SIMONE: Spin

Een kleed en verf het purper, dat Verdriet

Mag dragen tot haar troost--een sprei met franjen

Waaronder een onwelkom zuigeling

Onbemerkt kreunen kan--een keurig laken

Kostlijk doorgeurd met reukig kruid, waarin men

Een dood man wikklen kan ... Spin wat gij wilt:

Mij goed.

BIANCA: De brosse draad is afgeknapt,

Het loome wiel is 't eindloos draaien moede,

Het loomer rokken is zijn kluwen zat;

Vanavond spin ik niet.

SIMONE: Zooals gij wilt,

Maar morgen zult gij spinnen: elke dag

Vindt u voortaan aan 't wiel. Zoo vond Tarquinius

Lucretia. Mooglijk wachtte zoo Lucretia

Tarquinius. Wie zal 't zeggen? Vreemde dingen

Verneem 'k van meenge huisvrouw ... Doch, mijn Heer,

Wat nieuws van buiten? 'k Hoor vandaag in Pisa

Dat enkle koopluî daar uit Engeland

Hun wollewaar goedkooper wilden slijten

Dan wet en recht toestaat, en om gehoor

De Signoria drongen. Is dit reedlijk?

Hoort de éene koopman d'ander te verslinden?

De vreemdling die in ons land hier zijn brood vindt,

Door afgedwongen voorrecht of door list ons

Te brengen om ons winst?

GUIDO: Moet ik me afgeven

Met koopluî en hun winst? Gij wilt dat ik

Ga twisten voor u met de Signoria?

En 't kleed draag, waarin gij van dwazen koopt

Voor nog onnoozler klanten? Vriend Simone,

Wol inslaan en verkoopen is uw ambt.

Mijn geest speurt ander wild.

BIANCA: Mijn eedle Heer,

Vergeef mijn goeden man hier, bid ik u.

Zijn ziel staat altijd op de markt, zijn hart

Klopt enkel voor den beursprijs van de wol.

Toch is hij braaf voor zijn gewone doen.

(_tot Simone:_)

En gij, hebt gij geen schaamte? Een hooge prins

Komt hier aan huis, en met misplaatste boudheid

Verveelt ge en ergert hem. Vraag hem vergeving.

SIMONE:

Dat doe 'k ootmoedig. Praten wij vanavond

Van andre dingen! 'k Hoor, Zijn Heiligheid

Schreef aan den Franschen koning met verzoek

Om over 't sneeuwen schild der Alpen hier

Een vreê te komen stichten, die zal wezen

Erger dan broederkrijg en bloediger

Dan burgerroof en binnenlandsche veeten.

GUIDO:

Bah! wie maalt om dien Franschen koning nog,

Die nimmer komt en altijd praat van komen?

Wat gaat dat mij aan? Ik weet andre dingen

Belangrijker en dichter bij, Simone.

BIANCA:

Gij put 't geduld van onzen hoogen gast uit.

Wat raakt ons Frankrijks koning? Evenveel

Als uw koopluî uit England met hun wol.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . .

SIMONE:

O staat het zóo? Is heel dees machtge wereld

Verengd binnen de grenzen dezer kamer

Met maar drie poovre zielen voor bewoners?

Ja, daar zijn oogenblikken dat 't heelal,

Als 't doek in kuip van onbedreven verver,

Tot een handbreed ineenkrimpt, mooglijk is 't

Nu zulk een uur! Goed, laat het zoo'n uur zijn!

Laat dit gering vertrek het hoog tooneel zijn,

Waar koon'ngen sterven en ons schamel leven

De inzet wordt waarom God speelt... Ik weet zelf niet

Waarom 'k zoo spreek. De rit heeft me uitgeput.

En driemaal struikelde mijn paard, een teeken

Dat niemand goeds voorspelt.... Eilacy, Heer,

Welk een armzaalge koop is 's menschen leven,

En op wat rommelmarkt verkoopt men ons!

Als wij geboren worden, weent ons moeder,

Maar om ons dood weent niemand. Neen, niet een.

(_Hij gaat naar den achtergrond._)

BIANCA:

Hoe praat de man als een gemeene kramer!

Ik haat hem, ziel en lijf. Haar bloedloos zegel

Drukte hem lafheid op 't gelaat. Zijn handen

Beven verlamd en bleeker dan het blad van

Peppels in voorjaarswind; een leedge woordstroom

Gudst uit zijn dwazen stotterenden mond

Als water uit een leibuis.

GUIDO: Lieve Bianca,

Hij is uw aandacht noch de mijne waard.

De man is niets dan een heel brave schurk

Vol mooie frasen over levens koopwaar,

Die duurst verkoopt wat hij goedkoopst moet achten,

Een windrig schreeuwer in een weerld van woorden,

Nooit heb 'k zoo'n welbespraakten zot gezien.

BIANCA:

'k Wou dat de dood hem haalde waar hij staat!

SIMONE (_keert zich om_):

Wie noemt daar »Dood"? Dood heeft hier niets te maken.

Wat zaken heeft Dood in zoo'n vroolijk huis

Als dit waar hij alleen een vrouw, een man,

Een vriend tezaam vindt? Laat Dood gaan naar huizen

Waar echtbreuk en gemeenheid toegaan, waar

De vrouw, haar kuischheid en haar man en heer

Moede, 't gordijn wegschuift voor 't huwlijksbed

En in bezoedelde en onteerde lakens

Verboden lusten pleegt. Ja, wel klinkt 't vreemd,

Toch gaat het zoo. Gij kent de wereld niet.

Daarvoor leeft gij te eerbaar en te afgezonderd.

Ik ken haar goed. Ik wou dat 't niet zoo was.

Maar wijsheid komt met winters. Mijn haar grijst,

Geen jeugd warmt meer mijn koude lijf ... Maar basta.

Vanavond is het woord aan Vreugd, en waarlijk,

'k Zoû willen vroolijk zijn als past een gastheer

Die zulk een hoogen ongedachten gast

Op hem vindt wachten... Doch wat 's dit, mijn Heer?

Gij bracht uw luit meê om voor ons te spelen?

Ja, speel wat, lieve Prins. Ben ik vrijpostig,--

Vergeef, maar speel.

GUIDO: Vanavond speel ik niet.

Een andren keer, Simone. (_tot Bianca:_) Gij en ik

Tezamen, en geen luistraars dan de sterren

Of de jaloerscher maan.

SIMONE: Toch toch, mijn Heer!

Ik smeek u, speel iets. Want ik hoor vertellen

Dat door het enkel tokklen eener snaar,

Door ademtocht die zucht langs holle rieten

Of blaast door koelen mond van vaardig brons

Zij die die kunst verstaan, onze arme zielen

Verlossen uit haar kerker. Ook verneem ik:

Zoo vreemde toover schuilt in dit hol speeltuig

Dat onschuld wijnloof vlecht in hare haren

En wulpsch wordt als bacchante. Maar 'k dwaal af.

Ik weet, uw luit is kuisch. En daarom speel:

Verruk met zoete melodie mijne ooren;

Mijn ziel is in een kerker, en haar waanzin

Vraagt medicijn. Help mij verzoeken, Bianca.

BIANCA:

Wees niet bevreesd: ons welbeminde gast

Zal zelf zijn plaats en uur weten te kiezen;

Nu is 't dat uur niet. Gij ontstemt hem slechts

Met uw lomp dringen.

GUIDO: Eerzame Simone,

Een andren keer. Vanavond ben 'k tevreden

Met de zachte muziek van Bianca's stem,

Die, als zij spreekt, de te verliefde lucht

Bekoort en aardes wanklen kring rondom

Haar schoonheid vastlegt.

SIMONE: Vlei haar niet. Zij heeft

Haar deugden als de meeste vrouwen, maar

Schoonheid is een kleinood dat zij niet draagt.

Misschien is het ook beter. Waarde Heer,

Als gij geen wijzen uit uw luit wilt lokken

Om mijn ziels sombere onrust te bezweren,

Dan drinken we toch saam? Daar staat uw glas nog.

Krijg mij een stoel, Bianca. Sluit de luiken.

Zet er den grooten bout voor. 'k Wil niet hebben

Dat de nieuwsgierge wereld ons genoegen

Beloenschen zoû. En nu, mijn Heer, drink ons

Een toost uit boordevollen beker toe....

Wat is hier deze vlek op 't laken? 't Ziet

Zoo purper als een wond in Christus' zijde.

't Is niets dan wijn? 'k Heb wel eens hooren zeggen:

Waar wijn vergoten wordt, wordt bloed vergoten,--

Maar dat's een dwaas verhaal. Mijn Heer, ik hoop,

Mijn wijn is naar uw smaak. De druif van Napels

Is vurig als zijn bergen. Ons Toscane

Kweekt een onschuldger sap.

GUIDO: Mij mondt het goed,

Brave Simone, en 'k wil met uw verlof

Op schoone Bianca drinken wen haar lippen

Eerst langs den kelk als roode rozeblâren

Glijdend den dronk verzoeten. Proef, Bianca.

(_Bianca drinkt._)

O al de honing saam van Hybla's bijen

Waar' bitter bij dees teug!--Waarde Simone,

Gij neemt geen deel aan 't feest.

SIMONE: 't Is vreemd, Heer, 'k kan

Vanavond met u eten niet of drinken.

Een booze luim, een koortsigheid van 't bloed,

Dat anders toch bedaard is, een gedachte

Die als een adder rustloos ommekruipt,

Als een krankzinnge sluipt van cel naar cel,

Vergalt mijn smaak en zet mijn lust tot spijs

En drank in walging om. (_Hij gaat terzijde._)

GUIDO: Lieve Bianca,

Dees kramer maakt mij met zijn praatjes wreevlig.

Ik moet vanhier. Maar morgen kom ik weêr.

Zeg mij hoe laat.

BIANCA: Kom met den vroegsten daagraad

Tot ik u weêrzie, is mijn leven ijdel.

GUIDO:

Laat neêr den middernacht van uwe haren,

In uwer oogen sterren laat mij zien

Mijn beeltnis als in spiegels. Lieve Bianca,

Zij 't slechts een schaduw, o bewaar mij daar,

En kijk naar niets dat niet verzinnebeeldt

Eenge gelijkenis van me. Ik ben naijvrig

Op al wat uw gezicht verlust.

BIANCA: Uw beeld--

O wees gerust--blijft altijd bij mij. Lieve,

Liefde verkeert de meest gewone dingen

In teekenen van zoete erinnering.

Maar kom vóor met zijn schellen zang de leeuwrik

Een wereld wekt van droomers. 'k Zal u wachten

Op het balkon,...

GUIDO: En langs scharlaken ladder

Wier zijden sporten zijn bestikt met paarlen,

Daal, blanken voet na blanken voet, als sneeuw

Op rozenboom, tot me af.

BIANCA: Zooals gij wenscht.

Uw eigen ben 'k in liefde of dood, gij weet het.

GUIDO:

Simone, 't wordt mijn tijd. Ik ga naar huis.

SIMONE:

Zoo gauw? Waarom? Nog luidde van de Domkerk

Niet middernacht. Slaapdronken in hun torens

Liggen de wachten, die de bleeke maan

Plagen met holle horens. Blijf nog wat.

'k Vrees dat we u hier niet zullen wederzien.

En die vrees maakt mijn simpel hart bedroefd.

GUIDO:

Wees niet bezorgd, Simone. Meest standvastig

Zal 'k blijken in mijn vriendschap. Maar vanavond

Ga 'k naar mijn eigen huis, en dat terstond.

Tot morgen, Bianca.

SIMONE: Goed. Uw wensch is wet.

'k Had nog wat langer met u willen praten,

Mijn nieuwe vriend, mijn eerbiedwaarde gast,

Maar dat gaat niet naar 't schijnt. Daar komt nog bij,

'k Twijfel niet of uw vader wacht op u,

Hunkrend naar stem of voetstap. Als 'k het goed heb,

Zijt gij zijn eenig kind? Hij heeft geen ander.

Gij zijt de sier en pijler van zijn huis,

Zijn éene bloem in tuin van louter onkruid.

Uw vaders neven zijn zijn minnaars niet.

Zoo gaat het praatje in stad hier. 'k Wou maar zeggen:

Zij zijn afgunstig op uw erfenis,

Hun gretige oogen schelen naar uw wijngaard

Als Achab keek naar Naboths vetten akker.

Maar dat is enkel 't praatje van een stad

Waar 't vrouwvolk te veel klapt. Goênacht, mijn Heer.

Haal een pijnfakkel, Bianca. De oude trap

Is vol met gaten, en de inhaalge maan

Wordt, als een giergaard, karig met haar stralen,

En bindt voor haar gezicht een tulen masker

Als lichtekooi die uitgaat om een arme

Ziel te verstrikken. Wacht, ik zal u krijgen

Uw zwaard en mantel. Laat mij, goede Heer,

Het is niet meer dan plicht dat'k u bedien,

Die mij den armen burger zooveel eer deedt,

Mijn wijn dronkt en mijn brood braakt en voor ons

Een lieve huisvriend werdt. Mijn vrouw en ik

Zullen nog vaak dees schoonen nacht bepraten

En zijn groote uitkomst. Kijk, wat kostlijk zwaard!

Ferrarisch staal, zoo lenig als een slang,

En zeker doodlijker. Met zoo'n zwaard hoeft

Men in 't gedrang des levens niets te vreezen.

Nooit heb ik zoo'n fijn lemmet aangeraakt.

Ook ik bezit een zwaard. 't Is nu wat roestig.

Ons, vredemannen, leert men needrigheid

En vele lasten op ons schouders dragen

En niet te morren tegen werelds onrecht

En onrechtmaatge krenkingen verduren.

Dat leeren we en wij vinden bij ons lijden

Voordeel als de geduldge Jood... Toch, 'k weet nog

Hoe eens een roover op den weg naar Padua

Mijn pakpaard nemen wilde, ik liet hem achter

Met afgesneden keel. Ik kan verdragen

Blaam, smaad in 't openbaar, velerlei schande,

Vlijmenden hoon en open schimp, maar hij

Die van mij iets wil dieven wat het mijne is,

Zij 't nog zoo waardeloos, het aarden bord

Waarvan 'k mijn honger stil--wee hem, hij waagt

Bij 't stelen ziel en lijf, en sterven doet hij

Voor 't klein vergrijp. Uit wat vreemd leem zijn wij

Menschen gemaakt!

GUIDO:

Hoe komt gij zoo te spreken?

SIMONE:

Ik ben benieuwd, Heer Guido, of mijn zwaard

Beter gehard is dan dit staal van u.

Lijkt u de proef? Of is mijn stand te laag

Voor u om uw rapier met 't mijn te kruisen,

In scherts of ernst?

GUIDO: Niets zoû mij beter lijken

Dan met naakt lemmet over u te staan

In scherts of ernst. Geef mij mijn eigen zwaard.

Haal 't uwe. Dees nacht zal het pleit beslechten

Of van den prins of van den koopman 't zwaard

Beter gehard is. Was dat niet uw zeggen?

Haal slechts uw eigen zwaard. Wat draalt gij, man?

SIMONE:

Mijn Heer, van al de hofflijke genaden

Die gij geregend hebt op mijn dor huis,

Is dit de hoogste... Bianca, haal mijn zwaard.

Schuif bank en tafel weg. Wij moeten hebben

Een open kring voor onzen wapenkamp.

Bianca zal wel den fakkel willen houden

Opdat niet wat als scherts bedoeld is, ernst wordt.

BIANCA (_tot Guido_): O dood hem, dood hem!

SIMONE: Houd den fakkel, Bianca.

(_Zij beginnen te vechten._)

In stand! Let op! Aha! Gij dacht zoo-waar--?

(_Hij wordt gewond door Guido._)

Een schram, niets meer. Het licht scheen in mijn oogen.

Kijk niet bedrukt, Bianca. Het is niets.

Uw man bloedt. Het is niets. Krijg een stuk linnen

En bind het rond mijn arm. Neen, niet zoo stijf.

Een beetje losser, vrouw-lief. En ik bid u,

Wees niet ontdaan. Neen, haal het er weêr af.

Wat let het of ik bloed? (_Hij rukt het verband af._)

Van voor af aan!

(_Simone ontwapent Guido._)

Mijn eedle Heer, gij ziet dat ik gelijk had.

Mijn zwaard is fijner staal, beter gehard.

En nu dolk tegen dolk.

BIANCA (_tot Guido_): O dood hem, dood hem!

SIMONE:

Blusch uit den fakkel, Bianca.

(_Bianca bluscht den fakkel uit._)

Nu, mijn Heer,

Nu tot den dood van éen van ons, of beiden,

Of misschien alle drie. (_Zij vechten._) Ziedaar en daar!

Ha! duivel, heb ik je eindlijk in mijn greep?

(_Simone overweldigt Guido en drukt hem neêr op de tafel._)

GUIDO:

Dwaas, doe uw wurgersvingers van mijn keel.

Ik ben mijn vaders eenge zoon. De staat

Heeft maar éen erfgenaam. En 't valsche Frankrijk

Wacht op 't uitsterven van mijn vaders lijn

Om de stad te overvallen.

SIMONE: Zwijg! Uw vader

Kan kinderloos alleen gelukkger zijn.

Wat den staat aangaat, 'k denk, Firenze kan

Als loods aan 't stuur geen echtbreker gebruiken.

Gij zoudt haar leliën smetten.

GUIDO: Weg uw handen!

Weg uw verdoemde handen. Laat los, zeg ik.

SIMONE:

Neen, in zoo'n handge schroef zijt gij gevangen

Dat niets meer u kan redden, en uw leven

Tezaamgedrongen in éen stip van schande,

Eindt met die schande, en allerschandelijkst.

GUIDO:

O laat me een priester hebben vóor ik sterf!

SIMONE:

Waarvoor wil jij een priester? Biecht je zonden

Aan God dien je vanavond nog zult zien

En dan nooit meer. Biecht Hem je zonden, die

Is meest rechtvaardig in meêdoogenloosheid

En meest meêdoogend in rechtvaardigheid.

GUIDO:

O help mij, lieve Bianca, help mij, Bianca,

Gij weet dat ik geen kwaad bedreven heb.

SIMONE:

Is daar nog leven in die leugenlippen?

Sterf als een hond met slappe tong! Sterf! Sterf!

De stomme Arno zal straks uw lijk ontvangen

En spoelt onopgemerkt het weg naar zee.

GUIDO:

Heer Jezus, neem mijn arme ziel tot u!

SIMONE:

Amen. En nu komt de andere aan de beurt.

(_Guido sterft. Simone rijst op en ziet om naar Bianca. Zij komt op

hem toe met wijdopen armen als verdwaasd._)

BIANCA:

Gij waart zoo sterk, en 'k heb het nooit geweten!

SIMONE:

Gij waart zoo schoon, en 'k heb het nooit vermoed!

(_Hij kust haar op den mond._)

EINDE

Tot heden verschenen Tooneelspelen.

_a. in de Nederlandsche Bibliotheek:_

N. B. XXXV

INA BOUDIER-BAKKER, ='t Hoogste Recht=, tooneelspel in 4 bedrijven.

f 0.20; 0.30; 0.40

N. B. LXXI

J. F. E. CELLIERS, =Liefde en Plig=, Zuid-Afrikaans Tooneelspel in 4

bedrijven. Inleiding Dr. Engelenburg.

Ingen. f 0.20; geb. 0.40

N. B. XVIII

MULTATULI, =Vorstenschool=. Met een Inleiding van Mevr. Douwes

Dekker-Schepel en twee portretten. 4e druk, 8e-13e duizend.

f 0.20; 0.30; 0.40

N. B. XLVI

MULTATULI, =Aleid=. Fragment van een onvoltooid gebleven blijspel.

Met Inleiding van Mevr. Douwes Dekker-Schepel.

f 0.20; 0.30; 0.40

N. B. LXXXIII*

H. ROLAND HOLST-V. D. SCHALK, =De Opstandelingen=. Lyrisch treurspel

in 3 bedrijven.

f 0.30; 0.40; 0.50

N. B. I

J. A. SIMONS-MEES, =De Veroveraar=, Een spel van stemmingen in vijf

bedrijven, met afbeelding. (Tweede druk; 7e-9e duizend).

f 0.20; 0.30; 0.40

N. B. XXIII

J. A. SIMONS-MEES, =Atie's Huwelijk=, Toneelspel in 4 bedrijven.

(Tweede druk)

f 0.20; 0.30; 0.40

Beide stukken samen in keurband f 1.--

N. B. LXXXI

J. A. SIMONS-MEES, =Een Paladijn=. Fantastische comedie in 4

bedrijven.

f 0.20; 0.30; 0.40

N. B. LI.

JOOST VAN DEN VONDEL, =Adam in Ballingschap=, of aller treurspelen

Treurspel. Inleiding en aanteekeningen van L. S. (Derde druk,

8e-11e duizend).

f 0.20; 0.30; 0.40

_b. in de Wereld-Bibliotheek:_

W. B. 70

ARISTOPHANES, =De Ridders=. Metrische vertaling van Dr. H. C.

Muller.

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 36/37

Bj. BJÖRNSON, =Boven Menschelijke Kracht=. Tooneelspel in twee

deelen uit het Noorsch door Marg. Meyboom, met portret en

Inleiding door L. S.

f 0.40; 0.55; 0.70

W. B. 96

WOLFG. v. GOETHE, =Iphigeneia in Tauris=. In Nederlandsche verzen

overgebracht door dr. P. C. Boutens.

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 43

GERHART HAUPTMANN, =De Verdronken Klok=. Sprookjesdrama, vertaald

door en met inleiding van Mr. Isidore Hen.

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 19

FRIEDRICH HEBBEL, =Maria Magdalena=. Vertaling van Louis Landry. Met

portret.

(Ingenaaid en gecart. uitverk.); f 0.40

W. B. 4

HENRIC IBSEN, Steunpilaren der Maatschappij. Vert. F. Kapteyn, Inl.

van L. S. (derde druk; 8e-10e duizend.)

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 40

HENRIC IBSEN, =Een Poppenhuis (Nora)=. Tooneelspel in drie

bedrijven, vert. Marg. Meyboom. Met portretten en inl. door

L. S. (2e druk) (6e-8e duizend)

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 73

HENRIC IBSEN, =Een Vijand van 't Volk=. Vertaling van Marg. Meyboom.

Inleiding van L. S.

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 119*

HENRIC IBSEN, =Mededingers naar de Kroon=. Vertaald door Marg.

Meyboom, inleiding van L. Simons.

f 0.30; 0.40; 0.50

W. B. 16

MOLIERE, =De Schelmenstreken van Scapin=. Een klucht in drie

bedrijven. Vertaling S. J. Bouberg

(Ingenaaid uitverkocht); f 0.30; 0.40

W. B. 67

MOLIERE, =Geleerde Dames=, metrische vertaling W. J. Wendel.

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 112

MOLIERE, =Tartuffe=, metrische vertaling W. J. Wendel.

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 88

PLAUTUS, =De Tweelingbroeders=. Metrische vertaling der »Menaechmi"

door Prof. Dr. H. van Herwerden.

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B.

WILLIAM SHAKESPEARE, Vertaling Dr. Edw. B. Koster.

21 a) =Coriolanus= }

77 b) =Macbeth= } per stuk f 0.20; 0.30; 0.40;

90 c) =Othello= }

keuruitgaaf { d) =Antonius en Cleopatra=

{ e) =De koopman van Venetië=

per stuk f 0.35; 0.60; 1.--

W. B. 81

BERNARD SHAW, =Je kunt 't nooit weten=. Komedie in 4 bedrijven.

Vertaling van Ph. G. Gunning. Inl. v. L. S. en portret van Shaw.

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 91

BERNARD SHAW, =Mevrouw Warrens Bedrijf=, vert. door J. A.

Simons-Mees. Inleiding van L. S.

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 128*

BERNARD SHAW, =Mensch en Oppermensch= met aanhangsel =Het Handboek

van den Revolutionnair=. Vert. J. A. Simons-Mees. Inleiding

L. S.

f 0.30; 0.40; 0.50

W. B. 44

SOPHOCLES, =Antigone=, Nieuwe vertaling van Dr. H. C. Muller. Met

afbeelding.

f 0.20; 0.30; 0.40

W. B. 127

PERCY BYSSHE SHELLEY, =Prometheus ontboeid=. Van inleiding voorzien

en vertaald door A. Gutteling.

f 0.20; 0.30; 0.40

_c. in de Russische Bibliotheek:_

R. B. 11/12

N. W. GOGOLJ, =De Revisor=, uit het Russisch door Jos. C. Termaat

Ingen. f 0.70; geb. f 1.--

R. B. 6/7

MAXIM GORKIEJ, =Zonnekinderen=. Uit het Russisch door Jos. C.

Termaat.

Ingen. f 0.70; geb. f 1.--

R. B. 17/18

D. S. MEREZJKOWSKJOE, =Paul I=, drama in 5 bedrijven, vert. door

Annie de Graaff.

Ing. f 0.70; geb. f 1.--

_d. In de Oorspronkelijke Uitgaven:_

J. A. SIMONS-MEES. =Tooneelspelen=--twee bundels, per bundel, ingen.

f 1.25; geb. f 1.90.

_Eerste Bundel:_ =Twee Levenskringen=; =Van Hoogten en Vlakten=;

=Zijn Evenbeeld=. Inleiding van L. S.

_Tweede Bundel:_ =Een Moeder=; =Sint Elisabeth=; =Kasbloem=.

+------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Plaats Bron Correctie |

| |

| Regel 317 ; : |

| Regel 1400 Tenmiste Tenminste |

| Regel 1423 al als |

| Regel 1471 HORODIAS HERODIAS |

| Regel 1662 nietswaard niets waard |

| Regel 1797 En Een |

| Regel 2254 [Niet in bron] LXXI |

| Regel 2301 [Niet in bron] . |

| Regel 2323 [Niet in bron] f |

| Regel 2327 -- - |

| Regel 2331 [Niet in bron] . |

| Regel 2409 [Niet in bron] . |

| Regel 2414 [Niet in bron] . |

| Regel 2425 , [Verwijderd] |

| Regel 2425 , [Verwijderd] |

| |

+------------------------------------------------------+

Salome en Een Florentijnsch Treurspel · 第 3 / 3 段