In denzelfden tijd, dat Willy Warren den brief uit Monte Carlo ontving,
wandelde een koopman in snuisterijen met langzame schreden langs de
Avenue Gambetta, waar de villa stond van Grigoriew.
„Diamanten-Bill” die, ondanks het vroege morgenuur, reeds getooid was
met zijn schitterendste diamanten, greep met een onverschillig gebaar
naar de brieven, die de post hem bracht.
De vorst voerde een uitgebreide correspondentie, die voornamelijk
liefdesgeschiedenissen behelsde, en de elegante man, die over
fabelachtige rijkdommen scheen te kunnen beschikken, had een bijzonder
groote aantrekkelijkheid voor de dames der Riviera.
Ook vandaag weer waren een groot aantal geparfumeerde briefjes door de
post bezorgd, maar de vorst scheen er al heel weinig notitie van te
nemen.
Met heel andere oogen bekeek hij echter een brief, die het poststempel
van Monte-Carlo droeg en waarop het adres van een der voornaamste
hotels was afgedrukt.
Toen Warren den brief geopend had en hem in den haast doorvloog werd
zijn gelaat aschgrauw.
De gewiekste gauwdief, die zich hier in zijn villa zoo zeker had
gevoeld, beefde over zijn geheele lichaam.
Hij was ontdekt!
Hij had steeds geloofd, dat Willy Warren voor de heele wereld gestorven
was.
Scotland-Yard zelf had immers aan de geheele menschheid verkondigd, dat
het lijk van den gevreesden inbreker op den bodem van het Kanaal lag.
En thans moest hij vernemen, dat er lieden waren, die wisten, dat hij
nog leefde en hoe hij leefde.
Vreeselijk!
Hij raapte den brief op, die op den grond was gevallen. Nog eens las
hij hem van het begin tot het einde door—woord voor woord.
Geen lettertje ontging hem, maar het resultaat was hetzelfde: hij was
ontdekt.
In gepeins staarde hij voor zich uit.
Wat nu?— —Wat nu?
Zou de strijd met de politie thans weer opnieuw beginnen?
Zou hij van de heerlijke villa, de schitterende diamanten afscheid
moeten nemen om op water en brood te smachten?
Afschuwelijk!
Het was niet mogelijk!
Wie zou iets afweten van zijn bestaan? Voorloopig slechts één persoon.
Maar die ééne scheen ook heel nauwkeurig te zijn ingelicht.
Zou Raffles, die beweerde een collega van hem te zijn, hem wel ooit
verraden?
Nooit!!
Ook onder dieven en inbrekers zijn mannen van eer, die het voor schande
houden, hun makkers te verraden.
En Raffles behoorde tot die mannen van eer.
Nog nooit had hij een minderwaardige handeling verricht! Hij stal en
hij brak in, maar steeds werden schurken door zijn straffende hand
getroffen.
En dan! De brief van Raffles was op vriendschappelijken toon
geschreven! Hij waarschuwde hem en gaf goede raadgevingen.
Hij was dan ook terstond besloten, den jongen Engelschman de
schuldbekentenis terug te geven.
Wat had hij ook aan dat ellendige blad papier, daar Montefiore toch
geruïneerd was.
Haastig ging Bill naar zijn schrijftafel, woelde in de papieren van een
geheime lade en haalde de schuldbekentenis daaruit te voorschijn.
Daarna nam hij schrijfpapier, dat versierd was met een vorstenkroontje.
Nadat hij drie, vier zijdjes verknoeid had, was eindelijk het volgende
briefje gereed gekomen:
„Waarde Lord!
Ik houd het voor den plicht van een edelman u inliggende
schuldbekentenis terug te sturen.
Ik zou er nooit gebruik van gemaakt hebben, maar ik accepteerde ze
van u omdat ge er zoo op hebt aangedrongen. Zij brandt in mijn
hand.
Neem haar terug. Ik heb haar verscheurd en daardoor waardeloos
gemaakt. Gij hebt thans geen verplichtingen meer tegenover mij.
Steeds tot uwen dienst
VORST ALEX GRIGORIEW.”
Het stond er!
„Diamanten Bill” las de regels nog eens over en knikte tevreden.
Hij vouwde den brief dicht, stak hem in een enveloppe en schreef het
adres er op.
Daarna schelde hij den bediende.
„Breng dezen brief naar de post en laat hem aanteekenen, dadelijk!”
De bediende haastte zich de deur uit. Buiten op straat kwam een koopman
in snuisterijen hem tegemoet om hem zijn waren aan te bieden.
De bediende stiet hem ter zijde, maar de koopman had nog juist
gelegenheid gehad om een blik op het adres te slaan.
„Het zaakje gaat goed”, mompelde de koopman glimlachend, „en hij
schijnt haast te maken ook. Mijn brief heeft hem leelijk bezorgd
gemaakt!”
De lezer heeft natuurlijk al lang begrepen, dat deze arme koopman
niemand anders was dan Raffles.
Daar kwam een heer de straat op, die groote haast scheen te hebben.
Radeloos keek hij naar links en naar rechts, alsof hij iemand zocht.
Hij scheen bijzondere opmerkzaamheid te koesteren voor de villa’s, maar
besluiteloos keerde hij zich af en stormde verder.
Een hevige stoot bracht hem tot bezinning.
„Stommerd! Pas toch op!” riep de schijnbaar hevig verschrikte heer uit.
„Ga toch weg met je snorrepijperijen!”
„Och, vergeef mij toch, beste heer en koop een kleinigheidje van een
arm man, die voor vrouw en kinderen heeft te zorgen!”
„Alle duivels! Wat moet ik met dien rommel doen?”
„Lieve, beste meneer! Heb medelijden! Vergoed mij dan ten minste de
schade, die ge mij hebt berokkend.”
De voorname heer was al weer verder gegaan, maar de koopman bleef hem
ter zijde. De eerste wierp toen een franc naar den koopman, maar deze
scheen nog niet tevreden te zijn.
Hij greep den heer bij den arm en hield hem stevig vast.
„Wat wil je, onbeschaamde kerel?” klonk het ruw.
De koopman keek echter met glunderlachende oogen den ander aan en
sprak:
„Ik wou je alleen maar zeggen, beste Charly, dat je een domkop bent—en
blijft. Je herkent zelfs je vriend en meester niet meer!”
„Drommels! Edward! Ben jij ’t?”
Brand was verbluft.
„Ik had je waarlijk in die kleedij niet herkend.”
„Dat doet me pleizier! Dan zullen de anderen me nog minder herkennen.
Maar wat wil je eigenlijk hier?”
„Vraag je dat nog? Ik zoek jou!”
„Waarom? Is er wat gebeurd?”
„Niets anders, dan dat je spoorloos verdwenen bent. Ik dacht, dat je
een ongeluk was overkomen. Vertel eens, wat doe je hier? En wat moet
dat potsierlijke pak?”
Raffles lachte.
„Kun je dat werkelijk niet raden?”
„Hoe zou ik? Wie kan al jouw gangen naspeuren?”
„Dan zal ik het je vertellen. Ik had het plan om te controleeren of
„Diamanten-Bill” gehoorzaam mijn goeden raad had opgevolgd en de
schuldbekentenis naar lord Montefiore had teruggestuurd.”
„Nu al? Dan zul je nog wel een poosje geduld moeten hebben.”
„Hou je kalm, Charly! Mijn doel is al bereikt. De aangeteekende brief
naar lord Montefiore is al onderweg. En ga nu mee, ik heb honger!”
„Met jou meegaan?”
„Natuurlijk!”
„In dit pak?”
„Neen, neen! Ik kom dadelijk!”
„Allright!”
Brand snelde naar het hotel.
Zijn verbazing was echter grenzeloos, toen hij in de vestibule van het
hotel zijn vriend ontmoette, keurig gekleed, een witte camelia in het
knoopsgat van zijn smoking, de onafscheidelijke sigaret in den mond.
Thans dacht de secretaris inderdaad spoken te zien op klaarlichten dag.
Dat kon toch onmogelijk zuiver spel zijn.
Een kwartier geleden had hij zijn vriend en meester nog op de Avenue
Gambetta ontmoet en nu stond hij hier in levende lijve, als gentleman
gekleed, uiterlijk doodkalm, voor hem.
Hij was heel wat van Raffles gewoon. Maar dit overtrof alles, wat hij
totnogtoe van hem gezien had.
Tevergeefs verzocht hij zijn vriend, hem dit ongeloofelijke te
verklaren.
Deze antwoordde slechts:
„Na den lunch zullen we een eindje gaan wandelen, dan zal ik je alles
vertellen”.
En een uur later vertelde Raffles:
„De zaak is heel eenvoudig en natuurlijk toegegaan. Hoe vaak heb ik je
niet al gezegd, dat vlugheid geen kunst is. Terwijl jij langs de Avenue
Gambetta wegvloogt, nam ik plaats in een gesloten automobiel—natuurlijk
zoo, dat de chauffeur mij niet zag, voordat ik er in zat. Toen stak ik
mijn hoofd uit het portier en noemde het doel van den tocht. Intusschen
verkleedde ik mij en, tien minuten vóórdat jij hier kwaamt, verliet ik
den auto in keurig toilet. Dat is alles!”
„En je mand? Je snuisterijen? Je kleeren?”
„Heb ik op een veilig plaatsje op de Avenue Gambetta bewaard. Vanavond,
als het donker is geworden haal ik alles weer te voorschijn. De mand
met snuisteren geef ik den kinderen van Cannes present”.