Janmaat.
"Zeg, Dirk, kijk eens! Wat ziet dat schip er uit!"
Zoo sprak op zekeren middag in het begin van Juli in het jaar 1669
Garrit tot zijn' broeder Dirk, die nu Kapitein op het fluitschip "De
Haey" was. Garrit was zijn Eerste Stuurman. Met de "Beverwijck" --
Kapitein Cornelis Dirksz. en de "Alblas" -- Kapitein Londenaar, waren
ze een paar dagen geleden uit Nederland weer te Batavia aangekomen.
"Die schijnt in den slag geweest te zijn," antwoordde Dirk. "En kijk,
die daar achter komt heeft bijna geen lapje zeil heel. Nu maar, ze
schijnen hier ook zoo'n soort van Chattam gespeeld te hebben!"
"Daar ginder komen er nog meer," zeide Meester Pruymius, die zijne
beide jonge vrienden niet had willen verlaten. "En een er van heeft de
Admiraals-vlag in top. We moeten straks toch eens zien te vernemen waar
ergens zij, zoo gehavend zijn geworden. Ja, ja, de Compagnie is hier
niet altijd met den neus in het vet gevallen, en krijgt wel eens eene
harde noot te kraken."
Terwijl deze drie mannen, want Garrit en Dirk waren nu geene knapen
meer, zoo met elkander in gesprek waren werden de aankomende schepen van
het fort met kanonschoten begroet. Dit voorbeeld werd ook gevolgd door
de koopvaarders en enkele oorlogsschepen, die op de reede lagen.
"Nu, als het aan ons ligt, wij zullen niet onderdoen om eerbewijzen te
leveren," zeide Dirk en gaf bevel ook van "De Haey" het geschut
los te branden.
Van de naderende vloot werd deze groet natuurlijk beantwoord, zoodat
hooren en zien een mensch verging.
Ondertusschen was men aanboord van "De Haey" nog niets wijzer geworden.
Men had het eere-saluut gegeven, ja, maar wien het gold, wist men niet.
Zoo ging de middag voorbij en reeds wilde Dirk zich tot zijn' Vader
begeven om dezen opheldering te vragen, toen de Stuurman van de
"Alblas" met de boodschap kwam, dat Kapitein Londenaar, Dirk, Garrit
en Meester Pruymius uitnoodigde bij hem aanboord te komen; want hij
had bezoek gekregen. Kapitein Dirksz. van de "Beverwijck" had hij ook
moeten uitnoodigen.
"Bezoek bij IJzeren Neptunus? Wie zou daar gekomen zijn?" vroeg Dirk.
"Wij kennen hier immers zoogoed als niemand?"
"Joffer Cos, broertje," spotte Garrit.
"Ho, ho, geene Joffer Cos meer, maar wel Mevrouw Maetsuycker! Eere wie
eere toekomt! Joffer Poes heeft het ver gebracht," zeide Meester
Pruymius lachend. "Maar van dat bezoek gesproken, zou het Admiraal
Truytman niet zijn, of Henri Quatre of zijn vriend Dolf de Boef? Ze
leven, meen ik, nog alle drie!"
"Ja, en die Henri Quatre moet bij den Gouverneur-Generaal een wit voetje
hebben, zegt men. Nu, hij verdient het ook; want hij is een kerel van
stavast," zeide Garrit.
"Laten we maar niet langer raden en nu naar de "Alblas" gaan. Als we
daar zijn, zullen we het weten," sprak Dirk en stapte, gevolgd door
zijn' broeder en den scheepsbarbier, in de boot.
Ze werden door IJzeren Neptunus hartelijk ontvangen. Nog altijd was deze
even stevig en sterk, en als zijne haren niet wat grijs geworden waren,
dan zou men zoo gedacht hebben, dat die man niet veranderde. Naast
Kapitein Londenaar stond een man, wiens bruin gelaat verscheidene
litteekenen droeg. Hoofdhaar, baard en knevel waren ook niet zwart meer,
doch, zooals men dat wel eens noemt "peper en zout." Zijne donkere,
zwarte oogen alleen toonden, dat hij niet zoo oud was, als hij wel
geleek. Verder droeg hij den linkerarm in een' draagband, en als hij
iets vooruit trad, zag men dat hij hinkte. Achter dien man stond een
ander man, ook al niet jong meer en zijn gelaat was nog meer dan dat van
den anderen, doorploegd met litteekenen. Maar ook zijne oogen toonden,
dat er jongelingsvuur in dat lichaam woonde.
Juist toen Dirk, Garrit en Meester Pruymius door Kapitein Londenaar
begroet waren, trad Kapitein Dirksz. ook op het dek, en na de begroeting
vroeg deze: "En hebt ge zoo gasten gekregen?"
"Ja, deze twee," zeide Kapitein Londenaar met een lachje.
"Niet de eer de Heeren te kennen," sprak Dirksz.
De twee gasten lachten en....
"Ik laat me in een vol vat borreborrie kuipen, als dat Henri Quatre niet
is," riep Meester Pruymius, en den ander aanziend, zeî hij: "En dat is
Dolf! Geraden, nietwaar? Wel, wel, hoe veranderd! Bruin als roet en
gekorven als een droge schol! Hoe maak je het? Goed, ja?"
"Goed, goed, Meester!" riepen Henri Quatre en Dolf tegelijk; want zij
waren het. "Goed, goed! Alleen wat stram, mank en -- nu ja, de ouderdom
komt met gebreken! Kent ge ons nu, profeet?"
Deze laatste vraag werd gedaan aan Kapitein Dirksz., en deze, van zijne
vroegere profetie op het oogenblik zich niets meer herinnerend, vroeg
vroolijk lachend: "Profeet!? Profeet!? Ik een profeet? Ik begrijp er
niets van! Waarom ben ik zulk een voornaam man?"
"Ja, ja," hernam Dolf. "Weet ge niet meer, dat ge op ons afscheids-
en welkomstmaal geprofeteerd hebt in de Makassaarsche zaken? Is je
geheugen zoo kort?"
"Ja, ja, en?"
"Letterlijk uitgekomen, Dirksz.! Letterlijk! Wij komen met de vloot zoo
terug; maar ditmaal hadden we een' Speelman aanboord, die den Makassaren
een deuntje voorgespeeld heeft, waarbij ze zich doodgedanst hebben! Nu
zijn hunne sprongen voor goed uit! Wij hebben uw' raad gevolgd en
vreeselijk huis gehouden. Er is bijna geen steen op den anderen
gebleven. De rijstvelden zijn verwoest, de bosschen verbrand, de schepen
in den grond gehakt, de paleizen vernield, de woningen omvergehaald, de
inwoners doodgeschoten of door het zwaard en den honger terdood
gebracht. Wij hebben vreeselijk huis gehouden, en thans zullen ze wel
voor goed hunne streken afgeleerd hebben!"
"Hoor eens, goede vriend," dus sprak nu Kapitein Londenaar, "wij
hebben indertijd op onze manier daar ook zoo goed huis gehouden, en wij
allen zijn er zoo goed bekend, dat ik u voorstel in mijne kajuit een
glas wijn te drinken en eene pijp tabak te rooken. In dien tijd kunnen
we nog een en ander van de geschiedenis te weten komen."
"Tabak, echte tabak en eene Hollandsche pijp, Kapitein, ik ben je man!
De tabak hier smaakt mij niet. Maar als ik vragen mag, wie zijn deze
twee?" vroeg Henri Quatre.
Dit zeggende wees hij op Dirk en Garrit.
Dirk trad vooruit en zei: "Henri Quatre, deze zijn de "Twee
Vromen". Ik ben Dirk, Kapitein op "De Haey" en dit is mijn broêr Garrit,
die mijn Eerste Stuurman is. Er zit een hard vel voor ons voorhoofd en
we hebben moeielijk geleerd, maar we hebben volgehouden en -- de
aanhouder wint. Het geluk is ons, nadat we Vader teruggevonden hebben,
als het ware op den voet gevolgd."
Henri Quatre en Dolf drukten de twee jonge mannen hartelijk de hand en
spoedig zat nu het gezelschap in de kajuit van Kapitein Londenaar onder
het genot van een goed glas wijn en eene pijp echte Westindische tabak.
Nadat men op elkanders gezondheid gedronken had, zeide Kapitein
Londenaar: "Maar zeg mij nu eens, hoe zijn daar in Makassar de poppen
weer aan het dansen gegaan?"
"Dat is gauw gezegd, goede vriend," sprak nu Dolf. "Nauwelijks
waren in '60 de Afgezanten van den Makassaarschen Koning uit Batavia
vertrokken, of wij kregen bericht, dat de zeerooverijen der Makassaren
alvast niet geëindigd waren. De Koning evenwel verontschuldigde zich
steeds met te zeggen, dat het buiten zijn weten geschied was, en hij
beloofde altijd die roovers te zullen straffen. Van dat straffen werd
evenwel nooit veel vernomen, doch zoolang er geene grootere
vijandelijkheden gepleegd werden, besloot men wat door de vingers te
zien. In '65 evenwel zond de Koning van Makassar tienduizend man naar
het eiland Boeton, ten Zuidoosten van Celebes gelegen, om daar de
Hollanders te verdrijven. Inmiddels leden op zijne kusten de
Compagnie-schepen de "Walvisch" en de "Leeuwin" schipbreuk.
Inplaats van de bemanning te helpen, plunderden de Makassaren beide
schepen en mishandelden zij het Nederlandsche volk. Zoodra men dat te
Batavia vernam, besloot de Gouverneur-Generaal aan dit alles voor goed
een einde te maken, en zond Cornelis Speelman, Gouverneur van de kust
van Koromandel, eene boodschap, onverwijld naar Batavia te komen. Maar
eer deze er nog was, kwam het Hollandsche Opperhoofd van het kantoor
van Makassar aan, en vertelde dat een der Rijksgrooten van den Koning
hem een' slag in het aangezicht gegeven had, omdat hij den Koning
eenige verwijten had durven doen omtrent het plunderen der schepen. Dat
Hollandsche Opperhoofd bracht evenwel goede hulp mede, en deze bestond
uit een' Makassaarschen Prins met een klein gevolg. Het was Radja
Palakka, die in vijandschap leefde met den Koning van Makassar, omdat
deze Palakka's Grootvader en Vader had laten terdood brengen. Deze
wraakzuchtige, jonge Vorst werd terstond door den Gouverneur-Generaal in
den armen genomen en toen Speelman eindelijk ook te Batavia verscheen en
zich liet overhalen om Bevelhebber te worden van de vloot, die Makassar
tuchtigen zou, was deze met Radja Palakka's hulp zeer ingenomen, en hij
beloofde er zich zeer veel goeds van."
"En zeker wel weer verkeerd uitgekomen?" vroeg Kapitein Dirksz. "Geen
enkele Makassaar is te vertrouwen."
"Tot heden nog niet," antwoordde Henri Quatre. "Hij heeft ons trouw
geholpen, dat moet gezegd worden. En het was noodig ook; want die
Makassaren mogen trouweloos zijn, buitengewoon dapper zijn ze ook, en de
kunst van op onze wijze oorlog te voeren, hebben ze goed afgekeken."
"En gij beiden hebt zeker den heelen tocht medegemaakt?" vroeg Meester
Pruymius. "Ten minste, dat zou ik zoo aan de vele litteekenen en aan uwe
vergrijsde haren zeggen!"
"Van het begin tot het einde, Meester! En vier zulke levensjaren
tellen er wel voor twaalf, dat kan ik u verzekeren," zeide Dolf. "Tot
driemalen toe zijn we in handen van den vijand gevallen, doch telkens
den dans ontsnapt, hoewel niet zonder kleerscheuren, dat ziet ge wel
aan onze aangezichten. Bij de laatste bestorming van het Koninklijke
paleis, dat we voor een deel in de lucht hadden laten springen, kreeg
mijn vriend een' stam van een' klapperboom op den linkerarm,
die ...."
"Zeker nog niet genezen is, omdat gij geen troost der armen hadt," riep
Meester Pruymius.
"Een gebroken arm zet men, maar geneest men toch niet met zalf,
Meester," zeide Henri Quatre lachend. "Intusschen die laatste
bestorming heeft de deur toe gedaan en nu zijn we hier met zulk een
aanzienlijk Gezantschap, als wellicht nog nimmer binnen Batavia geweest
is."
"En zult ge nog niet welhaast naar Nederland terugkeeren?" vroeg
Garrit, die trouw geluisterd had.
"Dolf en ik hebben plan om den dienst der Compagnie te verlaten en ons
te Amsterdam te vestigen. Wij hebben genoeg buit behaald en loon
bespaard om nog eenige jaren in rust te kunnen leven," sprak Henri
Quatre.
"Nu, die rust hebt gijlieden wel verdiend," meende Kapitein Londenaar.
"Wie had ooit iets van deze ontmoeting kunnen droomen?"
Henri Quatre stond thans van zijne plaats op en sprak: "Wij, Kapitein,
wij? Als ge met wij bedoelt iedereen, van Admiraal Speelman af tot den
minsten kajuitsjongen, dan heeft u gelijk. Wij allen hebben ons meer dan
wakker geweerd. En waar men in Holland de kooplieden ziet leven, als
Koningen en Prinsen, daar zal men wél doen ook eens te denken aan hen,
die het goud uit het Oosten in de schatkisten der Westerlingen doen
rollen tot ze overloopen, maar dat doen ten koste van hunne beste
lichaamskrachten, ten koste van hunne gezondheid, ja, vaak ten koste van
hun leven. En vraagt ge wie dezen zijn, dan noem ik maar één naam, en
met dien naam bedoel ik allen, die hier de Compagnie dienen. Het is
Janmaat! Vrienden, dit volle glas geledigd op den roem van Nederland, op
den trouwhartigen, eerlijken, ruwen en dapperen Janmaat!"
"Leve Janmaat op alle zeeën!" riep Meester Pruymius.
"Leve Janmaat in de Oost!" riep Dirk.
"Maar zijn er dan weer Afgezanten met de vloot mede gekomen?" vroeg
IJzeren Neptunus toen men weer na al dat gejuich tot kalmte gekomen was.
"Of er Afgezanten mede gekomen zijn!?" riep Henri Quatre. "Wel, man,
heel Batavia is vol Makassaren. Alleen de Koningen van Tello en van
Linques met hunne vrouwen en hun gevolg tellen meer dan vierdehalf
honderd personen. Die Heeren Bondgenooten van den Koning van Makassar
betalen hunne hulp met eene dure vernedering."
"Voor bijna vierhonderd menschen is in Batavia toch wel plaats, meen
ik," zeide Meester Pruymius.
"Zeker, maar bij die vierhonderd blijft het niet," nam Dolf nu het
woord. "Behalve die twee Koningen heeft men nog den zoon van den Koning
en nog zes andere Rijksgrooten te zamen met een gevolg van meer dan
vijfhonderd man."
"Heel Makassar is leeggeloopen, geloof ik," zeide Dirk.
"En dan zijn we er nog niet," sprak Henri Quatre. "Nog vele andere
Rijksgrooten zijn er ook bij, onder anderen Radja Palakka, die ons zoo
goed geholpen heeft, met heel zijn aanhang. Hij is eigenlijk de held van
den dag, en zijne hulp zal vorstelijk beloond worden."
"Ik zal me nu maar aan geene tweede voorspelling wagen," zeide Kapitein
Dirksz. "anders lacht men mij weer uit."
"Ge moogt het anders gerust doen," sprak Henri Quatre. "Kom voor den
dag met uwe profetie!"
"Welnu dan," hernam Dirksz. "Ik voorzie, dat men dien man te veel eer
bewijst. Hij moge ons goed geholpen hebben, dat bracht zijn belang mede,
maar voor het overige is en blijft hij een Makassaar en is niet verder
te vertrouwen dan zijn neus lang is! Wat zegt gij ervan, Kapitein
Londenaar?"
"Och, ik weet het niet; maar mij komt het zoo voor dat de Compagnie wel
wat te veel hooi op hare vork neemt. Hoe zullen we, als de zaken eens
gaan tegenslaan, al die volken en landen in bedwang houden?"
"Ja, man, daarover heb ik ook wel eens gedacht," zeide Henri Quatre.
"Maar ik houd het ervoor, dat de Compagnie nu en dan wel tegen haar'
zin zich zoo uitbreidt, en dat zij gedwongen wordt haar' gebied telkens
te vergrooten, wil ze behouden, wat ze heeft. Maar ik heb geene vrees,
dat wij hare dagen van tegenspoed zullen beleven. De Compagnie is nog
in al hare kracht, en de oorlogen, die men telkens in Europa te voeren
heeft tegen de Engelschen, maken dat ze daar ginder in het Vaderland
wakker blijven, en wie wakker is, kijkt naar alle kanten uit. De
kwaadste tijd zal eerst aankomen, als de Geüniëerde Provinciën vrede in
Europa hebben."
"Me dunkt, dat we nu nog wel eens over wat anders praten konden, dan
over hetgeen eenmaal zal kunnen gebeuren," zeide Dolf. "Vertelt ons
liever eens een en ander van hetgeen in Europa gebeurd is, bijvoorbeeld
van Meester Jan, Bestevaêr Michiel en Chattam. Wij weten wel wat, maar
lang niet alles."
Aan dat verlangen werd door de anderen graag voldaan en toen eindelijk
ieder voor het vallen van het avondschot weer naar zijn schip
terugkeerde, deed hij dat, na Kapitein Londenaar betuigd te hebben, dat
hij een' vroolijken avond doorgebracht had.
En na nog, als terloops, gezegd te hebben, dat er van de voorspellingen
van Kapitein Dirksz., IJzeren Neptunus en Henri Quatre, ongelukkig
genoeg, veel bewaarheid werd, sluiten wij ook ons verhaal, dat, zoo ik
vertrouw, mijne lezers wel eens zal hebben doen denken aan Atjeh.
Mochten ze ook nu maar evenzeer overtuigd zijn, dat de mannen, die daar
strijden ter zee en te land, nog even kranige en flinke kerels zijn, als
zij, die van 1660 tot '69 den trouweloozen, maar dapperen Makassaar
zoodanig de les lazen. -- Maar mocht het vooral niet waar zijn, wat eens
een onzer dichters, A. J. De Bull, zong van een afgeleefd matroos aan
den IJkant te Amsterdam:
"Ieder muisjen heeft zijn gaatjen --
Maar wat heeft een oud matroos?"
* * * * *