EERSTE TOONEEL.

Frankrijk. Voor de muren van Angers.

Van de eene zijde komt de Hertog van Oostenrijk met troepen op,

van de andere Philips, koning van Frankrijk met troepen, Lodewijk,

Constance, Arthur en Gevolg.

LODEWIJK. Wees welkom voor Angers, koen Oostenrijk!--

Arthur, uw groote bloedverwant en voorzaat,

Richard, die eens den leeuw het hart ontrukte,

Den heil'gen krijg in Palestina streed,

Zonk vroeg in 't graf door dezen dapp'ren hertog;

En om dit aan zijn nazaat goed te maken,

Verscheen hij thans op onzen aandrang hier,

Om, knaap, voor u zijn krijgsbanier te ontplooien,

En Jan van England, uw ontaarden oom,

Te straffen voor zijn wet- en rechtloos doen.

Omarm, bemin hem, heet hem welkom hier.

ARTHUR. God zal den dood van Leeuwenhart vergeven,

Te meer, nu gij zijn kroost nieuw leven schenkt,

Hun recht beschaduwt met uw oorlogswieken.

Met krachtelooze hand bied ik u 't welkom,

Maar met een hart vol vlekloos reine liefde;

Wees welkom voor Angers, doorluchte hertog!

LODEWIJK. Een eed'le knaap! wie zou uw recht niet staven?

OOSTENRIJK. Ik druk op uwe wang deez' vuur'gen kus,

Als zegel op 't verdrag van mijne liefde,

Dat ik niet eer terugkeer naar mijn huis,

Voordat Angers en heel uw recht in Frankrijk,

En ook dat bleek, dat wit uitziende strand,--

Welks voet het loeiend golfgeklots terugwerpt,

En 't eilandvolk van andre landen afsluit,--

Voordat dit Engeland, door de zee omheind,

Dit vocht-omschanste bolwerk, dat zich zo

Voor elken vreemden aanslag veilig acht,

Voordat die verre westeruithoek u

Als koning groet; tot zoolang, lieve knaap,

Denk ik niet aan mijn huis, en blijf in 't veld.

CONSTANCE. Aanvaard zijn moeders dank, der weduw dank,

Totdat uw sterke hand hem sterkte geeft,

Om ruimer uwe liefde u te vergelden.

OOSTENRIJK. Des hemels vrede loont een elk, die 't zwaard

In zulk een heil'gen strijd als christen heft.

KONING PHILIPS. Komt dan, aan 't werk! Op 't voorhoofd dezer stad,

Die ons weerstaat, zij ons geschut gericht.

Roept onze meesters in de krijgskunst hier,

Om 't beste plan voor de' aanval uit te kiezen.

Al moest ik ook mijn vorstlijk rif hier laten,

Door 't bloed van Franschen waden tot de markt,

Ik dwing de stad, den knaap als heer te erkennen.

CONSTANCE. Wacht eerst het antwoord op uw zending af,

Opdat ge uw zwaarden niet te vroeg bevlekt.

Misschien brengt Chatillon in vrede 't recht

Uit England, dat gij door den krijg hier eischt;

Dan zou ons ieder druppel bloeds berouwen,

Ten onrecht door te fellen haat geplengd.

(Chatillon komt op.)

KONING PHILIPS. Vorstin, een wonder!--zie, op uwen wensch

Komt onze bode Chatillon terug.

Zeg, edel heer, beknopt, wat England zegt;

Wij wachten kalm op u; spreek, Chatillon.

CHATILLON. Staak dan 't beleg van deze armzaal'ge stad,

En spoor uw leger tot een grootscher taak.

England, uw billijke eischen driest verwerpend,

Heeft zich terstond gewapend. Tegenwind,

Welks duur ik af moest wachten, gaf hem tijd

Gelijk met mij zijn leger te doen landen.

Hij nadert deze stad met snelle marschen;

Zijn heer is sterk, zijn krijgers zijn vol moed;

En met hem komt de koninginnemoeder,

Een Ate, die tot bloed en strijd hem spoort;

Haar nicht verzelt haar, Blanca van Castilië;

Alsmede een bastaard des gestorv'nen konings;

En al de dolle drift van 't gansche land,

Vrijwill'ge krijgers, niets ontziend, woest, vurig,

Met meisjeswangen en met drakenfelheid,

Zij hebben al hun goed'ren ginds verkocht,

En dragen fier hun erfdeel op den rug,

En zetten 't hier op 't spel voor nieuw geluk.

Kortom, een kloeker keur van koene harten,

Dan Englands vloot ons nu heeft toegevoerd,

Vlotte op het zwalpend nat voor dezen nooit,

Om christenlanden smaad en nood te brengen.

(Getrommel achter het tooneel.)

De stoornis van hun lompe trommen breekt,

Wat ik zou melden, af; zij zijn daar reeds

Tot strijd of onderhand'ling;--weest bereid.

KONING PHILIPS. Hoe snel en onverwacht is deze krijgstocht!

OOSTENRIJK. Hoe minder hij voorzien was, des te meer

Ontwake onze ijver om hem af te slaan,

Want moed stijgt immer met den eisch des tijds;

Dat zij ons welkom zijn, wij staan gereed!

(Koning Jan, Eleonore, Blanca, de Bastaard en Pembroke komen op,

met troepen.)

KONING JAN. Aan Frankrijk vrede, als Frankrijk ons in vrede

Den intocht gunt in 't land, door erfrecht ons;

Of Frankrijk bloede, en vrede stijg' ten hemel,

Terwijl, als werktuig van Gods toorn, wij

Den hoon, die trotsch zijn vrede er heendrijft, straffen.

KONING PHILIPS. Aan England vrede, zoo de krijg uit Frankrijk

Naar England keert en daar in vrede leeft.

Wij minnen England en om Englands wil

Doet onzer rusting last ons zwoegen, zweeten.

Wat wij hier doen, ware eerder uwe taak;

Maar zoo ver is 't van u, dat ge England mint,

Dat gij zijn rechten vorst hebt ondergraven,

De wettige erfopvolging doorgesneden,

Een kinderlijken koningsrang gehoond,

De maagdlijke onschuld van de kroon verkracht.

Zie hier 't gelaat van uwen broeder Godfried;

Dat oog, die wenkbrauw is naar hem gevormd!

Dit kort begrip behelst dat alles, wat

In Godfried stierf; de hand des tijds zal 't eens

Uitwerken tot een even grootsch geschrift.

Die Godfried was uw eigen ouder broeder,

En dit zijn zoon; England was Godfrieds recht,

En hij is Godfrieds zoon. In naam van God,

Hoe komt het dan, dat gij u koning noemt,

Schoon levend bloed in deze slapen klopt,

Waaraan de kroon, door u geroofd, behoort?

KONING JAN. Van wien hebt gij die groote volmacht, Frankrijk,

Om op die punten me in 't verhoor te nemen?

KONING PHILIPS. Van de' opperrechter, die de zucht naar 't goede

In 't hart van elk, wien macht vertrouwd is, wekt,

Hem waken doet voor schennis van het recht.

Hij maakte mij tot hoeder van deez' knaap;

Door hem gemachtigd, wraak ik uwen roof,

En met zijn bijstand hoop ik dien te straffen.

KONING JAN. Gij matigt u het ambt eens rechters aan.

KONING PHILIPS. Alleenlijk om aanmatiging te rechten.

ELEONORE. Wien, Frankrijk, legt ge aanmatiging te last?

CONSTANCE. Uw' zoon, die zich een rijk heeft aangematigd.

ELEONORE. Zwijg, onbeschaamde! uw bastaard wilt gij kronen,

Opdat gijzelf als koninginne heerscht.

CONSTANCE. Steeds was mijn bed uw zoon wis even trouw

Als 't uwe aan uwen gade; en deze knaap

Gelijkt zijn vader Godfried meer in trekken,

Dan Jan op u, al zijt ge als droppels water,

Of Satan en zijn moeder, één van aard.

Mijn zoon een bastaard! Nu, bij God! ik denk,

Zijn vader werd geenszins zoo echt verwekt;

Dit kan niet zijn, daar gij zijn moeder waart.

ELEONORE. Een goede moeder, knaap! zij hoont uw vader.

CONSTANCE. Een goede grootmoê, knaap! die u onteert.

OOSTENRIJK. Stil!

BASTAARD. Hoort den roeper daar!

OOSTENRIJK. Wie duivel zijt gij?

BASTAARD. Een man, die u den duivel spelen zal,

Krijgt hij u met uw vel alleen te pakken,

Gij zijt de haas, wiens moed, naar 't spreekwoord zegt,

Een dooden leeuw wel aan den baard durft trekken.

Ik rook uw pelsrok uit, als ik u pak;

Vriend, pas dus op! ik doe 't, voorwaar, ik doe 't.

BLANCA. O, prachtig stond dat kleed des leeuws aan hem,

Die zelf den leeuw dat kleed had uitgetogen.

BASTAARD. Het plooit zich op zijn rug niet minder sierlijk,

Dan op den ezel held Alcides' tooi. --

'k Doe, ezel, dra dat sieraad u verzaken,

En zal door andren druk uw schouders kraken.

OOSTENRIJK. Wie is die kraker, die het oor verdooft,

Met zulk een overvloed van ijd'len wind?--

Gij, koning,--Lood'wijk, spreek, wat doen wij fluks?

LODEWIJK. Gij vrouwen, narren, staakt uw mondgesprek.--

Wat we eischen, Koning Jan, is kortweg dit:

England en Ierland, Maine, Anjou, Touraine,

Die vorder ik, als Arthurs recht, van u.

Staat gij die af, en legt ge uw waap'nen neder?

KONING JAN. Mijn leven eer! ik tart u, Frankrijk, uit.--

Vertrouw op mij slechts, Arthur van Bretagne;

Ik schenk uit zuivre liefde u meer, dan Frankrijk

Met laffe hand kan winnen. Geef aan mij

U over, knaap!

ELEONORE. Kom bij grootmoeder, kind.

CONSTANCE. Ja, doe dat, kind, ga gij naar grootmâ, kind,

Geef koninkrijk aan grootmama; zij zal

Een kers of wat, een pruim, een vijg u geven.

Die goede grootmama!

ARTHUR. Stil, lieve moeder!

Ware ik in de aard, in 't graf gelegd! ik ben

't Geraas niet waard, dat om mij wordt gemaakt.

ELEONORE. Om moeders doen beschaamd! arm kind, hij weent.

CONSTANCE. Nu, wat zijn moeder doe of niet, schaam gij u!

Geen schaamte om mij, neen, toorn om u, ontlokt

Zijn oog die droppels, die den hemel roeren;

De hemel zal ze ontvangen als een handgeld,

Zal zwichten voor die paarlen van kristal,

En zal hem recht en wraak op u verschaffen.

ELEONORE. Gij monster-schendtong, aarde en hemel last'rend!

CONSTANCE. Gij monster-schendster, aarde en hemel tergend!

Noem mij geen schendtong; gij en de uwen rooven

Deze' onderdrukten knaap zijn recht, zijn land,

Zijn kroon. Hij is de zoon uws oudsten zoons,

Rampzalig door niets anders dan door u;

Uw zonden worden aan deze' armen knaap

Aldus bezocht; de straf der wet treft hem,

Als van uw schoot, die zonde ontving en droeg,

Niet verder dan in 't tweede lid verwijderd.

KONING JAN. Gij dolhuiskranke, zwijg!

CONSTANCE. Hoor dit nog slechts;--

Niet enkel òm haar zonde moet hij lijden,

Maar God deed hare zonde en haar de straf zijn

Voor dezen nazaat, die voor haar bezocht wordt

Met hààr straf, hare zonde; wat hij lijdt,

Is hààr vergrijp, de geesel harer boosheid,

Waarvan dit kind de volle straf moet dragen,

En dit geheel voor haar. Gods vloek op haar!

ELEONORE. Verstokte lastertong, een laatste wil

Bestaat, en stuit het erfrecht van uw zoon.

CONSTANCE. Gewis! een laatste wil! een booze wil,

Een vrouwenwil, een wangrootmoeders wil!

KONING PHILIPS. Stil, stil, vorstin! houd op of matig u.

Geen bijvalroepen past aan dezen kring

Bij zulk een schril en zoo herhaald geschimp.--

Dat een trompet de burgers van Angers

Naar hunne wallen roepe; laat ons hooren,

Wiens recht, van Jan of Arthur, zij erkennen.

(Trompetgeschal.-- Burgers verschijnen op den stadsmuur.)

EEN BURGER. Wie is het, die ons op de wallen roept?

KONING PHILIPS. Frankrijk, voor England.

KONING JAN. England, voor zichzelf.

Gij mannen van Angers, trouwe onderdanen,--

KONING PHILIPS. Getrouwe burgers, Arthurs onderdanen,

Wij nooden u tot vriendlijk onderhoud.

KONING JAN. In òns belang; hoort daarom òns eerst aan.--

Al deze Fransche vanen, opgerukt

Tot in 't gezicht, voor 't oog van uwe stad,

Verschenen hier, om u verderf te brengen;

Van grimmigheid zijn hun kanonnen vol;

Zij staan gericht, om al dien ijz'ren toorn

Te spuwen tegen uwen vestingmuur;

Der Franschen voorbereiding tot een aanval,

En bloedig, wreed beleg en storm bedreigt

De poorten, uwer stad gesloten oogen;

En zonder onze naad'ring ware reeds

Dit slapende gesteente, dat als gordel

U houdt omsloten, door hun schutgevaarte

Verdrongen uit zijn stevig mortelbed,

En baande aan bloedig krijgsgeweld verwoesting

Den weg reeds om uw vrede te bestormen.

Doch op het zien van ons, uw rechten koning,

Die moeizaam en met meen'gen snellen marsch

Een tegenleger voor uw poorten voerde,

Om uwer veste wangen, fel bedreigd,

Voor schrammen te beveil'gen,--ziet, nu gunt

Onthutst de Franschman u een mondgesprek;

In stede van met vuur omvlamde kogels,

Om als door koorts uw muren te doen rillen,

Schiet hij slechts zachte, in rook gehulde woorden,

Om door verraad uw ooren te verdwazen.

Vertrouwt hem naar verdienste, waarde burgers,

En laat òns binnen, ons, uw rechten koning,

Wiens moede kracht, door zooveel haast amechtig,

Herberging in uw veste dringend vraagt.

KONING PHILIPS. Hoort mij nu aan, en geeft dan beiden antwoord.

Ziet, hier aan mijne rechte,--wier bescherming

Ten heiligste is beloofd aan 't recht van hem,

Op wien zij rust,--staat prins Plantagenet,

De zoon van de' oudren broeder dezes mans,

En koning over hem en al het zijne.

Om zijn vertreden recht vertreden wij

Met ijz'ren voet het veld voor uwe stad,

Niet méér als vijand tegen u gestemd,

Dan ons de drang van onzen vriendschapsijver,

Tot hulp van dezen onderdrukten knaap,

Naar onzen eed beveelt. 't Behage u dus,

Zooals 't behoort, uw hulde hèm te brengen,

Wien zij behoort, 'k meen, dezen jongen prins;

Der waap'nen wrok zal, als een beer met muilband,

In schijn slechts vreeslijk, dan gekneveld zijn;

't Geschut zal ijdel dan zijn boosheid spillen

Op de onverwondbre wolken van het zwerk;

En na een blijden, vrijen aftocht brengen

Wij, zonder buts of kerf aan helm en zwaard,

Het krachtig bloed weer thuis, dat ter besprenging

Van uw onwill'ge veste was bestemd,

En laten u met vrouw en kroost in vrede.

Maar zoo ge ons goedig aanbod dwaas versmaadt,

Zal u de ronding uwer grijze muren

Niet veil'gen voor de boden onzes krijgs,

Al waar' heel 't Engelsch leger met zijn krijgskunst

Geherbergd binnen uw versterkten kring.

Beslist; erkent ons uwe stad als heer

Ter wil van hem, voor wien wij hulde vordren?

Of moeten wij aan toorn het teeken geven,

Onze' intocht doen, in ònze stad, in bloed?

BURGER. Wij achten Englands koning onzen vorst,

En houden onze stad voor hem bezet.

KONING JAN. Erkent den koning dan en laat mij binnen.

BURGER. Dit mogen wij niet doen; wie koning blijkt

Naar recht, zijn wij getrouw, maar tot dien tijd

Blijft onze poort versperd voor heel de wereld.

KONING JAN. Wijst niet de kroon u uit, wie koning is?

Erkent gij 't niet, dan breng ik u getuigen,

Driemaal tienduizend echte zonen Englands,--

BASTAARD. Met bastaards en zoo voort.

KONING JAN. Om met hun leven ons goed recht te staven.

Koning Jan · 第 6 / 29 题