„DIAMANTEN-BILL”.
Vorst Alex Grigoriew was zoo onder den indruk van den brief, dien hij
had ontvangen, dat hij gedurende de eerste dagen zijn villa niet
verliet.
De meest verlokkende uitnoodigingen en afspraken met de mooiste en
rijkste dames liet hij onbeantwoord en hij vertoonde zich niet in de
club te Nizza en evenmin aan de speeltafel te Monte-Carlo.
Raffles had het dus alles behalve gemakkelijk, maar hij was geduldig en
wachtte af. De meesterdief had zich voorgenomen den oplichter, die den
Lord door valsch spel zijn geheele vermogen had afhandig gemaakt, op
zijn beurt weer van het vele goud te berooven, en wat Raffles zich eens
had voorgenomen, dat bracht hij ook tot uitvoering.
Een beetje tijdverlies hinderde hen dan ook niet.
Dat Lord Montefiore opnieuw plannen tot zelfmoord zou koesteren was
niet te vreezen.
Raffles had hem bezocht, kort nadat de vorst hem de schuldbekentenis
had teruggebracht. De jongeman had toen in vele bewoordingen het
edelmoedig karakter van den vorst geprezen.
„Gelooft ge nu nog altijd, dat vorst Alex Grigoriew een—een—ik kan het
woord niet goed uitspreken?”
„Een oplichter is, bedoelt ge, mylord?” vroeg Raffles.
„Ik zou dat woord niet graag gebruiken, Lord Lister. Ge ziet dat hij
edelmoedig is, door mij de schuldbekentenis terug te sturen. Als hij
inderdaad een bedrieger was, zooals gij hem afschildert, dan zou hij
mij zeker tot betaling hebben gedwongen.”
„En hij had u eerst tot de laatste centime geplunderd!”
Lord Montefiore zweeg.
Hij kwam tot de overtuiging, dat hij wel een beetje al te veel partij
trok voor dien ander.
Raffles zag de verlegenheid van den jongen man.
„Veroorloof mij een vraag, mylord”, vervolgde hij thans. „Zoudt gij
ooit iemand, die door den speelduivel was bezeten, zóó hebben
uitgeplunderd, als die man het u heeft gedaan?”
Wederom zweeg lord Montefiore.
Hij wilde niet ontkennend antwoorden.
„Welnu mylord”, hernam Raffles, „ik zal u zeggen, wat gij verzwijgt.
Gij zoudt dat niet hebben gedaan, beslist niet. Vrees echter niets. Uw
vriendelijke vorst zal niets geschieden. Hem zal geen haar gekrenkt
worden. Maar om u toch een weinig op de hoogte te helpen, wil ik u wel
mededeelen, dat hij de schuldbekentenis absoluut niet uit eigen
beweging heeft teruggestuurd. Ik heb hem daartoe gedwongen”.
„Toch niet uit mijn naam?” vroeg de Engelschman vlug.
„Neen, uit mijn eigen naam”.
„Zoo?”
„Ja, ik heb hem verteld, dat zijn streken zijn uitgekomen”.
„Kent ge hem dan?”
„Ja”.
Montefiore keek verrast op.
„O, dat verandert de zaak”, antwoordde hij. „Ik meende, dat gij al uw
beweringen op louter vermoedens hadt gegrond”.
„Dat doe ik nooit, mylord. Op het oogenblik kan ik u echter geen nadere
aanduidingen van zijn persoon geven. Ik hoop, dat ge na dit gesprek
nooit meer mondeling of schriftelijk één woord met dien oplichter zult
wisselen”.
„Dat beloof ik u gaarne”.
„En nu zullen we ons best eens doen, om u het verloren geld weer terug
te bezorgen”, sprak Raffles op beslisten toon.
„Hoe zou dat kunnen? Ge zult de politie toch niet er bijhalen? Ik zou
niet graag willen, dat de naam Montefiore werd genoemd in verband met
dien van een schurk”.
„Ge behoeft u geen oogenblik bevreesd te maken, mylord. Ik zal geheel
zelfstandig handelen, en ik geloof, dat ik u over enkele dagen reeds de
som kan teruggeven”.
„Zonder hulp der politie?”
„Natuurlijk. Ik ben er zelf in het minst niet op gesteld, om de hulp in
te roepen van den sterken arm. En laat maar gerust de regeling van het
heele zaakje aan mij over, dan komt alles zoo gauw mogelijk in orde. En
laat ik u nu nog eens van dienst zijn, en u een som gelds leveren,
opdat ge volgens uw stand zult kunnen leven”.
Den jongen lord schoot het bloed naar de wangen.
De edelmoedigheid van den nieuwen vriend bracht hem in verlegenheid, en
Raffles moest nog langen tijd aandringen, voordat hij de blanco chèque
in ontvangst nam.
Lord Lister reisde met den eerstvolgenden trein naar Cannes terug, en
ging toen zijn wachtpost op de Avenue Gambetta weer innemen.
Vorst Alex Grigoriew intusschen, verveelde zich danig in zijn mooie
villa.
Tot nog toe was hij er altijd met een blauw oog afgekomen, als hij de
een of andere schurkenstreek had bedreven.
In zijn jeugd was hij eens veroordeeld tot anderhalf jaar
gevangenisstraf. Dat was al lang geleden, en destijds viel hem die
straf niet zoo zwaar, wijl hij armoedig leefde, en steeds te kampen had
met honger en zorgen. Maar sindsdien was zijn leven vol glans geworden.
In de gevangenis had hij een uitstekende leerschool in het inbreken
doorgemaakt, en toen hij weer op vrije voeten kwam, had hij steeds met
het grootste succes zijn boevenstreken bedreven. Hij stamde uit de
onderste lagen der maatschappij, maar desondanks had hij in zijn
voorkomen een zekere elegance, en zoo het ook al aan beschaving
ontbrak, wist hij zich toch met bewonderenswaardige zekerheid in goede
kringen te gedragen.
Grigoriew had al heel wat landen van Europa onveilig gemaakt. Hier, aan
de Riviera, wilde hij een eind maken aan zijn rondzwervingen, en er een
blijvende woonplaats zoeken.
Waarom ook niet?
Hij was multi-millionair, bezat een prachtige villa en een schat van de
kostbaarste diamanten.
Maar evenals een kat kan ook de dief het muizen niet nalaten. Een
inwendige drang om schurkerijen te plegen, kon hij niet weerstaan, en
toen hij den onervaren Montefiore ontmoette, had hij dezen naar alle
regelen der kunst uitgeplunderd.
Toen kwam plotseling de onverwachte slag door den brief van Raffles.
Eenige dagen bracht Grigoriew in duizend vreezen door.
Hij stond op het punt om al zijn bezittingen achter te laten en te
vluchten, want voor de politie had hij den grootsten eerbied.
Maar er gebeurde niets.
Grigoriew wachtte van den eenen dag op den anderen, zonder dat iets
buitengewoons voorviel.
Raffles liet niets meer van zich hooren, en de vrees van den valschen
speler sluimerde langzamerhand weer in.
Hij besloot echter voorzichtig te zijn en zich niet te vertoonen op
gevaarlijke plaatsen of in gevaarlijk gezelschap. Hij verliet Cannes
niet meer.
Als het hem al te vervelend werd, om als een gevangene in zijn villa te
zitten, dan ging hij een eindje wandelen, steeds er op bedacht, dat hij
niet vervolgd of bespied werd.
En tòch volgde Raffles hem op den voet, maar de groote onbekende legde
hierbij zooveel handigheid aan den dag, dat de beste tooneelspeler of
de slimste detective het hem niet hadden kunnen verbeteren.
Hij had een groote massa kleeren bij zich, en dagelijks verscheen hij
als een ander persoon in de Avenue Gambetta, maar nooit verscheen hij
er als een Engelsche lord.