IJzeren Neptunus zag hem aan.
En die man, die groote, sterke man, die zeebonk als een boom, -- hij had
tranen in de donkere oogen en nogmaals klonk het: "Ben ik er dan niet
meer, jongen?"
"Kapitein! Kapitein!" riep Dirk. Maar meer kon hij niet zeggen en
snikkend boog hij het kloppende hoofd aan de breede borst van den reus,
waarin een hart zat zoo edel, zoo groot, zoo goed, dat Dirk zich ten
laatste vermande en met diep bewogen stem vroeg: "Kapitein, wil u dan in
de plaats van onze lieve Ouders komen? Wil u dat?"
"Of ik wil, jongen? Of ik wil? Ja, ja, van ganscher harte. Hier heb je
mijne hand er op. Blijft gij allebei oppassen als tot nu, ik zal je
helpen, troosten en bijstaan! De Almachtige hoort me spreken, en -- een
man, een man; een woord, een woord!" --
Was het wel te verwonderen, dat de arme jongen op Garrits vraag: "Dirk,
ga je met mij en Meester Pruymius mede naar den wal? Als je maar kalm
blijft, zal het je geen kwaad doen, zei Meester," met een' vroolijken
lach op het gelaat uitriep: "Ja, Garrit, graag, graag!"
Er ligt voor menschen en kinderen, die zich op aarde verlaten wanen,
zulk een groote troost in, te ervaren, dat men zich bedroog en hier op
aarde toch niet alleen staat.