BASTAARD. Waarbij ook enkle bastaards.
KONING PHILIPS. Staat hier om zijne vordring te weerspreken.
BURGER. Tot gij beslecht, wiens recht het beste is, willen
Wij tegen beiden 't hoeden voor den beste.
KONING JAN. Vergeev' dan God de zonden al dien zielen,
Die heden, vóór de dauw van de' avond valt,
Ontzweven zullen naar haar eeuw'ge woning
Bij 't schrikk'lijk bloedgeding om 't koningschap!
KONING PHILIPS. Amen!--Te paard, mijn ridderschap! te wapen!
BASTAARD. Sint George, die den draak kastijdde en sedert
Te paard zit boven elke tappersdeur,
Leere ons wat vechtkunst!--(Tot Oostenrijk.) Kerel, ware ik ginds,
In uw hol, kerel, ginds bij uw leeuwin,
Ik zette een stierkop op uw leeuwenvel,
En maakte u tot een monster!
OOSTENRIJK. Zwetser, stil!
BASTAARD. Gij hoort een leeuw, die brult! dus beef en ril!
KONING JAN. De vlakte hooger op! daar kunnen wij
Al onze troepen scharen en ontplooien.
BASTAARD. Snel dan, opdat gij 't voordeel hebt van 't veld.
KONING PHILIPS. (Tot Lodewijk.) Zoo moet het zijn;--en aan den
tweeden heuvel
Sta 't overschot gereed.--God en ons recht!
(Allen af.)
(Engelsche en Fransche troepen komen weder op. Strijdgedruisch en
schermutselingen; daarna wordt het veld door beide partijen, na
terugroepingsseinen, ontruimd. Een Fransch Heraut, vergezeld van
trompetters, nadert de poort.)
FRANSCHE HERAUT. Ontsluit uw poorten, mannen van Angers,
En haalt Bretagne's hertog, Arthur, in,
Die dezen dag door Frankrijks hand veel tranen
Aan Eng'lands moeders heeft ontperst, wier zoons
Verspreid nu liggen op 't bebloede veld;
Van meen'ge weduw ligt de man in 't stof,
Den roodverkleurden grond verstijfd omarmend
En zegepraal met een gering verlies
Speelt op der Franschen dansende banieren;
Zij naad'ren reeds en komen triumfeerend
Hun intocht doen, om Arthur uit te roepen
Als Englands koning, tevens uwen vorst.
(Een Engelsch Heraut komt op, van trompetters vergezeld.)
ENGELSCHE HERAUT. Gij burgers van Angers, luidt blij de klokken!
Nabij is Englands koning, Jan, uw vorst,
Verwinnaar op deez' heeten, boozen dag.
De pantsers, zilverblank bij 't gaan, zijn nu
Bij 't keeren met der Franschen bloed verguld.
Geen vederbos, op Englands helmen prijkend,
Werd weggenomen door een Fransche lans;
De vanen wapp'ren in dezelfde handen,
Die haar ontplooiden bij den uittocht ginds;
En als een blijde jagertroep komt juub'lend
Oud-Englands volk, de handen gansch gepurperd,
In des ontkleurden vijands moord gekleurd.
Ontsluit de poort! Laat de overwinnaars binnen!
BURGER. Herauten, van de torens zagen wij
Den aanval en terugtocht beider legers
Van de' aanvang tot het eind; op hun gelijkheid
Vermocht het scherpst gezicht niets af te dingen;
't Was bloed voor bloed; een houw vergold een houw;
Macht tartte macht en kracht mat zich met kracht;
Gelijk zijn zij, gelijk ook in onze achting.
Één gelde meer; tot zoo lang houden wij
De stad voor geen van beide, en toch voor beide.
(Van de eene zijde komen op: Koning Jan met zijn troepen, verder
Eleonore, Blanca en de Bastaard; van de andere zijde: Koning Philips,
Lodewijk, Oostenrijk, en troepen.)
KONING JAN. Spreek, Frankrijk, hebt gij nog meer bloed te spillen?
Of laat gij thans ons recht den vrijen loop?
Zijn stroom zal, zoo uw wederstand hem tart,
Zijn bed verlaten, en, van gramschap zwellend,
Uw aangelegen oevers overstelpen,
Indien gij aan zijn zilvren waat'ren niet
Een vrije baan naar de' oceaan vergunt.
KONING PHILIPS. England, gij hebt geen druppel bloeds bespaard
In dezen heeten wedstrijd, meer dan Frankrijk;
Eer meer verloren. En, bij deze hand,
Die heerscht zooverre deze hemel blikt,
Wij leggen 't zwaard niet af, voor 't recht getogen,
Eer gij geveld zijt, wien dit zwaard bekampt;
Of onzer dooden tal vermeêre een koning,
Die aan de lijst der offers van deze' oorlog
Den luister schenke van een koningsnaam.
BASTAARD. Ha, majesteit, hoe hoog heft zich uw roem,
Zoo 't edel koningsbloed ontgloeit en vlamt!
Thans sterkt de dood met staal zijn doode kaken,
En krijgerszwaarden vormen zijn gebit;
Thans brast hij, nu hij menschenvleesch verscheurt,
Bij onbeslechte felle koningstwisten!--
Waarom staan deze legers zoo verstomd?
Roept: moord! gij vorsten! keert naar 't bloedig veld,
Gij evensterke, in vuur ontvlamde harten!
Des eenen val verleen' den andren vrede;
Tot zoolang heersche strijd, en bloed, en dood!
KONING JAN. Wiens zijde kiezen nu de stedelingen?
KONING PHILIPS. Spreekt, burgers; England wil 't; wie is uw koning?
BURGER. 't Is Englands koning, als het blijkt, wie 't is.
KONING PHILIPS. Ziet hem in ons, die voor zijn recht hier staan.
KONING JAN. In ons, die van onszelve volmacht hebben
En in persoon onze aanspraak gelden doen,
Als meester van onszelf, Angers en u.
BURGER. Een hoog're macht dan wij verwerpt dit alles;
En tot het uitgemaakt is, sluiten wij
Den voor'gen twijfel achter sterke poorten,
Beheerscht van onze vrees, tot deze vrees
Door een onwraakbaar heerscher wordt onttroond.
BASTAARD. Bij God! Angers' gespuis,--het hoont u, vorsten,
En staat daar veilig op zijn hoogen muur
Als in een schouwburg, gaapt u aan en wijst
Op uw volijvrig spel vol moordtooneelen.
Verheven vorsten, laat van mij u raden:
Doet als de muiters in Jeruzalem,
Weest vrienden voor een wijl, en hoopt vereend
Uw scherpsten haat in daden op die stad.
Gij, Frankrijk, England, plant in 't oost en westen
Uw bresgeschut, geladen tot den mond;
Dat raze met zijn zielverschrikkend buldren
De kiezelribben neer dier drieste stad;
Ik zou op dit gepeupel rustloos vuren,
Tot hen verwoesting zoo ontbloot, zoo naakt,
Gelijk de lucht hier om ons, achterliet.
Is dit geschied, hereent dan elk uw troepen,
Voert uw vermengde vanen weer uiteen
En ziet elkaâr in 't oog, biedt spits aan spits,
En in een oogwenk leest Fortuin zich dan
Van de eene zijde wis haar liev'ling uit,
Wien zij den roem des daags in gunste schenkt,
En dien zij met een trotsche zege kust.
Bevalt de dolle raad u, hooge machten?
Niet waar, hij smaakt toch wel naar staatsmanskunst?
KONING JAN. Nu, bij den hemel boven onze hoofden,
Mij staat hij aan.--Spreek, Frankrijk, willen wij
Te zaam Angers eerst slechten tot den bodem,
Dan vechten, wie er koning van zal zijn?
BASTAARD. Hebt gij eens konings kern in u, zoo keert,
Daar u als ons die dwaze stad beschimpt,
De monden van uw zwaar geschut nu fluks,
Met ons vereenigd, op die stoute muren;
En hebt gij die den grond gelijk gemaakt,
Daagt dan elkander uit, verwoed en fel,
En zendt elkaar ten hemel of ter hel!
KONING PHILIPS. Het zij zoo.--Zeg, waar gij den aanval doen wilt.
KONING JAN. Van 't westen uit wil ik vernieling zenden
In 't hart der stad.
OOSTENRIJK. Van 't noorden ik.
KONING PHILIPS. Mijn donder zal van 't zuiden
Zijn kogelbui doen haag'len op de stad.
BASTAARD (ter zijde). Zuid, noord; noord, zuid! Zoo schiet, o slim
verbond!
Dat broederpaar, de een de' ander in den mond;
Ik zet hen er toe aan.--Op dan, maakt voort!
BURGER. Gij vorsten, toeft, vergunt aan mij een woord;
Dan toon ik u het zoet gelaat des vredes;
Wint onze veste zonder slag of wond:
Spaart hen, die leven, laat in bed hen sterven,
Die hier als offers kwamen voor het veld.
Volhardt niet, groote vorsten, maar hoort toe.
KONING JAN. Spreek dan, 't is u vergund; wij willen hooren.
BURGER. De dochter daar van Spanje, jonkvrouw Blanca,
Is nicht van England. Ziet nu op de jaren
Des jongen Lood'wijks en der lieve maagd,
Zoo dartle liefde 't oog op schoonheid vest,
Waar vindt zij die ooit schooner dan in Blanca?
Zoo vrome liefde deugd zoekt bovenal,
Waar vindt zij die ooit reiner dan in Blanca?
En vraagt eergier'ge liefde naar geboorte,
Wie roemt op eedler bloed dan jonkvrouw Blanca?
En juist als zij in schoonheid, deugd, geboorte,
Is de dauphijn volkomen in elk opzicht;
Zoo niet volkomen,--nu, hij is niet zij;
En haar ook mangelt niets, wat manglen heet,
Tenzij 't een mangel waar', dat zij niet hij is.
Hij is de helft van een gezegend man,
Die zijn voltooiing wacht van eene als zij,--
En zij welschoone uitmuntendheid, gedeeld,
Die eerst door hem volmaaktheid worden kan.
Twee zulke zilverstroomen, samenvloeiend,
Verleenen de' oevers glans, die hen begrenzen.
Zulke oevers van twee zoo vereende stroomen,
Twee zulke grenzen, koningen, zijt gij
Voor dit doorluchte paar, als gij hen huwt.
Deze echt zal meer doen, dan geschut vermag,
Aan onze sterke veste, want bij 't huwlijk
Vliegt met meer vaart, dan buskruit af kan dwingen,
De wijde doorgang onzer poorten open
En laat u binnen; zonder dezen echt
Is de opgezette zee niet half zoo doof,
Geen leeuw zoo onverschrokken, berg en rotsen
Niet onverzetlijker, ja, zelfs de dood
Niet half zoo vastbesloten fel te moorden,
Als wij, de stad te houden.
BASTAARD. Ziet, wat remmer!
Die 't afgerotte rif des ouden doods
Schudt uit zijn vodden! Ziet, wat groote mond,
Die dood en bergen, rotsen, zeeën uitspuwt,
Zoo recht vertrouwlijk spreekt van gramme leeuwen,
Als dertienjaar'ge meisjes van hun mop.
Wat voor een kanonnier heeft hem verwekt?
Hij spreekt kanonnen, vuur en slag en rook;
Stokslagen deelt hij uit met rappe tong,
Slaat ons om de ooren; ieder woord van hem
Geeft erger stompen dan een Fransche vuist.
Verdoemd! ik kreeg met woorden nooit zoo slaag,
Sinds ik mijn moeders man "papa" genoemd heb.
ELEONORE. Zoon, luister naar dien voorslag, sluit dien echt,
Geef onze nicht een flinken bruidschat mee;
Want door dien band knoopt gij de veiligheid
Zoo zeker aan uw thans onveil'gen troon,
Dat wis voor gindschen groenen knaap geen zon
Den bloesem rijpt, die schoone vrucht belooft.
Ik lees toegeef'lijkheid in Frankrijks blik;
Zij fluistren, zie; bestorm hen, nu hun hart
Toeganklijk is voor dit eerzuchtig plan,
Aleer hun ijver, thans verweekt, gesmolten
Door de' adem van gesmeek, berouw, erbarmen,
Weer even stug en hard wordt, als hij was.
BURGER. Waarom geeft geen der majesteiten antwoord
Op 't vredesvoorstel der bedreigde stad?
KONING PHILIPS. England, spreek gij het eerst, zooals gij 't eerst
De stad hebt toegesproken; wat zegt gij?
KONING JAN. Zoo in dit boek der schoonheid de dauphijn,
Uw eedle zoon, kan lezen: "ik bemin",
Schenk ik aan haar een koninginne-bruidsgift:
Poitiers, het schoon Touraine, Anjou en Maine,
En al het land aan deze zij der zee,--
Behalve deze nu berende stad,--
Aan onze kroon en heerschappij leenplichtig,
Verguld' haar bruidsbed, make haar zoo rijk
In titels, aanzien, macht en grondgebied,
Als zij in schoonheid, afkomst en beschaving
Met elke koningsspruit der aard zich meet.
KONING PHILIPS. Wat zegt gij, zoon? zie thans de jonkvrouw aan.
LODEWIJK. Dat doe ik, heer, en in haar oog aanschouw ik
Een wonder, of een wonderbaar mirakel.
'k Zie van mijzelf een schaduw in haar oog;
De schaduw van uw zoon wordt door die spiegling
Tot zon en maakt tot schaduw uwen zoon.
Ik zweer u, dat ik nooit mijzelven minde,
Tot ik mijzelf daar vastgenageld zag,
In harer oogen schoone lijst gevat.
(Hij fluistert met Blanca.)
BASTAARD. In harer oogen lijst gevat, gehangen
Aan haar gefronste wenkbrauw, in haar hart
Gevierendeeld! Is dat de straf ontvangen
Voor hoogverraad aan liefde? 'k Zie met smart
Gevat, gehangen, gekwartierd als hij,
Een vlegel, die geen schat verdient als zij!
BLANCA. De wil mijns ooms hierin is ook de mijne.
Zoo hij in u iets ziet, dat hem behaagt,
Dan plant ik dat, wat hem behaagt bij 't zien,
Gewis ook lichtlijk over in mijn wensch;
Of wilt gij, dat ik duid'lijker zal spreken,
Ik dwing het aan mijn liefde lichtlijk op.
Ik wil, mijn prins, u verder zoo niet vleien,
Dat al, wat ik bespeur, tot liefde dringt,
Doch waar is 't, dat ik niets in u bespeur,--
Al moest de wangunst zelf uw rechter zijn,--
Wat een'gen haat mij toeschijnt te verdienen.
KONING JAN. Wat zegt het jonge paar? wat zegt mijn nicht?
BLANCA. Dat zij door eer en plicht gehouden is
Te doen, wat uwe wijsheid wil bevelen.
KONING JAN. En gij, dauphijn, kunt gij die maagd beminnen?
LODEWIJK. Vraag eer, of ik de min ontkomen kan,
Want innig, ongeveinsd bemin ik haar.
KONING JAN. Zoo geef ik hier Poitiers, Anjou, Touraine,
Volquessen, Maine, al deze vijf provinciën,
Met haar aan u, en bovendien als toegift
Nog dertigduizend mark in Engelsch geld.
Philips van Frankrijk,--stemt gij hiermeê in,
Laat dan die twee elkaâr de handen reiken.
KONING PHILIPS. 't Zij!--Jonge vorsten, voegt de handen saam.
OOSTENRIJK. En ook de lippen; want,--het heugt mij goed,--
Die vrijheid van den vrijer was mij zoet.
KONING PHILIPS. Nu, burgers van Angers, ontsluit uw poorten
En laat de vriendschap in, door u gesticht;
Want in uw Sint-Marije-kerke zij
Terstond de huwlijksplechtigheid volbracht.--
Vorstin Constance is niet bij onzen stoet?--
Voorzeker niet; dit thans besloten huwlijk
Had zij wis fel bestreden, waar' zij hier.
Waar is zij met haar zoon? wie kan 't mij zeggen?
LODEWIJK. Zij klaagt bekommerd in uw hoogheids tent.
KONING PHILIPS. Nu waarlijk, dit verbond, door ons gesloten,
Geeft wis aan haar bekomm'ring weinig heul,
Hoe, broeder England, stellen wij die weduw
Alsnu tevreden? Voor haar recht verscheen ik,
Doch koos nu, God vergeve 't, om mijn voordeel
Een andren weg.
KONING JAN. Wij maken alles goed;
Haar jonge prins zij hertog van Bretagne
En graaf van Richmond; en hij zij ook heer
Van deze rijke stad.--Ontbied haar hier;
Een vlugge bode ga terstond haar nooden
Tot ons groot feest. Wij zullen, zoo ik hoop,
Zoo wij de maat niet vullen van haar wenschen,
Toch in die mate haar tevredenstellen,
Dat ze in haar luide klachten is gestuit.
Thans op, zoo goed de haast het ons veroorlooft,
Naar 't onverwachte, onvoorbereide feest!
(Allen af, op den Bastaard na.--De Burgers verlaten de muren.)
BASTAARD. O dwaze, dolle wereld! dwaze vorsten!
Dol vergelijk! Zie, koning Jan deelt nu,
Om Arthurs aanspraak op 't geheel te stuiten,
Volgaarne een deel van 't zijne aan andren toe;
En Frankrijk, wien de plicht het harnas gespte,
Wien vrome christenliefde dreef in 't veld
Als krijger Gods, hij laat zich 't oor bepraten
Door u, besluitverand'raar, sluwe duivel,
U, kopp'laar, die aan trouw de hersens inslaat,
Die daag'lijks eeden breekt, van allen wint,
Van vorsten, beed'laars, grijsaards, jonkers, maagden,--
Wien gij, zoo de armen niets verliezen kunnen,
Haar eenig goed, den naam van maagd ontsteelt,--
U, schoone jonker, kitt'lende Eigenbaat,
Ja, Eigenbaat, scheef overwicht der wereld,
Der wereld, zelf met goed verdeeld gewicht,
Die recht zou rollen op een effen grond,
Indien niet winst, die valsche, scheeve zwaarte,
Die reeglaar der beweging, Eigenbaat,
Met niets ontzienden wil haar zijwaarts drong,
Uit baan en richting, loop en doen en streven;--
En dit scheef overwicht, die Eigenbaat,
Die maak'laar, kopp'laar, 't al verand'rend woord,
Op 't oog gedrukt van Frankrijks wanklen vorst,
Trekt van de hulp, door hem beraamd, hem af
Van de' oorlog, die besloten, eervol was,
Naar zulk een lagen, lafgesloten vrede!
En waarom scheld ik zoo op Eigenbaat?
Alleen, wijl die mij nooit verliefd gevleid heeft;
Niet wijl ik macht heb om de vuist te sluiten,
Als hij zijn eng'len me in de hand wil drukken;
O neen, wijl mijn nog nooit verzochte hand,
Gelijk een beedlaar, op de rijken scheldt.
Nu, 'k schelde dus, zoolang ik beedlaar ben,
En zegg', dat de een'ge zonde rijkdom is;
Doch word ik rijk, dan wordt die roep gesmoord,
En 't beedlaar zijn wordt zondig, meer dan moord.
Wees, breekt uit eigenbaat een vorst zijn woord,
Gij winst, de god, aan wien mijn hart behoort!
(De Bastaard af.)