Bozra met zijn kleed geverfd in purper; die straalt in de schoonheid
van zijn gewaad, die voorttrekt in zijn groote kracht? Waarom is uw
gewaad geverfd in scharlaken?
HERODIAS: Laten wij naar binnen gaan. De stem van dezen mensch is mij
ondragelijk. Ik wil niet dat mijn dochter danst terwijl hij telkens
zoo roept. Ik wil niet dat zij danst terwijl gij haar op deze wijze
aanziet. In éen woord, ik wil niet dat zij danst.
HERODES: Rijs niet op, mijn gemalin, mijn koningin, het zoû niet
baten. Ik zal niet naar binnen gaan vóor zij gedanst heeft. Dans,
Salome, dans voor mij.
HERODIAS: Dans niet, mijne dochter.
SALOME: Ik ben gereed, Tetrarch. (_Salome danst den dans der zeven
sluiers._)
HERODES: Wonder, wonderschoon! Gij ziet, uw dochter heeft gedanst voor
mij. Kom nader, Salome, kom nader en ik zal u uw loon geven. O, ik
betaal mijne danseressen goed. U zal ik goed betalen. Ik zal u geven
al wat gij wilt. Wat wilt gij, zeg het mij?
SALOME (_knielt neder_): Ik wil dat men mij terstond hier brengt op
een zilveren schotel ...
HERODES (_lachend_): Op een zilveren schotel? Zeker, zeker, op een
zilveren schotel. Zij is allerbekoorlijkst, niet-waar? Wat wilt gij
dat men u brengt op een zilveren schotel, lieve en schoone Salome, gij
die de schoonste zijt van al de dochteren van Judaia? Wat wilt gij dat
men u brengen zal op een zilveren schotel? Zeg het mij. Wat het ook
moge zijn, men zal het u geven. Mijn schatten behooren u. Wat wilt
gij, Salome?
SALOME (_rijst op_): Het hoofd van Jokanaän.
HERODIAS: Ah! dat is wel gezegd, mijne dochter.
HERODES: Neen, neen!
HERODIAS: Wel gezegd, mijne dochter.
HERODES: Neen, neen, Salome. Dat vraagt gij mij niet. Luister niet
naar uwe moeder. Zij geeft u altijd verkeerden raad. Gij moet niet
naar haar luisteren.
SALOME: Ik luister niet naar mijn moeder. Voor mijn eigen genoegen
vraag ik het hoofd van Jokanaän op een zilveren schotel. Gij hebt
gezworen, Herodes. Vergeet niet dat gij gezworen hebt.
HERODES: Ik weet wel. Ik heb gezworen bij mijne goden. Ik weet het
zeer wel. Maar ik smeek u, Salome, mij een ander ding te vragen. Vraag
mij mijn halve koninkrijk, en ik zal het u geven. Maar vraag mij niet
wat gij hebt gevraagd.
SALOME: Ik vraag u het hoofd van Jokanaän.
HERODES: Neen, neen. Ik wil niet.
SALOME: Gij hebt gezworen, Herodes.
HERODIAS: Ja, gij hebt gezworen. Iedereen heeft u hooren zweren. Gij
hebt gezworen in 't openbaar.
HERODES: Houd u stil. Tot u spreek ik niet.
HERODIAS: Mijn dochter heeft wel gedaan u het hoofd van dezen mensch
te vragen. Hij heeft niet opgehouden mij te smaden. Hij zegt
afgrijselijke dingen tegen mij. Men ziet dat zij veel houdt van hare
moeder. Geef niet toe, mijne dochter. Hij heeft gezworen, hij heeft
gezworen.
HERODES: Houd u stil. Spreek niet tot mij ... Kom, Salome, luister
naar rede. Niet-waar, men moet altijd naar rede luisteren? Ik ben
nooit hard voor u geweest. Ik heb altijd veel van u gehouden. Mogelijk
heb ik te veel van u gehouden. Daarom vraag mij dat niet. Het is
afgrijselijk, het is afschuwelijk mij dat te vragen. Ook geloof ik
eigenlijk niet dat gij in ernst zijt. Het hoofd van een onthalsden man
is weêrzinwekkend om te zien, niet-waar? Het is geen ding dat een
maagd behoort aan te zien. Welk genoegen kan dat u geven? Geen enkel.
Neen, neen, gij kunt dat niet willen ... Luister een oogenblik naar
mij. Ik heb een smaragd, een grooten ronden smaragd, dien de
gunsteling van Caesar mij gezonden heeft. Als gij door dezen smaragd
kijkt, kunt gij dingen zien, die op grooten afstand gebeuren. Caesar
heeft een volmaakt gelijken smaragd bij zich wanneer hij naar den
circus gaat. Maar de mijne is grooter. Het is de grootste smaragd ter
wereld. Dien wilt gij hebben, niet-waar? Vraag mij dien, en ik zal hem
u geven.
SALOME: Ik vraag het hoofd van Jokanaän.
HERODES: Gij luistert niet naar mij, gij luistert niet. Laat mij dan
toch spreken, Salome.
SALOME: Het hoofd van Jokanaän.
HERODES: Neen, neen, dat wilt gij niet. Gij zegt dat enkel om mij een
oogenblik leed te doen, omdat ik u den geheelen avond heb aangezien.
Dat is zoo, ik beken het. Ik heb u den geheelen avond aangezien. Uw
schoonheid heeft mij ontroerd. Uw schoonheid heeft mij schrikkelijk
ontroerd en ik heb u te veel aangezien. Maar ik zal het niet meer
doen. Men moet noch de menschen noch de dingen aanzien. Men moet enkel
zien in spiegels. Want spiegels toonen ons slechts maskers... Geeft
mij wijn! ik heb dorst... Salome, Salome, laten wij goede vrienden
zijn. Zie eens hier ... Wat wilde ik zeggen? Wat was het ook weêr? Ah,
ik herinner mij! ... Salome! Neen, kom dichter bij. Ik ben bevreesd
dat gij mij weêr niet verstaan zult ... Salome, gij kent mijn witte
pauwen, mijn mooie witte pauwen die wandelen in den tuin tusschen de
myrten en de hooge cypressen. Hun bekken zijn verguld, en de korrels
die zij eten, zijn ook verguld, en hun voeten zijn geverfd met purper.
Als zij roepen, komt de regen, en als zij pronken, vertoont de maan
zich aan den hemel. Zij gaan twee aan twee tusschen de cypressen en de
donkere myrten en elk van hen heeft zijn slaaf om hem te verzorgen.
Soms vliegen zij door de boomen, en soms liggen zij op het grasveld en
rond den vijver. Daar zijn ter wereld geen andere zoo wonderschoone
vogels. Geen koning ter wereld bezit vogels even wonderschoon. Ik weet
zeker dat zelfs Caesar zulke mooie vogels niet bezit. Welnu, ik zal u
vijftig mijner pauwen geven. Zij zullen u overal volgen, en in hun
midden zult gij zijn als de maan in het midden van een groote witte
wolk ... Ik zal ze u alle geven. Ik heb er slechts honderd, en daar
is geen koning ter wereld, die pauwen als de mijne bezit, maar ik zal
ze u alle geven. Gij moet mij enkel ontslaan van mijn woord, en mij
niet vragen wat gij mij gevraagd hebt. (_Hij ledigt in éen teug zijn
beker._)
SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.
HERODIAS: Dat is welgezegd, mijne dochter! Gij, gij zijt belachelijk
met uwe pauwen.
HERODES: Houd u stil. Gij doet niet anders dan krijschen. Gij krijscht
als een roofvogel. Het gaat niet aan voortdurend zoo te krijschen. Uw
stem ergert mij. Houd u stil, zeg ik u ... Salome, bedenk wat gij
doet. Deze mensch is wellicht een afgezant van God. Ik weet zeker dat
hij een afgezant van God is. Hij is een heilig man. Gods vinger heeft
hem beroerd. God heeft schrikkelijke woorden gelegd in zijn mond. In
het paleis zoowel als in de woestijn is God altijd met hem ...
Tenminste, het is mogelijk. Men kan het niet zeker weten, maar het is
mogelijk dat God voor hem en met hem is. Ook zoû mij misschien, als
hij stierf, een ongeluk overkomen. In elk geval heeft hij gezegd dat
den dag waarop hij stierf, er iemand een ongeluk zoû overkomen. Dat
kan niemand anders bedoelen dan mij. Herinner u, ik ben uitgegleden in
bloed toen ik hier kwam. Ook heb ik het slaan van vleugelen gehoord in
de lucht. Dat zijn zeer slechte voorteekenen. Er waren er nog andere.
Ik weet zeker dat er nog andere waren, al heb ik ze niet gezien.
Welnu, Salome, gij wilt toch niet dat mij een ongeluk overkomen zal?
Dat wilt gij niet. Luister dan toch naar mij.
SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.
HERODES: Ziet gij wel? Gij luistert niet naar mij. Maar wees een
oogenblik kalm. Ik ben heel kalm. Ik ben volmaakt kalm. Luister. Ik
heb kleinoodiën hier verborgen, die zelfs uw moeder nooit gezien
heeft, kleinoodiën geheel en al onvergelijkelijk. Ik heb een
halssnoer van vier rijen parelen. Zij zijn als manen geketend aan
zilveren stralen. Zij zijn als vijftig manen gevangen in een net van
goud. Een koningin heeft het gedragen op het ivoor harer borsten.
Wanneer gij het draagt, zult gij even schoon zijn als een koningin. Ik
heb amethysten van twee soorten. De éene soort zijn zwart als wijn. De
andere zijn rood als wijn dien men getint heeft met water. Ik heb
topazen geel als de oogen der tijgers, en topazen rozerood als de
oogen der woudduiven, en topazen groen als de oogen der katten. Ik heb
opalen die altijd branden met een ijskoude vlam, en opalen die de
geesten der menschen bedroeven en bevreesd zijn voor het donker. Ik
heb onyxen die gelijken op de oogappelen eener doode vrouw. Ik heb
maansteenen die veranderen naarmate de maan verandert, en bleek worden
wanneer zij de zon zien. Ik heb saphieren groot als vogeleieren en
blauw als blauwe bloemen. De zee vloeit er doorheen, en geen maan komt
ooit het blauw harer golven verstoren. Ik heb chrysoliethen en
beryllen, ik heb chrysoprasen en robijnen, ik heb sardonyxen en
hyacinthen, en chalcedonen, en ik zal ze u alle geven, ja alle, en ik
zal er nog andere dingen aan toevoegen. De koning van India heeft mij
pas vier waaiers gezonden gemaakt van papegaaieveêren, en de koning
van Numidia een kleed vervaardigd van struisvederen. Ik bezit een
kristal dat vrouwen niet veroorloofd is te zien, en dat zelfs jonge
mannen niet mogen aanzien dan na met roeden te zijn gegeeseld. In een
paarlmoeren kistje heb ik drie wonderbaarlijke turkooizen. Wanneer men
hen op zijn voorhoofd draagt, kan men dingen zich verbeelden, die niet
bestaan, en wanneer men ze in de hand draagt, kan men vrouwen
onvruchtbaar maken. Het zijn schatten van groote waarde. Het zijn
schatten die met geen prijs zijn te betalen. En dat is niet alles. In
een kistje van ebbenhout heb ik twee bekers van amber, die gelijken op
gouden appelen. Als een vijand vergif schenkt in die bekers, worden
zij gelijk appelen van zilver. In een kistje ingelegd met amber heb ik
sandalen ingelegd met glas. Ik heb mantels die komen uit het land der
Seren en armbanden bezet met karbonkels en met graveelsteen, die komen
uit de stad Euphrates ... Wat wilt gij nog meer, Salome? Zeg mij wat
gij verlangt, en ik zal het u geven. Ik zal u geven al wat gij vraagt,
op éen ding na. Ik zal u alles geven wat ik bezit, op éen leven na. Ik
zal u den mantel van den Hoogepriester geven. Ik zal u het voorhangsel
geven van het heilige der heiligen.
DE JODEN: Wee! Wee!
SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.
HERODES (_hij zinkt neêr op zijn zetel_): Laat men haar geven wat zij
vraagt! Wel is zij de dochter harer moeder! (_De eerste soldaat
nadert. Herodias haalt van den vinger van den Tetrarch den ring des
doods en geeft hem aan den soldaat die hem onmiddellijk aan den beul
brengt. De beul ziet ontsteld._) Wie heeft mijn ring genomen? Daar was
een ring aan mijn rechterhand. Wie heeft mijn wijn gedronken? Er was
wijn in mijn beker. Hij was vol wijn. Iemand heeft er van gedronken.
O, ik ben zeker dat er iemand een ongeluk gaat overkomen. (_De beult
daalt af in den waterput._) Wee, waarom heb ik mijn woord gegeven?
Koningen moeten nimmer hun woord geven. Als zij het niet houden, is
het vreeselijk. Als zij het houden, is het ook vreeselijk.
HERODIAS: In mijn oogen heeft mijn dochter wel gedaan.
SALOME (_buigt zich over den waterput en luistert_): Er is geen
gerucht. Ik hoor niets. Waarom schreeuwt deze mensch het niet uit? O,
als iemand mij zocht te dooden, zoû ik schreeuwen, ik zoû het niet
dulden ... Sla toe, sla toe, Naäman. Sla toe, zeg ik u ... Neen, ik
hoor niets. Het is afgrijselijk stil. Ah, daar is iets op den grond
gevallen. Ik heb iets hooren vallen. Het was het zwaard van den beul.
Hij is bevreesd, de slaaf! Hij heeft zijn zwaard laten vallen. Hij
durft hem niet dooden. Hij is een lafaard, de slaaf! Ik zal soldaten
sturen. (_Zij ziet den page van Herodias en wendt zich tot hem._) Kom
hier. Gij waart de vriend van hem die gestorven is, niet-waar? Welnu,
daar zijn nog geen dooden genoeg. Zeg den soldaten dat zij afdalen en
mij brengen wat ik vraag, wat de Tetrarch mij beloofd heeft, wat mij
toebehoort. (_De page deinst terug. Zij richt zich tot de soldaten._)
Komt hier, soldaten. Daalt af in den put en brengt mij het hoofd van
dezen mensch. (_De soldaten deinzen terug._) Tetrarch, Tetrarch, geef
bevel aan uwe soldaten mij het hoofd van Jokanaän te brengen. (_Een
geweldige zwarte arm, de arm van den beul, steekt op uit den put, op
zilveren schotel, het hoofd van Jokanaän. Salome vat het aan. Herodes
verbergt zijn gelaat achter zijn mantel. Herodias glimlacht en wuift
zich koelte toe. De Nazareërs knielen neder en beginnen te bidden._)
Ah, gij hebt mij niet willen toestaan uwen mond te kussen, Jokanaän.
Zie, ik zal hem nu kussen. Ik zal er in bijten met mijne tanden zooals
men bijt in een rijpe vrucht. Ja, ik zal uwen mond kussen, Jokanaän.
Ik heb het u gezegd, niet-waar? Ik heb het u gezegd. Zie, ik zal hem
nu kussen ... Maar waarom ziet gij mij niet aan, Jokanaän? Uw oogen
die zoo schrikkelijk waren, die zoo vol waren van toorn en minachting,
zijn gesloten. Open uw oogen! Hef uw oogleden op, Jokanaän. Waarom
ziet gij mij niet aan? Zijt gij bevreesd voor mij, Jokanaän, dat gij
mij niet wilt aanzien? .... En uw tong die was als een roode slang
die gift slingert, beweegt zich niet meer, zij zegt nu niets,
Jokanaän, de roode adder die zijn venijn over mij spuwde. Het is
wonderlijk, niet-waar? Hoe komt het dat de roode adder niet meer
beweegt?... Gij hebt mij niet gewild, Jokanaän. Gij hebt mij
verworpen. Gij hebt schandelijke dingen tot mij gezegd. Gij hebt mij
behandeld als een boel, als een lichtekooi, mij Salome, de dochter van
Herodias, de Prinses van Judaia. Zie nu, Jokanaän, ik leef nog, maar
gij zijt dood, en uw hoofd behoort mij toe. Ik kan ermeê doen wat ik
wil. Ik kan het aan de honden voorwerpen en aan de vogelen des hemels.
Wat de honden overlaten, zullen de vogelen des hemels eten ... O,
Jokanaän, Jokanaän, gij zijt de eenige man dien ik heb bemind. Al de
overige mannen vervullen mij met afkeer. Maar gij waart schoon. Uw
lichaam was als een ivoren zuil op een voetstuk van zilver. Het was
een tuin vol duiven en zilveren leliën. Het was een zilveren toren
behangen met schilden van ivoor. Niets ter wereld was zoo blank als uw
lichaam. Niets ter wereld was zoo zwart als uwe haren. In de gansche
wereld was er niets zoo rood als uw mond. Uw stem was een wierookvat
dat vreemde geuren verspreidde, en als ik u aanzag, hoorde ik
wonderbare muziek! O, waarom hebt gij mij niet aangezien, Jokanaän?
Achter uwe handen en uwe vervloekingen hebt gij uw gelaat verborgen.
Gij hebt op uw oogen den blinddoek gelegd van hem die zijnen God wil
zien. Welnu, gij hebt uwen God gezien, Jokanaän, maar mij, mij ...
hebt gij nimmer gezien. Als gij mij gezien hadt, zoudt gij mij bemind
hebben. Ik heb u gezien, Jokanaän, en ik heb u bemind. O, hoezeer heb
ik u bemind! Ik bemin u nog, Jokanaän. Ik bemin slechts u ... Ik dorst
naar uwe schoonheid. Ik honger naar uw lichaam. En geen wijn en geen
vruchten kunnen mijn begeerte bevredigen. Wat zal ik nu doen,
Jokanaän? Noch de stroomen noch de groote wateren kunnen mijn
hartstocht blusschen. Ik was een prinses, en gij hebt mij versmaad. Ik
was een maagd, en gij hebt mijn maagdom van mij genomen. Ik was
kuisch, en gij hebt mijne aderen gevuld met vuur ... O, o, waarom hebt
gij mij niet aangezien, Jokanaän? Als gij mij hadt aangezien, zoudt
gij mij bemind hebben. Ik weet dat gij mij zoudt bemind hebben, en de
geheimenis der liefde is grooter dan de geheimenis van den dood.
Liefde alleen is waard dat men haar aanzie.
HERODES: Zij is verfoeielijk, uw dochter, zij is allerverfoeielijkst.
Wat zij gedaan heeft, is bepaald een zwaar misdrijf. Ik weet zeker dat
het een misdrijf is tegen een onbekenden God.
HERODIAS: Ik keur goed wat mijn dochter gedaan heeft. En nu wil ik
hier blijven.
HERODES (_staat op_): Ha, hoor de vrouw die gehuwd is in bloedschande!
Kom meê! Ik wil niet hier blijven. Kom meê, zeg ik u. Ik ben zeker dat
er een ongeluk gaat gebeuren. Manasse, Issaschar, Ozias, dooft de
fakkels uit. Ik wil de dingen niet aanzien. Ik wil niet dat de dingen
mij aanzien. Bluscht de fakkels uit! Verbergt de maan! Verbergt de
sterren! Laten wij ons in ons paleis verschuilen, Herodias. Ik begin
bevreesd te worden.
(_De slaven blusschen de fakkels uit. De sterren verdwijnen. Een
groote zwarte wolk glijdt voor de maan en bedekt haar volkomen. Het
tooneel wordt zeer donker. De Tetrarch begint de trap te bestijgen._)
DE STEM VAN SALOME: Ah, ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen
mond gekust. Daar was een wrange smaak op uwe lippen. Was het de smaak
van bloed? ... Maar misschien was het de smaak der liefde. Men zegt
dat liefde een wrangen smaak heeft ... Maar wat zoû dat? Wat zoû dat?
Ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen mond gekust.
(_Een maanstraal valt op Salome en belicht haar fel._)
HERODES (_wendt zich om en ziet Salome_): Doodt die vrouw! (_De
soldaten snellen toe en verpletteren onder hunne schilden Salome,
dochter van Herodias, prinses van Judaia._)
EINDE
EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL
=PERSONEN:=
SIMONE;
BIANCA, Simone's vrouw;
GUIDO BARDI.
EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL
SIMONE (_komt op_):
Zoo traag, vrouw-lief? Verdient bij zijn tehuiskomst
Uw heer geen rapper welkom? Neem mijn mantel.
Dit pak eerst. Ja, 't is zwaar. 'k Heb niets verkocht,
Dan aan den kardinaal z'n zoon een pels
Dien hij wil dragen, en hij hoopt eerlang,
Wanneer zijn vader sterft... Maar wie is dit?
Ik zie, ge hebt bezoek. Vast een verwant
Die, uit den vreemde pas weêrom, ons huis
Verraste en vond geen gastheer op den dorpel.
'k Vraag u vergiffnis, mijn verwant. Een huis
Zonder den gastheer is maar een leêg ding
En loos van eer; een beker zonder wijn,
Een scheê die door geen lemmet wordt gestijfd,
Een zonverweeûwde tuin en zonder bloemen.
Nog eens, wil verontschuldgen, lieve neef.
BIANCA:
Hij is geen neef van ons en geen verwant.
SIMONE:
Geen neef, en geen verwant? Gij laat mij schrikken.
Wie is het dan die met zoo hoofsche gunst
Zich wel verwaardt ons gastvrijheid te aanvaarden?
GUIDO:
Mijn naam is Guido Bardi.
SIMONE:
Hoe! De zoon van
Firenze's hoogen heer wiens duistre torens,
Als schaadwen door de zilvren maan omdwaald,
Ik elken avond uit mijn venstren zie?
Heer Guido Bardi, gij zijt welkom hier,
En nog eens welkom. 'k Hoop, mijn brave vrouw,
Die wel niet mooi voor 't oog is, maar heel braaf,
Heeft u niet met haar dom gesnap verveeld,
Als vrouwen anders zijn gewoon.
GUIDO: Mevrouwe,
Wier schoonheid als een lamp de sterren bluscht
En al de stralen rooft uit Luna's koker,
Heeft mij verwelkomd met zoo zoete hoofschheid
Dat ik, als 't haar en uw behagen is,
Nog vaak uw needrig huis bezoeken zal.
En als uw zaken u naar buiten roepen,
Zal 'k bij haar zitten en haar droefheid troosten,
Dat zij niet al te zeer u missen mag.
Dat's afgesproken, vriend Simone?
SIMONE: Heer,
Gij doet mij zoo hooge eer aan dat mijn tong
Als die eens slaafs gebonden niet kan uiten
't Woord dat zij wilde. Toch, u niet te danken
Ware al te lomp van mij. En dus ik dank u
Uit mijn harts diepten... Zulke dingen zijn het,
Die een staat samenvoegen, als een prins
Zoo hoog geboren en wel opgebracht
De scheiding van 't partijdig lot vergeet
En naar een eerzaam burgers eerzaam huis
Komt als een eerzaam vriend ... En toch, mijn Heer,
'k Ben te vrijpostig, vrees 'k. Een andren avond,
Hopen wij, zult gij als een vriend hier komen--
Vanavond komt gij om mijn waar te koopen.
Niet-waar? Wat gij begeert, fluweel of zijde,
Ik twijfel niet of 'k heb iets keurigs veil,
Dat uw keus winnen kan. 't Is waar, 't is laat.
Maar arme koopluî zwoegen dag en nacht
Voor schaamle winst. De tollen zijn zoo hoog,
En iedre stad heft weêr haar eigen tol,
Leerjongens zijn niets waard, zelfs vrouwen missen
Verstand en takt, al heeft Bianca hier
Me een rijken klant gebracht vanavond. 't Is zoo,
Niet-waar, Bianca? Maar 'k verdoe mijn tijd.
Waar is mijn pak? Hoort gij? Waar is mijn pak?
Maak 't open, vrouw-lief. Maak de koorden los.
Kniel liever op den grond. Zóo gaat het beter.
Neen, dat is 't niet, het andre. Gauw wat, gauw wat!
Wij mogen onze koopers niet doen wachten:
Dat maakt hen ongeduldig. Ja, dat is het.
Geef het eens hier. Voorzichtig. 't Is héel kostbaar.
Vat het voorzichtig aan... Nu, edel Heer,
Met uw verlof, 'k heb hier Luccaansch damast,
Een weefsel van puur zilver, en de rozen
Zoo knap gewerkt dat ze enkel geur behoeven
Om 't prat zintuig te paaien. Voel eens, Heer.
Is het niet dun als water, sterk als staal?
De rozen dan? Zijn zij niet mooi geweven?
De heuvelen die meest de roos verwennen,
Te Bellosguardo en te Fiesole,
Strooien in lentes schoot niet zulke kelken;
Of doen zij 't al, hun bloem verwelkt en sterft.
Dat 's 't lot van alle teêr en mooi dat danst
In wind en regen. De Natuur voert zelf
Krijg met haar eigen lieflijkheid en moordt
Haar kindren als Medea. Neen maar, Heer,
Kijk nog eens nader. Hier in dit damast
Is 't altijd zomer, en geen winters tand
Zal ooit dees bloemen knauwen. Iedere el
Betaalde ik met een goudstuk. Goed rood goud,
De vrucht van zuinge zorg.
GUIDO: Brave Simone,
Vermoei u niet. Ik ben meer dan voldaan.
'k Zend morgen u mijn dienaar die u uittelt
Den dubblen prijs.
SIMONE: Mijn edelmoedge Prins!
Ik kus uw handen. Nu bedenk ik mij:
Een andren schat nog houdt mijn huis verborgen,
Dien gij zien moet. Het is een gala-kleed:
De stof geschoren Venetiaansch fluweel,
Granaatappels 't patroon, iedere pit
Is uit één paarl, de kraag is louter parels
Dicht als in zomeravondstraat de muggen,
En blanker dan de manen die des morgens
Gekken door traliën zien. Een keur-robijn
Gloedt op den haak gelijk een vuren kool.
Zijn Heiligheid bezit niet zulk een steen,
En Indië kan zijn tweelingbroêr niet toonen.
De gesp zelf is een allerzeldzaamst kunststuk,
Met schooner werk bekoorde nooit Cellini
Grooten Lorenzo. Nu moet gij hem dragen.
Niemand in stad hier is hem waardiger.
Hij zal u goed staan. Aan den éenen kant
Jaagt slank, in gouden sprongen, een gehoornde
Satyr een nymf van zilver. Aan den andren
Staat Stilte, en in haar hand beurt ze een kristal:
Zij is zoo klein en smal als nietige aar
Die siddert als een vogel overstrijkt,
Toch met zoo'n kunst gesneden dat men denkt,
Zij poost in 't aadmen, ze aêmt.--Waardge Bianca,
Zoû niet dit edel en meest kostbaar kleed
Heer Guido's jeugd goed staan? ... Zeg ook een woord:
U kan hij vast niets weigren, of de prijs al
Eens prinsen losgeld zij. En in de winst
Deelt gij gelijk met mij.
BIANCA: Ben 'k uw leerjongen?
Dat ik om uw fluweelen kleed zoû kwanslen?
GUIDO:
Schoone Bianca, wees gerust: ik koop
Zijn kleed en alles wat de eerzame koopman
Nog meer kwijt wil. Een prins betaalt zijn losgeld,
En een geluk is 't als een hoog heer valt
In zulk een eedlen vijands blanke handen.
SIMONE:
Ik sta beschaamd. Maar, dus de koop gaat door?
De koop gaat door, niet? Vijftig duizend kronen
Is nauwlijks eigen geld. Maar gij, Heer, geeft
Slechts veertig duizend. Is die som te hoog?
Noem dan uw prijs. Het is eenmaal mijn gril
Om u te zien in dit geweven wonder,
Omkranst door de edelvrouwen van het hof,
Als een bloem tusschen bloemen... 'k Hoor, Heer, dat
Die hooge dames zoo op u vermald zijn
Dat zij zich om uw Hoogheids gunst verdringen
Als vliegen waar gij gaat. Ook praat men van
Heeren met horens die zij kranig dragen,
Een zonderlinge modegril ...
GUIDO: Simone,
Uw roekelooze tong roept om den breidel.
En dan vergeet gij 't bijzijn van Mevrouw hier
Wier teedere ooren zeker niet gestemd zijn
Op zoo platte muziek.
SIMONE: 't Is waar, 'k vergat het.
Het zal niet meer gebeuren. Maar gij koopt dus,
Mijn goede Heer, het gala-kleed. Niet-waar?
Maar veertig duizend kronen. 'n Bagatel
Voor iemand die Giovanni Bardi's erf is.
GUIDO:
Regel dat morgen met mijn rentmeester
Antonio Costi. 'k Zal hem bij u sturen.
En honderd duizend kronen zult gij hebben
Als dat u dienen kan.
SIMONE: Wat! Honderd duizend!
Versta 'k goed? Honderd duizend? Op mijn woord,
Dat maakt voor eeuwig en in ieder opzicht
Me uw schuldenaar. Voorwaar, van nu af is
Mijn huis en alles wat mijn huis bevat,
Van u en niemand anders. Honderd duizend?
Mijn hoofd loopt om. Ik zal veel rijker zijn
Dan de andre koopluî samen. Ik zal koopen
Landrijen, gaarden, tuinen. Elk getouw
Zal mijn zijn van Milaan tot in Sicilië
En mijn de paarlen die Arabiës zeeën
Bergen in stille grotten ... Eedle Prins,
Deze avond luidt voorgoed mijn liefde in, die
Zoo groot zal blijken dat wat gij me ook vraagt,
U niet geweigerd wordt.
GUIDO: En als 'k eens vroeg
Om blanke Bianca hier?
SIMONE: Gij spreekt in scherts, Heer.
Zij is zoo groot een prins als u niet waardig.
Ze is enkel goed voor huishoudwerk en spinnen.
Niet-waar, vrouw-lief? Het is zoo. Zie maar hier.
Uw rokken wacht u. Zet u neêr en spin.
Een vrouw moet altijd bezig zijn in huis,
Want leedge handen maken 't hart lichtzinnig.
Ga zitten, zeg ik.
BIANCA: Wat moet 'k spinnen?