Getuchtigd, niet verslagen.
De tocht onzer drie gezellen was, zooals men lichtelijk begrijpen kan,
naar het kasteel Panakoké. Ze wilden wel eens zien hoe sterk dat was en
op welke wijze de Makassaren hunne forten bouwden.
Op weg daarheen zagen ze eenige soldaten der Makassaren aankomen. Zij
waren sterk gewapend en hadden drie zwaar geboeide mannen in hun midden.
"Dat gelijken wel drie der onzen," zeide Garrit. "Dat zullen toch die
arme schipbreukelingen niet zijn, die ze ons zoo uitleveren?"
"Wel neen, jongen," antwoordde Meester Pruymius. "Na het lesje,
dat ze ontvangen hebben zullen ze zoo iets niet meer wagen. Kom, we
zullen eens gaan kijken wat het is."
Ons drietal verhaastte de schreden, doch lang vóór ze bij de hoofdpoort
van Panakoké kwamen, waren de Makassaren er al met hunne gevangenen, die
aan den Hollandschen Bevelhebber overgegeven werden.
De Makassaren keerden terug en de drie geboeide mannen werden op
staanden voet en zonder eenigen vorm van proces, naast elkander, aan den
diksten tak van een' hoogen boom opgehangen.
De drie vrienden wendden hun hoofd van dat akelig gezicht af en zett'en,
wel wat ontdaan over dit voorval, hun' tocht voort. Spoedig waren ze nu
bij de poort van het kasteel waar Meester Pruymius aan een' Vaandrig der
landingstroepen vroeg, waartoe die wreedheid toch diende.
"Wreedheid, sinjeur!" riep de Vaandrig. "Ik zou u raden een toontje
lager te zingen. Er is recht, niets meer dan recht gedaan. Gij behoort
toch niet tot de Doms of Makassaren?"
"Ik ben zoo goed een Hollander, als gij er een zijt, man," zeide de
barbier. "Ik ben Meester Pruymius van de "Koning van Polen." Maar zoo
iets, als hier gebeurt...."
"Gebeurt in de Vereenigde Nederlanden immers ook dikwijls genoeg? Of
heeft niet iedere stad zijn galgenveld? En wordt dat galgenveld wel
gebruikt om er doperwtjes en peultjes te telen?"
"Alles behalve, man! Maar ik heb er nooit aardigheid in gevonden om eens
te gaan kijken of al de zeven pennen wel vol waren. Waren die drie ook
moordenaars?"
"Erger, erger!" luidde het antwoord.
"Amok-makers dan?" vroeg Dirk en hij dacht terstond aan het vreeselijk
oogenblik, dat hij te Batavia beleefd had en eene huivering liep bij die
gedachte door al zijne leden.
"Nog erger, veel erger!" sprak de Vaandrig.
Geene moordenaars, maar erger dan deze!
Geen amok-makers, maar nog veel erger dan deze!
Welke vreeselijke menschen waren die drie dan toch?
Dat vroeg ook eindelijk Meester Pruymius.
"Het zijn drie overloopers," antwoordde de Vaandrig. "Twee
Franschen en een Portugees! Ze wilden zeker hun geluk eens bij den
vijand beproeven en daar alles van onze aangelegenheden aan de groote
klok hangen. Zoodra het echter bekend was, dat die drie weggeloopen
waren, eischte onze Bevelhebber hen dadelijk van den Koning op en deze,
nog niet bekomen van den schrik, heeft hen onmiddellijk uitgeleverd. Om
een goed voorbeeld te stellen zijn ze bij de uitlevering, zonder verhoor
zelfs, opgehangen. Dat komt ervan!"[33]
De drie gezellen lieten den wijzen Vaandrig, die zoo van korte metten
maken hield, staan en gingen het fort binnen.
Men was druk bezig om binnen de ruimte, die tusschen de muren was,
allerlei woningen voor de bezetting en magazijnen voor den levens- en
krijgsvoorraad te bouwen.
De vier ronde punten aan de hoeken der muren waren voorzien met nieuwe
en zware metalen kanonnen.
De muren zelve waren zeer dik en goed onderhouden en op de borstwering
lagen stapels met gekloofde stammen van klapperboomen, om hiermede den
vijand bij eene bestorming naar het hoofd te smijten.
De gracht om het fort werd overal uitgediept en met scherp gepunte
schanspalen, zoogenaamde palissaden, voorzien en de voetangels en
klemmen, die in dezen tijd bij eene versterkte plaats niet schenen
gemist te kunnen worden, waren in overvloed neergelegd.
Het liet zich dus aanzien, dat de Makassaren, ook als de vloot
vertrokken was, er niet gauw toe zouden overgaan om deze sterkte met
geweld te bemachtigen. Wat ze door list zouden beproeven, moest men nog
afwachten, zoodat hij, die hier Bevelhebber werd, een zeer waakzaam man
en bovendien een dapper soldaat moest zijn.
Nadat ze zoo alles goed bekeken hadden, wilden ze de sterkte weer
verlaten toen ze eenige uitgehongerde bedelaars aan de poort met den
Vaandrig in gesprek zagen.
"Wie zouden die mannen zijn?" vroeg Garrit.
"Misschien ook wel overloopers," meende Dirk en hij spoorde Meester
Pruymius al aan om toch wat meer haast te maken, anders zouden ze
mogelijk weer van zulk eene akelige terechtstelling getuigen moeten
zijn.
In het eerst scheen de goedige Dokter, die zoo iets liever ook niet zou
willen zien, aan het verzoek van Dirk gehoor te geven, doch hoe meer hij
de poort, den Vaandrig en de bedelaars naderde, hoe langzamer hij liep.
Ten laatste stond hij zelfs stil en scheen het met zichzelven niet eens
te zijn.
"Kom dan toch, Meester," smeekten de jongens.
Onafgebroken hield Meester Pruymius het oog op den voorsten bedelaar
gewend.
"Wat henker," bromde hij, "dien man ken ik!"
"Kom, Meester, meê! meê!" riep Dirk.
"Jongen," zei Meester Pruymius op eenmaal, en hij keek Garrit vlak in
de oogen, "waar ligt uw Vader begraven?"
Garrit schrikte bij deze onverwachte vraag niet weinig en zeide: "Moeder
ligt bij de smalle gemeente te Haarlem begraven. Waarom vraagt gij dat
toch zoo opeens?"[34]
"Ik vraag niet naar je Moeder! Ik vraag naar je Vader," hernam Meester
Pruymius op driftigen toon.
"Dat heeft Moeder nooit willen zeggen," sprak thans Dirk. "Maar
waarom vraagt gij dat?"
"Zoo maar! Wanneer is je Vader gestorven?"
"Ook dat heeft Moeder nooit gezegd. Ik was drie jaar, meen ik, toen ik
des avonds een' man aan Moeder hoorde vertellen, maar op fluisterenden
toon: "Verdronken!" Toen zeide hij nog wat; maar dat verstond ik niet.
Zoodra die man weg was, barstte Moeder in luid geween uit. Garrit, die
een jaar jonger is dan ik, huilde mede, maar wist niet waarom. Ik
huilde, omdat ik het Moeder zag doen, en mijne armpjes om haar' hals
slaande, vroeg ik: "Wat is het, Moetje?" en snikkend klonk haar
antwoord: "Kindertjes, gij hebt geen Vadertje meer!" Later heeft ze
nooit meer over dezen avond gesproken. Dat is alles, wat ik ervan weet,
en Garrit weet er zoo goed als niets van."
"Zoo, zoo!" zeide Meester Pruymius nadenkend met het hoofd knikkend en
ging weer langzaam verder.
De zoogenaamde bedelaars werden door den Vaandrig in het wachthuis
gelaten en weldra ging Admiraal Truytman met eenigen zijner Officieren,
van buiten gekomen, ook binnen.
Onze drie verlieten nu het kasteel, doch zoodra ze bij eene plaats
kwamen waar juist eene boot van de "Koning van Polen" zou afvaren, riep
Meester Pruymius het volk toe, dat het wachten moest, want dat zij mede
wilden. Het volk wachtte en onder het gaan naar de boot vroeg de Dokter
aan Dirk: "Hoe heette je Vader?"
"Cornelis Dirksz., Meester!" gaf Dirk ten antwoord.
"Haast je wat! Een uur en is geen kinderstoel en men kan het niet
achteruit rijden!" riep Dolf, die de boot zou sturen en blijkbaar wat
veel haast scheen te hebben.
"We zijn er," sprak Meester Pruymius en liet de jongens vóór zich in
de boot stappen, doch toen hij hen heette te willen volgen, trok hij
zich terug en zei: "Gaat maar zonder mij! Ik heb in het kasteel wat
vergeten en zal straks wel met eene andere boot aanboord komen."
Na dit gezegd te hebben liep hij op een drafje terug.
"Wat doet Meester Troost der Armen toch gek," zeide een der matrozen.
"Hij schijnt erg zenuwachtig te zijn."
"Och, hij zal een nieuw geneesmiddel voor Dirks hoofdwonde gevonden
hebben en dat gaan halen!" spotte een andere matroos. "Wie weet welk
een' vreemden poespas hij nu weer opgedoken heeft."
"Neen," zeide Garrit, "hij heeft geen geneesmiddel gevonden, maar ik
geloof dat hij akelig geworden is door het ophangen van die drie
overloopers. Wij waren er juist bij toen dat gebeurde."
"Ja, en toen hij die arme bedelaars in het fort zag komen, begon hij
dadelijk heel raar te doen en naar Vader en Moeder te vragen," zeide
Dirk. "Ik geloof stellig dat hij er kennissen onder had."
"Nu, nu, we zullen er later wel meer van hooren," sprak Dolf.
"Als onze Meester wat bijzonders heeft kan hij dat toch niet zwijgen!
Vooruit, mannen!"
De riemen plasten in het water en een kwartier later was weer al het
volk aanboord op den Kapitein en den scheepsbarbier na. Van den Kapitein
was men dat gewoon, omdat deze nu telkens voor allerlei zaken aan den
wal moest zijn, maar dat Meester Pruymius daar nu alleen achtergebleven
was, zie, dat vond men toch vreemd, en allen meenden dat hij vast en
stellig alweer met een nieuw wonderwatertje of een vreemd zalfje zou
terugkeeren.
Natuurlijk zijn wij, die met den goedigen Meester ook aan wal gingen
wel wat nieuwsgierig om te weten, wat hem bewoog terug te keeren.
Daarom verlaten we ook de "Koning van Polen" en spoeden ons om Meester
Pruymius in te halen. Onze beenen zijn nog heel wat jonger dan de
zijne, zoodat hij ons wel niet uit het gezicht loopen zal. Zie, daar is
hij al. Hij staat bij het wachthuis aan de poort van het fort en wij
zijn er ook.
"Alweer terug, Meester?" vroeg de Vaandrig.
"Ja, dat ziet ge. Zijn die bedelaars daar nog binnen?"
"Bedelaars? Ik weet van geene bedelaars!"
"Dat slecht gekleede magere volk van daar straks!"
"O, meen je dat? Dat waren de Stuurman en de matrozen van het
Hollandsche schip, dat hier eenige jaren geleden gestrand en geplunderd
is! De Koning van Makassar heeft die lieden moeten uitleveren. Maar wat
zien ze er uit! De zielen hebben wat geleden, hoor!"
"Ja, ja, dat zal wel! En zijn ze nog binnen?"
"Ja! De Admiraal en eenige Kapiteins willen zeker hunne lotgevallen
vernemen. Stil, daar komen ze!"
De Bevelhebber, gevolgd door de meeste Kapiteins, trad nu buiten het
wachthuis en ging de vesting van binnen met al hare versterkingen en
voorraad-magazijnen in oogenschouw nemen.
"Mag ik binnengaan?" vroeg Meester Pruymius aan den Vaandrig. "Ik zou
die arme slokkerds wel eens willen zien."
De Vaandrig knikte toestemmend en zei: "Uwe medicamenten hebben ze
vooreerst niet noodig, Meester! Ze zijn nu bezig den inwendigen mensch
te versterken met pekelvleesch en beschuit, en dat schijnt hun goed te
smaken ook, want ze rammelden van den honger."
Meester Pruymius hoorde die laatste woorden niet eens en trad in het
groote vertrek, waar acht mannen bezig waren met flink toe te tasten.
Hij keek hen eens aan, en eindelijk zijn' man gevonden hebbende, trad
hij op hem toe, klopte hem op den schouder en vroeg botweg: "Wel,
Cornelis Dirksz., smaakt het, ouwentje? Mij dunkt zoo dat je dit in
langen tijd niet gehad hebt."
"Ja, ja, best," antwoordde de gevraagde met vollen mond. "Best,
Sinjeur!" -- Hij deed een' slok en nog een'. Toen was de mond ledig.
-- "Maar mag ik weten wie u is?"
"Jij bent dus Cornelis Dirksz.? Is dat zoo?"
"Ja, ja, die ben ik! Maar ik ken u niet!"
"Ja man, dan staan we al even na. Ik ken u ook niet," sprak Meester
Pruymius verward.
"Och, Stuurman, laat die man u niet van het maal houden! Tast toe!"
zeide thans een der etende en smullende matrozen en schoof Cornelis
Dirksz. een' schotel met vleesch toe. "Je weet, als het schaapje blaat
verliest het zijn beetje."
"Goed! Eet man, eet je genoegen! En als je den buik vol hebt, moet ik u
een en ander vertellen," sprak Meester Pruymius en ging toen, van pret
in de handen wrijvend, het vertrek eenige keeren op en neer.
"Tot uw' dienst, Sinjeur," sprak na een poosje de man, die werkelijk
Cornelis Dirksz. heette en die Stuurman bleek te zijn.
"Ik ken u niet, maar ik ken uwe jongens! Ik ken Garrit! En, al zie je er
ook erg lijdend en vermagerd uit, toch lijkt je sprekend op dien
jongen," zeide Meester Pruymius.
"Garrit!" riep de man en greep de handen van den Dokter. "Garrit?
Kent u hem? Hij moet al een heele kerel wezen. En Dirk ook al. Kent u
Dirk ook? En mijne vrouw?"
"Uwe vrouw heb ik nooit gekend, goede vriend! Wie weet of de ziel al
niet lang en breed dood is, ik geloof het haast. En Garrit, ja, een
heele kerel! Hij is zeventien! Dirk is achttien. Ze dienen bij ons op
het schip en omdat ze altijd zoo ingetogen en stil zijn, worden ze door
het volk de "Twee Vromen" genoemd. Maar nu ik mij wel herinner, de
jongens hebben me gezegd dat ze weezen waren, zoodat uwe vrouw stellig
dood is."
Dat alles was er uit eer Meester Pruymius er aan dacht, dat hij toch dom
deed, dat alles zoo opeens te vertellen. Die man had zooveel geleden en
zou dus misschien niet sterk genoeg zijn, om....
Daar ging hij al.
Gelukkig had Meester Pruymius het zien aankomen, en eer de man voorover
sloeg, had hij hem in de armen opgevangen en droeg hem naar eene bank.
Uit eene groote doos, die hij altijd bij zich droeg, haalde hij nu een
fleschje, waarin een scherp riekend vocht was. Hij hield hem dat onder
den neus en -- de man kwam weer bij. Uit een ander fleschje, dat veel
grooter was, en dat gevuld was met arak, liet hij hem nu een' teug
drinken.[35]
"Men sterft niet van blijdschap, Stuurman," zeide nu Meester Pruymius.
"Luister, wat ik u te vertellen heb."
De twee mannen zett'en zich nu buiten het gebouw op eene bank neder en
daar deelde de vriendelijke Dokter hem alles mede. Hij verzweeg ook
niet, dat Dirk in het laatste gevecht gewond was geworden. En juist toen
hij alles verteld had, kwam Kapitein Londenaar met Admiraal Truytman
aan. Meester Pruymius ging naar die twee toe en zeide op beleefden toon,
wat er gebeurd was en wien hij gevonden had.
"Weet je wat, Kapitein," zeide de Admiraal. "Bij u aanboord zijn
in het gevecht nog al dooden gevallen. Neem gij den Stuurman mede, dan
is de Vader bij zijne zoons!"
"Ik heb geene Stuurlieden noodig, Admiraal!"
"Vanmiddag nog niet; vanavond wel. Uw Stuurman Adolf van Backerswerve
zal, met Willem van Aspervelde als Kapitein, "de Hollandsche Remedie"
naar Batavia brengen!"
"Mijne beste mannen," riep Kapitein Londenaar.
"Heer Johan van Dam wil het zoo," zeide Truytman en hierop klonk het
nog half fluisterend: "Een soort van wraak, Kapitein! "De Hollandsche
Remedie" zal Joffer Cos overbrengen. Laat Cornelis Dirksz. nu uw Eerste
Stuurman zijn en de oudste zijner zoons de tweede. Ik stel beiden aan
en maak zooveel goed als ik kan."
Cornelis Dirksz., die alles, behalve het gefluister, verstaan had, kwam
nu nader en zeide: "Admiraal, mijn innigen dank daarvoor! Kapitein, ik
beloof u een goed Stuurman te zullen zijn, al ben ik het ook bij ongeluk
geworden."
"Ga dan maar gauw mede aanboord," zeide IJzeren Neptunus, "dan kunnen
Henri Quatre en Dolf de Boef nog aan een vreugdemaal deelnemen!"
Na afscheid van den Admiraal genomen te hebben wilde Kapitein Londenaar
heengaan; maar zijn nieuwe Stuurman hield hem staande en zeide: "Ik moet
mijn volk nog goeden dag zeggen en hun alles mededeelen. Ik mag immers
wel? We hebben samen zooveel geleden en we deelden zoo hartelijk in
elkanders lot!"
"Zeker moogt ge! En zoo is het beter ook. Meester Pruymius en ik gaan
vooruit om uwe jongens op het heugelijke nieuws voor te bereiden. Over
een half uur laat ik u halen. Tot straks!"
Zoodra Kapitein Londenaar op het dek van de "Koning van Polen" stond,
kwam Henri Quatre op hem af en zeide: "Hier is een brief voor u van den
Heer Johan van Dam. Ik-zelf heb er ook een ontvangen en Dolf ook een. En
zonder dien van u gelezen te hebben, kunnen we haast raden wat de Heer
van Dam u meldt. Wij gaan u verlaten, Kapitein! Dat doet ons beiden zeer
veel leed; want wij konden het zoo goed met u vinden."
"Dat gij mij verlaten zoudt, wist ik reeds van Admiraal Truytman, doch
dat de Heer van Dam u reeds kennis van uwe bevordering gegeven had, kon
ik niet vermoeden. Intusschen wensch ik u en Dolf van harte met de
benoeming geluk. Wij hebben eene gelukkige reize gemaakt. En zeker weet
gij al, dat ge aanboord van "de Hollandsche Remedie" een passagier zult
hebben?"
"Neen," riep Dolf. "Hiervan weten wij niets. Een der Afgezanten
van den Koning van Makassar soms?"
"Die reizen op eigen gelegenheid met hunne eigen vaartuigen naar
Batavia. Tenminste, als het er van komt; want we zijn nog zoo verre
niet. De Makassaren zoeken telkens uitvluchten. Neen, Joffer Cos komt
bij u aanboord en vanavond nog zult ge met haar vertrekken. Als er nu
maar katten zijn op "de Hollandsche Remedie" of geene ratten!"
Daar stond wat van in toen de twee vrienden hoorden welk een gezelschap
ze kregen. In het eerst waren ze zelfs instaat om voor de aangeboden
betrekkingen te bedanken, doch Kapitein Londenaar beduidde hun' dat ze
wel dwaas zouden zijn, terwille van die lastige dame, hun geluk met
voeten te treden. De overtocht was immers in eenige dagen volbracht?
Weigerden ze het te doen, dan konden ze er ook wel op rekenen, dat ze
nimmer bevorderd werden.
"Ondertusschen," zeide de Kapitein, "zou ik nog vergeten u te zeggen,
dat ik al een' Eersten en een' Tweeden Stuurman heb. Dat is heel
gauw in zijn werk gegaan, he?"
Toen de beide vrienden, op het vernemen van dit bericht, ongeloovig met
het hoofd schudd'en en bijna gelijktijdig: "Och, kom!" riepen,
vertelde Kapitein Londenaar hun zijne ontmoeting aan den wal, en
eindigde met te zeggen: "Haalt gij beiden hem nu af en -- laat Garrit
ook mee gaan. Meester Pruymius is op het oogenblik bezig om Dirk op het
aangename bericht voor te bereiden."
Een half uurtje later roeiden eenige mannen, waarbij ook Garrit, met de
groote boot naar den wal om den nieuwen Stuurman aanboord te brengen.
Garrit wist niet beter dan dat ze aan den wal een' Eersten Stuurman
gingen halen, en het volk, dat ook niet wist, wie die nieuwe Eerste
Stuurman was, toonde zich met dien ruil in het geheel niet ingenomen,
want Henri Quatre en Dolf hadden zich bij het volk zeer bemind weten te
maken. Garrit zeide, dat hij, als Kapitein Londenaar en Meester Pruymius
er niet waren, met zijn' broer zou willen wegloopen.
"Ik wed om een' zilveren duit, dat Garrit en zijn broer de eersten
zullen zijn om blijde te wezen, dat ze een' nieuwen Eersten Stuurman
krijgen in den persoon, die daar aan den wal staat," zeide Meester
Pruymius en wees naar een' man die blijkbaar op eene boot stond te
wachten, en zag dat de boot, die naderde die was, welke hem kwam
afhalen. Meester Pruymius was ver genoeg te herkennen.
De matrozen keken in de aangewezen richting en zoodra Garrit dat ook
gedaan had, riep hij: "Dat is een halve Makassaar, een kwart Portugees
en een kwart Hollander! Een mooie jongen, ja! Moet hij bij ons aanboord
Eerste Stuurman worden? Ha! Ha!"
Zoo snappend over den "mooien jongen" roeiden de matrozen voort en
hadden den wachtenden man weldra in hunne boot opgenomen. Van den vrijen
tijd, dien men hem gelaten had, had hij niet alleen gebruik gemaakt om
van zijne manschappen afscheid te nemen, maar ook om voor het geld, dat
Admiraal Truytman hem en de andere mannen gegeven had, zich eens flink
te reinigen, en inplaats van zijn bedelaars-pak andere kleederen te
koopen. Hierop was evenwel eene zware wijs gegaan; want er waren in
Makassar geene winkels waar men kleederen voor een' Hollandschen zeeman
koopen kon. Na lang zoeken was het hem eindelijk gelukt bij een' Chinees
het pak te koopen, dat hij aan had.
Op weg naar het schip had Henri Quatre den nieuwen Stuurman vlak naast
Garrit gezet en daar deze hierover een weinig geraakt was, trok hij, om
zijne boosheid te verzetten, aan zijn' riem, alsof hij alleen de boot
moest roeien.
"Daar zit kracht in je handen, jonge maat," zeide Stuurman Dirksz., den
knaap met welgevallen aanziende, doch niet vermoedende dat die jonge
matroos zijn zoon was.
"Doet me pleizier, Stuurman," antwoordde Garrit korzelig en trok toen
nog veel sterker.
"Zeker al lang gevaren, al ben je nog jong!"
"Vijf jaar gevaren," antwoordde Garrit nog nijdiger.
"We zijn er!" klonk op dit oogenblik Henri Quatre's stem. De boot
legde bij den valreep aan. Meester Pruymius repte zich om het eerst op
het dek te zijn en daarna volgden de anderen.
"Welkom, Stuurman, op het dek van de "Koning van Polen"," zeide
Kapitein Londenaar. "Ik vertrouw, dat...."
"Vader! Vader! Waar is Vader?" schreeuwde opeens Dirk, die naar boven
kwam loopen, tegengehouden door Meester Pruymius, die niets deed dan
roepen: "Jongen, je hoofd! Denk aan je hoofd!"
"Waar is Vader? Waar is Vader?" schreeuwde Dirk maar steeds voort.
"Hier, jongen, hier!" riep Stuurman Dirksz. en snelde zijn' zoon te
gemoet. "Wie ben je?"
"Vader! Vader! Goede Vader! Ik ben Dirk! Hier, hier ben ik, ik,
ik ...." snikte Dirk en sloeg zijne armen om den hals van den mageren,
bruinen Stuurman.
"Wat is -- wat is dat toch -- dat toch?" vroeg Garrit, geweldig bevend
en opgewonden.
"Dat is uw Vader, Garrit," zeide Londenaar.
"Hier is Garrit! Hier, hier, hier is Garrit, hier, hier!" schreeuwde nu
de knaap en viel op zijne beurt ook zijn' Vader om den hals.
Het was een treffend gezicht, die drie mannen daar in ééne omarming te
zien staan en toen Meester Pruymius dat ook zag, schoot zijn gemoed vol
en met bevende stem begon hij te zingen:
"Dancket Godt nu opentlick,
Hy is doch seer vriendelick;
Want Syn groote goedigheyt,
Geduert inder eeuwigheyt."
En weer zou hij, die geloofd had, dat Janmaat alleen maar een ruwe,
onbehouwen kerel is, uitgeroepen hebben, als hij dat heerlijk tooneel
had mogen aanschouwen en dat gezang hooren: "Daar zit veel mensch onder
dat ruwe kleed."
Een uur later zat de Kapitein met zijne gasten aan den disch en toen het
maal afgeloopen was, vertelde de nieuwe Stuurman zijne lotgevallen, die
in het kort hierop neerkwamen:
Hij was indertijd schoenlapper te Haarlem en leefde met vrouw en
kinderen zeer gelukkig. Maar veertien jaren geleden was hij op een'
avond naar eene herberg medegetroond, waar wervers van de Compagnie hem
dronken hadden gemaakt en in zijne dronkenschap dienst hadden laten
nemen, als soldaat naar de Oost. Nog dien eigen avond had men hem te
Amsterdam scheep gebracht en een paar dagen later was hij reeds
vertrokken. Uit Amsterdam had hij nog gelegenheid gehad zijne vrouw eene
boodschap te sturen, dat men hem dronken had gemaakt en dat hij nu naar
de Oost moest. Dat woord =dronken= had Dirk verstaan en er =verdronken=
van gemaakt. In de Oost gekomen leerde men hem weldra, als een goed
matroos kennen, zoodat hij gebruikt werd om op de landsschepen dienst te
doen, en hij het eindelijk zoover bracht, dat men hem tot Stuurman
aanstelde op het jacht "De goede Harder". Op dit jacht deed hij
verscheidene tochten en daardoor leerde hij de Indische wateren
uitmuntend kennen, zoodat men hem bijna altijd in dienst had. Hierdoor
kwam het, dat hij maar zelden met matrozen of ander scheepsvolk kon
spreken, die weer naar het Vaderland terugkeerden. Tweemaal had hij
echter een' brief aan zijne vrouw medegegeven; maar deze waren beide
keeren niet terecht gekomen. Hij troostte zich met de gedachte, dat hij
maar een half jaar meer te dienen had en dan weer naar huis kon gaan,
toen "De goede Harder" op de kust van Makassar schipbreuk leed.
Inplaats van de arme schipbreukelingen te helpen, had men hen
uitgeplunderd en mishandeld. Zeven mannen, waaronder de Kapitein, waren
aan de gevolgen der mishandeling gestorven, en de overige acht had men
in het binnenland op de velden van een Hoofd laten werken. Toen dat
Hoofd stierf, had men hen als bedelaars laten ronddwalen, en eens waren
zij zóó verhongerd, dat zij eene doode slang den buik openden om zich te
verzadigen met het dier, dat deze slang ingeslokt had, en dat zóó groot
was geweest, dat het vraatzuchtige beest er in gestikt was. Kort daarop
waren ze opnieuw gevangen genomen en hadden ze aan de wreedste
mishandelingen blootgestaan.
Toen Stuurman Dirksz. uitgesproken had, zeide Kapitein Londenaar:
"Dergelijke schandalen zullen nu niet meer plaats grijpen, goede vriend!
De les, die de Makassaren nu ontvangen hebben, zullen ze wel zóó goed
onthouden, dat ze het niet meer wagen zullen om op eenige manier, hetzij
door list of met geweld, der Oost-Indische Compagnie den voet dwars te
zetten!"
"Dat ware te wenschen, Kapitein, maar het zal niet zoo zijn," zeide
Stuurman Dirksz. "Ik heb, eilaci, ruimschoots de gelegenheid gehad, om
dit volk van haver tot gort te leeren kennen. De Makassaren zijn mannen,
die durven. Zonder onderscheid haten ze allen de Europeanen, en als men
hen in hun dagelijksch doen en laten gadeslaat, dan verzeker ik u, dat
de gedachte bij ieder opkomt: Hier in Makassar heeft de Compagnie haar'
gevaarlijksten vijand. Ik voorspel, dat deze tuchtiging heel gauw
vergeten zal zijn!"
"Maar, Stuurman," riep Kapitein Londenaar, "kunnen de luiden dan nog
zwaarder getuchtigd worden?"
"Heel Makassar moet het onderstboven gekeerd worden; de landhuizen
moeten verbrand en de woningen der minderen onder den voet gehaald
worden. Hunne velden en bosschen moet men vernielen en de Makassaren te
vuur en te zwaard in hun' laatsten schuilhoek jagen, waar ze zich op
genade of ongenade moeten overgeven, Kapitein!"
"Maar dat is onmenschelijk, Stuurman," riep Henri Quatre en allen
stemden met dien uitroep in. Dolf voegde er zelfs bij: "De ellende, die
gij en de uwen geleden hebt, maakt u wreed, vriend! Bedenk, dat de
Makassaren toch ook menschen zijn, en hun land en hunne vrijheid niet
gaarne prijsgeven!"
"Juist, daar zit de knoop, mijne vrienden! Eerst beproeft men het door
geweld aan de Compagnie te ontkomen, en als dat niet gelukt, neemt men
list en verraad te baat. Er zit dus voor de Compagnie niets anders op,
wanneer ze landen aan haar gebied wil toevoegen, dan de inwoners zóó
zwak en klein te maken, dat ze door list en verraad zelfs niets meer
kunnen uitrichten."
"Ik vertrouw altijd nog, dat gij een slecht profeet zijt, Stuurman,"
zeide Kapitein Londenaar en bracht het gesprek op andere onderwerpen.
Tegen het vallen van den avond waren Henri Quatre en Dolf naar hun
nieuw schip vertrokken en nog denzelfden nacht zette "de Hollandsche
Remedie", met Joffer Cos aanboord, koers naar Batavia.
Eenige dagen later kwam ook de zaak met den Koning van Makassar zoover
in orde, dat er besloten werd een deftig Gezantschap naar Batavia te
zenden om daar over den vrede te onderhandelen. In het fort Panakoké
liet men vijfhonderd man als bezetting achter, en vier schepen bleven
daar om toezicht, en den vijand in bedwang te houden.
Het hoofd van het Gezantschap was een zekere Kraëng Papowa, die in eene
prachtig versierde prauw plaats nam en nog van drie prauwen vol Edelen
vergezeld was.
Intusschen zouden, behalve de vier schepen, die voor Makassar bleven,
slechts enkele onder bevel van Heer Johan van Dam het gezantschap naar
Batavia vergezellen. Admiraal Truytman kreeg in last met het grootste
deel der vloot naar Bima te gaan, om daar rijst te laden, en als hij de
lading in had, moest hij naar Solor om daar eene sterkte te bouwen en
verder naar Timor om de Portugeezen te bevechten. Tot de schepen, die
naar Batavia gingen, behoorde ook de "Koning van Polen."
Zonder veel ongeval kwam de kleine vloot te Batavia aan, waar de
Makassaarsche Edelen met Vorstelijke eerbewijzen ontvangen werden.
Buiten de stad werden ze in een prachtig landhuis geherbergd en kort
daarop begonnen de onderhandelingen, welke zóó goed vlott'en, dat ze
weldra gevolgd werden door het sluiten van een' eeuwig-durenden vrede,
zeer ten voordeele der Oost-Indische Compagnie, naar men meende.
Dien eigen avond ook vertrok de "Koning van Polen" met eene rijke
lading en in gezelschap van nog twaalf andere schepen naar het
Vaderland.
"Wel, Stuurman," zeide Kapitein Londenaar, toen ze onderzeil waren,
"weet ge het al, dat de vrede tusschen de Compagnie en Makassar gesloten
is?"
"Ik heb er van gehoord, Kapitein! Ik heb er van gehoord," antwoordde
Dirksz.
"En ziet ge nu wel, dat ge al een zeer slecht profeet geweest zijt. Men
heeft zwart op wit, en wat wil men nog meer?"
"Daarover hoop ik, bij leven en welzijn, nog wel eens later met u te
spreken, Kapitein," klonk het uit den mond van den Stuurman, die de
schouders ophaalde, "doch laat ik u zeggen dat al dat mooie "zwart op
wit" geen' duit waard is."
"Onverbeterlijk!" bromde Kapitein Londenaar.
"Wie onverbeterlijk, Kapitein?"
"Gij zijt onverbeterlijk, goede vriend!"
"U meent de Makassaar, Kapitein! Maar, zooals gezegd is, wij zullen het
er later nog wel eens over hebben," sprak Stuurman Dirksz. en aan zijn
werk gaande, liet hij Kapitein Londenaar wel wat ontevreden staan.
"Een ongeluks-profeet," bromde de Kapitein en ging in de kajuit.
"Maar -- de man heeft het er Spaansch gehad, en dat zegt alles."
De retour-vloot kwam ongehinderd in het Vaderland aan, en toen men de
lading uit de "Koning van Polen" genomen had, zag men dat dit schip te
oud geworden was om nogmaals eene Indische reis te doen. Het volk werd
dus voorloopig ontslagen en kwam later op verschillende schepen
terecht.[36]
Bij het afscheidnemen had Kapitein Londenaar van zijn' Stuurman en diens
beide zoons, benevens Meester Pruymius de belofte ontvangen, dat zij op
zijn nieuw schip weer de nieuwe reis wilden aanvaarden.