HOOFDSTUK VII.

HOE DE BEWONERS VAN HET EILAND BESLOTEN OM EEN EERLIJK EN VRIJ VOLK

TE ZIJN.

Thans was het zaak om eens te gaan nadenken over de wetten, die het

handeldrijven en het gebruik van geld zouden moeten regelen. Er waren

enkele menschen, die wilden dat er wetten zouden worden uitgevaardigd,

waarbij iedereen gedwongen zou worden om alles wat hij bezat te

verkoopen, wanneer hem daarvoor een nominaal of werkelijk equivalent

werd aangeboden in datgene, wat de staat voor geld zou verklaren; en

zij wilden ook wettelijk vastgesteld hebben, dat iemand, die artikelen

of diensten van een ander had gekocht met de belofte daarvoor na

eenigen tijd te betalen, die schuld geheel mocht afbetalen met datgene

wat door den staat geld werd genoemd, onverschillig of terzelfdertijd,

de mannen, die de Munt onder hun beheer hadden, om de een of andere

reden de helft van het kostbare goud uit de munt genomen hadden en

daarvoor in de plaats betrekkelijk waardeloos lood hadden gedaan.

Maar ter eere der eilandbewoners dient gezegd, dat deze voorstellen

een weinig gunstig onthaal vonden. Zij zeiden: "wij willen een eerlijk

en ook een vrij volk zijn en daarom zal ieder, die iets wil koopen of

verkoopen, precies doen, waartoe hij zich verbonden heeft, tenzij hij

wegens onvoorziene of onvermijdelijke omstandigheden volkomen onmachtig

is om zijn overeenkomst of zijn contract na te komen. En zij zeiden

verder: "wanneer iemand artikelen of diensten ontvangt en belooft

hiervoor na vijf jaar of vijf minuten een afgesproken hoeveelheid goud,

tarwe, kabeljauw of koolen van een bepaalde qualiteit terug te geven,

dan zal het (en volkomen terecht) als oneerlijk worden beschouwd

om te probeeren deze verplichting af te doen door ruw ijzer aan te

bieden inplaats van goud, erwten of boonen inplaats van kabeljauw

of pompoenen inplaats van kooien; en iedere natie, die op de een of

andere wijze zulk een ontduiking van de letter of den geest van haar

verplichtingen bekrachtigt, kan er zich niet op beroemen een eerlijk,

christelijk volk te zijn; en een gemeenschap, die wetten uitvaardigt

en handhaaft, die iemand dwingen om, in ruil of betaling voor zijn

diensten of producten, iets te ontvangen, dat niet in zijn contract

genoemd stond en dat hij zonder dien dwang niet zou willen aannemen,

zulk een gemeenschap heeft geen recht om zichzelf een vrij volk te

noemen. Daarom besloten de bewoners van het eiland, dat zij de overheid

van hun land alleen de vrijheid van ingrijpen in den handel zouden

toestaan, buiten de volgende bepalingen om: dat het ruilmiddel en de

waardemeter, dien zij ingesteld en een Vrijdag of een dollar genoemd

hadden, altijd en onder alle omstandigheden 25,8 grein standaardgoud

moest bevatten; dat van dezen standaard nooit mocht worden afgeweken en

dat niemand tot het gebruik van dit betaalmiddel gedwongen zou worden;

maar, wanneer iemand beloofde te betalen of geld te geven, zonder

nader te omschrijven of dit geld zou zijn wampum-geld, kralengeld,

veegeld, goudgeld of een ander bijzonder soort van geld, dan zou

het officieele geld, door de overheid van het eiland uitgegeven, als

het bedoelde betaalmiddel beschouwd worden. Kortom, als verstandige

menschen maakten de eilandbewoners de gevolgtrekking, dat het, zoolang

zij in het algemeen gebruik een goed en betrouwbaar soort van geld

handhaafden, hetwelk op zijn oppervlakte de getuigenis (gemakkelijk te

ontcijferen en bij ieder bekend) droeg van zijn waarde of koopkracht,

vrijwel onnoodig was om de wetboeken vol te schrijven met bepalingen

over een wettig betaalmiddel. Zij zouden dat maar liever overlaten aan

andere en wijzere menschen, dan zijzelf, die geld wilden gebruiken,

dat alleen kon circuleeren, wanneer het de een of andere kunstmatige

kracht of werking achter zich had, die het deed rollen.

Hierna liep een tijdlang alles wat tot den handel in betrekking

stond even goed van stapel op het eiland. Weliswaar waren er slechte

menschen, die artikelen en diensten op crediet verkregen, die zij niet

van plan waren ooit te betalen, zorgelooze en verkwistende menschen,

die meer kochten dan zij konden betalen, en dwaze en wat al te goed

vertrouwende menschen, die, nadat zij door arbeid en spaarzaamheid een

flinken voorraad artikelen bijeen gezameld hadden, deze ruilden voor

aandeelen in ondernemingen, die nooit rendeeren konden. En indien

iemand dan op een van deze wijzen de opbrengst van harden arbeid

verloor, dan was hij natuurlijk terneergeslagen; hij verloor het

vertrouwen in zijn medewerkers, en dacht dat de tijden en zaken er

wel op zouden verbeteren, wanneer hij alle beambten van zijn kantoor

op straat zette en door nieuwe liet vervangen. Maar niemand op het

eiland geloofde ook maar voor een oogenblik, dat er een anderen weg

bestond om het verloren geld op eerlijke wijze terug te krijgen, dan

om door ijver en spaarzaamheid een nieuwen voorraad nuttige artikelen

te verzamelen, waarvoor geld gekocht kon worden; en niemand, die ooit

iets te verkoopen had, dat andere leden der gemeenschap wenschten

te bezitten en die er een goed equivalent voor in de plaats konden

geven, was ooit verlegen om geld of om een afzetgebied, terwijl er

aan den anderen kant geen sprake van was, dat iemand, die niets te

verkoopen had, wat de gemeenschap wenschte of kon betalen, er ooit

in zou slagen om geld of een afzetgebied te verkrijgen.

Het Geld van Robinson Crusoe Populaire uiteenzetting omtrent den oorsprong en het gebruik van geld als ruilmiddel · 第 16 / 30 题