[1] Dat de hier geschilderde onaangename gevolgen van het systeem
van den ruilhandel van man tot man, volstrekt geen zuivere verzinsels
zijn, maar dat dergelijke gebeurtenissen tegenwoordig nog dagelijks
voorkomen in landen van groote geographische uitgestrektheid, bewijzen
de getuigenissen van Barth, Burton en anderen, die in den laatsten
tijd Oostelijk Afrika bezocht hebben. Zoo vertelt Barth bijv. (zie
"Travels" dl. I p. 568 en dl. III p. 203) dat hij herhaalde malen
niet had kunnen koopen, wat hij volstrekt noodig had--koren, rijst,
enz.--omdat hij niet bezat en niet kon krijgen, wat de bevolking
in ruil daarvoor verlangde; en op een andere plaats (dl. II p. 51),
verklaart hij, dat het hem in sommige Afrikaansche steden, die hij
bezocht had, zooveel moeite had gekost om inkoopen te doen, doordat
de bevolking geen direct ruilmiddel had, dat zijn bedienden dikwijls
in een toestand van de grootste uitputting van hun koop-expedities
waren teruggekeerd.
[2] "De edele metalen hebben vele eigenschappen, die hen geschikt maken
om voor geldstukken gebruikt te worden. Hun gebreken in dit opzicht
zijn hun gewicht en hun intrinsieke waarde als handelsartikel." "Social
Science and National Economy", by R. E. Thompson, Philadelphia
1875. "Van het oogenblik af dat men begrepen heeft, dat geld niets
anders is dan een willekeurig voorwerp, waaraan men een bepaalde
waarde heeft toegekend, zal het iedereen duidelijk zijn, dat ieder
dergelijk voorwerp, dat algemeen geaccepteerd wordt in ruil voor
nuttige diensten en producten, alle bijzondere functies van het geld
zal vervullen, onverschillig van welk materiaal het vervaardigd is;
en dat, hoe minder kostbaar het materiaal is, waarvan het geld gemaakt
wordt, hoe beter het is voor de gemeenschap, die het gebruikt". "Money,
Currency and Banking" by Charles Moran. New-York 1875, p. 42.
[3] Naar mijn oordeel is de groote en onmiddellijke behoefte van
den tijd de uitgifte van meer biljetten, die als wettig betaalmiddel
kunnen dienen, omdat het vertrouwen daarin zoodanig zal afnemen, dat
de houders ze zullen wenschen om te zetten in ander soort bezittingen,
of nuttige zaken--niet alleen om ze uit te leenen op kort loopende of
lang loopende wissels, die zoo zeker zijn als een steen vuurvast is,
tegen hooge of lage interest, zooals men het nu kan doen zooveel men
wenscht--maar om er volkomen afstand van te doen terwille van ander
soort bezittingen.--"Views of Enoch Ensley, of Memphis, Tennessee,
on the National Finances.--Memphis September 1875.
[4] Noot v. d. vert.: Een dergelijk voorstel is inderdaad gedaan in
de Nederlandsche Oost-Indische koloniën in 1843 door de regeering;
de overmatige uitgifte van koperen duiten had alle goede geld uit
Indië verdreven; de verwarring in geld en kapitaal werd tot wanhopige
hoogte opgedreven; toen ging het gouvernement over tot uitgifte van
nog eens drie millioen gulden van het z.g. koperpapier om den handel
tegemoet te komen! (Zie verslag Javaansche Bank 1844).
[5] "Te midden der algemeene ellende was er één stand, wien het
zeer voor den wind ging--die der bankiers; en onder de bankiers
kan er geen wat betreft bekwaamheid en geluk, vergeleken worden
met Charles Duncombe. Deze was, niet veel jaren geleden, een vrij
onbemiddeld goudsmid geweest. Hij had waarschijnlijk vol ijver zijn
klanten bediend onder de arcaden van de Koninklijke Beurs, zooals
dat in zijn vak het gebruik was, had kooplieden met diepe buigingen
begroet en verzocht om de eer van hun kas te mogen houden. Maar
zoo handig benutte hij nu de gelegenheden om winst te maken, die
de algemeene prijsverwarring aan den geldwisselaar bood, dat hij,
op hetzelfde oogenblik, toen de handel van het koninkrijk het meest
was teruggegaan, bijna 90.000 pond neerlegde voor het landgoed van
Helmsley in het Noordelijk District van Yorkshire."
Macauley, History of England--State of the Currency in 1694-'95.
[6] "Aan de overzijde der zee, in vreemde landen is het (de greenback,
Amerikaansch muntpapier) gelukkig geen geld, maar, mijnheer, wanneer
hebben wij zulk een langen en ononderbroken wedren in voorspoedigheid
in zaken gekend als sinds wij dit, voor uitvoer ongeschikte,
ruilmiddel aannamen?" Rede van Hon. William D. Kelley, House of
Representatives, 1870. "Ik wensch dat de dollar gemaakt zal worden van
zulke grondstoffen, om te maken dat hij nooit zal worden uitgevoerd
of in het buitenland gevraagd zal worden. Daar het een Amerikaansch
finantieel systeem is, dat ik ontwerp, stel ik mij niet voor om het
geschikt te maken voor de behoefte van eenige andere natie."--Rede van
Generaal B. F. Butler voor de New York Board of Trade, 14 Oct. 1875.
[7] "Eenige jaren geleden maakten Mlle Zélie, een zangeres van het
Théâtre Lyrique te Parijs, een tournée rondom de wereld en gaf zij
o.a een concert op de Gezelschapseilanden. Voor een aria uit "Norma"
en eenige andere liederen, zou zij een derde deel van de inkomsten
ontvangen. Toen deze geteld werden, bleek haar aandeel te bestaan uit
drie biggen, drie en twintig kalkoenen, vier en veertig kuikens, vijf
duizend cacaonoten, benevens een aanzienlijke hoeveelheid bananen,
citroenen en sinaasappelen. Op de Halle (markt) te Parijs, merkt de
prima-donna op, in haar levendigen brief, die uitgegeven werd door
M. Walowski, zou deze hoeveelheid levensmiddelen en vruchten misschien
vier duizend francs hebben opgebracht, wat een ruime vergoeding zou
zijn geweest voor vijf liederen. Op de Gezelschapseilanden evenwel
waren geldstukken zeer schaarsch en daar het Mademoiselle zelf
onmogelijk was om een groot deel van haar honorarium te consumeeren,
moesten de varkens en het gevogelte intusschen gevoed worden met de
vruchten."--Jevons, "Money and Mechanism in Exchange".
[8] In 1658 werd door den Hoogen Raad van Massachusetts de bepaling
uitgevaardigd, dat niemand belasting mocht betalen in "mager
vee". Felt, Massachuset's Currency.
[9] Burton beschrijft in zijn "Exploration of the Lake Regions of
Central Afrika" (1858-'59) dit incident als iets, dat, bij zijn weten,
werkelijk gebeurd is.
[10] In een der muntgebouwen is als curiositeit een kastje
tentoongesteld, waarin dit feit op de meest treffende wijze
gedemonstreerd is. Het bevat vijftig of meer zeer dunne linten
of reepen van goud, ieder 1/2 duim breed tegen drie duim lengte,
evenwijdig aan elkaar op een rij geplaatst, maar door kleine
tusschenruimten van elkaar gescheiden. De eerste reep is gemaakt van
goud van het zuiverste gehalte, de tweede verschilt van de eerste tot
ongeveer 1% mengsel met een mindere soort metaal, terwijl de derde 2%
van dat andere metaal bevat, de vierde 3%, enz.; totdat in den laatsten
reep de hoeveelheden goud en bijmengsel tegen elkaar opwegen. De kleur
van den eersten reep is, in den hoogsten zin van het woord, goudkleurig
of typisch; de kleur van den tweeden verschilt een zweem van die van
den eerste, een verschil dat in iederen volgenden reep duidelijker
uitkomt naarmate de verhouding van het bijmengsel, dat in zijn
samenstelling optreedt, grooter wordt, en deze kleurverschillen zijn
zoo eigenaardig, dat het mogelijk is voor een leek in de metallurgie
om betrekkelijk nauwkeurig een gouden voorwerp te toetsen, wanneer hij
maar in de gelegenheid is om dit met het zuiverste goud te vergelijken,
eenvoudig weg door een vergelijking der kleuren.
[11] In 1862 gaf Mr. Eckfelt, destijds eerste essayeur aan de Munt
van Philadelphia aan de American Philosophical Society een verslag
van de uitkomsten van enkele uiterst merkwaardige onderzoekingen,
die de zeer groote verspreidheid van het goud bewezen hadden. De stad
Philadelphia, verklaarde hij, is gebouwd op een bed van klei, dat een
oppervlakte heeft van pl.m. tien vierkante mijlen, terwijl de diepte
ten naastenbij geschat wordt op om en bij vijftien voet. Monsters
van deze klei--uit de natuur genomen op verschillende localiteiten,
die naar alle waarschijnlijkheid een goeden maatstaf van het geheel
opleverden, zooals de kelder van de markthal in Marketstreet, en een
steenbakkerij in een der voorsteden--gaven allen, bij zorgvuldige
ontleding, kleine bedragen goud af; het gemiddelde bedrag werd
aangegeven als 7/10 van een grein--of ongeveer de waarde van 3
Amerikaansche centen-- goud van iederen kubieken voet klei. Aan de
hand van deze gegevens nam Mr. Eckfelt aan, dat er een waarde van $
128.000.000 onder de straten en huizen van Philadelphia begraven moet
liggen, of wanneer wij alle klei, die zich in andere gemeenten bevindt,
meerekenen, dan moet de hoeveelheid goud hierin aanwezig gelijk zijn
aan alles wat tot nu toe verkregen is uit Californië en Australië.
"Hieruit volgt ook," zegt Mr. Eckfelt, "dat er iederen keer, als er
een karrevracht klei uit een kelder van Philadelphia gehaald wordt,
genoeg goud mee wordt opgegraven om voor het vervoer te betalen; en
als de baksteenen, die de voorgevels vormen van onze huizen, al het
goud, dat zij bevatten, in den vorm van bladgoud aan hun oppervlakte
konden brengen, dan zou men twee vierkante duimen van het oppervlak
van iederen baksteen zien schitteren van goud."
[12] Aan den Rijn, nabij Straatsburg, kan een goed werkman gemiddeld
1 fr. 75 per dag verdienen door goud te wasschen uit het zand van
de rivier, maar daar hij onder gewone omstandigheden tien sous meer
kan verdienen door op de akkers langs de rivier te werken en daarbij
minder gevaar loopt om rheumathiek te krijgen, wordt het goudwasschen
aan den Rijn niet vaak als een geregeld beroep uitgeoefend.
[13] "En als die vervanging heeft plaats gehad (van een zilveren voor
een papieren pasmunt), wat zal dan het gevolg zijn? Het metalen geld
in omloop zal aanmerkelijk verminderd moeten worden, of iedere oude
vrouw in het land zal er haar kousen mee vullen en het begraven. Het
zal opgepot worden, mijnheer, opgepot op een manier, die millioenen
aan de circulatie van het land zal onttrekken." De generaal hield op,
staarde naar een naburig dorp, dat in een gordijn van regen gehuld was,
kauwde heftig op zijn sigaar en verviel tot stilzwijgen.--Interview
van een dagbladreporter met Generaal Butler, September 1875.
[14] Ongemunt goud en in ruwen staat was tot kort geleden als geld in
gebruik in sommige deelen van Californië, Mexico en aan de Westkust
van Afrika.
[15] Historisch zijn de wisselbrieven waarschijnlijk ontstaan onder
de Middeleeuwsche Joden, die altijd aan vervolgingen blootgesteld,
een systeem van wissels of geschreven orders op elkander instelden,
welke ieder beloofde te honoreeren en te betalen aan den persoon,
die in den wissel genoemd werd.
[16] Het was op deze wijze dat de eerste Bank, waarvan iets bekend is,
ontstond in 1171, n.l. de Bank van de Republiek van Venetië. Venetië
was dat jaar in oorlog en had geld noodig. De Raad van Tien of de
overheid deed een beroep op de kooplieden om hun goud of munten in
de openbare schatkist te storten en opende een credietrekening in de
boeken van den Staat voor de bedragen, die op deze wijze gedeponeerd
werden, welk tegoed in de boeken interest opbracht (altijd stipt
betaald) op den voet van 4% 's jaars. Kort na de oprichting van
deze Bank stierf een der storters, en daar men zijne nalatenschap
onder zijn vijf kinderen moest verdeelen, werd zijn tegoed in
de Bank in vijf porties verdeeld en op de vijf nieuwe eigenaars
overgeschreven. Daardoor was een systeem van overschrijving van een
tegoed in boekhouding ingevoerd, en dit bleek zooveel practisch nut
te hebben, dat de kooplieden het weldra zeer algemeen aannamen als
een middel om de nog niet vereffende saldi te betalen in alle groote
zaken-transacties. De Banken van Amsterdam en Hamburg werden naderhand
ook op feitelijk dezelfde basis gesticht en deden met veel succes
zaken. De Bank van Venetië deed vijf honderd jaar zaken en gedurende
dat tijdperk bloeide de Staat en kwamen er weinig faillissementen
voor onder de koopmansklassen.
[17] Wie het kinderachtig of onnoodig mocht achten om in zulke
uitvoerige verklaringen te treden, moge herinnerd worden aan een
plan voor een nieuw papieren ruilmiddel, dat kort geleden enkele
ernstige voorvechters heeft gevonden in de Ver. Staten, nl. dat van
Josiah Warren uit Ohio, die voorstelde om "het recht van uitgifte
van papiergeld uitsluitend te verleenen aan die mannen, vrouwen en
kinderen, die nuttige diensten verrichten",--bijvoorbeeld koren
verbouwen, steenkool delven, kabeljauw vangen, kastanjes zoeken,
enz.--"maar aan niemand anders", terwijl die resultaten van arbeid in
veilige bewaarplaatsen gedeponeerd zouden worden "tegen ontvangst van
gelijke waarde" zouden dienen. Een andere grondstelling van Mr. Warren
was, dat "het onaangenaamste werk" (niet het nuttigste) "recht heeft
op de hoogste schadeloosstelling" en dat daarop bijgevolg ook het
meeste geld uitgegeven moet worden. Een specimen van deze geldsoort
zou er dus ongeveer zoo uitzien:
Het onaangenaamste werk heeft recht op de hoogste vergoeding.
$ 1.00 Tijd is geld!
Cincinnati. Ohio.
Verschuldigd aan toonder
Acht uur werk
in het maken van schoenen of honderd pond koren.
William Morton. No.--, F--straat.
Natuurlijk moet er, opdat dit geld werkelijk gelijkwaardig zal zijn
aan wat er mee betaald is en opdat de uitgifte er van werkelijk
die "afdoende oplossing is van het groote probleem van arbeid en
kapitaal", waarvoor het gehouden wordt, een vooropgestelde verhouding
bestaan tusschen de waarde van acht uur schoenmakerswerk en 100 pond
koren. Maar honderd pond koren in Illinois zijn het resultaat van niet
meer dan een vierde deel van het werk dat dezelfde hoeveelheid koren
in Nieuw-Engeland vereischt en hoe kan men nu in het resultaat van
acht uur werk in het maken van schoenen van een bekwaam handswerkman
op één lijn stellen met dat van een eenvoudigen schoenlapper? of,
hoe kan men den arbeid van een man, die een onaangenaam slaafsch werk
verricht, vergelijken met dien van het genie, dat een machine uitvindt,
welke dat onaangename werk overbodig maakt?
E. D. Linton uit Boston, een van Warren's beste leerlingen verbetert
Warren's ideeën en stelt voor dat de Vereenigde Staten een papieren
ruilmiddel zouden uitgeven, dat het volgende zou behelzen:
De Ver. Staten betalen aan toonder Eén Dollar in
............................ bossen van Illinois Fall tarwe,
bij pakhuis no. 1, U. S. A., no. 12, River Street, Chicago,
III.
Dit biljet is geldig voor alle betalingen verschuldigd aan
de Vereenigde Staten.
En hetzelfde natuurlijk met betrekking tot varkens, steenkool,
schoenen en diensten van medische doctoren, advocaten en koks. Dus
hieruit volgt, wil het biljet geen leugen op zijn voorzijde dragen
en zal de belofte werkelijk vervuld kunnen worden op vertoon er van,
dat de Ver. Staten onvermijdelijk genoodzaakt zullen zijn om pakhuizen
voor tarwe te hebben te Chicago, varkensstallen te Peoria, kolenmijnen
of depôts te Pottsville, en bekwame vaklieden, die klaar staan om
op den minsten wenk een zaak te verdedigen, een preek te houden,
een verkoudheid te genezen of een maal te koken; en al deze laatsten
mogen er niets op tegen hebben om in varkens betaald te worden. Maar
daar een varken in Peoria een geheel andere waarde heeft dan in haast
alle andere plaatsen, zou de dollar ter waarde van een varken, dien
de Ver. Staten betalen zou, hier een heel varken zijn, elders een
half en misschien alleen de snoet van het varken in een derde plaats.
[18] Hoewel het voor ieder, die dit onderwerp bestudeerd heeft,
duidelijk is, dat niet-inwisselbaar, fluctueerend papiergeld ten slotte
altijd een extra belasting vormt, welke het zwaarste die klasse van
afnemers zal drukken, die op een vast inkomen, salaris of loon leven,
is het niettemin steeds vrij moeilijk geweest om voorbeelden hiervan te
vinden, die dit feit zoo duidelijk en eenvoudig toelichten, dat zij op
zich zelf overtuigend genoeg zijn om indruk te maken op die menschen,
welke het meeste belang bij de zaak hebben. Met de bedoeling om zulk
een concreet voorbeeld te vinden, wendde iemand zich tot een der
eerste Amerikaansche kooplieden, wiens groote en algemeene ervaring
hem ruimschoots gelegenheid gaf om over dit onderwerp te spreken en
dit onderhoud verliep ongeveer als volgt:
Vraag: "Wanneer u voor goud inkoopt en voor papiergeld verkoopt,
hoeveel voegt u dan bij uw verkoopprijs bij wijze van verzekering om
een voldoende waarde als betaling--plus winst, interest, etc.--terug
te krijgen, dat u daarmee het goud, vertegenwoordigd door den inkoop,
kunt vervangen of terugkoopen?"
Antwoord: "Wij doen dat maar heel weinig tegenwoordig, nauwelijks de
moeite waard om van te spreken."
V.: "Maar toch verzekert u zich wel eenigermate tegen het fluctueeren
van het papiergeld of houdt er in uw zaken tenminste iets of wat
rekening mee?"