De ontsnapte galei-boef.
Toen al het volk, dat geene wacht had, naar beneden gegaan was, zochten
de wachtmannen onder hunne kennissen hen op met wie ze praten konden.
Dirk en Garrit bleven dus ook bij elkander.
"Een vreemde man, die Henri Quatre," zeide Garrit. "Hoe zou hij
eigenlijk toch heeten?"
"Ja, op de scheepsrol staat hij ingeschreven als Willem de Stichtenaar,
maar ik houd het ervoor, dat hij wel een' anderen naam heeft. Ik geloof
dat wij heel voorzichtig met hem moeten zijn, en als ik het ronduit
zeggen mag, dan zeg ik, dat ik hem geen ziertje vertrouw".
"Weet je wat Hoepel mij gisteren avond vertelde?"
"Dat Henri Quatre eigenlijk zijn vriend niet is, al speelt hij: aap wat
heb je mooie jongen!"
"Dat heeft hij me niet gezegd. Hij zei alleen dat hij familie moet zijn
van onzen Gouverneur-Generaal!"
"Van Joan Maetsuycker?"
"Dat is toch vragen naar den bekenden weg? We hebben immers geen'
anderen?"
"Maar die is een Amsterdammer van geboorte, en als Henri Quatre nu
familie van hem was, dan zou hij op de scheepsrol wel als Willem de
Hollander, maar niet als Willem de Stichtenaar geboekt staan! Sssst!"
Dat "sssst" hetwelk Dirk liet hooren, was omdat "IJzeren Neptunes"
op hen afkwam.
"Al meer de reis naar de Oost gemaakt, jongens?" vroeg hij.
"Neen, Stuurman! Dit is onze eerste reis!"
"Zoo, dus zooveel als doopgoedje van Neptunus?"
"Doopen ze aanboord van de "Leerdam" ook, Stuurman?"
"Wel jongens, dat verzuimen ze op geen enkel schip! Maar stil, wat is
dat daar aan stuurboord?"
Ze keken over de verschansing en zagen daar een heel klein bootje
liggen.
"Wie is daar?" vroeg de Stuurman.
"Een ontvluchte galei-boef," antwoordde iemand beneden in zuiver
Nederlandsch.
"En wat zoek je hier?"
"Hulp, en gauw ook; want ze zijn me op de hielen!"
"Denk je dat we boeven aanboord nemen?" antwoordde de Stuurman. "Zoek
je fortuin maar ergens anders, maat! Wij nemen dat soort van volkje niet
op!"
"Geene Nederlanders ook, als ze zonder schuld op de galeien gekomen
zijn? Help me, help me! Het is over een paar minuten te laat. Ben ik
eenmaal aanboord dan zal ik wel opbiechten hoe ik op de galeien kwam."
"Ik zal het den Kapitein gaan vragen," sprak de Stuurman en beval aan
de achterblijvenden, dat niemand den gevluchten boef aanboord halen zou.
Daar hoorde men riemslagen nader komen, en weldra lag er eene gewapende
barkas tegen stuurboord.
"Halloh, hoi!" riep een.
"Wat zullen we nu alweer te weten komen?" bromde de Stuurman, die met
de boodschap van den Kapitein terugkwam, dat men geene boeven wilde
opnemen.
"Er is hier een ontvluchte galei-boef aanboord gekomen," klonk het in
de Fransche taal.
"Toegang gevraagd, toegang geweigerd," sprak de Stuurman kortaf en ook
in het Fransch.
"We willen onderzoek doen," zeiden de Franschen.
De Kapitein, die er bij gekomen was, beval den valreep neer te laten, en
de Franschen op het dek te doen komen. Hij moest die luî wel niet
gehoorzamen, maar om alle moeite te voorkomen, stond hij het toe.
Twaalf gewapende zee-soldaten klauterden nu tegen den valreep op en
stonden weldra op het dek.
"Wilt ge wachten tot het dag is, of het onderzoek terstond een' aanvang
doen nemen?" vroeg de Kapitein.
De Bevelhebber van de Fransche sloep scheen achterdocht te koesteren en
zeide, dat hij zeker wist, dat de vluchteling hier aanboord was, want
dat het bootje, waarin hij gevlucht was, beneden tegen het schip lag.
"Laat alleman op het dek komen," beval de Kapitein.
De manschap, in den eersten slaap gestoord, was vrij knorrig, en toen
men hoorde, wat er aan de hand was, werd men nog meer ontevreden en de
Franschen werden met allerlei Hollandsche woorden, die we liever maar
niet weergeven, niet weinig verwenscht.
Zoodra allen op het dek waren sprak de Kapitein: "Er moet hier een
ontvluchte galei-boef aanboord gekomen zijn. Ik begeer niet met zulk
uitschot van eene vracht de reis voort te zetten en beveel dus ieder,
die wat van den vluchteling gezien of gehoord heeft, te spreken!"
De mannen stieten in het donker elkander aan, dat zooveel wilde zeggen
als: "Weet je er wat van? Zwijgen, hoor!"
Maar niemand had iets van een' galei-boef of dat er op geleek, gezien of
gehoord, zoodat men die stille afspraak van zwijgen vrijelijk achterwege
had kunnen laten.
Toen er nu geen antwoord op de vraag van den Kapitein gegeven werd,
herhaalde deze nog eens dezelfde woorden, doch op zulk een' kalmen toon,
dat ieder begreep, dat het hem ernst was.
Natuurlijk gaf weer niemand antwoord.
"Ten derden male," sprak de Kapitein, "herhaal ik mijne vraag: Wie
uwer heeft iets van den gevluchten boef gehoord of gezien? Ik eisch een
antwoord, ja of neen! en dan voeg ik erbij: wie wat van de zaak weet en
het niet vertelt, dien zal ik als rebel behandelen en laten straffen. Je
weet dus, wat er op staat. Komaan, spreekt op!"
Weer geen antwoord.
Eindelijk trad Henri Quatre voor het front en zeide op beleefden, doch
scherpen toon: "Een woordje, Kapitein!"
De Kapitein had erg het land, dat juist deze man het woord vroeg en
zeide daarom zoo kortaf mogelijk: "Spreek, bootsman! Wij zullen hooren,
wat je te vertellen hebt."
"Ik wilde u wel vragen wie een Franschman het recht geeft aanboord van
een schip der Compagnie te komen?"
Deze vraag werd niet in de Nederlandsche, maar in de Fransche taal
gedaan en wel zóó zuiver, dat de Franschen elkander verstomd aankeken,
dat zulk een eenvoudig varens-gezel hunne taal zoo goed sprak.
De Kapitein, die met het Fransch zichzelven wel behelpen kon, doch het
toch minder goed sprak, werd boos en gaf daardoor in zeer slecht Fransch
ten antwoord: "Wie, bootsman? Wie? Dat recht heb ik gegeven, ik, als
Kapitein van het schip."
"Ieder moet weten wat hij doet, Kapitein," hervatte de bootsman op
denzelfden scherpen toon. "Hadde het van mij afgehangen, dan zoude de
Franschman geen' voet op het dek van de "Leerdam" gezet hebben, al
waren er honderd gevluchte galei-boeven aanboord!"
"Bootsman, zwijg!"
"U heeft aan ieder van het volk het recht gegeven te spreken, Kapitein,
en ik ben niet onbescheiden!"
"Dat zijt gij wel! Gij maakt inbreuk op mijn gezag!"
"Volstrekt niet, Kapitein! Ik heb gezegd, dat ieder weten moet, wat hij
doet en wat ik zou doen. Ik wil evenwel nog meer zeggen, en dat is: Zoo
ik iets van den vluchteling gezien of gehoord had, ik zou mij liever de
heele reis krom in de boeien laten sluiten, dan voor verklikker te
spelen ten believe van een' Franschman, die hier niemendal te zeggen
heeft. Ik geloof, dat er nog meer zijn, die er zoo over denken!"
"Gij zoudt mij dus willen verbieden den Franschman vrijheid te geven,
het heele schip te laten doorzoeken?"
"U heeft te gebieden, Kapitein, en ik heb niets te verbieden. Maar ik
meen zoo, dat de Heeren der Compagnie er anders over denken dan u. En al
dachten zij ook al zoo, ik verzeker u dat het volk er heel anders over
denkt."
"Als gij voor verklikker bij de Heeren wilt spelen, ga je gang! Ik zal
mijn gezag handhaven. Het heele schip zal door deze lieden doorzocht
worden, en wee den man, die den vluchteling verborgen houdt!"
De matrozen, aangemoedigd door hetgeen de bootsman gezegd had, begonnen
te morren en hier en daar hoorde men er een roepen: "We zijn geen
dienaars van den Fransoos! Weg met den Fransoos! Wij zullen hem wel van
tusschendeks houden! Opdringen, mannen! Wij zijn hier op vrijen bodem!"
"Halt, mannen," riep de bootsman nu in het Nederlandsch. "Dat zou
rebellie zijn! Het voegt ons thans den Kapitein te gehoorzamen. Ik geef
het voorbeeld! Weest wijs en volgt mij na. Gij trekt aan het kortste
eind, als gij anders doet! Late men het schip doorzoeken en
gehoorzaamt!"
Hierop nam hij eene brandende lantaarn uit de hand van een' matroos en
zich beleefd tot den Franschen Officier wendend, zeide hij in vloeiend
Fransch: "Volg mij, Monsieur! Ik zal u overal brengen waar gij zijn
wilt."
Na dit gezegd te hebben verdeelden de Franschen zich in troepjes en
onder geleide van den Kapitein, de stuurlieden, den bootsman en de
konstabels doorzochten ze het heele schip van onder tot boven. Men vond
evenwel niemand. Eenigen der rapste Franschen klommen in de masten,
onderzochten daar alles nauwkeurig, doch ontdekten daar ook niets,
zoodat ze onverrichter zake op het dek kwamen.
Eindelijk waren alle Franschen weer bij elkander.
"Ge ziet het nu duidelijk, Luitenant," zeide de Kapitein in zijn slecht
Fransch, "de vluchteling is hier niet."
"Hij moet hier zijn," was het antwoord, "het kan niet anders. En ik
blijf hier tot de dag aanbreekt, dan kunnen wij beter zoeken. Intusschen
verzoek ik u te zorgen, dat ge niet verder dan Calais gaat, opdat wij,
zonder nog eens zulk een' gevaarlijken tocht te maken, veilig met onze
boot terug kunnen keeren."
Op deze woorden van den Franschen Officier was de Kapitein vrij
besluiteloos omtrent hetgeen hij doen moest. De wind was spoediger
aangewakkerd dan men vermoed had, en ook zeer uitmuntend. En om nu ten
pleiziere van een' Franschman, die een' vluchteling nazat, de
voordeelen van eene voorspoedige reis prijs te geven, dat was toch wat
al te veel van zijne toegeeflijkheid gevergd. In allerijl belegde de
Kapitein scheepsraad en daarin werd besloten den Franschman niet den
zin te geven. Wilde hij den tocht mede maken dan zou men hem en zijne
manschappen te Hâvre aan wal laten gaan.
Er zat nu voor den Officier niets anders op dan te kiezen of te deelen,
en na eenig nadenken nam hij het aanbod aan mede te gaan naar Hâvre,
welke plaats men zoo dicht naderen zou, dat men met de kleine sloep,
waarmede men gekomen was, ook zonder gevaar zou kunnen vertrekken.
De Franschen zochten nu een plaatsje boven op het dek, waar ze tegen de
kouden voorjaarswind wat beschut waren, en wachtten zoo het aanbreken
van den dag af.
Eindelijk kwam deze en kort daarna was al het scheeps-volk weer op het
dek of elders in beweging. Op den bepaalden tijd kregen ze hunne portie
van gort met spek. De arme Fransche soldaten, die stijf waren van de
koude, hadden er natuurlijk niet op gerekend mondkost mede te nemen,
zoodat ze met begeerige oogen de bakken met gort, die de manschappen
weghaalden, nakeken.
Geen mensch dacht eraan, die arme drommels te laten mede-eten, hoewel er
overvloed van spijs was.
Geen mensch? Ei, hoe we ons vergissen!
Zie, daar nadert Henri Quatre met zijne portie gort den Officier, en
zegt op beleefde wijze en weer in een Fransch waarop de Kapitein wel
twintigmaal jaloersch wilde worden: "Mijnheer de Luitenant, mag ik u de
helft van mijn ontbijt aanbieden? Mij dunkt, u zal, na zulk een' kouden
nacht, wel wat warms en stevigs kunnen gebruiken."
De Officier keek den bootsman met een paar groote oogen aan, want die
gulle goedhartigheid scheen hem toe in strijd te zijn met de woorden,
die hij des avonds gesproken had. Het was dus te begrijpen, dat de
Officier niet terstond het vriendelijke voorstel aannam, en dat hij
zeide: "Maar, mijnheer, hoe kunt gij dat nu meenen? Gij wilt immers
niets van de Franschen weten? Gij hebt dat gisteren avond gezegd in een
Fransch, dat Koning Lodewijk niet beter spreekt, zoodat wij het allen
zeer goed verstaan hebben."
"Luitenant," sprak Henri Quatre, "als gij met een Fransch schip langs
de kusten van Holland kruistet en een Fransche vluchteling kwam bij u
aanboord, zoudt gij dan Hollandsche soldaten toestaan, dat ze uw schip
van onder tot boven doorsnuffelden om dien vluchteling te zoeken?"