V.: "Welnu dan, als u er niets op tegen heeft, zoudt u mij dan
misschien willen vertellen hoever u daarin gaat onder de bestaande
omstandigheden?"
A.; "Natuurlijk heb ik er niets op tegen. Wij koopen voornamelijk à
contant en verkoopen op groote schaal à contant of op een zeer kort
crediet; en daar de papierwaarde de laatste twee of drie jaar weinig
op en neer gaat, voegen wij slechts kleine bedragen als verzekering
bij onze verkoopsprijzen--laat ons zeggen 1 of 2% voor contante
betaling of op een crediet van drie maanden en voor langer crediet,
als wij dat geven, iets meer. Gedurende den oorlog of direct daarna,
toen het papier sterker en sneller op en neerging en de koersen veel
willekeuriger waren, was het een heel ander geval. Toen moest er zeer
zorgvuldig gelet worden op de verkoopsprijzen en deze veranderden
zeer vaak, soms dagelijks. Daarom is mijn persoonlijke ervaring van
tegenwoordig een uitzonderingsgeval en om de inlichtingen te krijgen,
die u wenscht, moet u verder zien. Ik geloof wel, dat ik u daarbij
kan helpen. Wij koopen geregeld groote hoeveelheden van buitenlandsche
producten, laten wij nu maar eens als voorbeeld nemen stoffen voor de
manufacturiers en groothandelaars in confectie-kleeding. Wij koopen
voor goud en verkoopen voor goud en zorgen dat het papiergeld met
zijn fluctuaties buiten onze transacties blijft. Maar hoe gaat het met
mijn klanten? Ik sta hun eenig crediet toe en daar het bedrag, dat er
bij betrokken is, soms zeer groot is, moet ik natuurlijk iets weten
van de manier waarop zij hun zaken beheeren. Zij verwerken het goed,
met goud gekocht, tot kleeren en verkoopen vervolgens die kleeren op
hun beurt aan hun klanten--tusschenhandelaars en kleinhandelaars--over
het geheele land voor papiergeld op een gemiddeld veel langer crediet
dan zij van mij krijgen voor het ruwe materiaal. Die groothandelaars
en manufacturiers nu zijn veiligheidshalve wel gedwongen om bij hun
verkoopsprijzen een voldoend percentage te voegen, als noodig is
om er zeker van te zijn, dat zij voor het papiergeld, hetwelk zij
na drie, zes of negen maanden krijgen, evenveel goud kunnen koopen
als zij mij hebben betaald of een even groote hoeveelheid goede stof
om tegemoet te komen aan de verdere behoeften van hun zaken en van
hun klanten. Hoeveel zij er zoodoende op leggen, kan ik niet met
zekerheid zeggen. Daarvoor bestaat geen vaste regel. Iedereen voegt
er zonder twijfel zooveel bij als de concurrentie toestaat; en elke
omstandigheid, die wellicht den toekomstigen prijs van het goud zal
beïnvloeden wordt zorgvuldig van te voren overwogen. 5% op een crediet
van drie maanden zal m.i. het doorsnee-minimum zijn; en voor langeren
tijd een grooter percentage. Als de concurrentie niet veroorlooft om
er eenig verzekeringspercentage op te leggen, bestaat er gevaar voor
verlies aan kapitaal, dat op den duur zeer noodlottig kan zijn--menige
firma is daardoor wel failliet gegaan, die in andere tijden, wanneer
haar leiders op de ouderwetsche basis zaken hadden kunnen doen, goed
zou zijn gegaan. De tusschenhandelaars en kleinhandelaars, aan wie de
groothandelaars en manufacturiers verkoopen, zullen waarschijnlijk
minder rekening houden met een verzekering tegen papiergeld bij
het vaststellen van hun verkoopsprijzen; maar tot welk bedrag ook de
inkoopsprijzen van hun goederen opgevoerd zijn door de noodzakelijkheid
van een verzekering tegen de fluctuaties van het papiergeld, naar dat
zelfde bedrag berekenen zij hun interest en winst en voegen die er bij,
zoodat de geheele prijsverhooging tenslotte op den consument neerkomt,
die natuurlijk maar zelden op de hoogte kan zijn van de bestanddeelen
of de kosten van het artikel dat hij koopt."
V.: "Dus dan moet Mr. Webster met zijn opmerking, die haast een
spreekwoord is geworden, dat "van alle manieren om de arbeidersklasse
te bedriegen, er geen doelmatiger is geweest dan die welke hem met
het papiergeld om den tuin leidt", geheel op de hoogte zijn geweest
van het verloop van zulke transacties?"
A.: "Ongetwijfeld, want zulke transacties zijn het onvermijdelijke
gevolg van het gebruik van een veranderlijk en niet inwisselbaar
papiergeld."
De beschrijving hierboven gegeven is dus geen zuivere phantasie, maar
gebaseerd op den werkelijken stand van zaken in den tegenwoordigen
tijd.--Januari 1876.
[19] "Handelen op het Vijgendammetje", zou een oud-Amsterdammer
gezegd hebben, of zooals heden ten dage de z.g. Karpathen, d.z. de
Poolsche Joodsche kooplieden, dagelijks in Amsterdam, den Haag en
Scheveningen doen.
Noot v. d. Vert.
[20] In 1864 werd in New-York een schip gebouwd juist in den tijd,
toen arbeid en materiaal, gerekend in papiergeld, de hoogste prijzen
hadden bereikt. In 1870 werd op dezelfde werf een ander schip gebouwd,
in alle onderdeelen gelijk aan het eerste. Men verwachtte nu, daar
de loonen en de kosten van het materiaal lager waren dan in 1864,
dat de kosten van het tweede schip veel minder zouden bedragen dan
die van het eerste, maar in die verwachting werd men door de uitkomst
teleurgesteld.
[21] Toen het Japansche Gezantschap in 1872 de Vereenigde Staten
bezocht, werd hun in vollen ernst aangeraden om op de een of andere
wijze een staatsschuld te fabriceeren, zoodra zij thuis gekomen waren
en deze te gebruiken als een basis om nieuw papiergeld te scheppen
en uit te geven.
[22] Macchiavelli vertelt in zijn "Gesprekken over de eerste
tien boeken van Livius", boek II, hoofdst. III, als hij het
groote onderscheid verklaart tusschen den groei en uitbreiding
van de Romeinsche Republiek en die van Sparta, dat Lycurgus, de
grondlegger van de Republiek van Sparta, in de overtuiging, dat niets
zoo verderfelijk zou zijn voor het voortbestaan van zijn wetten als
een vermenging van zijn volk met nieuwe inwoners, alles deed wat in
zijn macht lag om vreemdelingen te verhinderen naar de Republiek
te stroomen. Behalve dat hij hun niet toestond om onder elkaar te
trouwen en hun burgerrecht en alle andere middelen tot gezellig
verkeer (conversationi) ontzegde, beval hij, dat in zijn republiek
alleen (voor uitvoer ongeschikt) lederen geld gebruikt mocht worden,
teneinde alle vreemdelingen te verhinderen om koopwaar in Sparta te
brengen of om eenig soort van handwerk of bedrijf uit te oefenen,
zoodat de stad nooit in bevolking kon toenemen.
[23] Een scheldnaam voor de vredespartij in den Amerikaanschen
burgeroorlog, bepaaldelijk voor de Noordelijken die zich ten gunste
der Zuidelijken uitspraken.
[24] Een onderzoek zal doen blijken, dat de Ver. Staten gedurende
het zesde deel van den tijd van hun bestaan als een Statenbond in een
oorlogstoestand hebben verkeerd en wat de toekomst betreft, bestaat er
geen goede reden om te veronderstellen dat het land in eenig opzicht
meer gevrijwaard zal worden van dergelijke onaangename ondervindingen,
waaraan iedere natie is blootgesteld, als het in het verleden is
geweest. En hoe kan een volk zich handhaven in een groote nationale
worsteling met niet-inwisselbaar papier, met schending van het eens
gegeven woord en terwijl al het goud versmolten en uitgevoerd is?
[25] In een zaak, die vaak over het hoofd is gezien (Bank
vs. Supervisors, J. Wallace) heeft het Hooggerechtshof der Ver. Staten
uitgemaakt, dat de U. S. biljetten verbintenissen zijn om dollars
te betalen en de bedoelde dollars zijn gemunte dollars van de
Ver. Staten. Een weigering om zulke biljetten in munt uit te betalen
is derhalve een wanpraestatie of contractbreuk.
[26] In ieder kabinet van zeldzame munten in Europa zal men exemplaren
vinden van de zoogenaamde "belegeringsmunten", munten geslagen
in belegerde steden om de plaats van gemunt geld te vervullen. Deze
munten schijnen steeds als in hun soort onschendbare beloften gegolden
te hebben en een weigering om ze aan te nemen was een zwaar vergrijp
tegen de zedelijkheid en het nationaal gevoel.
[27] Rede van Generaal B. F. Butler in de volksvertegenwoordiging
der Ver. Staten.
[28] Brief van Wendell Philips aan de New-York Legal-tender Club, 1875.
[29] Charles Moran, New-York Commercial Bulletin, 5 October 1875.
[30] Meening van de U. S. Supreme Court, uitgesproken door den
Raadsheer Strong, 12, p. 553.
[31] Toen de Indianen aan de Atrato Rivier (Midden-Amerika)
voor de eerste maal bezocht werden door een wetenschappelijke
ontdekkings-expeditie, bleek het bij hen gebruik te zijn om weinig of
geen kleeren te dragen, maar nadat zij een tijd lang met beschaafde
menschen hadden verkeerd, kwamen enkelen der meest intelligente
inboorlingen op een goeden dag van top tot teen met imitatie-kleeren
beschilderd te voorschijn, en volgens hun oordeel was deze geschilderde
kleeding in alle opzichten te verkiezen boven de werkelijke stoffen,
die hun bezoekers droegen.
[32] Dit is werkelijk gebeurd in Connecticut omstreeks 1784. Zie
"Madame Knight's Journal", aangehaald in Felt en Bronson: "Histories
of New England Currencies".
[33] Welke onmiddellijke gevolgen de ontdekking der goudmijnen in
Californië en Australië ook gehad moge hebben, geen enkel economist
van naam is tegenwoordig van oordeel, dat de gemiddelde koopkracht
van het goud over de geheele wereld nu minder is dan zij in 1849-'50
was, of m.a.w. dat eenige quantitatieve vermeerdering van goud sinds
1849-'50 een depreciatie in onzen tijd tengevolge heeft gehad. (Het
is de vraag of de schrijver hier niet iets te ver gaat. Vert.)
[34] Dit is de Amerikaansche vertolking. De Engelsche vertolking
van het begrip "wettig betaalmiddel", werd vastgesteld in een debat
in het Hoogerhuis in Juni 1811, en bleek toen in zijn toepassing op
Groot-Brittannië niet meer te beteekenen dan het volgende: Dat wanneer
er in een proces tusschen een crediteur en debiteur een vonnis ten
nadeele van den debiteur geveld werd, het dezen laatste veroorloofd
was om een aanbod van betaling te doen in bankbiljetten, teneinde
de executie op te schorten; maar hij had geen recht om te eischen
dat de biljetten aan den schuldeischer zouden worden opgedrongen als
betaling der schuld.
Gedurende den langen tijd, dat de Banken in Groot-Brittannië hun
betalingen in specie staakten, werden de bankbiljetten nooit in den
Amerikaanschen zin van het woord tot wettig betaalmiddel verheven.--
[35] Na den oorlog tusschen de Noordelijke en Zuidelijke Staten werd
het als een schandelijke daad beschouwd om partij te trekken van het
wettig betaalmiddel-karakter van het gedeprecieerde papiergeld door er
schulden mee af te betalen; de Society of Cincinnati zette o.a. een
lid uit om die reden. En de Staat van Rhode-Island, die langer dan
een der andere Staten trachtte het wettig betaalmiddel-karakter en
het gebruik van zulk geld bij de wet te handhaven, werd daarom vaak
"Rogue's Island" inplaats van "Rhode-Island" genoemd.
[36] Ieder die mocht willen weten, in hoever de schrijver
in het bovenstaande zijn verbeelding den vrijen teugel heeft
gelaten, zij verwezen naar de Rede van den Hon. O. P. Morton
U. S. Senate. "Congressional Record" d. II dl. I, 43ste Congres eerste
zitting, p. 669.
[37] Er zijn heel wat vermakelijke voorbeelden te vinden van de
hardnekkigheid, waarmee vele menschen, eenmaal beneveld op het punt
van geld en papiergeld, vasthouden aan het waandenkbeeld. dat het
maken en uitgeven van betalingsbeloften en vervolgens deze dingen geld
te noemen, gelijk staat met het scheppen van rijkdom; en omgekeerd
dat het inlossen van zulke beloften door ze te betalen, hetzelfde
is als vernietiging van rijkdom en er ook toe bijdraagt om het geld
(in den zin van kapitaal) schaarsch te maken en de interest hoog;
en zulke verhalen maken gewoonlijk meer indruk dan de sterkste
argumenten. Daar heeft men bijvoorbeeld in de eerste plaats die
uitspraak van een invloedrijk Senator van de Ver. Staten (waarop
trouwens reeds gewezen werd en die ongeloofelijk zou schijnen, als het
niet zwart op wit stond), dat, daar de prijs van paarden en varkens op
de markt steeds daalt wanneer er meer van deze dieren te koop worden
aangeboden, daarom ook een vermeerderde hoeveelheid bewijzen, dat
kapitaal geleend, gebruikt, en nooit terugbetaald was, het kapitaal,
waarvan uitgeleend kan worden, vergrooten en den rentevoet er van
volgens hem verlagen moet.
Een soortgelijk voorbeeld is ook aangehaald van een lid van het
Continental Congress, medegedeeld door Pelatiah Webster, dat, toen het
voorstel van een verhoogde belasting om de oorlogskosten te dekken, ter
sprake kwam, verontwaardigd vroeg: "of men soms van hem verwachtte, dat
hij het volk zou helpen belasten, wanneer zij slechts naar de drukkerij
behoefden te gaan om geld bij karrevrachten tegelijk te krijgen?"
Hier is het ook de plaats om te herinneren aan het geval in Ierland,
toen het gepeupel een vreugdevuurtje stookte van een menigte biljetten,
uitgegeven door een minderwaardigen bankier; weinig vermoedend,
toen zij rondom het vuur dansten en schreeuwden van puur genot, dat
zij feitelijk bezig waren hun vijand te verrijken, inplaats van hem
te verarmen.
De volgende geschiedenis, die eveneens dezelfde algemeene vergissing
illustreert, is algemeen bekend in een der steden van Oostelijk
Connecticut: tijdens de ernstige finantiëele paniek van 1875, richtte
een boer daar in de buurt het verzoek aan een van zijn vrienden, een
eerzamen landbouwer en diaken, die een plaats van schijndirecteur
gekregen had aan een plaatselijke Bank, omdat hij er een der
voornaamste aandeelhouders van was, om hem te helpen een kleine leening
met die Bank te sluiten. De diaken, wel wetend, dat het een critieke
tijd was, verbond zich niet dadelijk om den wensch van zijn vriend te
vervullen, maar beloofde dezen, dat hij naar de Bank zou gaan en zou
zien wat hij doen kon, in verband met den toestand, dien hij daar zou
vinden. Zoo trokken dus de twee vrienden den volgenden dag naar de stad
(toevallig juist op den datum, toen de crisis haar hoogtepunt bereikte
en in den algemeenen staat van wantrouwen alle biljetten, onverschillig
door welke Bank ze waren uitgegeven, aangeboden werden ter inlossing);
en terwijl degene, die de leening wilde sluiten, buiten bleef wachten,
ging de directeur de Bank binnen om het terrein te verkennen. Hij
ging naar de directeurskamer en vervolgens achter het loket, zeide
niet veel, maar zette zijn oogen goed open en bemerkte zoodoende
de buitengewoon groote paketten bankbiljetten in de brandkasten en
laden, die in den laatsten tijd aangeboden waren om uitbetaald te
worden. Verdere bewijzen van de finantieele sterkte van zijn Bank
achtte hij overbodig, en hij liep dus weer naar buiten om zijn vriend
mee te deelen dat alles in orde was. Daarop ging deze naar binnen,
en vroeg, vol vertrouwen op een gunstig antwoord, of men hem geld
wilde verschaffen. Tot zijn groote verbazing ontving hij evenwel het
gebruikelijke beleefde antwoord, "dat zij hem gaarne terwille zouden
zijn, maar dat zij waarlijk geen geld hadden."
"Geen geld!" zeide de diaken, toen hij den uitslag van de aanvrage te
hooren kreeg. "Geen geld! Hoe kunnen zij zoo liegen, terwijl ik zooeven
gezien heb dat de brandkasten en alle laden vol met geld zijn? Als een
Christenmensch en lid van het kerkbestuur kan ik het niet met mijn
geweten overeenbrengen om nog langer directeur en aandeelhouder te
te blijven van zulk een immoreel kantoor." En toch, wanneer de brave
diaken in zijn latafel thuis een aantal schuldbewijzen van hemzelf
gevonden had, onderteekend en klaarliggend om uitgegeven te worden,
maar nog niet uitgegeven, dan zou hij zichzelf niet veel rijker geacht
hebben door het feit van hun bestaan, maar integendeel zou het een
groote rust voor hem geweest zijn om die papieren veilig achter
slot en grendel te weten, of nog beter ze voor zijn oogen te zien
verbranden tot een hoopje asch. En toch kon hij maar niet begrijpen,
waarom de bankbiljetten geen geld waren, dat ten allen tijde en onder
alle omstandigheden gebruikt kon worden.
[38] Tusschen de jaren 1860 en 1870 verdubbelden de Ver. Staten de
hoeveelheid papiergeld bestemd voor het gebruik der burgers, maar
toch was de rentevoet in het laatste jaar even hoog als in het eerste.
[39] Zoo werd het Continentale papiergeld tenslotte werkelijk
gebruikt. Zie Summer: "History of American Currency" blz. 46.