Dat is aan den anderen kant van Fez. Als men voorbij een mos

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

HOE IK EEN WEEK TE FEZ DOORBRACHT.

Naar het Fransch van Jean Marlys.

Als men te Fez aankomt na een reis door het dal, dat er van Rabat

heen leidt, maakt de stad den indruk van bijzonder klein te zijn, en

ze blijft maar nietig achter haar grijze muren, wanneer men dichterbij

komt. Aan de linkerzijde verheffen zich de lange wallen van een kasbah,

eindigend in een soort van bastille, die een verzwakte nabootsing

lijkt van het kasteel der Zeven Torens te Stamboel, zooals de bijna

zwarte, gekanteelde en versterkte muren denken doen aan de wallen

van Konstantinopel, en de doodsche, onbewegelijke populieren aan de

cypressen der turksche kerkhoven. Ik zie in de wallen ook een groote,

versterkte poort, zooals die in de hoofdstad van den anderen sultan,

en ik voel mij als in de tegenwoordigheid van een klein Konstantinopel,

waar de zee zich van heeft teruggetrokken.

Ik kan alles onderscheiden aan het stadje, al wat het heeft te

vertoonen, hooge minarets met groen aardewerk, op de muren aangebracht

als glazuur, de daken, met groene pannen, van de heiligdommen en die

van het witte Sultans-paleis; grijze terrassen en door den tijd zwart

geworden muren, met hun diepe kanteelen en spitse punten; vierkante

torens, met hooge, toegespitste daken. Een stukje van het dal is door

een tweeden muur omgeven, ter bescherming van de keizerlijke tuinen.

Het geheele landschap is zoo rustig en stil in de verlaten ruimte,

dat het niet meer werkelijk schijnt dan die schilderijen van de

Primitieven, waar men dergelijke vestingen op ziet in juist zulke

verlaten oorden. Het lijkt een werk uit de Middeleeuwen, en daar ik

weet, dat dit schilderij echt is, objectief waar, zeg ik tot mij zelven

tegenover die stille stad en de verlaten omstreken, dat het zeker

een stad moet wezen, lang geleden al eenzaam achtergebleven en nu uit

niets anders bestaande dan uit oude muren, asch en herinneringen, en

dat ik alleen zal ronddwalen in het een of ander Pompeji van den Islam.

Wij rijden door de buitenpoort, door een tweede monumentale poort,

met veelkleurig aardewerk versierd over een onmetelijk binnenplein,

eenzaam tusschen hooge muren, weer een kolossale poort, bedekt met een

ingewikkeld samenstel van tegels, een soort van rondloopenden weg,

een plein, waar kooplieden kampeeren in kleine tentjes.... nog weer

poorten; ik heb daarbij niets anders gezien dan enkele menschen,

in schaduwhoeken op den grond gezeten, en een paar menschelijke

gedaanten, die zwijgend en haastig voorbij mij gingen; we zijn in

een klein straatje gegaan, en een grijsaard in rooden kaftan heeft

"Salam!" tot mij gezegd.

Mijn muilezeldrijver is naar hem toe gegaan, heeft zijn hand gekust,

zijn borst, zijn schouders, zijn voorhoofd; en de man liet zijn zoon

begaan, zonder eigenlijk een oogenblik op te houden met zijn werk,

het begieten van bloemen. Vrouwen kwamen kijken uit naburige huizen,

wisselden een salam met den ezeldrijver en daarna zijn zijn vrienden

gekomen, en hij liet mij binnentreden op de plaats van zijn huisje. Een

priëel van wingerdbladeren en een groote vijgenboom waren er te zien;

er was ook een bank, zoo groot als een ledikant, en waar de kleine

tegels van aardewerk gekleurde vierkantjes op legden, groen en wit,

geel, blauw en zwart. En ik gebruik er de thee in de schaduw van den

vijgeboom en den wingerd, onder het geruisch der wateren, die achter

een muur voorbij stroomen.

Ik laat een individu komen, van wien men mij heeft gezegd, dat zijn

diensten mij nuttig zouden kunnen zijn, om mij te installeeren. Hij

antwoordt op den naam van Mansoer, is een Christen, die mohammedaan

is geworden en die niet voor zijn vroegere geloofsgenooten den

haat gevoelt, dien zijn tegenwoordige medegeloovigen tegen hen

koesteren. Hij geleidt mij naar de mellah of joodsche wijk, terwijl hij

moeite gaat doen voor het vinden van een huis, dat ik zal kunnen huren.

Deze geheele wijk, waarlangs ik de stad ben binnengekomen, heet

Fez-el-Djedid, het Nieuwe Fez, en bevat de paleizen en vestingen van

het Maghzen, verder een arabische en een joodsche wijk. Dat alles is

nu ontwaakt uit de verdooving van de beide eerste uren na den middag;

ik had er een inval gedaan tijdens den zwaren slaap van den dag; maar

zij is ontwaakt, de nieuwe wijk, en op de binnenpleinen is het vol,

en druk zijn de straten en markten. Er zitten veel menschen tegen

de muren en anderen stroomen naar de markt, waar een rieten dak zich

over uitbreidt.

Mansoer houdt mij staande in een nauw straatje van de mellah vóór

een lage deur; als we den drempel over zijn en den hoop vuil bij den

ingang hebben vermeden, volgen we een gang met een bocht, loopen over

een plaatsje en treden binnen in een klein vertrek, waar een jood

drank verkoopt; verboden alcoholisme is in Fez zeer verspreid, en

de man vertelt mij, dat hij veel afnemers heeft onder de getulbande

heeren. Een jood is zacht binnen gekomen; hij zit op den drempel,

en zegt tot mij in mijn eigen taal: "Als ik bij een Spanjaard ben,

beweer ik Spanjaard te zijn, en als ik met een Franschman ben, noem

ik mijzelven Franschman." Een neger komt op het plaatsje en laat zich

een glas anisette geven. Twee jodinnen uit het huis schreeuwen luid

om een mes, dat ze zeggen dat hij haar heeft ontstolen, en terwijl

hij zijn anisette staat te drinken, schudden ze zijn kleeding uit,

zijn djellaba, zijn tulband, zijn muilen, snuffelen in zijn knapzak,

maar vinden het mes niet. Maar als de neger wil betalen, heeft hij

zijn beurs niet meer bij zich. Koeltjes maakt de verkooper zich

meester van de mand met doove kolen, die de neger droeg, en zet den

klant op straat met de woorden: "Kolen zijn tegenwoordig duur; dit

zal mij voldoende schadeloos stellen."

Daarna brengt Mansoer mij bij een algerijnschen Turk, een van zijn

vrienden. Hij weet geen onbezet huis, waar ik zal kunnen wonen. De

buitengewone gezanten, die op 't oogenblik te Fez zijn, logeeren in de

weinige, gewoonlijk beschikbare huizen. De vriend van Mansoer voegt

erbij: "Wees maar niet rouwig erom, als u dat misschien noodzaakt

vroeger te vertrekken; de Mooren zijn een akelig volk, ik veracht

ze!"--"Waarom dat?"--"Omdat het Arabieren zijn!" De rasvijandschap is

diepgeworteld en scheidt den Arabier, die semiet is, van den Turk,

die tot het blanke ras behoort. De Turk voegt erbij: "Wij hebben

intusschen denzelfden godsdienst..." Hij praat inderdaad over zijn

"geloofsgenooten", hetgeen hem niet belet, mij spontaan te bekennen,

dat hij noch aan God, noch aan den Duivel gelooft. Zoo doet hij

mij levendig beseffen, welke verandering er in den Mohammedaan zich

voltrekt, als hij aan den modernen invloed wordt onderworpen. Hij

verliest zijn oorspronkelijk geloof; maar blijft Mohammedaan, dus

van zijn geloof toch hater van de Christenen.

Fez-el-Bali, door de keizerlijke tuinen gescheiden van Fez-el-Djedid,

is de echte stad, een reuzenmierenhoop, verscholen in de diepte van

een smal dal, ingesloten tusschen de steile hellingen der bergen. Komt

men te Fez langs den weg van Mequinez, Tanger of Rabat, dan ziet men

slechts het kleine Djedid, hoog in het dal gelegen op een drempel,

die de plotselinge inzinking verbergt, de soort van kloof, waar het

zeer groote Bali is gelegen met zijn opeenhooping van huizen en zijn

wirwar van straatjes. Het weinige, dat ik er nog slechts van gezien

heb, geeft mij den indruk van de wonderlijkste der arabische steden,

en wat ik van de omstreken heb waargenomen, van af de hoogte van

een kerkhof, lijkt wel met zijn muren, zijn minarets en bergen,

de allermooiste en origineelste.

Maar vandaag mag ik die bekoring niet op mij laten werken; ik moet

allereerst denken aan hoe ik zal wonen. Ik kan niet goed nog weer een

nacht logeeren bij mijn ezeldrijver. Ik ga dus in de buitengewone

warmte, die sedert den morgen heerscht, omhoog naar Fez-el-Djedid,

waar de edele Mansoer woont. Over het breede, in de zon brandende

plein Boe Jeloed, door hooge muren ingesloten, die aan den eenen

kant de keizerlijke tuinen beschermen en aan de andere zijde den

omtrek der stad begrenzen, loopend, vind ik, dat de achterkant

van het plein afgesloten is door een zeer vervallen wal, waarin

een poort uitkomt op een in het rond loopenden weg naar de kasbahs,

naar de paleizen van het Maghzen, naar de straten van Fez-el-Djedid,

naar de mellah en naar de poort van Mequinez, Tanger en Rabat. Er is

altijd levendige drukte op het Boe Jeloedplein, dat als een rechthoek

ligt tusschen Fez-el-Djedid en Fez-el-Bali. Aanzienlijke Mooren, in

burnoes en haïks gewikkeld, begeven zich, op hun muildieren gezeten,

naar het paleis van Moelai Abdel Aziz.

Mansoer is vele jaren aan het hof verbonden geweest. Hij bekleedde er

een zeer weinig nauwkeurig omschreven ambt, dat twee jaar lang bestond

in het in ontvangst nemen van vier peseta's per dag, en twee verdere

jaren in het ontvangen van slechts twee, en hoewel hij zich van zijn

taak kweet, zonder ooit het minste verwijt te verdienen, viel hij

op een dag in ongenade en hij werd ter beschikking gesteld. Mansoer

heeft zich toen doodeenvoudig als geneesheer gevestigd op den hoek

van Fez-el-Djedid. En daar ga ik hem opzoeken, nadat ik de groote,

door hooge muren ingesloten, brandend heete pleinen ben overgestoken,

waarover zich elken morgen de Mooren naar het hof begeven, in hun

fijne burnoes en doorschijnende haïks gehuld, gezeten op muildieren

met roode kleeden bedekt, en begeleid door dienaren, die naast hen

te voet voortdraven.

Mansoer verzekert mij, dat het ook hem niet gelukt is, een huis

voor mij te vinden, zelfs geen kamer in een arabische fondoek of

herberg. Het is afgesproken, dat hij niet zal zeggen voor wien

hij vraagt, want de Mooren zouden weigeren aan een Christen te

verhuren. Na al die vergeefsche pogingen heeft Mansoer alleen nog

hoop in een rijken inboorling, beschermeling van Europeanen, wien

hijzelf, Mansoer, onlangs hulp heeft verleend. Wij gaan daar dus heen,

beneden in Fez-el-Bali, achter de moskee van El-Karoeiyn. Sidi Mohammed

ontvangt mij zeer vriendelijk en zendt dadelijk zijn bediende naar twee

fondoeks. Er wordt geantwoord, dat alle kamers bezet zijn. Dan belooft

hij, zelf dien avond te gaan zoeken en morgen antwoord te geven.

Den volgenden dag al vroeg ga ik naar Sidi Mohammed. Hij is niet

geslaagd. De meester van de fondoek wil geen Christen herbergen, uit

vrees voor zijn klanten, zijn buren en de autoriteiten. Toen stelt Sidi

Mohammed een vertrek te mijner beschikking; niet het allerbeste, dat

het zou kunnen zijn, want het is maar een donker kamertje, uitziende op

het gewelf dat naar de stallen leidt, maar hij wil het niet verhuren;

hij biedt het mij aan. Eindelijk ben ik uit de verlegenheid, en al is

dit heel iets anders dan wat ik zou wenschen, ik ben dan toch in het

hartje zelf van de oude stad Fez-el-Bali, op twee pas afstands van

de moskee-universiteit Karoeiyn, die voor Marokko is wat El-Ahzar als

geleerdenschool voor Kaïro is. Ook ben ik dicht bij het oude heiligdom

van Moelai Idriss, schutspatroon van Fez, waar een Christen niet

dichtbij mag naderen en waar de straten van den bazar elkaar kruisen.

Terwijl wij door de donkere straatjes loopen, komen we een troep

kinderen tegen, die luid schreeuwen. Zij omringen een der hunnen en

schelden hem heftig uit. De arme stumper loopt met moeite. Een groote

bos hout is om zijn linker enkel gebonden. Zijn vader houdt hem vast

en dwingt hem, voort te gaan onder het gescheld. Zoo wordt het kind

gestraft met een openbare straf, omdat het uit huis is weggeloopen.

Wat verder zingt een troepje kinderen in koor; ze geleiden een os,

dien ze als offer willen brengen naar Moelai Idriss, en ze vragen aan

liefdadige menschen aalmoezen, waarmeê ze het dier willen betalen;

vier van hen houden de punten van een grooten doek, waarin men de

gift kan storten.

Ik stijg al hooger, nu door de aristocratische wijk, waar de kleine

straten tusschen hooge muren zijn ingesloten, behoorend bij de huizen

en de tuinen; de zon, die de diepte niet bereikt van het dal, waarin

Fez-el-Bali zich verschuilt met zijn handelswijken en zijn bedehuizen,

schiet loodrecht haar stralen neer op deze hoogte, waar de rijke

lieden wonen. En toen wij door de Bab-el-Hadid de stad verlieten,

om den weg te volgen die naar buiten leidt en naar Fez-el-Djedid

en de mellah, is het als een uitstorting van verblindend licht en

overweldigende hitte. Maar het landschap is zoo mooi, dat men bijna

den hinder van de warmte vergeet. Vóór mij ligt een berghelling,

bedekt met rijke wijngaarden, waar beekjes door stroomen, die in

watervalletjes neer huppelen naar de wadi, verborgen in een smal

dal. Aan den overkant verheft zich de bodem plotseling in een anderen

berg, badend in het zonlicht, waar alleen enkele olijvenboschjes den

naakten grond bedekken.

Wij zijn in de mellah terug. Door het gewriemel van de volte der Joden

hebben we de kleine, lage poort bereikt, zijn de trappen afgegaan

bij den hoop afval en hebben over het plaatsje den herbergier weer

ontmoet. Er zit een neger op de matten. Hij heeft een glas anisette

geledigd en houdt bewonderend in zijn hand een groot glas, gevuld met

een mengsel van anisette en absinth. Hij kijkt er naar. Hij verschuift

het oogenblik van genot, zoo groot is dat en zoo kort van duur! Hij

houdt het glas met beide handen vast, heft het hooger, ziet er lang

naar. En hij zegt: "La ilaha, ill'Allah, Mohammed rassoel Allah; er

is geen God dan God en Mohammed is zijn profeet." En hij herhaalt:

"La ilaha, ill'Allah Mohammed rassoel Allah!" En hij herzegt het een

aantal keeren. Dan heft hij het glas weer omhoog tot aan zijn lippen;

hij wacht; hij brengt het dichterbij; zijn heele gezicht dompelt

zich erin en blijft er, tot hij het glas heeft geledigd. Dan stoot

hij een zucht van zaligheid uit en mompelt: "Er is geen God dan God

en Mohammed is zijn profeet," en na te zijn opgestaan, begint hij te

dansen, met het glas te jongleeren, te schreeuwen, te huilen....

Den geheelen verderen dag besteed ik aan boodschappen, ter regeling

van de bijzonderheden voor mijn woning. Des avonds brengt Sidi

Mohammed mij een schotel koeskoes, en hij zegt tot mij: "Ik ben noch

Mohammedaan, noch Christen. De godsdiensten hebben haat onder de

menschen gebracht. Ik houd mij aan den natuurlijken godsdienst; ik

geloof aan God en dat alle menschen zonen van Adam, broeders zijn." Ze

vermaakt mij, die geloofsbelijdenis van iemand, die hier Voltairiaan

is geworden, die taal in den mond van een man, die een rooden tarboesj

draagt, een gele broek en een blauw vest. Hij heeft om het lijf de

patroontjes van het islamietisch geloof en in het hoofd de vergeten

formules van een andere eeuw. En hij meent dat hij zeer modern is.

Den volgenden morgen ging ik, nog europeesch gekleed, door de

hoofdstraat, die door geheel Fez-el-Bali loopt van af de heiligdommen

van Karoeiyn en Moelai Idriss tot aan de muren der kasbahs en paleizen,

tot aan Fez-el-Djedid. En een kind van een jaar of tien zegt bij

mijn voorbijgaan: "Noesrani akhor! weer een van die christenen!" wat

een manier is, om hun minachting uit te drukken, in geheel Marokko

in gebruik, als men een Christen ontmoet. Een weinig hooger in de

hoofdstraat geeft een kleintje van misschien drie jaar mij een stomp

tegen mijn kuit. Ik draai mij om: "Nakoelek! ik zal je opeten!" Het

kind schreeuwt van schrik en barst in schreien uit.

Toen ik weer thuis was gekomen, wierp ik mijn europeesche kleeding

weg--eindelijk! Met blijdschap trek ik den kleurigen kaftan aan, om het

midden vastgemaakt met een lederen ceintuur, waar dik zijden borduursel

op is aangebracht, en hul mij in den haïk, die zijn sneeuwwitte plooien

om mij hangt en zijn fijn doorschijnend waas. En de dochters van Sidi

Mohammed buigen zich boven over het terras, om te zien, hoe ik mijn

toilet voltooi op het plaatsje. Waarlijk Sidi Mohammed heeft mij een

grooten dienst bewezen, door mij dit toevluchtsoord aan te bieden,

hoe onvoldoende het ook moge zijn, en ik ben hem veel verschuldigd, hem

die in het geheel geen verplichting aan mij had, en zonder wiens hulp

ik in de open lucht had moeten blijven, of Fez had moeten verlaten,

of, wat nog erger zou zijn, had moeten logeeren in de mellah.

Maar om zijn gastvrijheid in het juiste licht te zien, moet men

niet vergeten, dat hij mij niet ten zijnent ontvangt, maar in een

nevengebouw van zijn huis, in de donkere ruimte, waar de roode zadels

waren opgeborgen en die uitziet in de duistere, overwelfde gang, van

de straat leidend naar de plaats van de stallen, zoodat onze wijsgeer

met zijn humaniteit de grenzen niet overschrijdt, die hem tot zijn

medegeloovigen zullen kunnen doen zeggen, dat hij een Christen een

onderkomen heeft gegeven, maar bij zijn paarden. Hij heeft mij nog

zelfs niet uitgenoodigd, den drempel van zijn huis te overschrijden

en bij hem te komen theedrinken in zijn gezelschap. En toch moet men

niet zeggen, dat zijn liefdadigheid niet verder gaat dan de Islam,

want de Mohammedanen van hier zouden zelfs dat niet doen, en om

zich zonder gevaar te kunnen permitteeren zoo wijsgeerig te wezen,

moet deze man als marokkaansch onderdaan wel de beschermeling zijn

van een christelijke mogendheid.

Sidi Mohammed wil, dat alleen menschen, die hij kent en waar hij

zeker van is, toegang tot zijn huis hebben en daarom heeft hij

mij een anderen bediende gekozen. Hij verzekert mij, dat ik in hem

volledig vertrouwen kan stellen. Laat ons het hopen; het is de eigen

schoonzoon van den rijken Sidi Mohammed. Wat gaat het wonderlijk toe

in de familiën van Mohammedanen! De zoons der rijken zijn vaak gekleed

als lieden van zeer geringe afkomst en ze gaan in dienstbaarheid. Toen

ik te Marrakesj dejeuneerde bij Sidi Kassem, die meer dan eenmaal

millionnair is, was degene, die ons bediende en dien ik voor een

slaaf hield, de zoon van den gastheer, en aan het middagmaal, dat

mij even vóór mijn vertrek werd aangeboden, at diezelfde zoon na

ons op de binnenplaats met de muzikanten en bedienden. De zoons van

Sidi Abder Rahman, van wie de oudste ongeveer 25 jaar was, aten op de

plaats bij de keuken met de slaven. Den eersten dag, dat ik te Rabat

was, had die jonge man, die zich een berisping op den hals haalde,

omdat hij met een Christen had gepraat, mij het huis van zijn vader

laten zien, een der mooiste van Rabat, had mij gezegd, dat hij taleb

of student was, en had mij gevraagd, of ik hem als bediende wilde

aannemen. De schoonzoon van den rijken Sidi Mohammed heeft gisteren

voor mij gekookt, van morgen heeft hij de thee voor mij bereid, heeft

een paar piasters als fooi aangenomen, en is tegen tien uur uit het

huis van zijn schoonvader gekomen met een bord van geëmailleerd ijzer,

waarop zijn ontbijt, dat hij gebruikte in een hoekje van den stal. Hij

lijkt zoowat dertig jaar.

De vader wordt over het algemeen in oostersche gezinnen meer gevreesd

dan bemind; een grijsaard heeft vaak kinderen van twee jaar en van

veertig, oude en jonge vrouwen; de vrouw weet nooit, of ze niet zal

worden weggezonden; ze heeft een meester, geen echtgenoot, zooals ook

het kind een heer heeft, geen vader. Hoe men ook moge denken over deze

overmaat van gezag, en al noemt men dien toestand onrechtvaardig en

onzedelijk, het blijft waar, dat in gezinnen, die volgens den Koran

leven, dit despotisme het element van duurzaamheid is, de kracht,

die maakt dat, ondanks de ontbindende werking van de polygamie,

de mohammedaansche maatschappij bestaan kan.

Sidi Mohammed vertelt mij, dat hij overeengekomen is met een Moorsche,

dat ze mij te eten zal geven voor drie peseta's en 65 piasters per dag,

haar loon erin begrepen; ze heeft, schijnt het, vier jaar lang voor

een Italiaan gekookt. Ik veronderstel, dat zij eenvoudig een slavin van

Sidi Mohammed is, die als logementhouder, restaurateur en philanthroop

een middel heeft gevonden, om zijn beginselen met zijn belangen te

vereenigen, en tevens den natuurlijken godsdienst en de algemeene

broederschap met zijn semietische instincten, den handelsgeest en de

zucht naar winst. Inderdaad worden mij de maaltijden rechtstreeks uit

het huis van Sidi Mohammed bezorgd, gedragen door zijn schoonzoon,

die mij bedient, de borden wascht en de kamer stoft met een ijver,

die op een belooning wacht.

Als men van den daldrempel, waarop het Sultanspaleis, Fez-el-Djedid

en de mellah liggen, naar Fez-el-Bali afdaalt, krijgt men den indruk,

in onverwachte diepten van de een of andere kloof te komen, waar

de huizen zich ophoopen en zoo dicht staan, dat ze haast de lucht

verduisteren. De hoofdstraat, die men volgt, wringt zich langs de

steile helling. De winkels en de menschenmassa worden al talrijker,

en telkens weer hoort men den kreet: "Balak! Pas op!" Er gaat op zijn

grooten muilezel met roode schabrak een ruiter voorbij, gehuld in

een haïk met zijden strepen of in een wapperenden burnoes, en veel

kleine, vlugge ezeltjes onder zware lasten gebukt, zouden u kunnen

plat drukken tegen een muur, als ge niet voorzichtig zijt. De menigte

wordt zeer dicht, vooral op bepaalde uren in het hart van den bazar,

bij Moelai Idriss en in de laantjes onder het traliewerk van wingerd

en rieten vlechtwerk. Er is overal schaduw en beweging. Verdiepingen,

die vooruitsteken in de straatjes en de hoogte der huizen, die zoo

trachten te herwinnen, wat ze aan oppervlakte te kort komen in deze

stad, tusschen de bergen ingesloten, maken, dat de zon nooit tot

op den grond toe kan schijnen en dat een goed deel van haar licht

onderweg hangen blijft. Wanneer men door de wijk der tuinen opgaat

naar den kant van Bab-el-Hadid, lijkt het, of men uit een put komt.

Ik ben door den Bab-el-Hadid uit de stad gegaan en ben den weg

ingeslagen, die te midden van hagen loopt door de groote tuinen,

waar het water murmelt. Beekjes vormen watervallen onder het dichte

loof van vijgeboomen en granaatappelboomen. Ik heb één ervan gevolgd

langs een pad, dat mij bracht te midden van de tuinen; groote vakken,

beplant met munt waarvan men als thee zooveel gebruik maakt, ruiken

heerlijk, en de vijgen, de cactussen, het riet, de moerbeiboomen, de

citroenen en granaatappelen zijn in zoo groote weelderigheid gegroeid,

dat het soms een dicht kreupelbosch is geworden, vooral waar plotseling

een kloof zich voordoet. De beek valt er in neer als een waterval,

waar men niets van ziet, zoo verborgen is ze onder het gebladerte. Op

den achtergrond maken de boomen te zamen een donkere afsluiting,

waar men geen soorten in kan onderscheiden. En verder gaat het zoo

tot aan de wadi, altijd dat donkere groen, waarin bijna tot aan den

top verdwijnt het witte paleis van dien Engelschman, die ondernemend

genoeg is geweest, om zich in Marokko te vestigen en er is geworden

de kaïd Mac Lean. Daarachter rijst het groote gebergte, welks rossige

wanden maar even bedekt zijn door olijvenbosschen en bespikkeld zijn

met heiligdommen en graven. Welk een schoon land! Alles schijnt erop

gemaakt, om er u gevangen te houden. De begrenzing door hooge bergen,

zoo hoog, dat men niet gelooft er overheen te kunnen komen en zoo

dichtbij, dat men alleen kan kijken naar wat in de onmiddellijke

nabijheid is, geeft den indruk van opgeslotenheid, maar dan in een

paradijs van licht en groen en water, waar men alles heeft, wat men

wenschen kan.

Doch ik moet nog gaan door de kleine handelsstraten, die van de

moskee-universiteit Karoeiyn leiden of van de moskee van Moelai Idriss

naar de Bab-el-Gissa.

Dat is aan den anderen kant van Fez. Als men voorbij een moskee is

gegaan, waarvan de muren bewerkt zijn in de grootste verscheidenheid

van kleuren met die slingers van rood en blauw en geel en groen

en goud, die de wonderlijkste figuren vormen en tot rozetten zich

vereenigen, daarna een kleinen donkeren stroom is overgestoken, dan de

hooge poort heeft gezien, met punten erop van geschilderd hout van een

andere moskee, eindelijk dicht langs de poort is heengegaan, blijft er

niets anders te doen, dan te bewonderen, hoe Fez zich daar uitbreidt

in haar kader van bergen, dan op te klimmen tusschen de graven tot den

top van een versterking, waar de laatste stukken muur van een paleis

bezig zijn te vervallen. Daar ligt de geheele stad in haar smal en

diep dal en bedekt een verbazende oppervlakte, van daarginds, die

groene vlek van tuinen bij het dal der wadi Seboe tot den zeer hoogen

drempel, waarop het Sultanspaleis en het nieuwe Fez zijn gelegen.

Enkele paleizen steken trotsch omhoog, als dat van El-Menebbi; dan

de rijke woningen van de tuinenwijk; iets meer naar buiten, in zijn

park van maagdelijk woud, het paleis van Mac Lean en in de stad de

minarets van de moskeeën en vooral de groote daken met groene pannen

van Moelai Idriss. Aan mijn voeten gaan de half ingestorte wallen der

stad langs en boven een ravijn, beboscht met olijven en bedekt met

aloës, en daarachter verheft zich dadelijk de berg, die de stad als

een gordel insluit en als een onoverkomelijke hoogte. Toch bestaat er

een uitgang aan den tegenovergestelden kant van den drempel waar het

nieuwe Fez ligt. De doorgang namelijk, het diep uitgeholde ravijn,

waar Fez-el-Bali zich verschuilt, is open aan de overzij, aan het

andere eind van het mooi groene dal der wadi Seboe. Maar het oog

dringt dan ook niet verder door, want een gebergte dat nog hooger is,

verbiedt voorbij Fez, de stad der droomen, te kijken.

Sidi Mohammed heeft zijn schoonzoon Abbas verboden een dagloon

te ontvangen; maar hij zal niet weigeren, als ik hem bij mijn

vertrek zal willen betalen, neen, een geschenk in geld zal willen

aanbieden. Hij stelt voor den dag dat het mij zal passen, te mijner

beschikking zijn eigen muilezel, opdat ik een zijner goederen zal

kunnen bezoeken, om van daar te stijgen naar den top van een berg,

die van Fez en de omstreken het uitgebreidst panorama aanbiedt. Hij

heeft veel grondbezit. Ik zie dikwijls zijn ondergeschikten aankomen,

om met hem af te rekenen, en er barsten soms op straat of onder het

gewelf der stallen van die plotselinge en heftige gesprekken uit

over geld, waarbij elk der partijen een keel opzet van belang. Dat

komt toch in Marokko veel voor, zoo'n onverwachte heftige twist,

die eindigt zooals hij begon, op eens; men staat er verbaasd van,

dat de kijverij opkomt en verdwijnt zonder reden, naar het schijnt,

maar altijd is er dan quaestie van geld.

Gisteren morgen kreeg een rijke fazi, inwoner van Fez, dien ik bijna

elken dag voorbij zie gaan op zijn grooten ezel, met een roode

schabrak gedekt, het aan den stok met een slecht gekleed persoon

over geld. Men zou, als men hen zag en hoorde, meenen, dat zooveel

vijandschap op niets anders kon uitloopen dan op een vechtpartij;

maar het loopt altijd nog al gauw en goed af.

Ik ga met Mansoer weer naar boven en hij brengt mij nu ten

zijnent. Daar het feest van Moelai Idriss aanstaande is, den

schutspatroon der stad, ontmoet men overal troepen straatjongens,

die bedelen om geld te krijgen voor het offeren van kaarsen en

ossen; sommigen loopen door de straten, anderen staan op post bij de

kruispunten der straten, en allen vallen de voorbijgangers lastig. Hoe

hooger men komt naar Fez-el-Djedid, des te warmer wordt het; de hitte

wordt overstelpend tegen de hooge muren der keizerlijke tuinen,

der kasbahs en paleizen; zij vloeit vrij uit in de straatjes van

Fez-el-Djedid, door lage muren ingesloten; de huizen staan er verder

uiteen en zijn kleiner; ze hebben slechts één verdieping en de bewoners

zijn arm; de rijke fazi's houden liever een zekeren afstand tusschen

den Sultan en hun eigen huizen, want ze weten, dat zeer hooge muren

wel schaduw geven, maar ook in de schaduw stellen.

Mansoers huis bestaat uit een kamer en een binnenpleintje. Hij

stelt mij zijn wettige vrouw voor, die in chronologische volgorde

de negentiende is; zij draagt over het witte onderkleed een donker

violetten kaftan, die korter is; daarover een oranje kaftan, nog

korter; dan een feradja van mousseline; een oranjezijden doek bedekt

het hoofdhaar, dat op den rug neerhangt in twee lange, dikke vlechten,

met zijden draden doorvlochten. Ze heeft mooie, amandelvormige oogen,

een zeer ovaal gezicht, een rechten neus, een mond, die wat te groot

is, een blauw tatoeagetje op de kin en nog een tusschen de wenkbrauwen,

kleine voeten, ondanks het gebruik van sandalen, met de nagels door

henneh rood gekleurd, juist als de nagels der handen.

Mansoer heeft mij al eens gezegd als waarschuwing tegen een van zijns

gelijken, Achmed geheeten, van wien ik eenige diensten heb aangenomen

en wiens mededinging hij vreest: "U zou uw portemonnaie niet moeten

laten liggen onder het bereik van zijn hand." Achmed, dien ik dien

namiddag ontmoette, en die ten aanzien van Mansoer van dezelfde

gevoelens is vervuld, heeft er plezier in, mij te vertellen, wat

hij misschien maar heeft bedacht uit jaloezie, maar wat hij zegt van

Abbas te hebben, den schoonzoon van Sidi Mohammed: "Laat dien meneer

(dat was ik) niet alleen buiten de stad gaan met Mansoer. Mansoers

naam is niet al te goed bekend; hij gaat niet voor fatsoenlijk door;

men houdt het ervoor, dat hij in den grond van zijn hart Christen is

gebleven, dat hij mogelijk voor spion speelt, en er zijn er, die hem,

als ze hem op een eenzame plek ontmoeten, een kogel konden geven en

een anderen op zijn metgezel richten."

Arme luidjes, die ontkend hebben, die men ontkent en die zichzelven

negeeren! Het is iets merkwaardigs, die minachting der Mohammedanen

voor degenen, die tot hun geloof overkomen; hun godsdienst plaatst hen

in een zoo angstvallig gesloten maatschappij, dat men, om er werkelijk

in te worden toegelaten, al heel wat kwartieren van godsdienstigen

adel moet kunnen aanwijzen. Deze geest heerscht wel het meest onbeperkt

in die middelpunten van dweepzucht, Stamboel, Damaskus, de wijken van

Kaïro dichtbij El-Ahzar en Fez. Het is een versterkte vorm van den haat

tegen de Christenen. Hoe diep voelt men dien haat in Fez, dien haat,

die alleen door de vrees voor de legers van Europa in bedwang gehouden

wordt! Als die vrees niet bestond en hen niet dwong zich verstandig

te gedragen, zouden wij nog minder goed worden behandeld dan de Joden,

waarvan ze niet weten, dat ze hen eigenlijk niet noodig hebben.

De Joden worden in het voorbijgaan beleedigd; gisteren is er midden

op de markt op een van hen gespuwd; te Rabat heeft een sjerief een

jood met de karwats doodgeslagen, omdat hij hem durfde aankijken, en

als de straatjongens langs den muur van de mellah loopen, gooien ze er

steenen over en roepen: "Ya! ihoedi's! weg met de Joden!" Ons zou men

zeker en stellig vermoorden. Ze hebben hier in Fez een afschrik van

den Christen. Daar bij hen de godsdienst alles regelt, tot de kleine

bijzonderheden der kleeding, het knippen van baard en haar, zou mijn

snor, die niet op zijn Arabisch is gefatsoeneerd, mij in gevaar kunnen

brengen, omdat ze er dadelijk mijn godsdienst aan herkennen. Nergens

heb ik de minachting zoo groot gevonden en de achterdocht zoo sterk.

Toch ben ik twee of drie keeren eerbiedig gegroet geworden met den

Salam, die de godsdienstige groet is, en gisteren, toen ik voor

een winkel stilstond, zei een fazi: "Dat is een Christen!" tot een

van zijn vrienden die antwoordde: "Ik zweer je, dat het een Arabier

is!" Maar dat is een groote uitzondering. Elk oogenblik hoor ik bij

mijn voorbijgaan zeggen: "Noesrani, een Christen," en van morgen nog

hoorde ik de minachtingsformule: "Noesrani wahed akhor! Weer een van

die Christenen!" Telkens ook gaat een man of een kind mij voorbij en

keert zich een paar passen verder om, mij in het gelaat kijkend. Ze

durven alleen onbeschaamd zijn op die wijze, want ze houden zich

dadelijk stil als men op hen toetreedt, of loopen snel weg. Ze hebben

al de lafheid van de Arabieren, en als alle goede Mohammedanen voelen

ze tegenover iemand, die de allures van een meester aanneemt, in

zich een slavenziel. "Wees zalvend tegen den schurk, en hij geeft u

een por; geef den schurk wat hem toekomt, en hij zal u vleien!" Dat

is waar in alle landen en bij alle rassen, want het is algemeen

menschelijk. Maar sommige trekken, die essentiëel zijn in de natuur

van den mensch, worden niet in gelijke mate aangetroffen bij alle

menschen. De geïslamiseerde Oosterling is zeer beslist de schurk,

dien men een por moet geven. Hij heeft enkel eerbied voor kracht,

hij buigt zich enkel voor wie hem slaat. Hij kan alleen dienen of

gediend worden, en hij neemt tegenover u de houding van den meester

aan, als gij die niet van te voren voor u hebt opgeëischt.

Zijn godsdienstig gevoel weerstreeft die gevoelens niet. Het schept

een nauwe broederschap onder de mohammedaansche geloovigen en een

onuitroeibare vijandschap tusschen dezen en de niet-Mohammedanen. Die

godsdienst legt het hem als plicht op, het geloof in den Profeet te

verspreiden en de overlevering leert hem, dat de propaganda door

den oorlog alleen in staat is geweest, dat geloof uit te breiden

en zijn gebied te verruimen. De Mohammedaan put zijn trots uit die

overtuiging, uit de meening, dat hij alle waarheid in natuurlijken en

bovennatuurlijken zin bezit, dat er noch wetenschap noch beschaving

is, die boven zijn wetenschap en zijn beschaving staan, en dat,

zooals hij van den hemel zeker is, ook het uur zal slaan dat de

geheele aarde hem zal toebehooren.

De herhaalde fnuiking, die de aangeboren trots der Mooren door de

zegepralen der europeesche legers heeft ondergaan, is niet in staat

die hoop der toekomstige zegepraal uit hun hart te verdrijven. Het

is enkel, dat de vervulling nog wat wordt uitgesteld. De Mohammedaan

krijgt alleen de bewustheid van een tijdelijke minderheid, en voor het

oogenblik niet bij machte om slagen toe te brengen, schikt hij zich

erin, te wachten. Als hij door zijn belang of door de omstandigheden

genoodzaakt is, met een van ons in betrekking te treden, weet hij

zich zijn plicht der gastvrijheid te herinneren; hij zal er misschien

behagen in scheppen, de gratie ten toon te spreiden, waar zijn ras prat

op gaat bij de ontvangst van vreemdelingen, en zoo zal de overmaat van

lof en de betuiging van vriendschap niet voor zijn ziel den bijsmaak

van een list, noch voor zijn mond dien van een leugen hebben. Maar

als hij vrij blijft, alleen te luisteren naar de ingeving van zijn

geloof, houdt hij zich liefst op een afstand van diegenen, die zijn

geloof niet deelen. Hij herinnert zich, dat de Koran hem zegt, geen

gemeenschap te onderhouden met de Christenen, de Joden en de Heidenen,

hun nooit te geven noch zijn zoons, noch zijn dochters, nooit iets

aan hen verplicht te zijn, en hen niet tot zijn vrienden te maken; hij

sluit zich op in zijn huis, in zijn wijk, hij zoekt een schuilplaats

in landen, die nog niet door vreemden zijn bezet, en met zorg houdt hij

van den heilig gebleven grond en van den drempel van zijn huis diegenen

verwijderd, die hij ongeloovigen noemt en die hij minacht en haat.

Wanneer men dat alles niet vergeet, zal men zich kunnen voorstellen,

met welk oog de Mooren den vreemdeling aankijken, die door de eenzame

vlakten van Maghreb is heen getrokken, die de oude muren van Fez

binnengegaan is, de heilige stad van Moelai Idriss, en die nu in

de straten van de heilige stad, in de onmiddellijke nabijheid der

moskeeën, opgericht door de veroveraars van Afrika en Spanje, in de

buurt van de vereerde graven hunner heiligen, is als een aanhoudende

uitdaging, een voortdurende heiligschennis! Zullen ze in bedwang

gehouden worden door den eerbied, dien hun godsdienst eischt voor

de gasten. Maar dit is geen gast! Wie heeft hem veroorloofd hier

te komen? Welke geloovige zou de stoutheid hebben gehad, hem onder

zijn dak te ontvangen, in de hoofdstad zelve der sultans, zoon van

de dochter van Mohammed, en zoo een der heiligste steden van den

Islam te ontheiligen, Fez, de duizendjarige, gesticht door Idriss,

groot geworden rondom diens graf?

Zoo de Mooren zich geweld aandoen, om den koenen reiziger zijn

gang te laten gaan, is dat, omdat de hoofden hun bevolen hebben,

nog een weinig te wachten; want de tijd moet komen, waarop de Islam

zijn zegetocht zal hervatten, die een oogenblik is opgehouden. Als de

Christenen werkelijk sterk waren, ze zouden al sinds een aantal jaren

in Fez zijn, dat maar enkele uren van de grenzen is gelegen! Zooals

een notabel ingezetene mij zei: "Wij hebben noch geld, noch kanonnen,

noch forten, weinig soldaten, zonder tucht, soms zonder geweren en

vaak zonder patronen; maar wij hebben God, en met zijn hulp zullen

wij alle Christenen in zee werpen!"

Ook worden ze door niets anders in toom gehouden tegenover

den reiziger, die onder hen verkeert, dan door een restje van

voorzichtigheid en geduld; ze houden zich in, om niet toe te slaan en

ze laten niet na, te beleedigen. In den loop van mijn wandelingen ga

ik vaak over een pleintje, waar bijna den geheelen dag voor een klein

tafeltje eenige straatjongens staan, die voor Moelai Idriss giften

inzamelen. Toen ik, als alle voorbijgangers, gevraagd werd, had ik

dadelijk den eersten keer geantwoord met een krachtig: "Neen, volstrekt

niet!", dat hen terstond deed zeggen: "Dat is een Christen!" En toch,

telkens als ik weer passeerde, gingen ze voort, en altijd weer te

vergeefs, mij lastig te vallen met hun verzoeken. Vandaag nog vraagt

een van hen: "Een piaster voor Moelai Idriss?"--"Nee!" En pas ben ik

een paar passen ver, of hij roept mij een der gewone scheldwoorden

na: "Ya! carra! Eh! poe!" Ik draai mij om dreig hem met een klap;

hij bergt zich zoo snel mogelijk in een naburig huis, waar de deur

half open stond.

Ik kan dan ook geen geloof schenken aan hun betuigingen van

vriendschap. De portier van Sidi Mohammed noemt mij nooit anders dan

"consul". Zijn schoonzoon Abbas, die mij sinds ik als Arabier gekleed

ben, betitelt met den voor een Christen zeer aannemelijken naam van

Abdallah, dat is "dienaar des Heeren", laat mij door Achmed zeggen,

dat bij in mij een vriend ziet, dat hij mij behandelt als zijn eigen

broeder, en dat hij mij in zijn hart gesloten houdt. Maar ik meen

te hooren, als hij tot de buren spreekt, dat er sprake is van een

armen Christen, dien men uit liefdadigheid heeft opgenomen, en dat

kan niemand anders zijn dan ik.

Op een morgen bracht Abbas mij buiten de stad door den Bab-el-Djedid,

waarlangs een riviertje stroomt dat half verborgen is onder een

overvloed van groen. Als men de tegenoverliggende helling van den

berg beklimt, heeft men het gezicht op een deel der stad met haar

terrassen achter een heuvel, bedekt met het dichte plantenkleed der

tuinen; men hoort het water ruischen onder de boomen, men ziet het

dichtbij slapen op de steenen bedding en in rietalcoven. En daar,

waar men de witte stad kan zien en het donkere groen, wordt men tegen

de zon beschermd door groote olijven.

Na over de wadi te zijn gegaan, die stroomt in de wijk, gebouwd achter

het huis van Sidi Mohammed, hebben wij den Bab-Sidi Boe Djida bereikt,

waarachter en tot aan het dal der Seboe zich de tuinen uitstrekken. Wij

zijn een ervan binnengegaan, die toebehoort aan een vriend van Sidi

Mohammed; het is een dicht bosch van pruimeboomen, citroenen, vijgen,

appel-, moerbei- en granaatappelboomen, en daar de grond plotseling

daalt, lijkt het, of men in een diep ravijn neerziet, waarin de wadi

stroomt tusschen de boomgaarden. De andere kant rijst steil op, vormt

een hoogte, met olijven beplant, en daarna heft een groote berg zijn

rotsen ten hemel. Er wordt onder de boomen aan de helling van het dal

een touwen mat uitgespreid; ik spreid mijn zitkleedje van roode wol,

mijn lebda uit; er worden vruchten gebracht en we nuttigen het maal,

al kijkend naar het weelderige groen, de schoonheid der bergen en van

den hemel, en luisterend naar het gezang van den stroom en den wind.

Den volgenden morgen ben ik al vroeg geklommen naar den Bab

Fetoesj. Een klein kerkhof ligt binnen den muur; een groot erbuiten

op de helling van den berg tusschen twee olijvenboschjes.

Steeds had ik het uitzicht op Fez-el-Bali, het oude Fez, dat een

opeenhooping is van terrassen op een steile helling. De versterkingen

zijn in een vervallen staat, gespleten en gescheurd, niet veel meer

dan onvoldoende afsluitingen. Maar daar deze kant naar Taza kijkt,

van waar de Rogi wel zou kunnen komen, heeft men er over een lengte

van ongeveer 200 meter herstellingen aangebracht. In omgekeerde

richting den weg afleggend van den vorigen dag, ben ik gedaald naar

den Bab-el-Djedid, nu en dan stilstaand onder de olijven; telkens

weer ontrolde zich een ander gedeelte van Fez aan mijn oogen, nu eens

tusschen een ouden toren en groote rietpluimen, dan door de boomen

heen, eerst dichtbij, dan verder af, witter, lichtender, aan het

eind van dit dal, waar de boomen zoo dicht opeen staan, dat ze een

groote zwarte vlek vormen. Maar in plaats van de stad binnen te gaan

door den Bab-el-Djedid, ben ik buiten om gegaan tot Fez-el-Djedid

en wel tot de poort van de mellah of jodenwijk. Daar tegenover, op

een hoogte, is de mehallah of het leger van den Sultan gekampeerd,

gereed om slag te leveren aan den rogi, als hij tot daar zou durven

doordringen. Er zijn tenten voor 300 man: maar men heeft slechts 150

kunnen samenbrengen, en de helft heeft maar een geweer.

Onder mijn ontbijt is er een heftig dispuut geweest tusschen Abbas en

Ibrahim, den kleinen bediende van Sidi Mohammed; ze hebben, ik weet

niet wat erge scheldwoorden gewisseld en langdurige verwijten op den

heftigsten toon; hun stemmen waren te luid voor de plaats binnen de

muren, en ze stegen op tot het terras van het huis van Sidi Mohammed

en drongen tot in zijn vertrekken door, waar andere stemmen zich in

den strijd mengden. Toen al die verwenschingen uitgestooten waren,

vertrouwde Abbas mij toe, dat Ibrahim een arami, een bengel was en

dat hij, zoo jong nog, reeds een dief was, een serraq. Toen vroeg hij

mij een doero, om een zilveren dolk te laten repareeren, dien ik in

de stad gekocht had den vorigen dag: "Het zal vandaag nog gebeuren,

en ik zal er al den tijd bij blijven, zoolang de man eraan werkt;

dat is veiliger."

Mijn namiddag gaat voorbij buiten de stad, in den omtrek van den

Bab-el-Gissa, in de schaduw van een graf. Ik heb mijn lebda, het

tapijtje, uitgespreid; op den aschkleurigen grond maakt het een

vierkant van rood; ik heb mijn muilen van geel leêr uitgetrokken

en leg mij neer, zoodat de witte haïk er mooi op uitkomt evenals de

feradja, waar de oranje kaftan doorheen schemert. De oude vervallen

vestingwal rijst naast mij omhoog; daarbinnen staat een hooge minaret,

en tusschen twee slanke palmen de fraaie woning van den oud-vizier van

Moelai Hassan, den vader van den tegenwoordigen Sultan; daar verder het

lage gedeelte van Fez-el-Bali te midden van den dichten plantengroei

der tuinen. Die leggen een lange streep van groen tot aan het dal der

wadi Seboe, en rondom wat ik zie van de stad en de tuinen, verrijzen de

bergen zeer hoog met hun steile hellingen, waarop de olijvenboschjes

een zilveren glans aanbrengen. Naarmate de zon daalt achter de hoogte

met de graven, komen menschen uit de stad en gaan tusschen de graven

zitten in de schaduw der opstaande steenen; ze kijken naar de bergen

en de kloof, waar de stad uit het gezicht verdwijnt in de duisternis,

ze praten zeer zacht en droomen. Toen het volkomen donker was, gingen

velen bij de muren zich neerzetten tegen holten in de wallen, en er

worden kleine, geïmproviseerde koffiehuizen in de open lucht opgericht,

waar negers, die waterdragers zijn, den drank te koop bieden, terwijl

een verteller oude verhalen opdischt.

Des avonds ga ik in mijn kamertje zitten. Mohammed komt in zijn

witten tulband, hemelsblauwe jas en gele broek, vaak niet ver van

mij verwijderd, met zijn buren, vrienden en bedienden een praatje

maken. Dezen avond is hij er al tweemaal geweest met iets gewichtigs

in zijn houding; hij is weer naar zijn vertrekken gegaan, en daar

brengt zijn stem door de muren heen den klank van een twist tot mij,

van een grooten toorn; langen tijd gaat hij aan als een woedende;

dan op eens is alles stil, en hij komt weer onder den doorgang bij mij

zitten, om van de melk te proeven, die Abbas voor mij laat koken met

een kruid, dat wel wat op thijm lijkt of op lavendel, en waarvan hij,

als alle Marokkanen, veel houdt.

Na het eten, terwijl ik alleen ben, komt de portier bij mij en zegt

zeer zacht: "Weet u wel, dat Abbas u besteelt? Hij heeft gezegd, dat

de herstelling van den zilveren dolk een doero heeft gekost; maar

ik weet van Sidi Mohammed, dat ze maar drie peseta's heeft gekost;

hij vraagt u om een peseta, om melk te koopen, die een halve peseta

kost. Den vorigen dag had hij met den koopman afgesproken, dat deze

u vijftien doero's zou vragen voor de haïk, die Sidi Mohammed voor u

heeft laten koopen voor twaalf en een halven doero, en vier-en-twintig

doero's voor den dolk, waarvoor Sidi Mohammed twintig heeft betaald.

Abbas, nu ziet ge het, Abbas is een keddab, een leugenaar! Het is in

dit land een wedstrijd, wie zijn medemensch van de ergste misdaden

zal beschuldigen. Als de muildieren uit den stal konden spreken,

wat zouden ze mij dan te vertellen hebben van den portier?

Bij het aanbreken van den dag gaan we in den tuin, dien een vriend van

Sidi Mohammed in de stad bezit. Abbas en Ibrahim, die verzoend zijn,

dragen een kussen, tapijten, steenkool, thee, suiker, den theepot,

glazen en een blad. We loopen door eenige donkere straatjes, gaan over

de wadi, waar veel molens overheen staan, en we stijgen tusschen de

muren tot den boomgaard van den vriend van Sidi Mohammed. De boomen

groeien er in volle vrijheid en zijn beladen met pruimen en appelen,

terwijl citroen- en granaatappelboomen hun schaduw ondereenmengen

door den overvloed hunner dooreengestrengelde takken. De tapijtjes

worden op den grond uitgespreid, en ik strek er mij op uit, met een

kussen onder den elleboog en denk aan den tuin van thuis, die nu zoo

ver is. Om kwartier over twaalf hoor ik geschreeuw, dat van boven

komt uit de stad, en ik kan de naastbij zijnde stem onderscheiden:

"Allahoe akbar! God alleen is groot!"

Dan gaat Abbas naar huis, om het ontbijt te halen, dat hij brengt in

een rieten mandje met een hoog kegelvormig deksel. En we hebben er nog

den ganschen namiddag doorgebracht. De zon had haar loop vervolgd,

en wij zochten een andere plek onder de citroenboomen bij een paar

hooge vijgenboomen, waar een beekje onder door vloeit. Van tijd tot

tijd maken Abbas en Ibrahim een wandelingetje door den tuin, plukken

vruchten, brengen ze aan mij, en zetten de thee, waarna ze zich gaan

uitstrekken en inslapen. Vier uur! Uit de hoogte en de verte klinken

kreten van "Allahoe akbar!" Dan hoor ik niets meer, en daar Abbas en

Ibrahim aan het plukken zijn, ben ik geheel alleen onder de boomen

op het gras en denk weer aan den verren tuin van bij ons thuis.

Op een dag zei Sidi Mohammed tot mij: "Als gij mijn ezel wilt nemen

en tot aan de vlakte van de wadi rijden, zult gij er de Engelschen

polo zien spelen. Dat is een prachtig gezicht."

Dus bestijg ik den muilezel en rijd de hoofdstraat op, voorafgegaan

door den kleinen Ibrahim op een ezeltje gezeten, en voortdurend

roepend: "Balak!" om de voetgangers te doen uitwijken, die staan

te dringen vóór de winkels en den weg versperren. En nadat geheel

Fez in de lengte is doorgereden, verlaten we de stad door de poort

Bab-es-Segma, vlak bij de muren van het keizerlijk paleis, de poort,

waar men door binnen gaat, als men van Tanger, Larasch of Rabat

komt. Op eenigen afstand van de muren, op de effen vlakte, geven zich

een tiental eilanders aan hun geliefde sport over in de buurt van de

wadi Fez. Rijke Arabieren, per muilezel aangereden, hebben schik in

het kijken naar het spel, waar goede ruiters en goede paarden voor

noodig zijn. Ik vind het alleen belangwekkend, om eens weer voor de

zooveelste maal op te merken, hoe de Engelschman, waar hij ook zij,

steeds zichzelf blijft en hoe hij anderen slechts erkent, om hen te

beheerschen of zich van hen te bedienen. Zij gaan naar Fez om polo

te spelen, naar den Atlas om te jagen, naar den Himalaya om van de

koelere temperatuur te genieten, naar Athene als einddoel van een

kruistocht door de Middellandsche zee, en elders, als er maar wegen

zijn, om een automobiel te laten loopen.

Hoe ik een week te Fez doorbracht De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 1 / 3 段