Egyptische kunst.
De productie van de groote Egyptische meesters der grafische kunst
heeft feitelijk geen tegenhangers en al lijkt deze bewering op het
eerste gezicht vermetel, men zal vinden, dat deze zich tegen een
behoorlijk, nauwkeurig onderzoek verzet.
Wanneer wij het onvergelijkelijke borduurwerk van het oude Perzië
beschouwen, het goddelijk mooie porcelein van het Middeleeuwsch
China bestudeeren, of de houtsneegravuren van de groote Japansche
kunstenaars uit de Ukiyoé school voor ons zien, van mannen als Hokusai,
Utamaro, Hiroshige, Yeizan en Toyokuni, gevoelen wij zonder twijfel,
dat wij hier iets beschouwen, dat van Europeesche kunst verschilt,
doch slechts gedeeltelijk.
Hoe vreemd deze voorwerpen uit het Oosten ook zijn mogen, wij vinden
in hen een zekere familiariteit, wij zien in hen de uitdrukking van
emoties en gevoelens, welke ons niet geheel en al onbekend zijn. De
Egyptische voorwerpen echter verschillen van dezen, want zij schijnen
ons geheel en al nieuw toe; zij doen ons een betooverde wereld,
door den voet der mensch niet betreden, aan de hand, misschien een
bovennatuurlijke.
Hun vreemdheid, hun bijna onheilspellende ongemeenheid is echter
niet moeilijk te verklaren; deze is niet alleen aan de merkwaardige
conventie, waaraan de Egyptische meesters eeuwen achtereen zoo
blind gehoorzaamden, doch ook aan het feit te danken, dat de kunsten
oud-Egypte aangeboren waren.
Japan ontleende zijn schilderkunst ongeveer in de 14e eeuw n.C. aan
China; Chineesch werk laat, op zijn beurt, verwantschap met dat van
oud-Griekenland zien; de groote Italiaansche meesters der Renaissance
hadden veel aan de Graeco-Romaansche school te danken, terwijl de
oude Spaansche kunstenaars op hun beurt verplichtingen aan de Mooren
en Arabieren hadden en in Engeland, in Schotland, in Duitschland en
Frankrijk bloeide de schilderkunst niet, evenals een plant op, doch
was eerder een buitenlandsch product, voornamelijk uit laag gelegen
landen, geïmporteerd.
Kortom, zoowel in oude, als moderne tijden hadden de kunsten, bijna
in ieder land, iets aan die van andere landen te danken, daar er
voortdurend een groote wisseling plaats vond; de machtige werken van
Egypte waren voor het meerendeel lang voor deze wisseling tot stand
gekomen en het heeft den schijn, dat schilder- en beeldhouwkunst,
architectuur en andere inlandsche kunst uit zichzelf in het land
van Isis ontstaan zijn, daar gebloeid hebben en gedurende eeuwen
zuivere Afrikaansche voortbrengselen tot ontwikkeling gebracht hebben,
zonder dat zij in eenig opzicht door het handwerk van andere rassen
beïnvloed werden.
Het is altijd moeilijk over den oorsprong van iets te spreken, want
zelfs de oudste dingen hebben hun stamvader. En daar het mogelijk is
over een bepaalde soort van de eerste groote periode der Egyptische
kunst, de z.g. Thinitische te spreken, welke ongeveer 5000 v.C. begon,
moeten wij ons herinneren, dat de productie uit dezen tijd geen
uitzondering op den zoo even genoemden regel maakte, doch ook deze
had haar stamvader, n.l. het werk van den prae-dynastieken tijd.
Zelfs in die zeer oude tijden vervaardigde men in Egypte ruwe
afbeeldingen van levende wezens, natuurlijk van leem, daar dit
materiaal gewoonlijk gebruikt werd; tevens vervaardigde men veel
pottebakkerswerk, terwijl een deel hiervan met vreemde afbeeldingen
gegraveerd was. Terwijl verscheidene van deze vazen en dergelijke
voorwerpen niet beter zijn dan die van de meest primitieve kunstenaars,
vertoonen andere daarentegen een diep gevoel voor vorm en proportie.
Evenmin schuwden de Egyptenaren uit dezen tijd de gewoonte, sedert
onheugelijke tijden toegepast, de eigen gemaakte versiering; immers
onder de oudste overblijfselen van de kunst van het land bevinden
zich verscheidene eigen gemaakte versieringen, sommige van been, of
schelpen, andere van steen en ivoor en eenigen zelfs van kostbaar
metaal vervaardigd. Bovendien legde men zich vroeg op ruwe vormen
van architectuur toe, terwijl dezen op haar beurt de aanleiding waren
voor pogingen, om de muren te verfraaien.
In prae-dynastieke tijden werden de dooden gewoonlijk in ondiepe
graven, zonder eenige verfraaiing, bijgezet, terwijl er slechts één
beschilderd graf uit dien ouden tijd bekend is. Indien wij den tijd,
welke hierop volgde, bestudeeren, trekt de kunst, om de graven te
versieren, het eerst onze aandacht.
Zelfs niet in Roomsch Katholieke landen, of in China, heeft men over
het welzijn der dooden zoo liefderijk, zoo voortdurend en ijverig
gedacht als in Oud-Egypte. Het Egyptische graf uit dien tijd was
een zeer degelijke zaak, gewoonlijk van kalk- of zandsteen, soms
van graniet of breccia, uit de bergen van Arabië, gebouwd. Indien
er sprake was van een aanzienlijk persoon, werden de wanden van zijn
graftombe getrouw met de daden uit zijn leven op aarde gegraveerd en
speciaal met afbeeldingen, welke zijn waarschijnlijke doorreis door de
onderwereld illustreerden. Gewoonlijk verheerlijkte hem een standbeeld
aan de buitenzijde van zijn graftombe; dit beeld was gewoonlijk uit
albast, slangensteen, kalksteen, graniet of zandsteen vervaardigd;
de beeldhouwer streefde niet in de eerste plaats naar versiering,
doch meer naar een afbeelding van den gestorvene.
Zij schijnen verder zeer veel gewicht aan de kwestie van duurzaamheid
gehecht te hebben, daar zij hun werk stevig aan zijn voetstuk
vastmaakten, of nog vaker, dit een deel hiervan maakten en om een
voorbeeld van de voorliefde der Egyptenaren hiervoor aan te halen,
kunnen wij van twee werken, welke zich beiden in het Britsch Museum
bevinden, melding maken; het een toont ons den Pharaoh Mykerinus
zittend, het ander beeldt een groep van drie personen af, die eveneens
gezeten zijn. In beide gevallen is het beeld uit groote rotsblokken,
welke het schragen, gehouwen en kan daarvan met geen mogelijkheid
verwijderd worden, behalve door een uitgebreide bewerking met hamer
en beitel.
Een zeer groot aantal andere beelden, welke tot den oudsten dynastieken
tijd behooren, zijn nog over en verscheidene van dezen bezitten
buitengewone artistieke waarde. Terwijl men moeilijk hetzelfde beweren
kan van de nog bestaande voorbeelden van het relief-snijwerk uit deze
periode, worden wij herhaaldelijk getroffen door de bevalligheid van
de oudste inlandsche kunst. Voornamelijk verdienen talrijke armbanden
dezen lof, terwijl het museum te Kairo twee prachtig gegraveerde pooten
van een stoel bezit, welke van een diepe artistieke opvatting blijk
geven; dezelfde verzameling bevat verscheidene kleine afbeeldingen
van apen, leeuwen, honden, terwijl al deze voorwerpen duidelijk de
hand van een kunstenaar verraden, die een diep gevoel had voor de
bijzondere schoonheid, welke in het grootsche verscholen ligt.
Ook kan men die indrukwekkende monumenten van de werkzaamheid en
vindingrijkheid van het oude Egypte, de Pyramiden en de Sphinx, tot
een ouden tijd terugbrengen, werken, welke evenveel welsprekendheid,
zoowel in proza als in poëzie hebben doen ontstaan, als de Monna Lisa
van Leonardo da Vinci en de beelden van Phidias.
Terwijl men over het algemeen meent, dat deze werken in den bedoelden
tijd tot stand gekomen zijn, is hun begin in duisternis gehuld. Hoe
echter de ware oplossing van dit raadsel ook zijn moge, de Memphitische
periode was zeer zeker een, welke van een belangrijke ontwikkeling
in de Egyptische kunst getuigenis aflegt.
Er is weinig gelegenheid de architectuur van dien tijd te bestudeeren,
daar de overblijfselen slechts uit losse steenen, of in de zon
gedroogde baksteenen, bestaan; op het gebied der beeldhouwkunst echter
zijn wij in staat vorderingen op te merken.
Tot hiertoe waren de afbeeldingen in de graven feitelijk een voorrecht
voor de grooten en rijken geweest, doch thans werden alle soorten van
graven, of, tenminste de graven van verscheidene betrekkelijk arme
menschen, op deze wijze versierd en daar de gestorvene menigmaal in
een houding afgebeeld werd, welke een aanwijzing was voor zijn karakter
op aarde, werpen deze beelden een helder licht op het leven in Memphis.
Aldus vinden wij hier een man, die met brouwen bezig is, daar
een ander, die het werk van een schrijver verricht, terwijl zijn
houding met die van een hedendaagschen kleermaker overeenkomt. Tevens
kunnen wij opmerken, dat de zorg voor het welzijn van een gestorven
hoogwaardigheidsbekleeder op een ingewikkelder wijze dan tot nu toe
geopenbaard werd.
Stel bijvoorbeeld, dat zijn vrienden en verwanten er bevreesd voor
waren, dat hij in het leven hiernamaals niet goed gevoed zou worden,
dan plachten zij zijn rustplaats met afbeeldingen, welke een keuken
in werking voorstelden, te versieren. Soms ook beeldden zij in de
grafkapel een groep musici af, ieder met zijn instrument in zijn
hand. [43]
In al deze werken, evenals in verscheidene andere van verschillende
natuur, kunnen wij een vlottere behandeling opmerken, dan over het
algemeen bij die van de prae-dynastieke tijden, zooals het beeld, dat
ongetwijfeld de kroon spant in den tijd der Pyramiden (4e dynastie)
het beeld ten voeten uit van den Sheikh-el-Beled (zijn eigenlijke
naam was Ka-aper), een beeld, dat krachtig en vol zelfvertrouwen
vervaardigd is, als een beeld van de hand van Rodin, of Mestrovic.
Wij zien verder, dat de kunstenaars meer en meer aan hun
respectievelijke eigenaardigheden uitdrukking beginnen te geven, dat
zij aantoonen, dat zij minder het geldend régime slaafs willen volgen
en het is kenmerkend, dat een van de beeldhouwers uit de Pyramidentijd,
Ptah-Ankh, inplaats van zijn identiteit, evenals al zijn voorgangers,
te verzwijgen, de gelegenheid vond een steenen relief te vormen,
waarop hij zichzelf, in een boot gezeten, afbeeldde.
Het Schildermateriaal.
In dit verband moeten wij opmerken, dat deze Egyptische bas-reliefs
gewoonlijk niet in één kleur gehouden werden, evenals in modern Europa,
want de schilder werd gewoonlijk door den beeldhouwer te hulp geroepen,
terwijl zelfs portretbeelden veelvuldig zoo gekleurd werden.
De kunstvaardigheid in het schilderen op in de zon gedroogde klei was
gedurende het Pyramiden-tijdvak tot geen bijzondere hoogte opgevoerd,
evenmin het schilderen op papyrus, terwijl mummiekisten dikwijls met
een groote massa kleuren bedekt werden.
De kleuren van verscheidene van deze oude Egyptische werken bezitten
thans nog vrij veel donkerheid en glans, terwijl eenige inderdaad
beter bewaard gebleven zijn, dan die van Italiaansche frescos uit de
Renaissance en oneindig beter dan die van ontelbare schilderijen van
Reynolds en Turner. Het is dus niet ongewoon, dat de vraag bij ons
oprijst: "Welke soorten verf gebruikte men gewoonlijk in Egypte en
wat was eigenlijk de modus operandi van de schilders uit dat land?
De Egyptische kunstenaar nu bewaarde zijn verf in den vorm van poeder
en als hij aan het werk ging, maakte hij dit vloeibaar met een mengsel
van water en gom; daarop gebruikte hij de oplossing met een rieten
penseel, of borstel, van zacht haar gemaakt, terwijl sommige schilders
de gewoonte hadden, twee borstels te gebruiken, een dikke en een dunne.
Wat verder de kleuren zelf betreft, de bereiding van het goud is
spoedig verklaard, terwijl men zwart waarschijnlijk verkreeg door
beenderen van dieren te verbranden en men wit uit gips, met honing en
eiwit vermengd, vervaardigde. Rood en geel verkreeg men door een meer
gemeenzaam proces; het eerste maakte men van zwavel, of kwikzilver,
het laatste eenvoudig uit klei. Blauw, een betrekkelijk zeldzame
tint, welke zelden in andere afbeeldingen der natuur voorkwam dan
van de zee en de lucht en daarom moeilijk te verkrijgen was, werd
uit lapis-lazuli gemaakt.
Wanneer het schilderstuk behoorlijk afgewerkt was, plachten sommige
schilders dit met een doorschijnend vernis, uit de gom van den acacia
vervaardigd, te bedekken; er waren er echter weinige, die dit deden
en de kleuren in hun werk zijn niet goed behouden gebleven, niet zoo
goed als bij meesters, die het vernis geheel en al weglieten.
Wij willen deze technische détails echter laten rusten en tot de
geschiedenis van de Egyptische kunst terugkeeren; thans moeten wij
over het Midden-Rijk spreken, dat met de 9e dynastie (pl.m. 2445)
begint en tot de 17e dynastie reikt.
Gedurende dezen tijd ontwikkelde de kunstvaardigheid in het bouwen zich
snel, terwijl de obelisk van Heliopolis onder de resultaten hiervan
te rekenen is. Indien men deze werken liever uit een oogpunt van
bewonderenswaardige kunstvaardigheid, op het gebied der werktuigkunde,
dan uit dat van grooten artistieken smaak beschouwen wil, zoo komt deze
laatste toch zeer zeker in twee andere grootsche bouwwerken uit den
oudsten Thebaanschen tijd, uit, n.l. bij den tempel van Kom-es-Sagha
en den zuilengang van Sa Renput I.
In dezen tijd vervaardigde men ook veel andere kunstige voorwerpen,
zooals de diadeem en kroon van Khnemit, welke zich thans beiden te
Kairo bevinden, getuigen kunnen. Een natuurlijke stijl kwam thans te
voorschijn, zoowel bij bas-reliefs, als schilderingen.
Vele schetsen en schilderijen uit dezen tijd, voornamelijk die, welke
zich met voorstellingen van oorlog en athletiek bezighouden, bezitten
een uitdrukking en bezieling, welke ons toonen, dat de Egyptische
kunstenaar meer kunstvaardigheid in de hanteering van het penseel
verkregen had. Een van de merkwaardigste schilderingen uit deze periode
is die te Beni-Hassan, en deze stelt een serie worstelwedstrijden voor.
Het Nieuwe Rijk.
In de periode van het Nieuwe Rijk (18e-31e dynastie) maakt de
beoefenaar der Egyptische kunst met een werkelijk overstelpenden
rijkdom op het gebied der architectuur kennis. Deze tijd zag de
voltooiing van zulke indrukwekkende bouwwerken als de zuilenhal
te Karnak, den tempel van Ramses III te Medinet-habû en de groote
verzameling van tempelgebouwen te Dêr-el-Bahari. De schoonste en
indrukwekkendste gebouwen te Luxor behooren eveneens tot dit tijdvak,
evenals de rotstempels te Bêt-el-Wálî en Abu-Simbel.
De beeldhouwers uit dezen tijd behaalden altijddurende triumfen,
speciaal bij de twee kolossale Memnon-zuilen te Thebe en de vermaarde
Sphinxen-laan te Karnak. De beelden van Thothmes III, Amenophis, den
zoon van Hapu en koningin Tyi hebben eveneens groote aesthetische
waarde. Wat het bas-relief betreft, trekken de beelden van Seti I
(Abydos), Septah Meneptah en koningin Aahmes (een gipsafgietsel in den
tempel te Dêr-el-Bahari) onze aandacht, terwijl het laatstgenoemde de
lieflijkste van alle werken van dat soort is. De teerheid en fijnheid
van dit meesterwerk overtreft bijna elk ander beeldhouwwerk, dat in
Egypte van dezen tijd is bewerkt.
Er begint inderdaad uit de Egyptische kunstwerken van dezen tijd een
grootere verfijning te spreken, zelfs in de voorwerpen van huiselijk
gebruik. Op het tafelgereedschap ziet men fijne lijnen getrokken,
terwijl een gelijke kunstvaardigheid op verscheidene amuletten en
juweelen uit die periode zichtbaar is.
Doosjes, handvaten van spiegels en lepels zijn in vele gevallen het
resultaat van een hoogstaande kunstvaardigheid. Op een van de lepels
ziet men een vrouw afgebeeld die achter een zwaan aanzwemt en deze
afbeelding roept onwillekeurig de herinnering aan de mythe van Leda op.
Ten slotte werd er in dezen tijd veel prachtig huisraad vervaardigd
en misschien is het fraaiste exemplaar wel een stoel, in het Museum
van Caïro; de leuningen van dezen zijn handig in den vorm van panters,
met een loerenden blik, gesneden.
In dezen tijd schijnt het gebruik van hout, om daaruit kunstvolle
voorwerpen te vervaardigen, te zijn toegenomen. Gelijktijdig hiermede
werd de kunst van metaalgieten verbeterd en daarna geheel en al
volmaakt en deze volmaking oefende een krachtigen invloed op de
beeldhouwkunst uit.
Dit was eveneens het tijdvak, waarin de Egyptische kleurenkunstenaars
tegen de conventie, welke in oude tijden hun kunst verlamde, in
verzet kwamen. Tot op dezen tijd hadden zij niet getracht naar de
werkelijkheid te kleuren. Bepaalde voorwerpen werden volgens de
traditie, zooals hen in hun scholen geleerd werd, geschilderd.
Het vleesch van een man werd bijvoorbeeld door een roodachtig bruine,
dat van een vrouw door een gele, dat van een priester door een blauwe
kleur en zoo voorts, weergegeven. Eerst tegen den tijd van het Nieuwe
Rijk begonnen de kunstenaars ernstig tegen dit systeem in opstand te
komen. Een onbekend meester ging zoo ver, dat hij een rose vleeschkleur
gebruikte en het is natuurlijk, dat wij thans onderzoeken, of het een
vreemde invloed was, welke tot dezen beeldenstorm aanleiding gaf. Hoe
dit ook zijn moge, het is niet te betwijfelen, of de Egyptische
kunstenaars begonnen van die uit andere landen te leeren--b.v. de
Assyriërs--en deze omstandigheid maakt de studie van de Egyptische
kunst, gedurende dezen tijd, eenigszins moeilijk en ingewikkeld.
De laatste periode, de Saïtische, begint ongeveer 721 v.C. Gedurende
dit tijdvak zien wij, dat de invallen der Perzen, Grieken en ten
slotte die der Romeinen, op de voortbrengselen van het land grooten
invloed uitgeoefend hebben, dikwijls echter tot hun nadeel; inplaats
toch dat de Egyptische kunstenaars natuurlijk werk leverden en hun
eigen nationalen stijl ontwikkelden, waren zij meer tot navolging
geneigd, terwijl zij zich aarzelend in vormen, aan andere rassen
ontleend, uitten.
Het is echter een onjuiste bewering, zooals men soms wil doen
voorkomen, dat dit verval van verheven tradities juist met het
aanbreken van de Saïtische periode begint. Het is eveneens onjuist,
dat na dien tijd door de Egyptenaren geen levende kunst meer beoefend
is. Niet voor den tijd, welke vlak na Christus' geboorte valt, begint
het Egyptische juwelierswerk en de overige kunstindustrie in verval
te geraken en wat de architectuur betreft, spreekt Herodotus op de
meest lofwaardige wijze over de groote gebouwen te Saïs.
Ongelukkigerwijze zijn de meeste van dezen verwoest en kunnen wij
ze niet meer uit de eerste hand bestudeeren. De Pharaohs van den
Saïtischen tijd hadden niet meer die onbegrensde arbeidskrachten
van hun voorgangers uit Thebe en Memphis; desniettemin zag de
avondschemering van de laatste periode in de Egyptische kunst de
voltooiing van verscheidene aanzienlijke gebouwen.
De pronaos van Komombos, de tempel van Isis te Philae en de kiosk van
Nectanebu, op dezelfde plaats, vereischen hier vermelding en eveneens
de Mammisi en tempel van Horus te Edfû. Nog overal kan men bouwwerken
uit deze periode, door Grieksche en Romeinsche ideeën beïnvloed en
andere, welke klaarblijkelijk het werk zijn van Egyptische metselaars,
die onder de bevelen van vreemde meesters werkten, zien.
Het schilderwerk van dezen tijd omvat verschillende werken, welke
tegen ieder werk van vroegere tijden opwegen, b.v. het vignet van het
Oordeel van Osiris, waarvan het verhaal in den papyrus van koningin
Mat-ka-ré voorkomt. Tevens zien wij Egyptische kunstenaars, die hun
tijden lang geëerde kleurenschema's verzaakten en tinten als groen en
mauve gebruikten, waarschijnlijk van Grieksche decoraties gecopieerd.
In de bas-reliefs uit dien tijd vinden wij verder veel, dat louter
mechanisch werk is en wel zoo, dat wij overtuigd zijn, dat het aan
teekeningen, door vreemden aan de hand gedaan, ontleend werd.
De geschiedenis der beeldhouwkunst uit de Saïtische periode verschilt
niet veel van de kunst, hierboven vermeld, want, terwijl in den
beginne een groote hoeveelheid schitterende voorwerpen vervaardigd
werd (hieronder moeten wij voornamelijk een schets van een rustenden
Osiris en een portret van Bubastis vermelden) baant het mechanisch
element zich hier den weg, evenals het zich naar al het overige gedaan
had. Beeldhouwers werden zuivere handwerkslieden en reproduceerden
slaafs voorgeschreven modellen. Sommigen hadden vooraf gereedgemaakte
modellen van een menschelijk lichaam in voorraad; de hoofden werden
dan op verzoek van cliënten er aan toegevoegd.
Invloed der Egyptische kunst.
De uitdrukking van de ziel van een volk verdwijnt echter niet geheel
en al en ook al werden de Egyptische kunstenaars tenslotte door de
Romeinen, de veroveraars, beïnvloed, kwamen de Italiaansche kunstenaars
niet minder onder den invloed der Egyptische scholen en zooals in
het begin van dit hoofdstuk opgemerkt is, inspireerden de Romeinen
vele werken van de Italiaansche meesters der Renaissance, wier werken
langen tijd als de bloem der Europeesche kunst beschouwd werden.
In Spanje vinden wij sterk den Egyptischen invloed, want de kunst
van het Nijldal had haar machtige tooverspreuk over de Arabieren
uitgesproken en dezen werden nagenoeg de vaders van de kunst van het
Iberisch schiereiland. Zoo kan het ons niet verbazen, dat wanneer
wij de Spaansche sieraden beschouwen, zij een gelijkenis met de
gelijksoortige artikelen voor de schoonen van Memphis, of Thebe,
vervaardigd, vertoonen.
Evenzoo ondervond Frankrijk minder den directen invloed uit Egypte,
dan dien, welke haar indirect uit Italië bereikte.
De karakteristieke kunst van het Fransche Keizerrijk werd direct aan de
Egyptische ontleend. Onder Lodewijk XIV waren Fransche schilderijen en
kunstvoorwerpen buitengewoon schoon en prachtig, doch onder de volgende
regeering stond weelderigheid in alle onderdeelen van het leven niet in
aanzien. Een nieuwe eenvoud werd voorgeschreven en terwijl kunstenaars
naar voorbeelden, voor dezen smaak geschikt, zochten, gaf de Comte
de Caylus zijn monumenteel werk over de oudheden van Griekenland,
Rome en Egypte uit, terwijl de bladzijden door afbeeldingen, van de
eigen hand van den schrijver, versierd werden [44].
Spoedig inspireerde dit werk den geest van verscheidene kunstenaars
en aan dezen invloed mogen wij eenige stukken van het smaakvolste en
schoonste huisraad, dat ooit ontworpen is, toeschrijven. De expeditie
van Napoleon gaf eveneens den stoot tot den invoer van Egyptische
artikelen en vanaf dezen tijd, tot aan den vooravond van Waterloo, is
er nauwelijks een tafel, stoel of spiegel van Fransch maaksel, welke
eenige aanspraak op kunstvaardigheid maakt, of zij verraadt eenigen
invloed der Egyptische scholen. Niet alleen ontleende men werkelijke
vormen, doch het werd gewoonte huisraad met pseudo-Egyptische beeldjes
en reliefs, of met metalen platen, welke in navolging van deelen van
Egyptische schilderingen gedreven waren, te versieren.
De pseudo-Egyptische kunst van het Keizerrijk--zoo geheel en
al een uitdrukking van den aard der Fransche gedachte in dien
tijd--kan men zeer goed te Fontainebleau, of in Marlbourough House
in Londen bestudeeren, terwijl deze natuurlijk op den achtergrond
van verschillende schilderijen uit het Keizerrijk, voornamelijk die
van Louis David, zichtbaar is.
Deze meester zelf, de invloedrijkste schilder van zijn tijd, was
iets aan de Egyptische school verplicht, terwijl waarschijnlijk
verscheidene werken van de beeldhouwers Chinard en Houdon in hetzelfde
geval verkeerden. Een studie van de gebouwen uit het Keizerrijk doet
ons zien, dat de architectuur uit dien tijd, hoe innig verknocht zij
in hoofdzaak ook was aan Oud-Griekenland en Rome, evenmin door de
kunst van het land der Pharaohs onbeïnvloed bleef.
Dit geldt echter niet alleen voor de Fransche architecten, want de
groote Schotsche beeldhouwer Robert Adam, die in het jaar stierf,
waarin de Fransche republiek ingesteld werd, schijnt eveneens in deze
aantrekkingskracht gedeeld te hebben. Dikwijls voerde hij Egyptische
voorwerpen in zijn decoratieve ontwerpen binnen, terwijl de groote,
indrukwekkende eenvoud, welke hij gewoonlijk bereikt, zich door
bekende Egyptische bouwwerken sterk liet suggereeren.
Dezelfde massieve eenvoud kan men in het beeldhouwwerk van den Serviër
Ivan Mestrovic opmerken, eveneens bij den Zweed David Eström. Het
zou inderdaad lastig zijn, alle kunstenaars, van verschillende
nationaliteit, op te sommen, die klaarblijkelijk veel aan het
Egyptisch genie verschuldigd waren. Wij moeten echter geen conclusie
trekken, zonder eenige verwijzing naar den invloed van de school
der Laat-Impressionisten.
De Laat-Impressionisten waren niet, zooals men gewoonlijk beweert,
de directe afstammelingen der Impressionistische groep, doch eerder
daarvan afgescheiden. Hun wachtwoord was eenvoud en om dat ideaal te
verwezenlijken, bestudeerden zij getrouw primitieve kunst en wel in
het bijzonder die van de Egyptenaren, daar zij daarin het eenvoudige
element, dat zij zochten, vonden.
Overblijfselen der kunst.
Om tot ons onderhavig onderwerp terug te keeren, kunnen wij vragen:
"Wat is de werkelijke, aesthetische waarde der Egyptische kunst voor
ons geslacht?
Stel u een museum voor, eenige duizenden jaren geleden, dat u duidelijk
de Fransche kunst, vanaf het begin der 15e tot het einde der 19e
eeuw, voorstelt; stel u verder voor, dat dit volgepropt was met het
uitvaagsel van de Salonschool en de bric-à-brac van de Rue de Rivoli,
met hier en daar een Clouet, een Boucher of een Lancret, een Clodion,
Dalou of Rodin. Zouden de bezoekers van zulk een verzameling niet vast
en zeker vaststellen, dat de Franschen alles behalve artistiek waren.
Toestanden, als hierboven aangegeven, heerschen in bijna iedere
collectie van heden ten dage. Het gezichtspunt, ten opzichte van
musea en tentoonstellingen, schijnt te zijn, dat ieder voorwerp
van Egyptischen oorsprong bij de verzameling gevoegd moet worden,
hoe gebrekkig het ook, uit een artistiek oogpunt, moge zijn. Wat
wonder, dat de gewone bezoeker van smaak niet het geduld heeft zulke
heterogene collecties te doorsnuffelen, waarin de weinige levende
artikelen begraven worden.
De groote massa der Egyptische overblijfselen staat ver beneden
die van Griekschen oorsprong, in den tijd van Phidias of Apelles,
vervaardigd; de meesterwerken van Egypte, aan den anderen kant,
wegen tegen de kunstproducten van iederen tijd op en slechts tot deze
meesterwerken moeten wij ons hier bepalen.
Egyptische kleurschakeeringen.
De Egyptische schilder deed zelden, of nooit, zijn best, de
verschillende kleuren onmerkbaar in elkaar te doen overgaan, zelden of
nooit hield hij zich met trapsgewijze overgangen op; inplaats daarvan
schilderde hij in groote stukken, terwijl elk stuk duidelijk van zijn
buurman afgescheiden was.
Door dit systeem bereikte hij de grootste kleurschakeeringen, zooals de
papyrus van Ani [45] getuigen kan, waarin de meest in het oog vallende
kleuren bruin, geel, groen, wit en zwart zijn. Nog schooner is de
papyrus van koningin Mat-ka-ré, welke nog een weinig hooger dan de
laatstgenoemde staat en waarin een uitgezocht roodachtig geel domineert
terwijl, als wij het oog richten naar een veelkleurige beeldhouwkunst,
er zeer zeker geen prachtiger gekleurd stuk was, dan het beeld van
prinses Neferet, met zijn rijkelijk groen en rood, bruin en wit. De
kist van Khnumu-Hotep, met goud, zwart, bruin en pauw-blauw beschilderd
en met gouden patronen versierd doet hiervoor nauwelijks onder.
Terwijl de Egyptenaar een van god gegeven kleurder was, was hij
ongetwijfeld nog meer een meester in het mengen van kleuren. De
kunstenaar, die naar harmonie streeft in zijn teekening, kan een
menigte figuren, of slechts eenige weinige voorwerpen nemen. De
eerste manier, de gebruikelijke der Europeesche school, is zeker de
gemakkelijkste van de twee; de Egyptenaar kiest echter gewoonlijk de
tweede en op zijn stuk papyrus en zijn stuk steen plaatst hij zijn
onderwerp zoo gelukkig en in zulk een uitstekend aesthetisch verband,
dat het ons toeschijnt, dat de geheele ruimte versierd is.
Zijn teekenkunst is gewoonlijk van superieure kwaliteit; hij staat hier
verder tegenover een andere moeilijkheid, terwijl hij meer een stouten
indruk geeft, dan een gedetailleerde teekening, zijn zijn lijnen nog
zoo vol uitdrukking, dat hij geheel en al de illusie van leven geeft.
De groote eenvoud in de Egyptische kunst.
Wij hebben over verschillende Egyptische werken gesproken als zijnde
fijn en zuiver; zij zijn echter geen karakteristieke voorbeelden,
het zijn niet die, welke in hoofdzaak hulde verdienen. Fijnheid, een
zeer goede eigenschap, is echter nauw met weekheid verbonden en de
poging om deze tot uitdrukking te brengen, is geschikt den kunstenaar
te benadeelen.
Whistler, om een voorbeeld te noemen, die naar fijnheid en verfijning
streeft, nadert te dikwijls verwijfdheid en sommige Japansche
schilders, die zeer met droomerige halftinten en koortsige lijnen
werken, naderen dicht het voortbrengen van zuiver, lief werk.
In het karakteristieke werk der Egyptenaren echter ontdekken wij nooit
een aanwijzing voor deze fout. Hun kunst is boven alles machtig,
grootsch en eenvoudig en laat dikwijls een groote, onbarmhartige
brutaliteit, zooals bij de groote Engelsche tooneelschrijvers, zien.
Wij zagen, dat het juist hun eenvoud was, welke de Franschen uit den
tijd van het Keizerrijk, die begeerig waren iets van een krachtig
temperament te vervaardigen, aantrok; wij zagen, dat dit element
den eerbied der Laat-Impressionisten afdwong, een groep, welke zoo
buitengewoon ernstige aspiraties koesterde.
Mogen wij hieraan niet toevoegen, dat deze eenvoud de voornaamste
factor der Egyptische kunst is? Mogen wij er niet aan toevoegen,
dat de Egyptenaren deze verdiensten door een overwinning door geen
ander ras geëvenaard, bereikten? Mogen wij ten slotte niet zeggen,
dat eenvoud de edelste van alle eigenschappen der kunst is?
De groote gedichten, welke van geslacht tot geslacht voortleven, zijn
ongetwijfeld die, waarin de behandelde hoofdpersoon met goddelijken
eenvoud voorgesteld wordt, terwijl de dichter met de kleinste
middelen de grootste uitwerking verkrijgt; juist dit bereiken de
groote schilders en beeldhouwers van Egypte.
Eenvoud echter, evenals verfijning, gaat tevens met een gevaar gepaard,
want wat zeer eenvoudig is, is tevens geschikt om gebrekkig in
zinnebeeldige voorstelling te zijn, een onontbeerlijke omstandigheid
bij een edel kunstwerk. Ook hier vinden wij den Egyptenaar als
overwinnaar; hij is geheel en al aan 't gevaar van armzaligheid
ontsnapt.
De Egyptische beeldhouwer duidt, indien hij een portret vervaardigt,
steeds het karakter van zijn model aan, terwijl dit zelf eenigszins
mysterieus is en er komt bij een aantal Egyptische kunstwerken een
verwonderlijke gewaarwording van oneindigheid op, een suggestie van
het eeuwige raadsel van het heelal.
De Egyptische kunstwerken zijn de meest geheimzinnige, ooit door
menschenhand vervaardigd, terwijl eenige door hun stilzwijgendheid
luide tot ons spreken; in hun tegenwoordigheid ondervinden wij een
vreemde opwelling van smart, een gevoel, dat op juiste wijze in het
volgend gedicht uitgedrukt wordt:
Treed licht, mijn dansende voet
Uit vrees, dat uw ongelegen stap
De stof van vergeten mannen, die den zoeten dood vonden,
En die slapen in hun eeuwig graf
Zal verontrusten.
Deze regels, een vertaling van een gedicht van Margaret Sackville,
bij haar verblijf in Assouan, gedicht, zijn een weerspiegeling van
de eerbiedige stemming, welke ons vaak in het aangezicht van de
Egyptische kunst bevangt. Zijn deze begraven menschen, van wie deze
dichteres zingt, werkelijk vergeten?
Ook na den val van Troje zal Helena's naam bestaan.
Homerus voorspelde aan Helena een eeuwig leven. Zoo hebben ook de
oude Egyptenaren, door het genie van hun machtige kunstenaars, de
onsterfelijkheid verkregen.