De nadering van het feest van Moelai Idriss brengt luidruchtige

optochten naar de stad. Gisteren reeds is tegen den middag een os,

gevolgd door muzikanten en voorafgegaan door dansers, die al dansend

geweerschoten losten, gebracht van Fez-el-Djedid naar de moskee van

Moelai Idriss. Op den bepaalden tijd verdrong zich een dichte menigte

in de smalle straat, die de hoofdader is voor het verkeer in de soek

of bazar. Tusschen Karoeiyn en het wegje, dat verboden terrein is

voor de Christenen, en aan welks einde men met haar bekleeding van

veelkleurig porselein de groote poort van Idriss kan onderscheiden

en de zonnige ruimte van het plein ervoor, is het een opeenhooping

van tulbanden, djellaba's, haïks en burnoes. De kooplieden buigen

zich over hun uitstallingen, en de vrienden voegen bij de koopwaren

de onverwachte toegift van hun tarboesjes en tulbanden; anderen zijn

geklommen bovenop de huizen, en er is een geregelde opklimming van

hoofden tusschen den hoogen rand van den muur en het rieten vlechtwerk,

dat de straat overdekt.

Dan hoort men zingen met begeleiding van handgeklap, en in twee rijen

komen mannen aanspringen, terwijl ze zich met de handen een weg open

houden tusschen de massa nieuwsgierigen in de smalle straat, en onder

het zingen ook nog in de handen klappen in een vaste maat.

Kort daarna komt er een tweede groep, voorafgegaan door mannen,

die een salvo van geweerschoten doen losbranden; achter hen wordt

een groote waskaars gedragen als offerande aan den schutspatroon

der stad. Uit de winkels en van de straat worden blikken naar mij

geworpen, vijandige blikken, die onrust verraden over de aanwezigheid

van den Christen... Weer geweerschoten, mannen, die dansen en zingen

en een os naar het heiligdom drijven. Eindelijk komen de Aïssaoeia's,

die vooruittreden en een kring vormen, onder aanhoudend geroep van:

"Allah!" Ze springen en draaien en wringen zich, opdat de vervoering

moge komen. Hun haren wapperen in den wind, hun oogen staan wild en

de tamtam, zoowel als de doedelzak maken lawaai, om hun geestdrift

aan te vuren. Achter hen verspreidt zich de menigte.

Sedert ik bij Sidi Mohammed woon, is er een stille strijd aan den

gang tusschen Mansoer en mijn bediende Abbas, om zich van mij meester

te maken. De een heeft zich zoo lang mogelijk onmisbaar willen maken,

door een boodschap, waar haast bij is, of den aankoop van een dringend

noodig voorwerp uit te stellen. De ander heeft al dadelijk geprobeerd,

den eersten eruit te knikkeren. En daar het "geschenk" evenredig zal

zijn aan de bewezen diensten, heeft Abbas het zich tot taak gesteld,

er mij te bewijzen van den morgen tot den avond, en ik kan mijn hand

niet uitsteken naar eenig voorwerp of een beweging maken, als wilde

ik mijn djellaba van den kapstok krijgen, of hij komt op mij toe en

dwingt mij zijn gezelschap op voor de wandeling.

Den eersten keer verklaarde ik kort en goed, dat ik van plan was

alleen uit te gaan. Hij nam een beleedigde houding aan en zei, dat

hij meer was dan een bediende, namelijk een vriend. Daarna liet hij

zijn schoonvader tusschenbeide komen, om mij te beduiden, dat ik alleen

gevaar zou loopen. Maar hij kwam te laat met zijn waarschuwing, want ik

heb nu langzamerhand al wel geleerd, hoe de vreemdeling op reis wordt

geëxploiteerd. Maar om zijn eigenliefde te sparen, heb ik het besluit

genomen, hem nu en dan te verdragen of, als ik kan ontsnappen, het op

een geschikt oogenblik te doen. Zoo gaat hij dien dag na het ontbijt

naar huis, om zijn middagdutje te doen, denkend dat ik, als de andere

dagen, thuis zal blijven, om te schrijven gedurende de warme uren. Maar

ik heb achter zijn rug de plaat gepoetst. Ik ben de donkere straatjes

ingegaan, heb de bochten gevolgd, ben over de soeks geloopen, tusschen

de hooge muren der burgerhuizen, ben de wijkpoorten door gegaan, voor

kleine moskeeën langs, waar fonteinen klateren over het steenmozaïek

der pleintjes en, na meermalen geaarzeld te hebben, welken weg ik

moest inslaan, ben ik toch ten laatste bij de Bab-el-Djedid uitgekomen.

Die voert naar een _en corniche_ loopenden weg, en boven de rivier is

er een groote, open boog in den wal, begroeid met afhangend groen. Ik

ben in de schaduw gaan zitten, bij de wadi, die een waterval vormt

en waar de beboschte hellingen der tuinen heen afdalen. En ik keer

terug langs den ingewikkelden weg van de smalle, bochtige straatjes

door de stad. De hooge, zwart geworden muren zeggen niets van wat ze

omsluiten; de lage, breede deuren, met spijkers beslagen, verdedigen

goed de geheimen der woningen; men kent alleen de woningen der

machtigen aan de soldaten, die er voor gezeten zijn met de bedienden,

op rieten bankjes, en die der rijken aan den eigenaar zelven, die op

den drempel zich ophoudt, gehuld in zijn haïk en in de straat kijkend

naar de voorbijgangers. Wat moet men oppassen, dat men niet vuil

wordt! Ondanks de grootste zorg kan men het niet altijd vermijden in

deze stad, waar de weelde bestaat in zeer lichte en witte weefsels,

en waar de straten u ieder oogenblik dreigen met de aanraking van

pakjesdragers, muilezels, zakken en pakken en het opspattende slijk

van een te overvloedig besproeide straat. Thuis gekomen, trek ik mijn

djellaba uit en hul mij in mijn mooie haïk van licht mousseline met

rijke zijden strepen, en ik stap er weer op uit naar de laantjes van

de soek, waar ruiters en lastdieren niet mogen komen, en waar men

dus in de volte alleen een duwtje kan oploopen.

Het is het uur waarop alle winkels, die zoo laat openkomen en zoo vroeg

gesloten worden, op klanten wachten. Dichtbij de poorten van Karoeiyn

zitten, in hun kleine hokjes genesteld, de rijke adoels of notarissen,

wier kaftans, hemelsblauw, oranje, wijnrood, bleekgroen of lichtbruin,

heenschemeren door de wazige draperie van de zijdezachte haïks, bezig

met eenige schrifturen of pratend met een klant; nu en dan wisselen

ze met een vriend, die onverschillig op hun tafeltje staat te leunen,

een praatje of wel ze zitten lui te droomen. In de winkelstraat van de

muiltjes word ik aangeroepen door een koopman, die Egyptenaar is en uit

Kaïro is gekomen, om hier handel te drijven. Hij klaagt mij zijn nood,

dat hij zoo verlangt naar de groote stad met haar rijkdommen en haar

drukte, haar groote moskeeën, haar rivier en haar woestijn. Als ik

mij maar voldoende verstaanbaar kon maken, zou ik met hem instemmen

en er hem ook op wijzen, hoe in zijn Oosten van Damaskus en Kaïro de

arabische kunst nog levende is, terwijl ze hier totaal in verval is.

De mozaïeken van aardewerk, de versieringen van pleisterwerk in kleur,

en voorts tapijten zijn zoo ongeveer de eenige weelde in de woningen,

en die faïences zijn niet anders dan de azulejo's uit Valencia; ze

zijn ingevoerd uit Spanje, waar die industrie nog wordt uitgeoefend,

zooals ze door de Mooren is in het leven geroepen en waarvan hun

afstammelingen het geheim verloren hebben. De geciseleerde zilveren

dolken, de luxe-geweren, de zilveren wierookvaten, de zilveren

odeurflacons, dat wordt niet meer gemaakt. Het publiek, zoowel als

de kooplieden, stellen er enkel prijs op, bij verkoopingen nog eens

een goeden slag te slaan en zoo de mooie en oude voorwerpen machtig

te worden, door de bezitters te koop aangeboden. En dan ziet men

er nog geen reukvaten of odeurflacons, want die zijn al in langen

tijd niet meer gemaakt. De fleschjes voor rozenwater zijn wel van

mooien arabischen vorm, maar van wit metaal en uit Europa ingevoerd;

de reukvaten, sierlijk om te zien, maar van grof bewerkt koper. En de

soeks zijn overvuld met onze goedkoope waren, onze bazar-artikelen,

die den smaak spoedig bederven. De Mooren koopen ons de glazen af

met gouden en bonte versierselen, die men wint op kermisloterijen,

ons vaatwerk van geëmailleerd ijzer, onze blikken dingen, onze

petroleumlampen voor de keuken en onze goedkoope geweven stoffen. Toch

maken ze nog in den ouden trant koperen kandelaars, leemen vaatwerk,

en schotels en borden van aardewerk, waarvan de vormen wel origineel

zijn en waarvan de oppervlakte bedekt is met grofblauwe figuren.

Ik ben thuis gekomen met een koperen reukvat, dat ik drie dagen geleden

had besteld. Op de gloeiende kolen heb ik een stukje sandelhout gelegd,

en mijn kleeren heb ik er boven gehangen, dat ze den geur zouden

aannemen. Sidi Mohammed snuift dien met blijkbaar welbehagen in,

dan haast hij zich naar huis en brengt mij oranjewater, opdat ik er

mijn baard mee besproeie en mijn haar en mijn handen, mijn gezicht,

mijn kaftan, mijn feradja, mijn djellaba en mijn haïk.

Sidi Mohammed, die beginselen heeft omtrent recht en broederschap,

heeft een eigenaardige manier om ze in praktijk te brengen. Bij

voorbeeld:

Des avonds tusschen acht en tien uur is er een heele opschudding in het

huis van Sidi Mohammed, ontroering onder de bedienden, veel gaanden

en komenden, geroep en geschreeuw! Om tien uur komt de goede man

bij mij in het hemelsblauwe vest en de blauwe broek, met een opgezet

gelaat, rood onder de witte muts, schitterende oogen en lachenden mond:

"Komaan, die heeft zijn loon gekregen!... U weet niet, wat er gebeurd

is?... Ja, ja, hij heeft er van gelust! tweehonderd stokslagen! die

zullen hem heugen!... Het is de zoon van een mijner vrienden; hij

komt dezen namiddag bij mij en vraagt mij voor zijn vader hem mijn

muilezel te leenen. Dat is goed! Hij gaat heen. Ik onderzoek de

zaak. De vader weet van niets. Nauwelijks een uur na het avondgebed

komt de jonge man terug! Hij was in de mellah geweest, om een glas

anisette te drinken en de mooie jodinnetjes op te zoeken; hij had

mijn muilezel laten draven en bracht het dier zweetend en blazend

thuis,--een beest van zevenhonderd vijftig peseta's!... ik heb hem

tweehonderd stokslagen gegeven! honderd voor zijn vader en honderd

voor mij! Het zal hem heugen!..." En lachend gaat mijn philosoof heen.

Vandaag moet ik al aan de toebereidselen voor mijn vertrek denken. Ik

ga naar boven naar Fez-el-Bali, naar het huis van mijn ezeldrijver

en zittend op straat, praten wij over den prijs. Eenmaal het aantal

doero's vastgesteld, noodigt hij mij uit om thee te drinken; we loopen

over het overdekte plaatsje, waar vijgeboomen boven het vlechtwerk

van het dak uitsteken, en zijn vader brengt mij in zijn kamertje. Een

ruitwerk van tegels, waar het wit en het groen de hoofdrol spelen,

bedekt den grond; door de open deur dwaalt het oog tot de naaste

minaret, en daar doorheen stroomen binnen de koelte en het geruisch

van de wadi. Als ik op de door de zon verbrande wegen zal zijn, en nog

verder in landen, die hij nooit zien zal, zal hij daar zitten op het

matrasje, dat op den wit en groenen grond ligt, en door de open deur,

door wat wingerdbladeren en een tak van den vijgenboom heen, zal hij,

gewiegd door het lied van de wadi, naar de lucht zitten kijken en

naar de naaste minaret...

Het gerucht is in de stad verspreid, dat een Christen in

muzelmansche kleeding in Karoeiyn zou zijn binnengegaan. Het ware is

onwaarschijnlijk. Rondom hun moskeeën houden de fazi's nauwkeurig

de wacht; ze zouden niemand dichtbij laten komen, tegen wien ze

verdenking koesterden. Het maghzen alleen kan er belang bij hebben,

zulke geruchten te verspreiden, die de dweepzucht versterken, om eenig

incident uit te lokken, waarvan het mogelijk hoopt, dat het in deze

tijden van diplomatieke spanning Europa zenuwachtig kan maken. Het

is moeilijk te begrijpen met welk doel een Christen zijn leven in

de waagschaal zou stellen, door iets te doen, dat de Mohammedanen

als de grootste heiligschennis beschouwen. De begeerte misschien om

mooie monumenten te kunnen bewonderen? Maar men kan ze leeren kennen,

zonder er den drempel van te overschrijden. De meeste der moskeeën

en de schoonste, staan wijd open en laten door het sierlijk open

smeedwerk der deuren hun lichte binnenpleinen en donkere booggangen

zien. Niet enkel de minarets, die slanke vierkante torens, versierd

met veelkleurige steenen, dikwijls in mozaïeken waarin op den

voorgrond treden het donkerblauw of smaragdgroen of de onbepaalde

tint van turkooizen, ook niet de poorten, bedekt met ornamenten in

gebeeldhouwd en gekleurd pleister of de zware deuren met snijwerk in

brons bekoren het oog van den voorbijganger; er komt bij: de inkijk

op de pleinen met kleine, witte en groene ruiten op den vloer, die

vol zijn van het licht, dat aan de zoo smalle straten wordt geweigerd

en die omzoomd zijn door de veilige halfschaduw van de booggangen,

waar de geloovigen knielen.

De moskee Andaloesia heeft de meest monumentale poort met het rijkste

snijwerk; zij is het werk van de andaluzische Mooren, die, uit Spanje

verdreven, een schuilplaats gingen zoeken in hun oorspronkelijk

vaderland. Maar de grootste en mooiste, als men Moelai Idriss buiten

rekening laat, waar niets van te zien is dan een enkele deur, moet

zonder twijfel Karoeiyn worden genoemd. Evenals de El Ahzar te Kaïro

en de moskee van Cordova, beslaan de bogen een groote oppervlakte;

daar ze wit zijn en onbewerkt en gesteund worden door pilaren met

vlechtwerk omwonden, kunnen ze niet vergeleken worden met de prachtige

der beide mededingsters; maar die missen de glorie van te bezitten

het binnenplein van Karoeiyn, dat in nog grooter afmetingen is als

het beroemde leeuwenplein van het granada'sche Alhambra.

De ingewikkeldheid der mohammedaansche praktijken van den godsdienst

en het groot aantal dagelijksche plichten die deze oplegt om in

het openbaar en in gemeenschap te vervullen, doordringen zoo geheel

het muzelmansche leven, dat ze van ieder individu iets maken, dat

te vergelijken is met een christen-monnik. Het is heel gewoon, de

kooplieden in hun winkels, waar ze op klanten wachten, halfluid uit

den Koran te hooren lezen. De godsdienstige gedachten vervullen de

plaats van alle andere denken, en de godsdienst neemt hun gansche

bestaan in beslag. Het is duidelijk, dat in die omstandigheden hun

geloof zijn kracht blijft behouden, want de herhaalde oefeningen houden

het in wezen en versterken het. Trouwens het denkbeeld van een geloof

zonder praktijk, dat de twijfelzucht der vorige eeuw heeft trachten

te verspreiden, is een dwaasheid zonder weerga. Een godsdienst kan

niet iets geheel innerlijks wezen zoo min als andere gevoelens;

ze moeten zich altijd op de een of andere wijze naar buiten uiten,

en die uiting is des te zichtbaarder, naarmate de inwendige kracht

sterker is. Maar juist de uiting wordt tot gewoonte en onderhoudt

de inwendige kracht. Als de innerlijke godsdienst de ware is en

eigenlijk die, waar het alleen op aankomt, hij kan toch niet leven

en groeien zonder den uiterlijken dienst, die voor het innerlijke is,

wat de bast is voor het merg van den boom.

Van morgen gewandeld buiten den Bab-el-Gissa, om afscheid te

nemen. Boven van de hoogte, waar de hellingen met graven overdekt zijn,

zie ik, evenals een der eerste morgens, neer op de geheele stad die

tegen de bergen ligt geleund. Wat heb ik veel naar dien waterval

van terrassen gekeken, die in zijn witheid of zijn grijze tinten

schijnt te worden tegengehouden in zijn val door de hooge minarets,

de oude muren en den onwankelbaren wal der bergen! En ik zag in mijn

verbeelding enkele van die stadspanorama's, die zoo bekoorlijk zijn,

dat men zijn leven zou willen doorbrengen met ernaar te kijken:

Kaïro vanaf de moskee van Mehemet Ali; Napels van Pausilippo uit,

Damaskus van Salehyié, Stamboel van de Zee van Marmora. En toen dacht

ik aan een klein fransch provinciestadje, dat wit is en grijs, dat

bergen heeft en een geschiedenis en ruïnen in het groen, en vooral

waar mijn eigen geschiedenis zich heeft afgespeeld met die levende

ruïnen, waar voor ieder onzer het verleden uit bestaat; en zoo begreep

ik, dat voor diegenen, die genoodzaakt zijn te leven ver van een of

ander plekje gronds, waar ze hun familie en hun herinneringen hebben

achtergelaten, het meest verlokkende land een land van ballingschap is.

Fez mag gerekend worden tot de allerbekoorlijkste verbanningsoorden;

er is veel verscheidenheid van genietingen voor het oog in de

rijke woningen, de mooie moskeeën, de tuinen met stroomend water,

de olijvenboschjes, de kloven en de zeer hooge bergen, die de stad

aan de vergetelheid schijnen prijs te geven.... En in den namiddag

ga ik voor de laatste maal naar den Bab-el-Djedid en zet mij neer in

het groene dal, waar de rivier vloeit. Op mijn gewone plaats onder

de boomen zitten een honderdtal arabische ververs, op tapijtjes in de

schaduw rondom hun in haïks gehulde meesters, en drinken er thee. En

als het uur van het gebed nadert, wasschen ze zich bij de rivier,

zeggen te zamen hun gebeden en verspreiden zich langs de oevers. De

wijk der ververs is in de nabijheid van mijn woning en dus kennen de

meesten mij en weten, dat ik een Christen ben. Een van hen komt naar

mij toe, loopt om mij heen en verdwijnt mompelend: "Arami, vlegel!"

Thuisgekomen, vernam ik van Mansoer, dat men hem had verteld, hoe ik

gepoogd had, des avonds binnen te komen in de laantjes van den bazar,

die verboden waren vanwege de nabijheid van Moelai Idriss, en dat een

lastdrager mij had tegengehouden, mij met zijn touw had geslagen met

de woorden: "Waar wil je heen?"

De straatjes van Fez zijn zoo smal, zoo bochtig, dat men erin verdwaalt

als in een doolhof, wanneer men er toevallig bij avond verzeild raakt.

Het straatje, waar ik woon, heet Sbaloeiyet, dat is De zeven hoeken,

omdat het zevenmaal een bocht maakt. Ik moet er, als het donker is,

tastend mijn weg vinden.

Ik ben bij den consul ontboden, die op den man af tot mij zei:

"Het Maghzen heeft een klacht tegen u ingediend wegens schending van

een moskee."

Nu was die klacht ingekomen bij alle gezanten en consuls tegen een

niet nader aangewezen Christen, die in arabische kleeding een moskee

zou zijn binnengegaan; er werd niet bij gezegd, welke moskee, evenmin

als de nationaliteit van den Christen was opgegeven. De klacht had

zoo weinig beslist betrekking op mij, dat de consul, eer hij mij liet

komen, al twee andere toevallig in Fez verblijf houdende landgenooten

van mij had ondervraagd. Maar daar hij de waardigheid van rechter

van instructie bekleedde, moest hij wel onwaarheid spreken, ten einde

achter de waarheid te komen.

Ik bepaalde mij ertoe, beleefd te glimlachen om zijn lichtgeloovigheid,

die hem de fabeltjes en de grofste leugens van het Maghzen ernstig

deed opnemen. Hoe had hij den schijn kunnen aanvaarden, van maar een

enkel oogenblik te gelooven, dat het voor een Christen mogelijk zou

wezen, de waakzaamheid te verschalken van de Mohammedanen, die er te

zeer op gesteld zijn de ontheiliging van hun tempels te voorkomen,

om de toegangen niet angstvallig te bewaken. Hoe kon hij geacht

willen worden, niet te weten dat, zoo die tempelontheiliging ooit

had plaats gehad, de tempelschender niet levend het heiligdom zou

hebben verlaten? Maar het Maghzen had waarschijnlijk behoefte aan een

incident. Door zulke geruchten in de stad te verspreiden, hoopte het

misschien, de nationale dweepzucht in het harnas te jagen. De valstrik

was te grof voor de bewoners van Fez. Maar de diplomaten leenden zich

ertoe, en dat ze aan de marokkaansche regeering de voldoening gaven,

er een geval van te maken, was bijna nog kinderachtiger dan de list

van de viziers.

Voor de laatste maal zet ik mij neer in de schaduw van een dal in de

nabijheid der stad. Een soldaat gaat juist voorbij, en daar hij mij

alleen ziet, acht hij het oogenblik geschikt om wat van mij gedaan

te krijgen: "Ga vlug naar huis!" zegt hij, "ik heb daar even vijf

gewapende mannen ontmoet, vijf dieven, die van de bergen komen en in

deze richting gaan!"

Ik lach wat om hem en noem hem een lafaard. Toen gaat hij staan

tegen de leuning van de brug en wijst mij op zijn lompen, onder het

uitsteken van de hand. Ik geef hem twee piasters. "Zid!" zegt hij,

"doe er nog wat bij!"

"Maar dat is bijna zooveel als de sultan je per dag geeft!"

Hij glimlacht en herneemt: "Zid! en God zal u zegenen!"

Ik geef nog een piaster, een enkele, ofschoon hij beweert dat hij er

graag vijf wou hebben. Zeker evenveel als de bewuste vermeende dieven.

Bij den Bab-el-Djedid zegt de officier op wacht, die er in de schaduw

zat te dommelen op zijn matje: "Houd uw oogen open! Buiten de muren

is het vol van dieven!"

Dan vraagt hij mij: "Is u in dienst bij het Maghzen?" Neen, de

regeering betaalt u niet. Waar hebt u dan het geld van? U is gekleed

als een Muzelman? U is een Muzelman? Nee? U is Christen? Sidi Aïssa,

de heer Jezus is uw profeet?--Maar dat is geen profeet. Wat dan?"

"Hij is God zelf."

"En als gij voorbij een moskeepoort of een koebba gaat, treedt ge er

dan binnen?"

"Nooit van mijn leven! Ik wil dat niet! Ik ben een Christen."

"Gij kent wel Moelai Idriss?"

"Zijn naam wel, maar zijn moskee niet."

"U heeft soms in de straten van den bazar geloopen, die dichtbij die

moskee zijn?

"Gij weet wel, dat dit niet mogelijk is, omdat de Mohammedanen het

niet toelaten."

"U is een vriend. Wees welkom. Ga hier zitten."

En toen hij mij gevraagd had, hoe laat het was, vraagt hij mij, hem

mijn horloge te geven. Daar de schatkist van zijne Majesteit Abdel

Aziz bijna altijd ledig is, zijn de officieren genoodzaakt hun soldij

aan te vullen op alle manieren....

Het is middag. Ik gebruik de thee met Abbas. Ik hoor in het straatje

een begrafenisgezang. Er zal een stoet voorbijgaan. Ik sta op om te

kijken. "Neen neen!" zegt Abbas. Toen ik toch verder ga, roept hij

den portier toe, de deuren te sluiten. Mijn blik zou een beleediging

geweest zijn voor de godsdienstige plechtigheid. Een andere kleine

gebeurtenis toont aan, hoe streng de Mohammedanen hier zijn en Abbas

in het bijzonder. Op een dag komt de bekeerde Mansoer bij mij op het

uur van den maaltijd. Hij eet mee. Hij neemt een vork, maar Abbas

rukt hem die uit de handen. Eten met een vork, dat is eten op de

manier der Christenen.

Toen ik thee gedronken had, verzoekt Abbas mij te komen bij Sidi

Mohammed, die mij met het ontbijt wacht. Sidi Mohammed, die met

zijn vingers eet, noodigt mij uit, hetzelfde te doen, en daar hij

een wijsgeer is, legt hij mij uit, dat het natuurlijker is. Waarom

loopt hij dan niet zonder kleêren?

Het huis van mijn gastheer is smal en hoog. Een bochtige gang leidt

naar een plaats, waar de balkongalerij van de eerste verdieping door

pilaren wordt gedragen. Eene zijde van de plaats is de muur van het

naaste huis. Een soort van buitensalon wordt gevormd door een deel van

de plaats. De beide andere zijden komen beide uit op een ontvangkamer,

die gewoonlijk door de groote deuren is afgesloten. De plaats en die

beide vertrekken zijn geplaveid met gekleurde tegels.

Daar ik morgen moet vertrekken, en daar een deel van mijn bagage al

naar boven is gebracht, naar Fez-el-Djedid bij mijn ezeldrijver,

geeft Sidi Mohammed mij voor dezen dag en den volgenden nacht een

onderkomen in een der benedenkamers. Hij toont mij hoe de deur wordt

gesloten en stelt den sleutel mij ter hand. Hij zegt tot Mansoer en

Abbas, dat ze hier den nacht moeten doorbrengen, om mij den volgenden

morgen vroeg te kunnen vergezellen. Maar hij geeft mij te verstaan,

dat ze op de binnenplaats zullen slapen en dat ik alleen in de kamer

zal wezen. Het zal wel goed zijn, dat ik den grendel verschuif, want

"het vertrouwen!.... het vertrouwen!..." En hij schudt het hoofd...

Terwijl ik nog met Sidi Mohammed aan tafel zit, komen eenige vrienden

hem bezoeken, en onder hen herken ik een Arabier, Raschid, die eenige

dagen geleden mij had aangesproken en gezegd had, dat hij mij wel eens

in Alexandrië had gezien. Hij behoort tot een illustere familie uit

Medina, zegt Sidi Mohammed, en is in Indië, Syrië, Turkije en Egypte

geweest. Hij is hier sinds twee maanden en blijft nog een maand, om

de zaken in Maghreh, Marokko, te bestudeeren en van nabij de politiek

na te gaan.

Hij is stellig een van die geheime boodschappers, die onophoudelijk

door de geheele wereld trekken onder de Mohammedanen, agiteerend,

en bevelen en berichten overbrengend, werkzame agenten voor de

godsdienstige propaganda onder de volken van Azië en Afrika. De Mooren

die hem vergezellen, zijn aanzienlijke personen, die mijn gastheer met

ontzag behandelt, maar die mij niet groeten, noch met mij spreken. Wij

zitten op den grond op hetzelfde tapijt; wij raken elkaâr bijna aan,

en toch zijn onze zielen door meer dan één afgrond gescheiden.

Hoe ik een week te Fez doorbracht De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 2 / 3 段