De Luitenant bedacht zich even en zeide: "Neen!"

"Ferm zoo, Luitenant," hernam Henri Quatre. "En indien men u het

bevel niet gegeven had, den galei-boef na te jagen en aanboord van een

schip der Oost-Indische Compagnie te zoeken, zoudt gij het dan uit

uzelven gedaan hebben?"

"Neen," was weer het antwoord.

"Heer Luitenant, neem dan de helft van mijn ontbijt. Ik heb het niet

tegen u, ik heb het tegen de daad. Eet smakelijk!"

Nauwelijks hadden de matrozen gezien, wat Henri Quatre deed, of allen

volgden zijn voorbeeld, zoodat de arme kerels een ontbijt kregen zóó

volop, als ze in hun' eigen dienst niet zouden gehad hebben. Ja, toen

kort daarop het gewone oorlam[3] onder het volk uitgedeeld werd, kreeg

iedere Franschman er ook een, en het bleek duidelijk, dat al die

verkleumde mannen hiermede wat in hun' schik waren.

Door die hartelijke behandeling had de Luitenant niet veel lust het

onderzoek naar den vluchteling nauwgezet te herhalen, zoodat hij, toen

ze op de hoogte van Dieppe waren, maar verzocht hier aan wal te mogen

gaan. Ze hadden gezien, dat de vluchteling niet aanboord was.

Het afscheid der Franschen was zeer vriendelijk, en de bootsman kreeg

van den Luitenant nog een' handdruk meer dan al de anderen. Zelfs de

Kapitein vond dit zeer natuurlijk.

Zoodra de vreemden weer vanboord waren, werd de tocht voortgezet en --

niemand dacht meer aan den ontsnapten galei-boef. Wel vroeg in het eerst

de een aan den ander of hij begreep waar die kerel gevlogen was, doch,

daar niemand er iets van wist, zweeg men er ten laatste over.

De tocht vorderde buitengewoon goed. Door den wind voortgejaagd vloog

het fluitschip, dat, voor een' Oostindie-vaarder altijd, nog al vrij

rank gebouwd was, over de golven, doch men hield meer den Engelschen dan

den Franschen wal, zoodat men moeielijk zien kon of ze Hâvre al voorbij

waren.

Eer de volgende morgen kwam begreep evenwel iedereen, dat men de

Fransche kust geheel voorbij was en dat men weldra in den Oceaan zou

zijn.

Dirk en Henri Quatre, die de dagwacht hadden, liepen samen op het

voorschip diep in hunne kragen gedoken en met de wollen muts over de

ooren, heen en weer; want het was vinnig koud en de wind blies stijf uit

het noordoost. Nu en dan trokken donkere wolken over, die sneeuw en

hagel medebrachten.

"De Maartsche buien komen van het jaar laat aanzetten, bootsman," zeide

Dirk. "Hu, hoe koud is het! De wind snijdt iemand door al de kleeren

heen."

"Ik zal er den brand nog maar eens injagen," sprak de bootsman.

"Misschien dat me het rooken wat helpt!"

Hij stopte nu zijn pijpje en zeide: "Ja, ja, het is toch maar zooals

onze goede Vader Cats kortelings schreef:

"Wat magh' er eenig volck speck, vlees of hammen wenschen,

Al dat maeckt drabbigh bloet en onvermeuge menschen[4]

Voor mij ick weet een spijs die ick al beter hou,

Die draegh ick in mijn sack of in mijn wijde mou.

Kom, let op mijn bedrijf, 't en zijn geen slechte saken,

De koek, dien ick gebruyck, dat sijn mijn eygen kaken;

Mijn keuken is een pijp, een doos mijn schapperae,[5]

Die draeg ick even staeg waer dat ick henen gae;

Een blat is mijn gebraet: van hier, o grage monden!

De schoorsteen is mijn neus, is dat niet wel gevonden?"

Terwijl hij dat gedichtje zoo binnensmonds opzegde, had hij de kleine

koperen doos waarin zwam was, genomen en met behulp van een stuk staal

en een vuursteen, het zwam vonkende gemaakt. De pijp werd nu in dat

ronde doosje boven het brandende zwam gehouden en weldra werd het hoofd

van den bootsman nu en dan onzichtbaar achter wolken van rook.

Dirk stond den damper met open mond aan te gapen, en juist wilde hij

iets zeggen, toen hij naar den boeg wees en riep: "Een hoofd!"

"Wat Zaterdag, wat is dat?" zei de bootsman.

De Eerste Stuurman, die bij het roer stond, wenkte hem en zeide, toen ze

bij hem gekomen waren: "Terwijl jelui stondt te praten, heb ik daar een

paar keer bij den boegspriet het hoofd van een' man gezien. Gaat eens

kijken wie dat is! Als het de gevluchte boef eens ware!"

"Dan zou ik het land hebben, dat hij onder mijne wacht gevonden werd. De

Ouwe zal dan nog veel meer gelooven, dat ik er alles van geweten

heb."[6]

"Ik ben je getuige, bootsman," zeide de Stuurman. "Gij kunt gerust

zijn. De Kapitein zal mij toch wel gelooven, vertrouw ik. Doch ga thans

naar den boeg en onderzoek, wat daar is."

De bootsman en Dirk begaven zich nu naar het voorschip en bij den

boegspriet gekomen, kwam het hoofd juist weder te voorschijn.

"Drommels, dat is.... dat is...." riep Henri Quatre.

Dirk was hem vooruitgeloopen en vond nu onder den boegspriet, achter het

wapen van Leerdam, dat den boeg van het fluitschip versierde, in den

zoogenaamden boegsprietsoven[7] een man, die zich daar tusschen

gewrongen had, en er allerakeligst uit zag.

"Wie ben je?" vroeg Dirk.

"De ontvluchte galei-boef," klonk het zwakke antwoord. "Och, help

mij! Ik heb mij hier tusschen gewrongen en kan nu niet terug of ik val

in zee!"

Henri Quatre was nu ook naderbij gekomen.

Hij keek over de verschansing, zag den vluchteling aan en....

"Dolf, jij?" riep hij.

De vluchteling keek Henri Quatre aan en na hem eenige oogenblikken

aangestaard te hebben, zeide hij op vragenden toon: "Wat?! Zie ik nog

goed? Droom ik niet? Ben je Willem...."

"Halt! Geen woord meer! Ja! Die ben ik! Ik zal u helpen! Hier, Dirk,

houd dat touw aan dezen kant."

Dirk greep een touw, sloeg dat om de beenen van den man en met behulp

van Henri Quatre's sterke armen, haalde men den armen kerel, die daar

twee dagen verborgen had gezeten zonder iets te eten of te drinken, op

het dek.

"Hij is dood," zeide Dirk.

"Nog niet! Blijf bij hem, ik zal wat halen," zeide de bootsman en

verwijderde zich schielijk.

Gaandeweg kwam de een na de ander bij den vluchteling, die nu, zonder

teekenen van leven te geven, daar op het dek lag. Ook de scheepsbarbier

kwam er bij en deze begon al dadelijk met te zeggen: "Ik zal hem

pleisters met troost der armen op de kuiten en in den nek leggen."

Ook de Kapitein kwam en vroeg, wat er gaande was.

"De Fransche vluchteling, Kapitein!" gaf Dirk ten antwoord. "Wij

hebben hem uit den boegsprietsoven gehaald."

Juist wilde de Kapitein er het zijne van zeggen toen de bootsman aankwam

met een klein fleschje echten, Franschen en onvervalschten brandewijn.

Hij liet hiervan eenige druppels tusschen de half geopende lippen van

den man vallen en zag toen bedaard welk eene uitwerking dit had.

De arme man scheen uit zijne bedwelming, waarin honger en koude hem

gebracht hadden, te ontwaken, en de oogen openend, sloeg hij ze vol

dankbaarheid op den man, die hem nog juist bijtijds uit zijn'

gevaarlijken toestand verlost had.

De geheele bemanning keek den armen vluchteling medelijdend aan, en niet

één onder hen, den Kapitein uitgezonderd, of hij was verheugd te zien,

dat de stumperd weer bijkwam.

Opeens evenwel liet de Kapitein zich hooren.

"Bootsman, ik moet u als rebel behandelen."

"Als ge meent, dat ge zulks doen moet, ga dan uw' gang, Kapitein! Maar,

ik wensch dan door den vollen scheepsraad mijn vonnis te hooren

uitspreken," zeide Henri Quatre bedaard. "Dat is een recht, dat zelfs

een' pluimgraaf toekomt."

De Kapitein knarste van woede op de tanden, en sprak: "Gij hebt den boef

eene schuilplaats gegeven, en als de Luitenant hem gevonden had, dan

waren wij in Calais opgebracht en zou men beslag op ons schip gelegd

hebben."

"Door wien opgebracht, Kapitein?" vroeg de Eerste Stuurman. "Door

wien, als ik vragen mag?"

"Door wien? Wel, door wien anders dan door den Luitenant en zijne

onderhebbende manschappen!"

"Meent u dat?"

"Zeker meen ik dat! Ik zou wel willen vragen waarom gij denkt, dat ik

het niet meen?"

"Nu, dan vergist gij u, Kapitein! Hij zou ons niet te Calais, maar wij

zouden hem te Batavia gebracht hebben, en wat netjes ook," sprak nu één

der omstanders.

De Kapitein zag grimmig om en wist nu dat die woorden gezegd waren door

Mijnheer Melters, die in dienst der Oost-Indische Compagnie was, en als

Opper-koopman of Super-carga de reis mede maakte met de "Leerdam".

"In alle gevallen, Mijnheer de Super-carga, heeft de bootsman gezondigd

tegen de wetten en bevelen, en ik eisch, dat hij hiervoor gestraft zal

worden", zeide de Kapitein.

Tot hiertoe had de vluchteling nog geen woord gesproken. Hij richtte

zich evenwel thans een weinig op en zeide in het Nederlandsch en met

zwakke stem: "Niemand heeft mij geholpen of verborgen, Kapitein! Ik heb

mijzelven in den uitersten nood eene schuilplaats verschaft achter het

scheepswapen in den boegsprietsoven. En zoo ik oorzaak zal zijn, dat

iemand om mij onschuldig gestraft wordt, laat mij dan liever overboord

smijten. Te verdrinken is nog beter dan te leven als galei-boef!"

De Kapitein zag hem nijdig aan en beval op hoogen toon: "Men brenge den

vluchteling in de ziekenhut en den bootsman...."

"Overijl u niet, Kapitein," sprak de "IJzeren Neptunus." "Laten

wij den Raad beleggen en laat den bootsman met ons gaan. U zal zien, dat

hij geen rebel mag genoemd worden."

"Stuurman, gij begint ook?" riep de Kapitein driftig.

"Laat al de Officieren van het schip in de kajuit komen, Kapitein, en

dan zal ik vertellen, wat ik van de zaak gezien heb," luidde het

antwoord van den "IJzeren Neptunus", die zeer kalm bleef[8].

De Kapitein voldeed daaraan en toen al de Officieren bij elkander waren,

en de bootsman, als beschuldigde, tegenover hen stond, deelde de

Stuurman mede, wat hij gezien had vóór de bootsman en Dirk het zagen.

Verder zeide hij ook dat de bootsman zijne spijt had te kennen gegeven,

dat de vluchteling nu juist moest gevonden worden op zijne wacht, omdat

men dan lichtelijk vermoeden zou, dat het eene doorgestoken kaart was en

hij al lang, ja, van het begin af, geweten had, waar de ontsnapte boef

was. Na dit alles gezegd te hebben eindigde hij met het voorstel te doen

om den vluchteling in deze ook te hooren, tenminste indien hij instaat

was om verhoord te worden.

"Als hij er nog niet instaat toe is, zal hij er weldra instaat toe zijn,

want ik heb hem drie pleisters met troost der armen gelegd, in de

linker- en rechterzijde en in den nek," zeide de scheepsbarbier.

"Och, jij met je pleisters! Als het maar in je macht was, dan zou je de

maan aan de sterretjes plakken," sprak de kok. "Ik heb hem eene maat

warme gort gegeven."

"Dat laatste middel zal heilzamer werken dan het eerste," meende de

Opper-koopman. "De man was letterlijk uitgehongerd."

De Kapitein scheen in te zien, dat zijne vrees voor den bootsman hem

leelijke parten gespeeld had. Hij gaf dus toe en zeide, dat de gewezen

boef, als hij kon, voor den scheepsraad verschijnen moest.

Dit scheen den bootsman niet te bevallen, en reeds stond hij op het punt

er iets tegen in te brengen, toen de Stuurman zich al verwijderd had om

bevel te geven den vreemdeling in de kajuit te laten komen.

In gespannen verwachting bleven allen zitten, en toen de man aan den

ingang der kajuit verscheen, keken ze hem zoo vreemd aan, alsof hij een

buitengewoon wezen was.

Nu buitengewoon was hij niet, maar gewoon toch ook niet.

Hij was vreeselijk mager, lang en breedgeschouderd. Zijn gelaat was

zeker in langen tijd niet geschoren of gewasschen en zijn koolzwart haar

was, naar het gebruik op de galeien, even als bij misdadigers, kort bij

het hoofd afgeknipt. Hij had ivoorwitte tanden en donkere oogen, die

akelig diep in de kassen weggezonken waren. Alles sprak bij hem van

armoede, ellende en lijden, en misschien, dat hij later, als hij geheel

hersteld zou zijn, een knap man zou worden, maar nu was hij vreeselijk

leelijk en terugstootend.

Hij hield zich aan de stijlen der deur vast en eer nog iemand wat gezegd

had, sprak hij: "Ik zou wel willen zitten, Kapitein! Ik ben te zwak om

te staan!"

"Dat ziet men u waarlijk wel aan," zeide de Opper-koopman en opstaande

bood hij den man een' stoel aan.

"Wie zijt gij?" vroeg de Kapitein.

"Een Antwerpenaar van geboorte en een Geldersman door opvoeding,

Kapitein!"

"Uw naam?"

"Jonker Adolf van Backerswerve!"

"Uw beroep?"

"Laatstelijk galei-boef, Kapitein! Nu een man, die u om een plaatsje,

als matroos, op uw schip vraagt."

"Ik heb geene matrozen noodig! Volk genoeg," sprak de Kapitein, die

weer in zijne onvriendelijke bui verviel. "Wat waart ge en waar woondet

gij vóór men u naar de galeien bracht?"

"Ik ben begonnen als student te Leuven, en als ge dat niet gelooven

wilt, vraag dat dan aan Jonker Willem van Aspervelde, die...."

De bootsman sprong op.

"Wie is die Jonker Willem van Aspervelde? Wij kennen hem niet," zeide

de Kapitein, die evenwel nu vermoedde, dat de geheimzinnige bootsman

eigenlijk zoo heette.

"Dat ben ik, Kapitein," zeide de bootsman. "En nu mij zoo geheel

tegen mijn' zin en wil en zoo onschuldig het doopceêl gelicht wordt,

zal ik spreken en kan hij een oogenblik zwijgen. U ziet dat zelfs

zittend spreken hem afmat."

De Officieren keken den bootsman met verbazing aan.

"Ik ben Jonker Willem van Aspervelde en was twintig jaar geleden student

aan de Hoogeschool te Leuven. Mijne Ouders wilden een' Advocaat van mij

maken en ik wilde in dienst van de Zeven Geünieerde Provinciën gaan. Ik

wilde deelnemen aan de roemrijke zeetochten, die door haar gemaakt

werden en dienst nemen onder den grooten Tromp. Maar mijne Ouders waren

te zeer Spaanschgezind en wilden dat niet hebben. Toen sloeg ik, zeker

verkeerd genoeg, het hoofd in den wind. Ik studeerde gemakkelijk,

promoveerde tot Doctor in de Rechtsgeleerdheid, maar bleef te Leuven,

als een gewoon student leven, zonder wat anders te doen dan een lui,

lekker leven te leiden en zoo nu en dan eens te vechten."

"Vocht u?" vroeg de Kapitein.

"Ja, en wel met hem, die daar staat. Hij was ook Doctor in de Rechten en

leefde op dezelfde wijze als ik achter de bierkan en de wijnflesch. Op

een' avond, dat we vol zoeten wijns waren, kregen we twist en -- eene

flesch kwam zóó op het hoofd van mijn' vriend neer, dat hij nederviel

en voor dood weggedragen werd. Ik vluchtte, kwam in Holland en--nam

dienst als gemeen matroos. Toen neef Joan Maetsuycker evenwel

Gouverneur-Generaal werd, trad ik in dienst der Compagnie en werd, trots

alle Kapiteins, bootsman door zijn toedoen. Hij daar," -- de bootsman

wees op den gevluchten boef, -- "was evenwel niet aan de gevolgen der

wonde gestorven. Ja, hij scheen in te zien, dat de drank de oorzaak van

alles geweest was, en daarom herstelde hij uit zichzelven de oude

vriendschapsbetrekkingen. Later kreeg ik eenige brieven van hem en toen

was hij Luitenant op de Fransche vloot!"

"Is dat waar? En hoe zijt gij dan op de galeien gekomen?" vroeg de

Kapitein aan Jonker Adolf van Backerswerve.

"Dat alles is waar, Kapitein! In onze dronkenmans-bui begonnen we de

dwaasheid met elkander te vechten. En dat was wel eene groote

dwaasheid, want we waren boezemvrienden. De toegebrachte slag was

gelukkig niet doodelijk en ik herstelde. Maar nu mijn vriend weg was,

wilde ik ook niet blijven. Ik liep naar Frankrijk en kwam daar op een

oorlogsschip, waar ik, geholpen door kennissen, weldra Luitenant werd.

Eens op een' dag evenwel begon de Kapitein van het schip te smalen op de

Vlamingen, en hij zeide dat deze lafbekken waren, en den moed niet gehad

hadden, het voorbeeld van de Noordelijke Nederlanden te volgen om den

Spanjaard zijn afscheid te geven. Dat kon ik niet verdragen, ik gaf hem

eene muilpeer en beet hem sarrend toe: "Hoe bekomt u zoo'n kitteling

van een lafbek, Kapitein?" De gevolgen bleven niet uit, doch door

voorspraak mijner vrienden werd ik nog niet tot de galeien verwezen en

alleen gemeen matroos gemaakt. Dat ik mij hierin niet al te best

schikken kon, dat spreekt, en daardoor maakte ik het weldra zoo bont,

dat ik met de welwillende (?) medewerking van mijn voormaligen Kapitein

op de galeien kwam. Ik ben daar twaalf jaren lang geweest. Twaalf jaren

lang heb ik geleden. Twaalf jaren lang heb ik de kluisters gedragen.

Twaalf jaren lang heb ik naar eene gunstige gelegenheid uitgezien om te

ontsnappen. Eindelijk gelukte het mij. Nu ben ik hier en vraag een

plaatsje als gemeen matroos aanboord van het schip, waarop mijn oude

vriend de betrekking van bootsman bekleedt. De waarheid heb ik gezegd."

De Kapitein en al de anderen hadden aandachtig geluisterd naar het

verhaal van de twee mannen en hij vroeg thans, wat er te doen stond.

"In de eerste plaats uitmaken of de bootsman zich vergrepen heeft aan de

bevelen van den Kapitein," zeide de Opper-koopman. "En daartoe weten

wij nog niet genoeg. De gewezen Luitenant Jonker Adolf van Backerswerve

zal dus wel zoo goed willen zijn te zeggen, hoe hij zich voor het

zoekend oog van den Franschen Officier en zijne manschappen verborgen

heeft weten te houden."

"Wilt gij dat zeggen?" vroeg de Kapitein.

"Zeker, wil ik dat," luidde het antwoord. "Toen ik vanwege den

Kapitein hoorde zeggen, dat men geene ontvluchte galei-boeven aanboord

nam, hoorde ik de riemslagen van de boot, die mij achterna zat. Liever

verdrinken dan weer naar de galeien, dacht ik, sprong in zee en zwom

naar den anderen kant van het schip, dat op het oogenblik eene streek

wendde en dus weinig vaart had. Ik hoorde mijne achtervolgers aanboord

komen en op het punt van te zinken zag ik van den boeg een touw hangen.

Met de kracht der wanhoop greep ik dat aan en hield mij er eenige

seconden mede boven, doch ik voelde, dat ik de zuiging van het water

voor den boeg niet langer wederstaan kon. Ik klom derhalve naar boven en

in het halfduister wrong ik mij in den boegsprietsoven en achter het

wapen of beeld bij den boegspriet. Hoe ik daartusschen gekomen ben, weet

ik niet. Hier bracht ik in duizend angsten eenige oogenblikken door en

toen schijn ik buiten westen geraakt te zijn. Hoe lang ik in dien

toestand verkeerd heb, weet ik niet. Toen ik weer tot mijzelven kwam was

het schemerdonker en ik hoorde stemmen. Ik greep moed en het gelukte mij

met veel inspanning een keer of wat over de verschansing te kijken. Ik

zag dat de man bij het roer mij ontdekt had, doch mij ontbrak de kracht

om eenig geluid te geven. Hoe ik verder aanboord ben gekomen zal de

bootsman of Stuurman wel zeggen kunnen. Ik weet het niet."

"Mij dunkt, dat we nu genoeg gehoord hebben," zeide de Opper-koopman,

"en ik meen zoo, dat het verstandig zijn zal, zoo de twee voormalige

vrienden zich thans verwijderen. We kunnen dan beter onze meening

zeggen."

Dit werd goed gevonden en het gevolg van hunne beraadslagingen was, dat

de bootsman natuurlijk van alle beschuldigingen vrijgesproken werd. De

Opper-koopman verklaarde dat hij den anderen gewezen student aan zijn

dienst verbinden wilde. Een Doctor in de Rechten kon hem in vele

gevallen behulpzaam zijn. Ook wilde Mijnheer Melters den anderen wel

hebben, als klerk of wat ook, want het ging toch niet aan dat een

Jonker, die nog al Doctor was, dienst deed als bootsman.

Henri Quatre echter verklaarde, dat hij voorloopig liever bleef, wat hij

was en dat hij later, als hij in de Oost kwam, altijd nog zou kunnen

zien, wat hij deed.

Zoo was op eene bijzondere wijze de bemanning der "Leerdam" met één

persoon vermeerderd, en later zou het blijken, dat al wat boef heet

daarom nog geen boef is.

Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes · 第 18 / 49 题