen openen en hen in hem iets anders dan een niet van het
type afwijkend avonturier doen zien.
Er kwam nog bij,--wat in dit geval een buitengewoon gewicht in de
schaal legde, daar Dekkers verwanten van zijn vrouws kant tot de
zeer vrome geloovigen behoorden,--dat hij in hunne schatting een
brutaal godloochenaar was. Hij vereenigde dus in zich ongeveer alle
eigenschappen, die hem in hunne oogen tot het afschuwelijkste individu
moesten maken, dat men zich denken kan. Hij was hun tegenvoeter, in
alles; en omdat hij tot hunne familie behoorde en zij dus beducht
waren dat zijn leelijke reputatie ook hunnen naam zou smetten,
groeide hun afkeer tot haat.
Doch wij willen dat alles slechts beschouwen als een vraagstuk
ondergeschikt aan dat andere, dat de geheele verhouding van Dekker
tegenover "de menschen" beheerschte, dat de kern vormt van het groote
misverstand van zijn leven, met de behandeling waarvan wij te gelijk in
het tweede deel der Brieven en in de tweede faze van zijn leven komen.
Wij willen namelijk beweren, dat,--een waarheid die trouwens
duidelijk blijkt uit de houding der familie ná het verschijnen van
Max Havelaar en den door den schrijver verworven naam,--al ware de
familie van den beginne af aan op de hoogte geweest van Dekker's
buitengewone schrijversgaven (iets, dat niets te maken heeft met het
soort vernuftigheid, waarvan wij boven spraken)--zij toch zich niet
wezenlijk anders jegens hem zou gedragen hebben dan zij nu deed. Zij
zou hem dan misschien wel niet matroos of hofmeester op een schip
willen maken, maar toch zou zij zich geheel van hem vervreemd hebben
en God gebeden hem nooit te mogen ontmoeten.
Voor wij nu verder gaan om deze bewering te staven en toe te lichten,
willen wij den geestestoestand van Dekker zelven beschouwen, zooals
die geworden was in deze jaren van wild leven buiten de Hollandsche
maatschappij, om daardoor des te duidelijker te doen uitkomen het
schrille kontrast tusschen hem aan den eenen en die maatschappij
aan den anderen kant, dat de oorzaak werd der mislukking van zijn
leven. Want zijn leven, hoe vorstelijk geslaagd een gedeelte van het
thans levend geslacht het moge achten,--is mislukt in wat hij zelf
er van had willen maken. Op menige plaats in zijn werk kan men het
bewijs van deze stelling vinden.
Indien er een schril kontrast bestaat tusschen Multatuli aan den
eenen en de maatschappij aan den anderen kant,--een kontrast ook,
dat weinig minder opvallend is, wordt waargenomen tusschen Dekker's
uiterlijke omstandigheden en het zelf-gevoel in zijn binnenste, in
den tijd van zijn vertrek uit Indië af tot lang na het verschijnen van
Max Havelaar toe. Dit zelf-gevoel zou door de prikkels van buiten al
grooter en grooter worden, tot hij, eenmaal in het publiek getreden,
het geheel van onder zijne beheersching zal hebben verloren en het
te pas en te onpas op de geweldigste wijze zal uiten.
Was hij naar het uiterlijke een avonturier, behoorde hij
oogenschijnlijk tot een der minst eerbiedwaardige klassen van
personen,--innerlijk gevoelde hij zich groot en verheven boven alle
menschen, innerlijk droeg hij de wetenschap met zich van bij de
meest eerbiedwaardige aller menschen te behooren. Wel was hij zich in
't minst niet van letterkundige bekwaamheden bewust, wel moest zijn
letterkundige genialiteit nog geheel aan hem zelf ontdekt worden, maar,
juist door de weinige bepaaldheid, door de vaagheid, sterker, droeg
hij het bewustzijn in zich van een kracht, een grootheid, datgene wat
iemand een groot man maakt, eene groote en schoone ziel, te bezitten.
Nu, met de kracht van de verontwaardiging, met de kracht van het
protest, groeide tegen de verdrukking in, tegen de verdrukking van
den uiterlijken schijn in, het zelf-gevoel in zijn binnenste, dat
later tot zelf-verheerlijking uitdijen zoude, en hoe lager hij zonk
hoe hooger hij zich gevoelde.
Hij was voortdurend onder vreemdelingen en kon aan niemand openbaren
wat er in hem omging. Hieraan moet het worden toegeschreven, dat
de zelf-verheerlijking in hem vastgroeide hoe langer hoe hechter,
en voor goed onuitroeibaar zou worden. Hij was geheel alleen, van
allen verlaten, daarom klemde hij zich met alle macht vast aan den
eenigen steun die hem overbleef: het geloof aan zich zelf.
Nu, nu dit zoo was, nu allen hem hadden verlaten, nu hij door
iedereen voor een ellendeling werd gehouden, nu de menschen en de
omstandigheden, nu de geheele wereld om zoo te zeggen tegen hem was
gekeerd en hem verachtte,--nu, zoo kan men zich het spreken der stem in
zijn binnenste voorstellen, nu zou hij ook álles doen en álles zijn,
nu zou er ook niets zijn wat hij niet bereiken zou, nu zou hij tot
de hoogste hoogte klimmen, waartoe ooit menschen waren gekomen, neen,
hooger nog, de grootste droom, die ooit het onderwerp van menschelijke
eerzucht was, zou hij verwezenlijken.
Wie of wat hem daartoe in staat stelde? Wel hij, hij zelf, zijn
kracht, zijn eigenschap van de grootste aller menschen te zijn, was
't die hem er toe in staat stelde. En wat dan de nadere aanduiding
was van wat hij eigenlijk doen zou? Wel, hij zou zijn land tot het
beroemdste der landen, hij zou zijn volk tot het gelukkigste der,
tot een voorbeeld voor alle volken maken, en zijn gezin zou hij uit
de diepste ellende tot de hoogste sport van eer en aanzien voeren...
Zoo bruiste en brandde het in zijn gedachte.
Het resultaat was, dat hij een schoon letterkundig werk maakte. Nooit
heeft hij een zweem van het vermoeden gehad, dat zijn zelf-gevoel,
zoo ongekontroleerd, zoo in 't wilde weg als het was, uit niets anders
bestond dan uit de universeele grootheidsfantazieën die menschen met
veel artistieken aanleg niet zelden in zich omdragen, en die geheel
verkeerd uitkomen zoodra zij ze bij vergissing eens in de werkelijkheid
beproeven toe te passen.
Gelijk bekend is, wilde hij later van de letterkundige schoonheid
van Max Havelaar niets hooren. Want,--zoo droomde hij,--een boek,
dat daar voor u ligt, een stapel papier; en ... woorden van lof
daarover uit de monden van menschen, van eenige in burgerkleêren
gestoken menschen, die men zoo nu en dan ontmoet, en voorts in de
kolommen van dagbladen, op de bladzijden van tijdschriften, regels van
zwarte letters op wit papier,--wat was díe realiteit in vergelijking
met die, welke een buitengewoon mensch van zíjn grootheid omgeven
moest! Wat hadden díe zaken uit te staan met de heerschappij en de
glorie, die hem wachtte, hem, Multatuli, den éersten man eener natie,
den wereldhervormer, den machthebber, die zich al zag gedragen in een
gouden draagkoets met purperen gordijnen, voorafgegaan van muzikanten
en zonneschermdragers in scharlaken livrei, met een gevolg van
militairen in schitterende uniformen, omgeven, op eerbiedigen afstand,
van de menigte des volks, hoogen en lagen in aanzien en stand, die
allen hem bewonderende blikken toewierpen en hem liefhadden als hun
weldoener en de beschermheer hunner landen. Wat was er voor verband
tusschen die onnoozele kleinigheden en hem, den toekomstigen vorst,
den onderkoning, die in marmeren paleizen het rijke Insulinde zou
bewonen, nadat hij Amsterdam tot de hoofdstad der wereld zou hebben
gemaakt, die in gebeeldhouwde ledikanten onder troonhemels 's nachts
zou slapen en bij dag loopen over kostbaar ingelegde vloeren tusschen
zijn onderdanigen hofstoet, die des avonds schitterende feesten zou
geven, waarop hij de hoogstgeplaatsten des lands zou nooden en hun dan
wel genadiglijk een oogenblik te woord zou willen staan. Hij zag zijne
zalen reeds prachtig verlicht, stralend van weelde, gevuld met vrouwen
in satijnen gewaden en in bloementooi, gevuld met mannen, wier borsten
glinsterden van ridderkruisen. En rondom in den lande, tot zoover zijn
gebied reikte buiten de balustraden zijner parken, zou nergens gemor
zijn in de woningen der lagere bevolking en geen nijdigen blik zou
hij ooit in de oogen van den minsten zijner onderdanen zien flikkeren,
want zijn edel en wijs beleid zou allen gelukkig hebben gemaakt.
Dat alles voorzag hij reeds, als, op het geroep van zijn alvermogende
stem, het rechtsgevoel der natie ontwaakt zou zijn en zij als éen man
zou zijn opgestaan om het bittere onrecht den edelsten harer zonen
aangedaan, schitterend te wreken.
Dat alles voorzag hij, en, als hij om zich heen keek, wat?... Een
armelijke kamer, eenige brieven met volzinnen van ingenomenheid, een
stad, waar bijna niemand op hem lette, op de enkelen na, die hem met
verbazing bekeken of met sympathie begroetten en verder gingen.... Het
was om krankzinnig te worden.
Deze geestestoestand van Dekker heeft op al het werk van Multatuli
zijn stempel gedrukt.
Beschouwen wij thans de appreciatie, welke de maatschappij, de
maatschappij grosso modo, voor personen als Dekker heeft. Wij spreken
dus niet van het betrekkelijk kleine gedeelte der maatschappij,
dat hooger intellektueel en artistiek ontwikkeld is en een bijna
uitsluitende vereering koestert voor het talent in den mensch. Dit
gedeelte integendeel zonderen wij nadrukkelijk uit, en spreken dan
voor 't overige van de maatschappij in 't algemeen, in haar geheel,
met al hare standen en graden van ontwikkeling.
De kunst dan staat niet zoo allerhoogst aangeschreven bij die
maatschappij. Het gevoel van Lodewijk den XIVden, de inkarnatie en
verpersoonlijking van het begrip "aanzienlijkheid" in de maatschappij,
voor Molière b.v., dien hij zonder twijfel voor den grootsten
blijspeldichter zijner eeuw hield, en dien hij, ten blijk daarvan,
tot den rang van hof ... kamerdienaar bevorderde,--dat gevoel leeft,
hoezeer ook door de veranderde toestanden gewijzigd en in andere vormen
zich openbarend, nog steeds voort in de hoogere standen, voor zoover
althans hunne kerkschheid de kunst niet geheel en al tot een verboden
artikel voor hen maakt. De vorsten en prinsen, en in hun gevolg de
geld-aristokraten, en in dier gevolg wederom de deftige en minder
deftige burgerij, beschouwen de kunstenaars nog altijd min of meer als
de lieden, wier taak is hun amusement te verschaffen, hun eenigen tijd
aangenaam of lachwekkend bezig te houden, die zij daarvoor betalen,
de musici en muzikanten om hun gehoor streelend aan te doen als zij
aan tafel zitten en zelf de zorg voor het genot van hun verhemelte op
zich hebben moeten nemen (diner), en om hun het dansen gemakkelijk
te maken (bal), om hun een voorwendsel te geven bijeen te komen, de
dames om elkanders toiletten te bewonderen en te benijden, de heeren
om deze dames te courtiseeren en elkander hun dekoraties of andere
voornaamheid te toonen (soirée, koncert); de schilders, zoo al niet om
hun woningen fraaier te verven dan rijtuigschilders daartoe in staat
zijn, dan toch om hun wanden te behangen met kostbaarder voorwerpen dan
Delftsch aardewerk of gobelintapijten; de letterkundige kunstenaars,
ja, het moet gezegd worden, dat deze nog het minst in aanzien staan.
Vroeger had men aan de hoven den nar, dien geestigheden te zeggen, den
poëet, dien de cither te bespelen en roerende liederen te zingen of te
deklameeren als hunne taak was opgedragen. Zij waren de bedienden,
die met de zorg voor het humeur van den vorst en zijne omgeving
waren belast, zooals anderen in de keuken, met de zorg voor zijn
maag, anderen met het reinigen en optooien zijner vertrekken belast
waren. Heden ten dage treft men, in gewijzigden vorm, hetzelfde
verschijnsel aan, als de gastvrouwen op hunne soirées een dichter
noodigen om het gezelschap wat van zijne verzen voor te dragen en de
liefhebberij-vertooning van een zijner tooneelstukken te leiden. Maar
dat deze gezelschappen, de dragers der algemeene maatschappelijke
opvattingen, den dichter bepaald als hun meerdere beschouwen om zijn
talent, hem als zoodanig de voornaamste plaats in hun midden aanbieden,
hem eeren en eerbiedigen, dit komt niet voor.
O zeker, er zijn vele uitzonderingen op dezen regel. Het gebeurt wel,
dat menschen, vooral dames, dwepend ingenomen zijn met een schrijver en
hem om zijn talent boven andere menschen stellen in hun hoogachting,
dat vermaarde auteurs aan middagmalen worden genoodigd en hun de
eereplaats aan de zijde der gastvrouw wordt aangeboden. Deze laatste
gevallen zijn vooreerst zeldzaam, in de tweede plaats geldt de eer aan
den auteur bewezen veeleer zijn roem, zijn vermaardheid, en--dit is een
gewichtig punt--de karakterdeugden, die hij moet bezitten naast zijn
talent om zich tot zulk eene vermaardheid te hebben kunnen opwerken.
In het algemeen kan men zeggen, dat in de maatschappij, in haar
geheel genomen, het letterkundig talent an und für sich zeer weinig
in aanzien staat, en dat het talent in een persoon zonder karakter
zelfs in het geheel niet wordt geëerd.
"Nu ja,"--dacht of zeide de maatschappij van Douwes Dekker, toen,
wat wij zijn enorm talent noemen, eenmaal gebleken was, "nu ja, veel
talent, veel "macht over de taal," maar overigens een man zonder
karakter, een slecht mensch, die zijn talent misbruikt in dienst
der booze neigingen van zijn hart. Wat heeft men aan een talent,
wat beteekent al talent, indien het niet gebruikt wordt in dienst
van God of van de maatschappij, om er ernstige en stichtelijke werken
mede tot stand te brengen. En wat is een man waard, welke aanspraken
kan een man op onzen eerbied doen gelden, indien hij al mooie boeken
schrijft zoo hij zelf door zijn leven een slecht voorbeeld geeft aan
zijn medemenschen."
Dus luiden de typisch maatschappelijke redeneeringen over het
talent. Men ziet, wij zijn hier ver van de meer artistieke opvatting,
die het talent als de hoogste en alles overheerschende eigenschap
beschouwt, die het spreekwoord huldigt "le talent excuse tout."
Ver ook, ja lijnrecht tegenover, de verwachting, waarmede Multatuli
als erkend talent-vol man het openbaar leven in de maatschappij betrad.
Hij ondervond dus twee ontgoochelingen, die hem des te heviger
aangrepen, naardien in zijn geëxalteerden toestand zijne verwachtingen
zich hooger hadden gespannen. Hij werd niet tot onderkoning
onmiddellijk verheven; maar de maatschappij, zijn talent nu kennend,
behandelde hem zelfs in veel opzichten als een gewoon medeburger,
wiens karakter door velen gewogen en te licht bevonden werd.
Dit was te veel voor zijn zoo licht ontvlambaar en nu ontvlamd
gemoed. Zoolang hij nog niet getoond had wie hij was, zoolang hij
zijne ziel nog niet had geopenbaard, kon hij ten minste nog denken,
als hij zat te peinzen over al zijne vernederingen: ja, wacht maar,
wacht gij lieden maar, ééns zal ik u beschamen en de wereld versteld
voor mij doen staan, eens zult gij allen naar mij opzien als ik mij
boven u allen zal hebben verheven.
Doch nu kon dat niet meer, nu ontzonk hem ook de laatste hoop en
troost, in 't groote namelijk, waartegen de verbetering van zijn
levenstoestand in 't kleine niet kon opwegen. Hem bleef niets over
dan groote, woedende bitterheid. Uitlatingen als die in zijne Ideën,
waar hij de geheele natie nu voor een troep schelmen uitmaakt, waren
van deze bitterheid de openbaringen.
Openbaringen van dien alles beheerschenden wrevel waren ook zijn
zonderlinge en heftige handelwijzen tegenover bijzondere personen. Zijn
prikkelbaarheid had haar toppunt bereikt.
Beschouwen wij met onpartijdige bedaardheid zijne houding tegenover
zijn broeder Jan Dekker, zooals die vooral in het tweede deel der
Brieven uitkomt. Aan dien broeder had hij voor zoover uit de zeer
volledige gegevens, die nu tot ons gekomen zijn ten duidelijkste
blijkt, groote verplichtingen, terwijl niets er op wijst, dat die
broeder ook aan hem, Eduard, iets te danken zoude hebben gehad. Het
geld, waarvan Dekker te Batavia leefde in 1857, vóór hij naar Europa
vertrok, zal hem wel grootendeels door dien broeder zijn verstrekt;
het was dezelfde broeder, die te Rembang Dekker's gezin bij zich
noodde toen hij eindelijk op reis ging, dezelfde, die, in het voorjaar
van 1858, Dekker's rekening over zeven maanden in het Brusselsche
logement betaalde, zeer waarschijnlijk was 't dezelfde gulle man,
die hem in staat stelde in dat zelfde jaar verder naar Cassel te komen
en daar hem van het noodige voorzag (al kwam Dekker er niet mee toe,
zoodat hij te Cassel andere schulden maakte); dezelfde die, in het
voorjaar van 1859, de passage van Dekker's vrouw en de haren naar
Europa bekostigde; dezelfde die gedurende de tweede helft van 1859
aan Dekker's gezin weder een gastvrij dak bood op zijn buitengoed
te Brummen; dezelfde eindelijk, die in November 1859, voor de tweede
maal zijne logementsrekening te Brussel voldeed en hem in staat stelde
naar Amsterdam te komen.
Indien men in het oog wil houden, dat de meeste dezer gewichtige
diensten door den heer Jan Dekker aan zijn broeder bewezen werden, in
een tijd dat deze van zijn hoogere gaven nog niets had doen blijken,
terwijl de heer Jan over de handeling van Dekker's ontslag-nemen geen
ander gevoelen kon hebben dan hetgeen wij als het algemeen gevoelen
der menschen hebben leeren kennen,--dan zal ongetwijfeld een ieder
van meening zijn, dat de heer Jan Dekker een bijzonder goedhartig
en edelmoedig mensch was, Eduard in hem een voortreflijk en hem te
benijden broeder bezat; en het jammer vinden, dat Eduard zich niet in
deze kleinigheid meester kon blijven, dat hij zóó'n broeder ten minste
dan alléén in aanraking liet komen met de beminnelijke zijden van
zijn karakter (waar hij elders, naar wij lezen, zoo mede te woekeren
wist,) zorgvuldig de minder aangename kanten voor hem verbergend,
opdat hij zich daar aan niet stooten kon.
Reeds uit Brussel schreef Dekker aan zijn vrouw over zijn broeder als
over iemand, die eigenlijk verplicht was hem te onderhouden. "Voor
de tiende maal vraag ik u: hoe denkt Jan toch dat ik leef" (dl. 1,
blz. 133) enz. Reeds in dien tijd, dus vóór het verschijnen van
Max Havelaar, is Dekker verbitterd tegen of allerliefst voor zijn
broeder in zijn uitlatingen. Toen de heer Jan zoo ingenomen was met
Max Havelaar, dat hij in handschrift gelezen had, en Eduard in staat
had gesteld naar Amsterdam te komen, was het tusschen hen tweeën al
"botertje tot den boôm" en schrijft Dekker aan zijne vrouw (dl. 2,
blz. 11 en volgende):
"Beste beste Tine! Heerlijke tijding! Van avond hier gekomen. Jan
opgezocht in de Variété. Hartelijk en verzoend, en ik kom meê naar
De Buthe......" "Hartelijke ontmoeting, verzoening, afspraak om niet
meer te kibbelen" (tusschen de broeders)... "Jan heeft mij een mooie
overjas gekocht" ...
Spoedig doet de heer Jan echter al weder dingen, die den opgewonden
Douwes mishagen: "Wat de zending van Jan naar Rochussen aangaat, ze
is compleet mislukt. Toen hij (maar ik vrees niet op de goede manier)
gesproken had over Raad van Indië, was R. opgesprongen. Dát kan mij
niet schelen, maar wat me wel kan schelen is dat Jan zelf die mij,
na mijn uitlegging, had toegestemd dat dit de eenige wijze was om
mij te herstellen, nu ook vond dat ik te veel vraagde. Dus alweer de
ambassadeur die zijn eigen zaak verlaat.
Van morgen wou hij dat ik vragen zou om directeur te worden van eene
school te Batavia. Dat was juist iets voor mij, zeide hij en dan was
zijn contract gesauveerd! Hij drukt gedurig op zijn contract dat door
mijn hoofdigheid, door mijn te veel vragen kon geknepen worden."
Mevrouw Dekker teekent hierbij aan, dat de heer Jan een tabakskontrakt
had in Rembang (dat gevaar scheen te kunnen loopen).
Dekker vervolgt: "Ik laat me niet buigen. Noch door Fuhri (den
's-Gravenhaagschen hôtelhouder), noch door geldgebrek, noch door
schijnbare schande, noch door Jan. Als jij me afviel zou ik buigen,
maar dat kan niet."
Betrekkelijk geruimen tijd blijft nu de verhouding tusschen de twee
broeders zoo goed als men maar wenschen kan. Een enkele maal krijgt de
heer Jan nog een standje omdat hij niet spoedig genoeg geld zendt, maar
de vriendschap wordt niet verstoord. 16 Juni 1860, schrijft Dekker,
die toen toevallig in Rotterdam was: "Begrijp eens, Jan is hier, en
alles heel wel. God geve dat het zoo blijft," en dd. 17 Juni: "Jan
is van morgen vertrokken. Wij zijn tot het laatst wèl gebleven. Hij
is uiterst ingenomen met het éclat van M. H., en spreekt er gedurig
van. Het is of hij voelt dat hij mij een beetje respecteeren moet,
omdat de menschen zoo hoog met mij loopen, en ik dus een soort van
renommée van den dag ben." 18 Juni (Dekker's gezin was toen in Brussel,
hij zelf in Amsterdam) begint hij een weinig ontevreden te worden
tegen den heer Jan: "Jan had wel uit den hoek mogen komen. Maar
neen! Allerlei vertellingen over donkere toekomst, enz." Er is
echter eene verontschuldiging: "Nu ontken ik niet dat thans bij de
intrekking van den Vrijen arbeid de zaak beroerd wordt"... Op 2 Juli
hoopte Dekker dat de heer Jan geld zou zenden, "de geest was goed."
16 Juli was Dekker naar Spa gereisd, plotseling naar het schijnt,
en bevond zich daar weer aan de speelbank. Hij schrijft zijn vrouw
te Brussel, hem duizend francs te zenden. 22 Juli was hij weder te
Amsterdam terug en bericht zijn vrouw de ontvangst van haar brief,
waarin zij hem van haar vergeefsche reis naar "Uccle" verhaalde. De
uitgeefster der Brieven heldert dit geheimzinnige woord op, door
als haar stellig vermoeden te kennen te geven, dat Tine óok naar
Spa was geweest en daar haar geld had verloren. "In zijne en hare
omstandigheden vond Multatuli zoo'n tochtje zoo al niet positief goed
dan toch zeer verschoonbaar." Om echter de zaak verborgen te houden,
ging hij zoover in zijne voorzichtigheid van het woord Uccle, den
naam van een dorp bij Brussel, te gebruiken, als pseudoniem voor het
woord Spa.
In den loop der korrespondentie vernemen wij nog eenige malen,
dat Dekker den heer Jan verzoekt geld te zenden, zijne vrouw "boven
water te houden," enz. De heer Jan ging voort hem onophoudelijk bij
te staan. Hij deed bijna alle démarches bij den minister Rochussen,
bij vrienden, bij allerlei personen, die Dekker moesten helpen zijn
doel te bereiken. In een niet gedateerden brief, van Augustus 1860,
blijkt echter dat de heer Jan het weder bijna geheel bij zijn broeder
verkorven heeft. Deze schrijft aan Tine: "Ik ga nog eens aan Jan
schrijven en zal probeeren hem uit te leggen dat ik geen partij
kan dienen,..." enz., verder: "In het briefje van Jan dat je mij
toezendt komt voor dat hij zoo blijde is dat ik wil treden in de
voorstellen. Ook aan mij heeft hij iets dergelijks geschreven! Hij
schijnt dus van het komplot te weten en er aan getwijfeld te hebben
dat ik de voorwaarden zou aannemen. Na mij sedert weken te hebben
opgehouden met praatjes komt nu de zaak neer op eene schandelijke
omkooperij. 't Is infaam!"
Het komplot en de omkooperij, waarvan hier sprake is, hebben betrekking
op de pogingen, die de staatkundige partijen aanwendden om Dekker in
hunne gelederen op te nemen. Dat hij niet wilde weten van de enkel
letterkundige verdienste van Max Havelaar, omdat het boek alleen als
een pleidooi in een zaak, een zaak van landsbestier, moest beschouwd
worden naar zijne opvatting,--en dat hij tévens weigerde in de praktijk
te treden en zich aan te sluiten bij eene partij, die de wijze van
bestuur voorstond, die ook hij zelf de beste achtte,--kwam iedereen,
dus ook den heer Jan, onbegrijpelijk voor. Ons is het nu wel duidelijk,
wat Dekker wenschte: dadelijk eene invloedrijke positie, maar daar
nog nooit iemand op die wijze daartoe gekomen was, begreep men niets
van deze ongeziene wijze van denken en handelen. De heer Jan wilde,
om velerlei redenen, zijn broeder zoo spoedig mogelijk uit den nood
geholpen zien. Reeds bij den aanvang der Havelaar-zaak had hij aan
Eduard geschreven: "om godswil, verschop niets." De heer Bekking had
"het masker" afgeworpen en "medewerking aan zijne partij, dat is de
tabakskontrakten" als voorwaarde voor hulp bedongen. Van zulk een
overeenkomst wilde Dekker niet weten.
Eene brouille tusschen Dekker en den heer Jan had tegen het eind van
Augustus plaats.
Hij schrijft (do. 27 Aug.) "... Ieder is meer dan beleefd... behalve
Jan. Hij is hier, en na het ontmoeten dat eerst vriendschappelijk was,
begon hij, of wilde hij weer beginnen te schelden.
1o. Omdat ik niet had toegegeven in de voorstellen van Bekking.
2o. Omdat ik aan Cath. en Sietske wat papeterie had cadeau gedaan.
't Was in het café restaurant. Veenstra was er bij.
Ik stond dadelijk op en ging heen. Ik heb hem door Abrahamsz laten
zeggen dat ik niets meer met hem wil te maken hebben, en dat ik hem
verbied zich met mijne zaken te bemoeijen. Uit!"
In een daarop volgenden brief schijnt hij de ware toedracht der zaak
weêr vergeten te zijn, want hij schrijft: "De hoofdzaak is dat Veenstra
inziet dat Jan verkeerd doet mij in den steek te laten." Of hij moet
de verwijten door den heer Jan hem gedaan gelijk gesteld hebben met
een "in den steek laten." Verder in denzelfden brief schrijft hij, na
van het steeds toenemend succes van Max Havelaar te hebben gewaagd:
"Maar heb ik nu ook niet gelijk, dat ik het schelden van Jan niet
meer verdraag? Bodenheim (die N.B. een woekeraar is) is beleefd en
zelfs hartelijk, en mijn eigen broer is grof. Ik ben er dan ook glad
overheen en verdraag het niet meer."
In een lateren brief, van 28 September, heet het: "Als ik aan zoo
iets (het schrijven in den Tijdspiegel om geld te verdienen) denk,
kookt het mij dadelijk tegen Jan. Die had mij voor zoo iets moeten
vrijwaren. Kassian, ik hoor nu bepaald dat ze met Mei in Den Haag
gaan wonen, die arme menschen! Liefje, ik vind niet goed dat je Mary
(de echtgenoot van den heer Jan) schrijft. Het zou schijnen alsof
ik weer wou aanknoopen, en dat wil ik niet. Je weet niet hoe Jan mij
traitert. Ik had aan de meisjes A. wat papeterie gegeven (dat hij mij
in een koffiehuis verweten heeft) en kort daarop kreeg ik van Kees
(vader der meisjes A[brahamsz]) een briefje met verzoek aan zijne
kinderen geen geschenken te geven "wijl ik mijn geld beter besteden
kon aan mijn vrouw en kinderen." Dat had Jan mij bezorgd. Ik noem
zoo iets vervloekt laag.
De zaak staat zoo dat ik niet den minsten twijfel heb om te slagen,
als ik maar van die vervloekte dagelijksche zorg bevrijd was. Zoo'n
Jan die in Den Haag gaat wonen. Hij kan zijn geld beter aan mij
besteden. Maar dat is nu uit. Al wilde hij nu, nu ben ik er moe van."
Do. 20 Oktober lezen wij nu over deze zaak: "En nu Jan! Ik ben er regt
verdrietig over. Heden nog schreef ik aan Pieter: "Met Jan wil ik niet
meer te doen hebben! Daar blijf ik bij. Dat weet je, en je gaat met hem
naar de opera. Hij heeft mij in een publiek koffiehuis... (enz. over
de papeterie)--dat was zijn geld! En nu neemt gij geld van hem aan! Ik
moet er nu rijp over denken hoe te doen... (nog lang wordt hierover
uitgeweid)... moet ik nu de eerste keer dat ik Jan ontmoet--maar 't
zal niet gebeuren!--hooren dat je van zijn geld naar de komedie bent
geweest? Je wist toch alles. Tine, Tine! Hoe kon je zoo doen! 't Was
mij wel fr. 500 waard geweest als je gezegd hadt:
"Jan, na alles wat er is voorgevallen heb je het regt verbeurd ons
te helpen!"
Wij zullen de laatsten zijn om de handeling van het verwijt omtrent
de kleinigheid van het papeterie koopen, in den heer Jan een voorbeeld
van delicatesse te noemen, maar de heer Jan was in 't algemeen ontstemd
tegen zijn broer omdat deze zich niet bij de partij-Bekking c.s. wilde
aansluiten, en verborg daarom ook deze kleine grief niet. Niets
zeldzamer dan zóo edele en kiesche menschen, die diensten bewijzen en
zich zoo gedragen als deed degene, wien zij bewezen werden, hun een
weldaad door ze aan te nemen. Zulke menschen bestaan, maar behooren
tot de groote zeldzaamhed en er is niet de minste reden, om er den
heer Jan een verwijt van te maken, dat hij het zoo buitensporig ver
niet gebracht had in zeldzaamheid van karakter-deugden. Trouwens, daar
moet dan ook van den anderen kant eene hoffelijkheid en bescheidenheid
in het aanvaarden der diensten tegenover staan, die Eduard Dekker
zelf nagenoeg vreemd schijnt geweest te zijn. De zinsnede, waarin
Eduard schrijft, dat Jan (die reeds zooveel voor hem gedaan had)
beter zou doen zijn geld aan Eduard te besteden dan er voor in Den
Haag te gaan wonen, is karakteristiek en licht zoo goed als wij maar
wenschen konden, de trekken onzer karakterschets toe, waar wij,
in verband met de algemeene appreciatie van kunst en talent in de
Maatschappij, Multatuli's ontgoocheling bespraken over het, dat men
hem in vele opzichten als een gewoon sterveling bleef behandelen.
Van de verhouding tusschen de twee broeders vernemen wij verder in de
tot nu toe verschenen deelen der korrespondentie niets. Waarschijnlijk
zal die wel steeds geen effene, doch eene geaccidenteerde verhouding
zijn gebleven van brouilles en verzoeningen.
Welk een verschil tusschen het eerste deel Brieven en het tweede
deel in 't algemeen! Een verschil dat in den text der gedrukte
bladzijden uitkomt met de helderheid der twee schril kontrasteerende
levensperioden zelf. Is het eerste deel vol van het diepe leed, in
de stilte van het Brusselsche zolderkamertje, als in een kloostercel,
gedragen, waar Dekker's leven slechts zeer weinig uiterlijke afleiding
vond in den omgang met zijn enkele plebejische vrienden daar uit de
buurt; nemen wij in het eerste deel Dekker waar,--onder den zwaren
druk van het wreede leven, dat hem daar opgesloten hield,--in
een tête-à-tête met zijn smart, waarin hij zijn talent als een
lijdensbloem zag ontluiken;--het tweede deel voert hem en ons
plotseling als in de drukte en in het gekrioel van een marktplein;
het is of er in den stijl der Brieven iets is doorgedrongen van het
gedruisch op de Botermarkt, waar Dekker boven den winkel van Lobo,
den Israëlietischen boekverkooper, die ook met een "stalletje" op
de markt zelf was geposteerd, zijn kamer had en zijne geschriften
samenstelde. Uit de eenzaamheid is hij met de grootste snelheid
midden in het woeligste maatschappelijk leven overgeplaatst. Van
onbekend is hij als met tooverslag beroemd geworden, van geschuwd
gezocht, van geminacht hoog-geprezen. Hij komt in betrekking met de
staatkundige partijen, de eene trekt hem hier, de ander daarheen;
binnen eenige maanden tijds worden dertien honderd exemplaren van
zijn Max Havelaar verkocht, overal waar hij zich vertoont, op straat,
in hotels, in publieke vermakelijkheden, wordt hij met belangstellende
nieuwsgierigheid bekeken, vreemden spreken hem aan, een onbekend meisje
in het park, bij eene muziekuitvoering, komt hem haar handje reiken;
van links en rechts wordt hij uitgenoodigd om lezingen te komen houden,
tijdschrift-redaktiën en uitgevers schrijven hem, komen hem opzoeken,
telegrafeeren hem, loopen hem na om eenige bladzijden van zijn hand
voor hun orgaan of hun drukpers machtig te worden. De uitgever Thieme
wil al aanstonds zijn partikuliere briefjes uitgeven, waarmede hij
uitstekende zaken denkt te maken, de bezadigde redakteur van het
Nederlandsch-Indische tijdschrift verzint totaal ongebruikelijke
opschriften om boven de bijdrage van Dekker te plaatsen, die hij
wenscht op te nemen: "Van den genialen Multatuli" zal hij er boven
zetten. Kortom het is, zooals Dekker zelf in de brieven schrijft,
een "rage".
De persoon met wien Dekker nu in de eerste plaats te doen kreeg en
met wien hij in belangrijke betrekking zou blijven gedurende het
geheele tijdperk, dat wij in het tweede deel der Brieven afgespiegeld
vinden, was de heer mr. J. van Lennep, rijksadvokaat, een der leiders
der oud-konservatieve partij, Amsterdamsch patriciër. Tusschen de
menigte menschen, die wij, als wij in onze verbeelding een résumé
vormen van Dekker's leven uit dezen tijd, hem zien omringen, staat
Van Lennep vooraan; op hem valt het meeste licht. En geen wonder! Van
Lennep toch bezorgde de uitgave van Max Havelaar, stelde Dekker in de
gelegenheid de eerste helft van 't jaar 1860 met zijn gezin als een
rustige tusschen-periode door te brengen, en bleef voortdurend met
hem in relatie over financiën en andere, wellicht nog gewichtiger,
de uitgave rakende zaken. Wij zullen deze geschiedenis, als zijnde
een der belangrijkste perioden in Dekker's leven, volgen zoo als de
Brieven ons geleidelijk met haar bekend maken. Er zal onder meer nog
een deel Brieven verschijnen, getiteld Multatuli en Busken Huet. Nu,
met evenveel recht, had de uitgeefster dit, tweede, deel, kunnen
betitelen: Multatuli en Van Lennep.
Den 23sten Nov. 1859 reisde, gelijk wij gezien hebben, Dekker voor
het eerst van Brussel naar Amsterdam. Reeds had hij van den heer
Jan vernomen, dat Van Lennep met Max Havelaar, door Van Lennep
na Tine en Jan, als de derde begunstigde, in handschrift gelezen,
uiterst ingenomen was. Van Lennep had aan Van Hasselt geschreven:
"In weêrwil van de bleeke inkt, klein schrift, donkere lucht en
toenemende verzwakking mijner oogen, heb ik het boek verslonden,
"pectus est quod disertos facit" en "facit indignatio verbum" worden
ook hier bewaarheid... 't Is een meesterstuk, met zijn gebreken, of
neen, de gebreken, waarover ik klagen zou, zoo 't een gewonen roman
gold, geven in dit werk juist iets meer eigenaardigs, meer verrassends,
meer schokkends aan 't verhaal. 't Is bl.... mooi, ik weet het niet
anders uit te drukken." De heer Jan had aan Eduard geschreven, toen
hij hem deed overkomen: "Hij (v. L.) wil met handen en voeten uwe zaak
voorstaan, en verzekerde mij onuitgenoodigd dat hij al zijn invloed in
uw belang zal aanwenden. Hij zeide mij zijn zoon (aspt. ambt. eerste
klasse) met een en ander bekend te hebben gemaakt, en hem gezegd
te hebben: "Ik wenschte mij die zaak aan te trekken met klem, maar
misschien zal men later u daarvoor donderen." Zijn zoon antwoordde:
"Pak het aan.""
De eerste brief, dien Dekker uit Amsterdam schreef, aan zijn vrouw,
bevatte deze hoopvolle zinsnede: "Morgen tien uur naar Van Lennep,
die volgens Jan, dol ingenomen is met mijn zaak, en mij absoluut wil
helpen. Dus heerlijke vooruitzigten." En in den tweeden, na het bezoek
bij Van Lennep, heet het: "Maar Van Lennep! Daar ben ik geweest,
en ik kan je niet uitdrukken hoe die man mij ontvangen heeft. 't Is
kompleet een schadeloosstelling voor al de miskenningen. Nooit had
ik op zooiets durven hopen..." enz.
Dekker begon dus Van Lennep te beschouwen, en Van Lennep begon
zich ook werkelijk te gedragen als: Dekker's beste vriend. In
een brief van 6 Dec. '59 lezen wij dat De Bull, met wien Dekker
ook in konnektie kwam, na den plotseling voorgevallen dood van het
Kamerlid Stolte, Dekker in diens plaats wilde doen verkiezen, en dat
Van Lennep zelfs zoover gegaan was op eigen houtje over Dekker te
spreken met de kiesvereenigingen. Als de voormalige minister Baud,
dien ook Dekker zeer waardeerde, zich bij die gelegenheid niet ook
kandidaat had gesteld, zou Dekker kamerlid of althans kandidaat zijn
geworden. Hij had dit trouwens alleen willen worden om R[ochussen,
den minister] te dwingen hem Raad van Indië te maken (zie 2e dl.,
blz. 20). Ten dien einde, om Rochussen te doen voelen dat hij
wakker was en werkte, schreef Dekker toen ook een paar staatkundige
dagbladopstelletjes, die 9 en 10 December in de Amsterdamsche Courant
verschenen en onderteekend waren: "Eduard Douwes Dekker, op verzoek
eervol ontslagen Assistent-Resident." Wij lezen in dezen tijd van de
korrespondentie niet anders dan dat De Bull, Tydeman en vooral Van
Lennep dagelijks voor Dekker in de weer waren. Dato 8 Dec. lezen wij:
"Gister zond ik een brief aan V. L., en hij, die een perfecte kerel is,
zond dien aan R[ochussen] met een flink bijschrift. Hij zegt: "pas op,
vriendje, ik verzeker je dat D. D. een man is, en als je hem wat lang
laat wachten maak je hem ongeduldig en dat raad ik je niet aan.""
Van Lennep, Hartsen en De Bull (Amsterd. Courant) en Tydeman
(Handelsblad) vertegenwoordigende de twee staatkundige partijen,
wilden allen Dekker in de Kamer hebben. Daarop stelde Baud zich op de
rij, aan wien de eerstgenoemde partij zedelijke verplichtingen had
en dien zij dus, vóór alles, nu moesten steunen. Tydeman was echter
tegen Baud en wilde Dekker als den tegenkandidaat poseeren. Daar
Tydeman echter door Van Lennep zelf zoo voor Dekker was opgewarmd,
vond Dekker het onedelmoedig door met Tydeman mede te gaan Van Lennep
in het vaarwater te zitten. Hij kon dit dus niet doen.
Reeds bij dezen brief, van 8 December 1859, biedt de uitgeefster ons
een exposé van den toestand, waarop al deze zaken betrekking hebben.
Van Lennep was een der leiders van de konservatieve partij, waartoe
ook de minister Rochussen behoorde. Door het ministerie, waarvan
ook Rochussen deel uitmaakte, was juist nu echter een spoorwegwet
voorgesteld, waar de Amsterdammers, met o. a. Van Lennep aan 't hoofd,
sterk tegen waren. Van Lennep en De Bull met zijn Amsterdamsche Courant
ageerden dus tegen het ministerie. Toen de zaken juist zóo stonden,
kreeg Van Lennep het handschrift van Max Havelaar in handen. Hij
begreep terstond de portée van dit werk en welke waarde het als wapen
in het arsenaal der ministeriebestrijders hebben kon. Van Lennep's
ingenomenheid met Max Havelaar op zich zelf was oorspronkelijk
oprecht. Maar, "hetzij dan gaandeweg, hetzij reeds terstond" zegt
de uitgeefster der Brieven, kwam bij Van Lennep de gedachte op, Max
Havelaar vooral als strijdmiddel tegen het ministerie te gebruiken. De
uitgeefster gebruikt niet het woord "vooral" maar uit haar toon valt
op te maken, dat zóo toch haar bedoeling is. Wij zijn het daarmede
niet eens. De bespiegelende ingenomenheid van Van Lennep met Max
Havelaar kon zeer goed met zijn inzicht in het praktische nut, dat
het boek voor hem en de zijnen hebben kon, samengaan, zonder dat
het éene in zijne waardeering zwaarder woog dan het andere. Maar
verder is de voorstelling, door de uitgeefster aan de zaak gegeven,
naar ons voorkomt juist,--tot aan de eindkonklusie. Zij zegt dan, dat
Van Lennep, die volgens Dekker's beschrijving een joviaal, aangenaam
mensch was, schik had in den strijd en er dus een soort van schalksch
genoegen in vond den minister Rochussen uit de verte met dat boek,
den M. H., te dreigen. Maar zijne partijgenooten vermaanden hem tot
kalmte en ingetogenheid. Vooral zijn schoonzoon Hartsen, deftig man
van den eersten graad, lid der Eerste Kamer, van wien de uitgeefster
eenigszins ironisch vermeldt, dat hij "ontzaggelijk ingenomen"
met Max Havelaar was, maar ondertusschen het manuscript weken lang
onder zijne berusting hield, zonder aan den schrijver eenig blijk
te geven van geestdrift of waardeering. De spoorwegwet werd in de
Eerste Kamer afgestemd, en de uitgeefster zegt, dat Van Lennep zich
toen "liet sussen". Hij had toen den Max Havelaar niet meer noodig
als wapen tegen het ministerie, hij bezorgde dus wel de uitgaaf van
het boek, "maar in zijn, in 1862 uitgegeven brochure, staat toch met
ronde woorden te lezen, dat het zijn doel was de verspreiding van
het werk te belemmeren." Hieruit zou men dus moeten konkludeeren,
dat, indien de spoorwegwet niet afgestemd geworden ware, Van Lennep
den Max Havelaar uitvoeriger zoude hebben doen verspreiden. Met deze
opvatting kunnen wij ons slechts gedeeltelijk vereenigen.
Doch wij zeggen met de uitgeefster "later meer daarover", en
willen eerst de geschiedenis van Dekker's betrekking tot Van Lennep
voortzetten waar wij haar geschorst hebben.
Van Lennep dan, vernemen wij nog, had aan Rochussen geschreven:
"Indië heeft een man noodig en Dekker is die man." Intusschen
maakte Dekker zich steeds zeer bekommerd over de "bijzaken" en
begon de vreeselijke drukte van zijn leven, waaraan hij niet gewoon
was, hem zeer te vermoeien; zoodat wij, do. 10 December, lezen,
dat, nu Rochussen eindelijk geantwoord had in afwijzenden zin op
het voorstel om Dekker Raad van Indië te maken, Dekker er naar
verlangde uit Holland weer weg te komen en in Brussel op zijn gemak
wat te rusten en te werken. 11 Dec., toen hij nog niet wist, wat het
"ontzaggelijk ingenomen" van Hartsen beduidde, wilde hij weer wèl in
Amsterdam blijven, enthousiast als hij was over Van Lennep's brief,
waarin dat oordeel van Hartsen werd medegedeeld.
Tusschen 11 December 1859 en 11 Januari 1860, vernemen wij nog alleen,
dat de heer Jan een voorloopige bijdrage van vier honderd gulden wil
geven om Dekker in staat te stellen zich met zijn gezin in Brussel
te etablisseeren, waar hij dan door werken zelf verder ook geld zou
verdienen; maar dat Dekker, rekenende met zijn familie vier honderd
gulden per maand noodig te hebben, zich op dié verbintenis alleen niet
durfde verlaten om de expatriëering te ondernemen. Ook hooren we,
dat de heer Hartsen wel duizend gulden op de Max Havelaar-uitgave
zou willen voorschieten, maar dat Dekker dit voorstel repugneerde
daar het zooveel overeenkomst had met "beleenen op pand."
Vóór den éénigen brief, die uit deze periode beschikbaar was en
waarvan wij hier den inhoud mededeelden, heeft de uitgeefster der
Brieven een aanteekening geplaatst, die, indien men bedenkt in welke
verhouding zij zelve gestaan heeft tot Dekker's eerste echtgenoote,
niet onaardig karakteristiek is, in hoe bezadigde en kroniek-achtige
termen dan ook vervat. "De brieven," schrijft zij, "sluiten nu niet
meer zoo geregeld aan elkaar als vroeger. Eenigen zullen verloren
zijn gegaan, anderen opzettelijk vernietigd. Dit laatste durf ik
veronderstellen omdat ik dikwijls in later jaren heb bijgewoond
(wij wisten niet, dat de dames elkaar zóo intiem hadden gekend, dat
de eene in bijzijn der andere handelingen volbracht, die anders bij
uitstek behooren tot die, ter volvoering waarvan men een oogenblik van
eenzaamheid afwacht) dat Tine een brief van Dek ontvangende, zoodra
zij bemerkte dat er iets in stond wat haar onaangenaam zou aandoen,
dien verscheurde en in de kachel wierp."
Men kan begrijpen welk een gevoel zulk een handeling van Dekker's
eerste vrouw opwekte in Dekker's tweede vrouw. Zij, die Dekker zoo
vereerde, moet deze handeling wel afgrijselijk hebben gevonden, en
indien, waaraan na haar eigen mededeeling natuurlijk niet te twijfelen
valt, mevrouw Douwes Dekker-Hammink Schepel er in levenden lijve bij
tegenwoordig is geweest, dat mevrouw Douwes Dekker-Van Wijnbergen
Dekkers brieven, als teeken van afschuw, in de kachel wierp zonder ze
gelezen te hebben, mag men wel aannemen, dat al haar wél-opgevoedheid
haar op zoo'n oogenblik ten dienste heeft moeten staan om haar te
beletten als eene furie op hare voorgangster aan te vliegen en haar
de kostbare papieren te ontrukken, die zij snood aan de vernietiging
wilde prijs geven.
Intusschen moeten wij met de uitgeefster van meening verschillen,
waar zij uit het feit, dat Dekker's eerste echtgenoote, toen de
verhouding tusschen haar en haar man ten uiterste gespannen geworden
was, zijne brieven in woede en verdriet vernielde, het gevolg trekt,
dat Tine zich ook reeds in een vroegere periode, toen de verhouding,
in vergelijking met later, nog weinig te wenschen overliet, zich aan
soortgelijke handelingen zou hebben schuldig gemaakt. Wij gelooven
eerder dat de brieven die hier ontbreken "verloren zijn gegaan",
dan dat zij "opzettelijk vernietigd" zouden zijn.
De eerstvolgende brief, welken wij nu te lezen krijgen, is van 10
of 11 Januari 1860. Wij vernemen daaruit, dat Dekker met zijn gezin
den 15en Januari naar Brussel zal gaan, om eenige maanden rust te
genieten. De heer Jan gaf f400 als voorloopig voorschot, waarvan
echter f100 afgetrokken zou worden, naar wij uit den brief meenen te
begrijpen, voor de passage van de baboe, die naar Indië teruggezonden
werd. En de heer Van Lennep--daarom passen deze mededeelingen hier
noodzakelijk in dit historisch overzicht--zou f200 per maand geven,
waarvan echter f50 zou worden afgetrokken ten bate der Wageningsche
tantes. Tijdens Dekker's afwezigheid zoude dan Van Lennep de uitgaaf
van Max Havelaar bezorgen.
Zeer juist merkt de uitgeefster op, dat het, met het oog op het, later
gevolgde, bekende rechtsgeding tusschen Dekker en Van Lennep, over het
eigendom van Max Havelaar, niet weinig belangrijk geweest zoude zijn,
indien zij ook de tijdens Dekker's verblijf te Brussel in dezen tijd
tusschen hem en Van Lennep gewisselde brieven had kunnen opnemen in de
korrespondentie. Doch de pogingen, in 1871 door Dekker zelf, en nú,
bij de voorbereiding dezer uitgave der Brieven, door de uitgeefster
aangewend, om die brieven machtig te worden, zijn mislukt. Tijdens het
rechtsgeding had Dekker ze, ter vervollediging der geding-bescheiden,
aan zijn advokaat, Mr. J. G. A. Faber, ter hand gesteld. Doch deze heer
wist later niet waar zij gebleven waren, en Mr. Mouthaan, de opvolger
van Mr. Faber, had ze ook niet, bij den overgang van het kantoor, van
dezen overgenomen. Ook de heer Willem van Lennep, zoon van Mr. Jacob,
door de uitgeefster daarnaar gevraagd, kon zich niet herinneren bij
de papieren zijns vaders brieven van Dekker te hebben gevonden. De
uitgeefster neemt dus aan dat die vernietigd zijn. (Zie Br. 2e dl.,
blz. 61, 62.)
Eenige maanden leefde Dekker nu vereenigd met zijn gezin te
Laeken (Brussel). De uitgeefster merkt aan, dat dit een tijd van
betrekkelijke rust voor het gezin was. De uitstapjes, van hier uit
naar Spa ondernomen, hebben wij reeds vermeld. In Mei verscheen de
Havelaar, 14 Juni reisde Dekker terug naar Holland.
Wij vestigen er de aandacht op, dat Dekker dus, toen de voorbereidende
maatregelen ter uitgave werden genomen en toen de uitgave plaats
had, niet ter plaatse aanwezig was. Wij vestigen hierop nadrukkelijk
de aandacht, omdat Dekker op die wijze verzuimde den persoonlijken
invloed op de wijze van uitgeven te oefenen, waardoor wellicht de
verkeerde praktijken voorkomen hadden kunnen worden, waarover hij zich
later vruchteloos beklaagde. Was deze onthouding van onmiddellijk
persoonlijk beheer niet wijs, niet verstandig,--zij was daarentegen
zeer natuurlijk en verklaarbaar. Dekker had de grootste behoefte aan
rust, na al het tobben en zwerven en de druktes der laatste jaren,
en: Dekker beschouwde Van Lennep als zijn besten vriend en vertrouwde
hem volkomen; dat wil zeggen: vertrouwde volkomen, dat Van Lennep
Dekker's belang begreep, precies zooals Dekker dat zelf begreep,
en dat hij dit op die wijze begrepen belang, zonder eenige andere
konsideratie, tot richtsnoer van zijn handelingen zoude nemen.
Dekker reisde naar Rotterdam, van waar uit hij de korrespondentie met
zijne vrouw hervatte. Hoofdzakelijk vernemen wij nu vooreerst alleen
Dekker's blijde uitingen over het steeds grooter en grooter wordend,
en hem zelf verbazend, welslagen van zijn werk. Do. 17 Juni (1860)
spreekt Dekker reeds van eene "nationale inschrijving," waar hij
toen zekeren Van Prehw zich aan 't hoofd van wilde zien stellen. Dit
schijnt dus geen denkbeeld van later geweest te zijn, maar tijdens
of even vóor de Havelaar-uitgave bij hem te zijn opgekomen. Waar wij
echter op 't oogenblik, met betrekking tot de kwestie-Van Lennep
meer belang in stellen, is de reeds in dienzelfden brief van 17
Juni voorkomende uitlating: "Maar uit alles blijkt dat die De R. een
slaapmuts is." Hiermede werd bedoeld: de door Van Lennep voor deze
onderneming aangezochte uitgever De Ruyter. Tels, de hoofdredacteur der
N. Rott. Crt., had namelijk gezegd, dat er nú reeds (na pl. m. vier
weken) een derde druk van het werk had moeten zijn, en Nijgh, de
uitgever der N. Rott. Crt., dat er duizend exemplaren naar Indië
hadden behooren te worden gezonden.
"Is dat nu niet gloeiend jammer," schrijft Dekker, "dat door zulke
slaperigheid mijn boek minder effect maakt dan het bij een flinken
boekverkooper maken zou? Het is om te schreien. En je begrijpt dat
als de furore eens voorbij is zooals alle fureurs en enthousiasmes
voorbijgaan,--dat het dan te laat is."
Wij spatiëeren deze laatste woorden. Hierop, zal men zien, komt het
aan, hierop is het geschil tusschen Dekker en Van Lennep gegrondvest;
namelijk op het antwoord, dat de vraag uitlokt: waarvoor het "dan te
laat" zoude zijn.
Maar wij zien verder. Blz. 71 lezen wij: alles zou goed gaan... "maar
die vervloekte De Ruyter". "Ik klaag bij V. L. steen en been over De
Ruyter. 't Is een ware schande," do. 25 Juni: "Ik begin hoe langer
hoe meer in te zien, dat men wel mijn boek verheft als boek, maar
verder niets. 't Is wel hard!"
Voortdurend houdt hij zich nu bezig met de recensiën, die
achtereenvolgens de verschillende tijdschriften over Max Havelaar
publiceerden. De brieven aan Tine zijn daar vol van. Hij had toen
nog niet de verachting voor het publiek en de publieke opinie, die
zich langzamerhand van hem zou meester maken. Hij genoot er nog even
kinderlijk als buitensporig van zijn naam overal gedrukt te zien--iets
volstrekt ongewoons--en al de verschillende meeningen en uiteenloopende
waardeeringen over zijn, hem zoo innig van nabij bekend, geesteskind
te lezen. Men kan dit genot vergelijken bij dat van eene moeder,
die een eenig teér bemind zoontje heeft, dat eenige jaren lang met
de uiterste zorg door haar is verpleegd en opgevoed, altijd in het
stille huiselijk intérieur, waar alle leed en elke harde aanraking met
de buitenwereld ver van hem werd gehouden; en die nu, voor het eerst,
hem een kinderpartij laat bezoeken. Hoe leeg voelt zij hare hand als
zij hem loslaat, opdat hij zich alleen en vrij onder de speelgenootjes
zal gaan bewegen. Zie, daar gaat hij, zij kijkt hem na. Ja, hoe kijkt
ze hem nu na, hoe spitst ze nu het oor, om te zien en te hooren, wat
die en wat die en wat die derde zal zeggen van haar schat, van haar
kind! Wèl luistert zij aandachtig naar wat men dáarvan zal zeggen,
en wát dáarvan, wat van zijn oogjes, wat van zijn heele gezichtje,
wat van zijn blonde haar, wat van zijn lieve kleertjes, die zij met
zooveel zorg en oplettendheid heeft gekozen en geschikt...
Nu, zóo volgde Multatuli de appreciaties, die zijn eerste boek ten
deel vielen.
De eerste uiting van ontevredenheid tegen Van Lennep treffen wij aan
in een brief van 23 Juni:
"Van Lennep komt mij voor alsof hij zeggen wil: ik heb het mijne
gedaan! En eigenlijk heeft hij niets gedaan, want als de M. H. het aan
mij verstrekte geld niet dekt, dan is dat de schuld van den beroerden
boekverkooper waar hij mij gebracht heeft."
De Ruyter had maar dertig ex. van M. H. naar Indië gezonden. "Is
dat niet om te schreien?" roept Dekker uit. "En dan praat V. L. van
ondankbaar [-heid jegens De Ruyter.]" Do. 22 Juli lezen wij: "Ik zoek
geld om baas te worden over de uitgave, want die de R. is ellendig. De
vent heeft geen verstand van de zaak, maar Van Lennep zit mij in den
weg"; 29 Aug.: "Ik ben dol op dien De Ruyter! V. L. is weer in stad
gekomen, maar ik heb hem niet te huis gevonden. 't Is bedroevend!" 1
Sept. lezen we, dat Dekker nog bij V. L. geweest was, waar allen
hem heel hartelijk ontvingen. Een paar dagen later: "Die vervloekte
zaak met Van Lennep. Nog ben ik daarmee niet klaar." Op 12 Oktober:
"[ik heb] ruzie met Van Lennep" en "Van Lennep is... ja ik weet niet
wat ik er van zeggen moet." Van Lennep had namelijk, eindelijk, na lang
talmen, op Dekker's voortdurend aandringen, dat er van Max Havelaar een
goedkoope uitgaaf zou bezorgd worden, geantwoord: "Wie een huis koopt
heeft het recht het te verbouwen zonder den verkooper te raadplegen."
Dit antwoord van Van Lennep bracht het tusschen hem en Dekker tot
een uitbarsting. Op 20 Oktober lezen wij: "Misschien zal ik moeten
overgaan tot de treurige noodzakelijkheid om V. L. een proces aan
te doen. Dat zal mij zeer hard vallen. Prof. Veth is het met mij
eens dat hij mij infaam behandeld heeft. De opgang van M. H. stijgt
nog. 't Is ongehoord. De eerste druk is zoo goed als uitverkocht en
V. L. wil de volgende drukken voor zich houden!" 3 November 1860:
"Ik lig overhoop met Van Lennep. Ik moet gelooven dat hij mij bedrogen
heft. 't Is schande."
13 November vernemen wij dat de kogel door de kerk is in deze lakonieke
woorden: "Proces met Van Lennep."
Zes maanden later, 15 Mei 1861, werd in dit proces voor de eerste
maal gepleit.
In een brief van 2 Juni schrijft Dekker: "Proces Van Lennep eerste
instantie, heb ik verloren. Never mind! appel! Ik zal 't behandelen."
Dekker of zijn advokaat hebben geäppelleerd van het vonnis van de
arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en den 22sten Mei 1862 kwam
de zaak voor het provinciaal gerechtshof.
In het schrijven van 24 Mei 1862 heet het: "Verleden Donderdag heb ik
gepleit voor 't Hof. Had je 't gelezen in de courant? Maar er staat
niets bij, alleen dat ik gepleit heb. Die zaak met V. L. verveelt mij."
Het Hof heeft toen het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Wij
teekenen hierbij terstond aan, dat Dekker zich in dit proces misschien
meer dan bij welke gelegenheid ook, door zijn zenuwachtigheid en
ongestadigheid heeft laten beheerschen. Hij verloor het proces in
eerste instantie en keurde de rechterlijke uitspraak goed, omdat het
punt, waar het op aankwam, niet in behandeling was geweest; ja maar,
zeggen wij, als hij wat bedaarder was geweest, zoude hij zelf gezorgd
hebben, van te voren, dat het in behandeling kwam. Maar goed, dit
was dus een afgedane zaak, en hij had besloten te appelleeren. Voor
het provinciaal gerechtshof, een jaar later, pleitte hij zelf. Men
moet naar alle redelijkheid veronderstellen, dat hij persoonlijk
heeft willen pleiten, om des te zekerder te zijn van te overwinnen,
nú zéker te overwinnen. En ziet, toen het op stuk van zaken kwam,
verwaardigde hij zich niet te pleiten, zoodat hij, ten tweeden male,
erkennen moest, dat ook het provinciaal gerechtshof goed had gehandeld
met hem in het ongelijk te stellen. In Idee 289a leest men hierover:
"Wat mij zelf aangaat, voor 't hof betuigde ik kortelijk dat boek
niet aan den heer V. L. verkocht te hebben. Betoogd, bewezen, gepleit
heb ik niet. Vóór de zitting reeds ontwaarde ik dat de voorzitter
stokdoof was, en bovendien ik wist... kortom, ik was misselijk van
de zaak en dat ben ik nog. Toch voel ik mij verplicht te erkennen
dat het Hof, na mijn dédain om de zaak behoorlijk uit te leggen,
niet anders beslissen kon dan het gedaan heeft."
Indien men de toedracht dezer zaak goed overweegt, zal men in dit
geval een zoo duidelijk en plastisch mogelijk gegeven vinden van
den voorraad, waaruit de heer Swart Abrahamsz heeft geput, om tot
zijne kenschetsing van Dekker als neurasthenicus te komen. Dit is
zoo echt neurasthenisch mogelijk. Men doorziet den toestand van
hier, daghelder, zoo als hij zich heeft voorgedaan. Dekker was
bepaald voornemens persoonlijk voor het provinciaal gerechtshof
te pleiten. Wie weet of hij zelf geen uitvoerige rede op papier
had geprojekteerd. Maar toen de zitting aanving, had hij bemerkt,
dat de voorzitter hem en zijner zaak antipathiek gezind was, hij
stond daar tegenover lieden, die hij wist dat verreweg zijn minderen
waren, hij las op hun gelaat een dom en onherroepelijk misnoegen
jegens hem,... toen kwam, onwederstaanbaar, een hevige wrevel in
hem op, nooit was het kontrast schriller geweest tusschen hem en de
maatschappij, nooit pijnlijker onmiddellijk merkbaar, schier stoffelijk
voelbaar,... wat! hij de van God gezondene, hij met zijn koninklijke
ziel (in bruisende fantasieën leefden de grootheids-verbeeldingen
in hem op), hij stond hier tegenover ordinaire menschen, die hem
aankeken zooals fatsoenlijke burgermenschen een ploert aankijken in
wiens gezelschap zij genoodzaakt zijn eenige oogenblikken door te
brengen,... en zij, in welke hoedanigheid bevonden zij zich tegenover
hem... als rechters, die hij goedgunstig voor zijn zaak moest trachten
te stemmen... het was te erg, ziet, zij zagen hem aan, minachting
bespeurde hij in hunne fysionomie, als hij gepleit had zouden ze hem
openlijk veroordeelen en... in hun binnenkamers, in hun gezin, wellicht
heimelijk... bespotten... Het was te vreeselijk... déze wrevel kòn hij
niet overwinnen, in zich zelf dacht hij: laten ze naar de weêrlicht
loopen, liever het grootste nadeel, dan déze vernedering! Hij moest
zich nog inhouden om hun geen stoel naar 't hoofd te werpen; het was
al wél; hij beheerschte zich reeds voldoende met hun nog een oogenblik
te woord te willen staan. Maar méer zou hij ook niet doen.
Zóo stellen wij ons de toedracht dezer zaak voor. Ware Dekker beter
geéquilibreerd geweest, hij hadd' zijn wrevel onderdrukt, hij hadd'
zijn oogen gesloten voor de stemming van het Hof, zooals die op
het gelaat der leden voor zijn scherpzienden blik te lezen stond,
en hij hadd' eene zoo vernuftige rede gehouden, dat hij de rechters
te gelijk in bewondering ontstak voor zijn talent en overtuigde
van de rechtvaardigheid zijner zaak. Maar Dekker kón niet, hij was
een prediker maar geen advokaat, hij had hartstocht maar geen takt,
en hij werd het slachtoffer van de eigenschappen van zijn gestel,
zoo als die zijn gedragingen influenceerden.
Later, 2 October 1863, heeft Dekker vrede gemaakt met Van Lennep;
de uitgeefster der Brieven vermoedt dat geldverlegenheid hiervoor de
hoofdzakelijke reden is geweest.
Na de bescheiden betreffende het proces, behelst het 2e deel ten
slotte de brieven van den heer Van Lennep aan Dekker van de jaren
1863-67, waarbij telkens de aan Dekker komende gelden wegens den
verkoop van den Havelaar per assignatie worden overgemaakt. De laatste
brief betreft het voorstel van Dekker, dat De Ruyter het kopierecht
van M. H. zoude verkoopen, hetgeen Van Lennep ontraadt. Een jaar
later, 25 Augustus 1868, overleed Van Lennep; in Augustus 1870 is
het kopierecht werkelijk verkocht, in den zomer van 1871 hebben
de erven van Van Lennep de helft van de opbrengst dier verkooping
(zijnde dit hun geheele aandeel, daar de andere helft den uitgever
toekwam), aan Dekker uitgekeerd. De termen, waarin Dekker, ten einde
het piëteits-gevoel der Erven V. L. jegens hun vader niet te kwetsen,
om die uitkeering vroeg, luidden: het "op welwillende wijze ten
behoeve van den schrijver door wijlen den heer Mr. J. van Lennep
gereserveerde aandeel in den Havelaar."
De uitgeefster besluit deze episode en het 2e Brievendeel, met deze
woorden:
"In armoede was de Havelaar ontstaan, en in armoede zocht de gemartelde
schrijver naar een term om bij den eersten verkoop van het copyrecht
van zijn boek, de helft der opbrengst in handen te krijgen. Want òf hem
dat gelukken zou, was, toen hij de woorden samenvoegde, nog een vraag.
Kassian over hem!