Toch niet alleen.
Den volgenden morgen, heel vroeg, werd er nog eens krijgsraad belegd om
het plan van aanval te regelen. Toen al de Kapiteins bij elkander waren,
zeide Admiraal Truytman: "Mijne waarde vrienden, deze nacht is niet
voorbijgegaan zonder mij een plan te doen beramen. Ik zal het u
mededeelen. Wij zeilen met de heele vloot naar Makassar. De wind is
zeer flauw en zal ons naar alle waarschijnlijkheid al niet veel verder
brengen dan tot het kasteel Panakoké. Hier zullen we dan gedurende den
nacht blijven liggen, doch van de duisternis gebruik makend, zullen de
landingstroepen van de elf grootste schepen op de jachten en fluiten
overgaan. Als dan de morgenstond weer aanbreekt beginnen die elf schepen
een hevig kanonvuur op Panakoké te openen, en als ze dat kasteel eenigen
tijd beschoten hebben, dan zeilen ze verder. Ofschoon de Heer van Dam en
ik bij de landingstroepen zullen blijven, moet de "Mars" toch de
Admiraalsvlag blijven voeren, even alsof wij nog aanboord waren. Na het
kasteel beschoten te hebben, blijven wij met onze vierentwintig kleinere
schepen met de zeilen bij den mast liggen, en nemen den schijn aan van
niets te kunnen doen. Zijn de elf groote schepen voor de stad zelve
gekomen, dan moeten ze het Koninklijke kasteel Samboupo zoo hevig
mogelijk gaan beschieten en zich houden, alsof ze hier eene landing
willen beproeven. Zoodra de Makassaarsche bezetting van het kasteel
Panakoké dat ziet, zal ze, denkend van de vierentwintig kleine schepen
niets te vreezen te hebben, de bezetting van het Koninklijke slot te
hulp komen. Zoodra die bezetting afgetrokken is, landen wij en nemen dan
waarschijnlijk met zeer veel gemak dat kasteel Panakoké in en brengen
den vijand zóó tusschen twee vuren, dat hij zich niet weet te bewegen en
zich op genade of ongenade moet overgeven. Mocht door wind of door iets
anders dit plan niet volvoerd kunnen worden, dan zullen we opnieuw
trachten een' krijgsraad te beleggen. Maar ik meen zoo, dat het gelukken
moet, als de wind ons geene leelijke parten speelt."
Geen der leden van den Raad had iets tegen dit plan in te brengen en de
Kapiteins van de Amboineesche landingstroepen waren er zelfs wàt mede in
hun' schik. Ze hadden behoefte, naar het scheen, om te toonen, dat ze in
moed en dapperheid voor de Europeanen niet onderdeden.
Kort daarop verliet men de plaats van bijeenkomst en stelde de vloot
zich in beweging.
De wind was zeer flauw, zoodat de schepen langzaam vorderden. Zij, die
nog nooit in deze streken geweest waren, hadden nu vol-op gelegenheid om
dat heerlijke land van zeer nabij te bekijken.
Eerst tegen den middag kwam eene stevige koelte uit zee opzetten, en
nauwelijks had men de stad en de versterkingen in het gezicht gekregen,
of van al de schepen begon men het grof geschut te lossen. Men deed dit
evenwel meer om indruk te maken en de stukken nu met schroot te kunnen
laden.
Het strand was bezaaid met krijgsvolk en uit alles bleek, dat de
Makassaren niet van plan waren, om zich zoo maar klakkeloos te
onderwerpen, doch eer ze het tot een gevecht lieten komen, waarvan de
uitslag toch altijd twijfelachtig was, besloten ze list te gebruiken.
Onverwachts vertoonde zich eene prachtig versierde prauw, die op ons
Admiraalsschip afkwam. Zij had Afgezanten van den Koning aanboord en
dezen vroegen gehoor bij den Admiraal. Dit werd hun natuurlijk
toegestaan. Tusschen twee rijen sterk gewapend volk stapten de
Afgezanten naar de kajuit, waar de twee Bevelhebbers hen wachtten.
"Gij hebt verlangd ons te spreken; wat is er van uw begeeren?" vroeg
Heer van Dam, nadat de wederzijdsche begroetingen, die met heel veel
deftigheid plaats hadden, waren afgeloopen.
De voornaamste der Afgezanten nam nu het woord en zeide: "Wij zijn allen
Edellieden van Makassar en uit naam van onzen Grootmachtigen Gebieder,
den Grooten Koning Hassanopdin, onzen Heer, komen wij u vragen waarom
zulk eene groote vloot der Oost-Indische Compagnie naar Makassar is
gekomen en de stad met schoten uit grof geschut begroet heeft. Indien
het zwaard tegen dit Koninkrijk gekeerd is, dan weet onze Grootmachtige
Gebieder niet, waaraan hij zulks toeschrijven moet, daar het ten allen
tijde zijn streven geweest is met de Compagnie op een' goeden voet van
vriendschap te leven. En dit zal zijn streven blijven ook. De Heer
Bevelhebber dezer vloot hebbe dus de goedheid te zeggen, waarom zijne
komst alhier niet vredelievend is. Stellig en zeker, onze Grootmachtige
Gebieder, wien Allah een lang leven schenke, wil van zijne zijde niets
liever dan goede vriendschap."
Toen de Afgezant dit gezegd had ging hij achterwaarts bij zijn gevolg en
wachtte, in onderdanige houding, het antwoord der Bevelhebbers af.
Dat antwoord liet zich niet lang wachten. Admiraal Truytman stond op en
zeide nu: "De Afgezanten van den Grootmachtigen Gebieder van Makassar
kunnen met hun gevolg wel heengaan, en hun' verraderlijken meester
vertellen, dat de machtige Oost-Indische Compagnie thans lang genoeg
geduld gehad heeft. Wij laten ons niet langer met kluitkens in het riet
sturen en zijn gekomen om de Portugeezen te verjagen, Makassar plat te
schieten en den Koning zóó te tuchtigen, dat hij geen' anderen uitweg
meer weet dan zich geheel aan de Compagnie over te geven. Gaat! Gij weet
uwe boodschap!"
De Makassaarsche Edellieden vertrokken en daar inmiddels de avond begon
te vallen, zoo ankerde de heele vloot op eene halve mijl afstands van
het sterke kasteel Panakoké, waar blijkbaar alles in gereedheid gebracht
werd voor eene moedige verdediging. Gedurende den nacht verlieten de
Bevelhebbers en de landingstroepen de groote schepen en verborgen zich
op de fluiten en jachten, die bedaard voor anker bleven liggen.
Met het aanbreken van den dageraad lichtten de elf grootste schepen de
ankers. De "Mars", met de Admiraalsvlag in top, zeilde vooruit en
nauwelijks waren zij voor Panakoké gekomen, of zij begonnen dat fort
allerhevigst te beschieten. De Makassaren, die daar ten getale van vier-
of vijfduizend man in bezetting lagen, waren nu zóó niet, of ze
beantwoordden die beleefdheid der Hollanders, en lieten ook de
bloedvlaggen waaien. Daar het fort echter hooger lag dan het dek onzer
schepen deden de kogels der vijanden niet veel kwaad. Na alzoo het
kasteel een tijdlang beschoten te hebben zeilde de vloot onder gedurig
schieten steeds verder tot ze recht voor het Koninklijke slot lag. Dit
was eene zeer belangrijke sterkte en blijkbaar was het ook van eene
buitengewoon groote bezetting voorzien.
Het gedonder van ons geschut werd niet weinig vermeerderd door dat van
de Makassaren, die door de Portugeezen wakker geholpen werden, en dat
deze laatsten het geschut bedienden, bleek uit het groot aantal goed
gerichte schoten, die aan onze vloot niet weinig nadeel toebrachten. Dit
nadeel en deze tegenstand verbitterden Janmaat niet weinig, en de
kanonnen werden aanboord der schepen met zulk eene snelheid gelost en
met zooveel nauwkeurigheid gericht, dat men in het slot bevreesd begon
te worden en hulp vroeg aan de bezetting van Panakoké. De Bevelhebber
dier sterkte, in den waan, dat de vierentwintig Compagnie-schepen, die
daar lagen, niets konden uitrichten, snelde met een aanzienlijk deel der
bezetting het bedreigde Koninklijke slot te hulp.
Wij weten dat dit juist door de Heeren Truytman en van Dam gehoopt werd,
en zoodra was Panakoké dan ook niet door het grootste deel van zijne
bezetting verlaten, of het landingsleger der onzen liet zich met eenig
klein veldgeschut naar den wal brengen.
"Voorwaarts, mannen!" riep Truytman. "De sterkte bestormd, en ineens
genomen!"
Moedig rukten de onzen voorwaarts en de kleine bezetting den
onverwachten vijand ziende naderen, besloot haar leven niet in eene
wanhopige verdediging te laten, maar op de vlucht te gaan. Met dit doel
opende zij twee poorten, doch juist op het oogenblik, dat zij door deze
poorten ontvluchten wilden, naderde eene bende piekeniers van de onzen
in storm-pas. De Makassaren vloden in de vesting terug en begonnen zich
nu wanhopig te verdedigen. Maar de macht der onzen was te groot; de
meesten werden in de pan gehakt en in een' betrekkelijk korten tijd was
men van het kasteel meester, waar men dadelijk de Hollandsche vlag
heesch en de Makassaarsche vlaggen neerhaalde.
Toen Garrit en Dirk, die aanboord van de "Koning van Polen" het
bombardement van het Koninklijke slot hielpen mede maken, op Panakoké de
vlag der Compagnie zagen wapperen, schreeuwden ze uit alle macht:
"Victorie! Victorie!"
"Wat is er gaande, jongens?" vroeg Henri Quatre.
"Panakoké is ingenomen, Stuurman! Kijk maar onze vlag waait daar!"
"Daar gaat de vijand op Panakoké los!" schreeuwde Hoepel. "Als
ze het nu maar houden daar ginder."
"Er zal eene zware wijs op gaan, maat!" zeide Joost. "Wat een
ontzettend leger heeft die Koning van Makassar! Dat is een machtige
vijand!"
"Maar eer het een paar dagen verder is, een machtige bondgenoot,"
meende Dolf.
"Zulke bondgenooten helpen de Compagnie van den wal in de sloot,"
hernam Joost met wat bitters in de stem.
"Vuur! Vuur, mannen! Belet aan die Makassaren dat ze het fort
terugnemen. Onze kogels moeten hun den pas afsnijden," riep Kapitein
Londenaar. "Daar gaat de groote stag van de "Mars". Die daar op
Samboupo hebben leeren mikken."[32]
"Dat lappen ons die verdraaide Portugeezen, die...."
Het was Hoepel, die deze woorden sprak, doch den zin niet kon voltooien.
Een kogel vloog hem tegen de borst en hij tuimelde achterover.
Dolf snelde toe om den gevallene op te helpen en naar Meester Pruymius,
die de handen meer dan vol had, te brengen.
"Laat maar, Stuurman! Laat maar! Het is gedaan met mij! En toch...."
Hij richtte zich nog even op, haalde met bovenmenschelijke inspanning de
muts van het hoofd, wierp die in de hoogte en riep: "Victorie! Vic...."
Thans zakte hij ineen en was dood.
"De zevende vandaag," bromde Kreeft. "Ze houden hier groote
opruiming!"
Na dit gezegd te hebben begaf hij zich naar zijn kanon, maar eer hij
daar plaats genomen had, sloeg een vijandelijke kogel den grooten mast
in splinters en een dik stuk hout trof hem en Dirk tegelijk. Kreeft was
oogenblikkelijk dood, doch Dirk had alleen eene hevige wonde aan het
hoofd bekomen en werd ook bij Meester Pruymius gebracht, die al zijn
wonderwater al verbruikt had en nu de gewonden met borreborrie trachtte
te genezen.
Terwijl dit alles aanboord van de "Koning van Polen" voorviel,
ondernamen de Makassaren de sterkte Panakoké weder te hernemen.
Met een ijselijk geschreeuw vielen ze aan.
Het geschut hadden de onzen gelukkig in een' uitmuntenden staat
gevonden; het moest alleen maar beter op de affuiten gesteld worden.
Kruit was er in overvloed en het was van eene uitmuntende hoedanigheid.
Kogels, steenen, schroot en handgranaten had men vol-op.
"Wij zullen ze staan!" riep van Dam toen hij de duizenden naderen zag.
"Ze krijgen ons er niet uit."
"Ik vertrouw dat we nog wat meer zullen doen dan dit fort behouden,"
zeide Admiraal Truytman. "We zullen die luî verjagen ook. De jongens van
Amboina hebben zich dapper geweerd en dorsten er naar om te toonen, dat
ze nog meer kunnen doen."
De aanvallers naderden intusschen in dichtgesloten gelederen. Ze
schenen er niet aan te denken, dat het geschut van het fort, wanneer het
losgebrand werd in dien opeengepakten hoop, eene verschrikkelijke
uitwerking zou hebben en er honderden zou doen vallen.
"Vuur!" commandeerde van Dam nu toen de Makassaren juist tegenover de
batterijen gekomen waren.
De gevolgen van die losbranding waren verschrikkelijk, maar, met ware
doodsverachting en onder het aanheffen van wilde krijgskreten stormden
ze voorwaarts tegen de batterijen in. Geene nieuwe losbrandingen konden
die dapperen doen wijken. Langzaam, maar zeker, naderden zij de wallen,
en toen ze daar waren werden duizenden pijlen en lansen, die voor het
meerendeel vergiftigd waren, naar de onzen geworpen.
Eindelijk werden de gelederen van den vijand door de vreeselijke
uitwerking van ons geschut, dat grootendeels met schroot geladen werd,
zóó gedund, dat de onverschrokken vijand den moed liet zinken en in
wilde wanorde op de vlucht sloeg.
"Zet den vijand na! Zet den vijand na!" riepen van Dam en Truytman.
"Nu moeten we van ons voordeel gebruik maken."
Het werd nu geen gevecht meer, maar eene slachting en toen men ten
laatste geene vijanden meer te dooden vond, werden, op bevel van van
Dam, alle tempels, paleizen, landhuizen, pakhuizen, woonhuizen en
scheepstimmerwerven inbrand gestoken.
Het arme Makassar, dat een paar dagen geleden, daar nog zoo rustig en
vredig in al zijne heerlijkheid lag, was nu ééne brandende massa, ééne
groote vuurzee, waaruit de vlammen wapperend en klapperend opstegen.
Intusschen waren de elf schepen van de vloot nog verder gegaan en
bombardeerden nu het kwartier der Portugeezen, die evenwel toonden, dat
ze even koen in het hanteeren der wapenen waren, als de Hollanders.
Nu, de Portugeesche zeevaarders waren door hunne onverschrokken
zeetochten reeds wereldberoemd toen de eerste Nederlander, die een'
tocht naar de Oost zou maken, nog niet eens geboren was. Wij hadden dus
met geene lafaards te doen, die bij een eerste kanonschot op de vlucht
gingen of zich overgaven.
De Bevelhebber der Portugeezen was Dom Francisco Vigero, en deze scheen
besloten te hebben de Hollanders, het mocht kosten wat het wilde, uit
Makassar te houden.
Zijn geschut werd op uitstekende wijze bediend en bracht onze vloot
groote nadeelen toe.
Doch de onzen gaven het ook niet gauw op en schoten, alsof hun voorraad
van kruit en lood onuitputtelijk was.
Daar ging de "Mars" weer verder.
Aan de noordzijde van Makassar lag nog het fort Joupandan en dat had nog
geene kennis met onze kogels gemaakt.
"Jongens, dat kan niet," had de Kapitein van de "Mars" gezegd.
"De een alles en de ander niemendal, dat is niet eerlijk! Vooruit! Die
daar op Joupandan moeten onze blauwe boonen ook eens proeven!"
Nadat ook dit fort deerlijk toegetakeld was, keerde de "Mars" terug en
zoodra het voor het kwartier der Portugeezen kwam, begon het lieve leven
opnieuw.
"Ik wilde wel dat de "Breukelen" wat ruimte maakte." zeide Kapitein
Londenaar tot Henri Quatre.
"Kunnen we het dan niet wat meer langs den wal houden," vroeg deze.
"Zoo gaat het niet langer."
"Dat moet dan maar," sprak Londenaar, "maar oppassen is de boodschap,
anders varen we omhoog."
Dolf bracht daarop de "Koning van Polen" wat meer naar het strand, doch
opeens kwam de Kapitein aanloopen en schreeuwde: "Roer op! Roer op!"
Ja, het was mooi gezegd: "Roer op!" maar het roer zat als een muur zoo
vast.
"Wat is dat?" riep Dolf.
"Wij zijn boven de plaats waar gisteren de Portugeesche Admiraal in de
lucht gevlogen is. Het roer zit vast aan het ankertouw van het wrak!"
Bom -- bom -- bom!
"Lieve schepsel, dat is nu om ons te doen!" riep Joost. "Nog niet
genoeg dooden en gekwetsten?"
"Vuur, voor den drommel, vuur! Geef ze van laken!" riep Kapitein
Londenaar. "Wij moeten van ons blijven afbijten."
Dat kon echter nu maar van bakboordszijde gebeuren; want van wenden of
keeren was geene sprake.
"Dag, Kapitein! Dag jongens!" riep op eenmaal Joost, die door een'
musketkogel getroffen was, uit.
"Drommels, Ouwe Joost, laat je het er bij liggen?" riep Dolf, die den
man ophielp.
"Die -- Por -- Portugeezen -- zijn -- zijn -- kerels! Laat me -- laat me
-- sterven in de armen -- armen van een' Hollander, mijn -- vriend! Laat
-- IJzeren -- Nep -- tunus -- komen."
IJzeren Neptunus trad nader.
"Wel, Joost," zeî hij, "wat is dát?"
"Houd--uwe--hand--hand onder mijn hoofd--IJzeren--Nep--Neptunus!"
stamelde hij.
Kapitein Londenaar deed het.
"Doe--de--groeten thuis--aan--vrouw en kin--kinderen! Vaar--wel,
ka--me--raad! Ad--adjuus!"
Kapitein Londenaar hield een lijk in de armen.
Joost was in dienst der Compagnie gestorven.
Bom! bom! bom! klonken de kanonschoten der Portugeezen, en bijna ieder
schot was raak.
"Sein om hulp!" riep Kapitein Londenaar.
"Hoezee! Hoezee!" riep op hetzelfde oogenblik Henri Quatre, en het
schip was vrij.
Een vijandelijke kogel had het ankertouw, waarin het roer verward was,
middendoor geschoten.
In een oogenblik had men het schip gewend en was de batterij aan
stuurboord afgevuurd.
"Het is genoeg, Stuurman!" sprak Kapitein Londenaar. "Wij moeten
afhouden. De "Koning van Polen" zal een' zwaren dobber hebben om de
andere tien bij te houden! Hoeveel water zouden we in het ruim hebben?"
"Niet veel, Kapitein! De scheepstimmerlui hebben wonderen gedaan! U
heeft volk aanboord zoo goed als de Heeren Truytman en van Dam niet
hebben," zeide Dolf.
Wijselijk hield men van den wal af en liet men het geschut zwijgen. Het
werd tijd, dat men ophield en zich verzamelde, om opnieuw krijgsraad te
houden.
Toen de avond gevallen was lag de heele vloot weer voor Panakoké op
dezelfde plaats van den voorgaanden nacht ten anker. De gezonden rustten
uit van de vermoeienissen van den dag.
In den scheepsraad, die nog dien eigen avond aanboord van de "Mars"
gehouden werd, bleek het, dat de "Koning van Polen" bijna alleen
zooveel dooden en gekwetsten had, als al de andere schepen samen. Er
waren dus bij het bombardement van de forten en de stad niet veel
Hollandsche menschenlevens te betreuren. Ook bij de landingstroepen
had men alleen een paar, die niet eens zwaar gewond waren en slechts
één' doode. Omtrent de plannen van den volgenden dag werd niet gerept.
De Heer van Dam meende wel, dat de Koning van Makassar het niet wagen
zou, na zulk eene ontzettende nederlaag, waarbij de keur van zijne
oorlogsbenden omgekomen was, den strijd voort te zetten. Naar zijne
gedachten zou er den volgenden morgen wel een nieuw Gezantschap komen
om de voorwaarden te hooren, waarop de Compagnie vrede wilde sluiten.
Er werd alleen maar aangenomen, dat men het kasteel Panakoké zou
blijven bezetten en daar scherpe wacht houden. Men kon dan altijd den
volgenden dag zien, wat er gedaan moest worden.
Natuurlijk was met het aanbreken van den dag weer alles op de been, en
het eerste werk der Hollanders was, hunne dooden aan den wal te begraven
en de gekwetsten over de vloot te verdeelen. De groote menigte lijken
van Makassaren, die men vond, liet men, onbarmhartig genoeg, maar
liggen. Zoodra men hiermede geheel klaar was, begon men alles weer
gereed te maken om den Koning van Makassar en zijn' vrienden de
Portugeezen van hetzelfde laken een pak te geven als den vorigen dag.
Men had nog krijgsvoorraad genoeg en door den ijver der matrozen was
veel van het beschadigde weer hersteld. Eer men echter er toe kon
overgaan, kwam er des morgens om negen uren al een prachtig versierd
vaartuig met den voornaamsten Makassaarschen Prins en groot gevolg
aanboord. Hij werd weer tot de Bevelhebbers der vloot toegelaten en
thans kwam het uit, dat de Makassaren geen' trek hadden nog een tweede
pak van dat laken te ontvangen. Ze meenden zoo, dat ze met dat eene pak
best voor den dag konden komen en begonnen met alvast een'
wapenstilstand te verzoeken. Verder kregen de Hollanders een pluimpje,
dat ze zich zoo wakker geweerd hadden.
Onze Bevelhebbers hielden zich evenwel groot en vertelden, dat ze niet
vanplan waren, het ditmaal met een' sisser te laten afloopen. De vloot,
die nu voor de stad lag, zeiden ze, bestond maar uit eenige
koopvaarders, die opweg waren naar Batavia en besloten hadden meteen dat
spelletje hier te spelen. Over eenigen tijd zouden de Koning en zijne
vrienden nog wat anders zien. Dan kwam de eigenlijke oorlogsvloot, en al
wat er nu gebeurd was, zou niemendal te beteekenen hebben bij hetgeen er
dan gebeuren zou.
De Afgezant was ook door eenige Priesters vergezeld en nauwelijks
hoorden deze die vreeselijke bedreiging, of één hunner schreeuwde
luidkeels: "O, groote Profeet, is er dan nog niet genoeg bloed
vergoten!"
"Of er nog niet genoeg bloed vergoten is," zeide Admiraal Truytman,
"dat hangt alleen van uw' Koning af. Als deze zijne voornaamste
Edellieden naar Batavia zendt om daar met den Grooten Heer een
verbond van vriendschap en onderwerping te sluiten, dan heeft het
bloedvergieten een einde genomen. Kan hij hiertoe niet overgaan,
voorwaar, eer de zon ter kimmen daalt, zullen wij opnieuw getoond
hebben, dat we na zoo lang gesard, geplaagd en bedrogen te zijn,
eindelijk ons goed hart het zwijgen hebben opgelegd, en wraak willen
nemen over zooveel onwil en trouweloosheid. Zeg dat aan uw' Koning! En
nog wat. Geruimen tijd geleden is op deze kusten een klein schip van de
Compagnie gestrand en het volk gevangen genomen. Nog vandaag eischen
we die gevangenen in ons midden. Verder geven wij een' wapenstilstand
van tweemaal vierentwintig uren en in dien tijd moet alles naar ons
genoegen afgeloopen zijn. De Afgezant weet thans zijne boodschap en kan
gaan."
De Prins vertrok met hangende pootjes en zeker had hij zich wel niet
voorgesteld dat die "kwade" Nederlanders zooveel noten op hun' zang
zouden hebben.
Spoedig daarop kwamen de Afgezanten weer terug met de boodschap, dat de
Koning begon met de eischen van de Nederlanders aan te nemen, en dat hij
hun zelfs het vrije verkeer aan den wal toeliet. Als een bewijs zijner
hoogachting gaf hij den Bevelhebbers eene magere karbouw, doch de onzen
gaven dat beestje dadelijk de vrijheid. Zij wilden den schijn niet
aannemen, aan het een of ander gebrek te hebben.
Overal werden nu de roode vlaggen neergehaald en door witte vervangen.
Dit geschiedde ook aanboord van onze schepen en nauwelijks was het
bekend, dat het vrije verkeer aan den wal toegelaten was, of
verscheidene matrozen en Officieren vroegen verlof van dit aanbod
gebruik te maken.
"Hoort eens, mannen," zeide Truytman, "ik vertrouw den Makassaar niet
verder dan mijn neus lang is. Om hem te toonen, dat we aan wal durven
komen, zullen we het doen ook; maar ieder neme de noodige maatregelen
van voorzichtigheid in acht en zorge, dat hij goed gewapend zij en zich
in geene hinderlaag late lokken. De elf groote schepen, die zich
gisteren zoo kloek geweerd hebben, moeten vlak voor de stad komen liggen
en terwijl het eene deel der manschappen zich wat ontspant, moet het
andere deel zich gereed houden om mogelijk verraad oogenblikkelijk en op
eene vreeselijke wijze te straffen. De Amboineezen zal ik gebruiken om
de grachten om het fort Panakoké te laten verbeteren en uitdiepen; want,
als de vloot vertrekt, moet dat fort bezet worden, en zóó sterk zijn,
dat het, bij goede waakzaamheid, onmogelijk kan ingenomen worden."
De wonde, welke Dirk den vorigen dag ontvangen had, was gelukkig niet
erger, doch Meester Pruymius vond het beter, dat hij aanboord bleef en
rust hield, omdat er mogelijk eene wondkoorts bij kon komen.
Dat viel Dirk tegen, want hij zou zoo gaarne met Garrit en den barbier
eens naar den wal gegaan zijn om wat afleiding te hebben.
En afleiding had de knaap wel noodig. Als hij daar zoo eenzaam lag en
Garrit niet bij zich had om wat met dezen te praten, dan dacht hij aan
den goeden Ouden Joost, dien braven vriend, die altijd zoo hartelijk en
vriendelijk voor hem was geweest als de andere matrozen hem en zijn'
broeder voor de "Twee Vromen" scholden. Vanmorgen hadden ze hem een
eerlijk zeemans-graf aan den wal gegeven. Hem, ja, en Hoepel en Kreeft
ook. Met wien moesten ze nu omgaan? Wie zou hun een' riem onder het hart
steken?
Henri Quatre? Ja, dat was een nobel man, maar -- hij was Eerste Stuurman
en zou nu wel gauw Kapitein worden. Dan ging hij over op een ander
schip.
Dolf? Ja, die was ook goed, door en door goed zelfs; maar die was ook
Stuurman, en aanboord van een schip ziet de Kapitein niet graag, dat de
meerdere met den mindere zoo vriendschappelijk omgaat. Soort moet zich
bij soort houden.
IJzeren Neptunus? Hij zou hun geen kwaad doen, neen, stellig niet! Hij
was een braaf en goed man, maar om eens even het volle hart uit te
storten, zooals ze dat bij Ouden Joost, bij Hoepel of bij Kreeft wel
eens gedaan hadden, zie, dat konden ze nog minder.
Meester Pruymius? Och, die was wel goed; maar zoo vreemd! Ze hielden hem
allemaal voor den gek met zijn troost der armen! En een verstandig woord
spreken of een' goeden raad geven, dat kon hij wel, maar zoo goed als de
anderen dat konden, neen, dat in het geheel niet.
Onderwijl de arme Dirk zoo dacht begon hij zich zeer verlaten te
gevoelen. Zijn hart werd al voller en voller en op het laatst barstte
hij in tranen uit, sloeg de armen om de leuning van de trap en kermde:
"o Lief, lief, goed Moedertje! Brave, beste Vader! Garrit en ik zijn zoo
verlaten! Zoo verlaten en alleen!"
In zijne droefheid had hij niet gehoord, dat hem iemand genaderd was.
Eene hand werd op zijn' schouder gelegd en een vriendelijk gefluister
klonk aan zijn oor: "Ben ik er dan niet meer, jongen? Toe, kijk eens
even op en zie me eens aan!"