GOUD, EN HOE ZIJ DAT LEERDEN GEBRUIKEN.

Eindelijk werkten de tijd en de omstandigheden samen, om de

eilandbewoners tot een oplossing van hun moeilijkheden te brengen. Een

man, die op een goeden dag eens door een ravijn wandelde, raapte daar

een stuk schitterend metaal op. Hoewel het blijkbaar langen tijd in

het zand had gelegen, en daardoor voortdurend was blootgesteld aan

de atmospheer, terwijl het water het bespoelde en tegen de rotsen

schuurde, had het een opvallenden glans en kleur en hoemeer men het

opwreef, hoe mooier het werd. Dit kleine stukje metaal, dat later

"goud" werd genoemd, nam de man mee naar huis voor zijn vrouw, die er

zoo mee in haar schik was, dat zij het aan een ketting om haar hals

hing als sieraad. Natuurlijk wekte het mooie voorwerp den naijver

op van alle ander vrouwen tegelijk met den wensch om ook zooiets

te bezitten; verschillende menschen gingen zoeken in het ravijn en

meerdere korrels werden ontdekt. Bij een nauwkeurig onderzoek van het

nieuwe metaal bleek bovendien, dat het nog vele andere merkwaardige

eigenschappen bezat behalve glans. Men ontdekte, dat het gemakkelijk

gesmolten en gegoten kon worden, en dat het ook zonder hitte zeer goed

vervormd kon worden door persing en hamerslagen, en dat het, eenmaal

gegoten, vervormd of geperst, blijvend den vorm of indruk behield,

die men er aan had gegeven. Verder, dat men het tot de fijnste draden

kon uitspinnen en in de dunste plaatjes en blaadjes kon hameren,

en dat men het kon buigen en kneeden zooveel men wilde, zonder dat

het brak; dat het onmiddellijk van kleur veranderde, zoodra men het

maar even vermengde met een ander soort stof, zoodat de kleur een

haast onfeilbaar middel bleek te om zijn zuiverheid te toetsen [10];

dat vuur, water, lucht en bijna alle inwerkingen, die verderfelijk

zijn voor andere stoffen, er weinig of geen invloed op hadden, dat

een klein stuk, afgezien van omvang en gewicht, precies dezelfde

eigenschappen bezat als een groot stuk, en dat, wanneer men een groot

stuk verdeelde in een groot aantal kleinere, deze laatste op hun beurt

gemakkelijk en zonder dat er iets verloren ging, weer tot een geheel

vereenigd konden worden. Natuurlijk maakte de ontdekking van al deze

merkwaardige eigenschappen in één stof vereenigd het metaal zelf nog

eens zoo nuttig en waardevol in de oogen der eilandbewoners en hun

wensch om ervan te bezitten werd steeds grooter. In plaats van het in

ruwen staat te dragen als versiersel, werd het omgesmeed in ringen,

armbanden, kettingen, etc. Het bleek bijna onmisbaar te zijn voor een

groot aantal mechanische en chemische doeleinden, en tenslotte steeg

de algemeene bewondering voor het goud en het verlangen er naar tot

zulk een hoogte, dat het voor velen in waarheid bijna een voorwerp

van aanbidding werd.

Als iemand een heiden was, dan meende hij den God, dien hij aanbad,

niet beter te kunnen eeren dan door hem een beeld uit goud te

vervaardigen; als hij een Christen was, koos hij goud voor de

fabricatie van zijn symbolische vaten en ornamenten, omdat het van

alle stoffen de zuiverste, duurzaamste en kostbaarste was. Als een

regeering of een volk de daden van een nationalen held of staatsman

wilde herdenken, stempelde het hun beeltenissen op gouden medailles;

als er een gevleugeld woord verkondigd werd, dat als leefregel de

algemeene goedkeuring wegdroeg, werd het een "gouden spreuk" genoemd;

als een wet of voorschrift waardig geacht werd om door alle tijden

heen in de herinnering van een volk bewaard te blijven, werd het in

gouden letters vereeuwigd, terwijl voor redevoeringen, profetiën en

gedichten ditzelfde metaal een nooit uitgeputte bron vormde voor de

mooiste vergelijkingen en figuurlijke omschrijvingen. In het kort:

van het oogenblik af, dat het voor den eersten maal ontdekt werd,

is het goud in alle landen voor rijken en armen, voor nederigen

en machtigen, wilden en beschaafden, onwetenden en geleerden, van

alle stoffen bij uitstek die geweest, welke door de meeste menschen

het allermeest begeerd werd; degene, waarvoor zij, onder de meeste

omstandigheden, al hun overige stoffelijke bezittingen wilden geven;

en om het te verkrijgen, zijn zij zelfs bereid geweest om afstand

te doen van onstoffelijke dingen van grootere waarde,--eer, geloof,

zedelijkheid, gezondheid, ja, het leven zelf.

Toen het goud zoodoende het voorwerp van ieders begeerten werd op

het eiland en het ruilbaar werd voor ieder ander ding, verkreeg het

weldra van zelf een overal geldende koopkracht en werd het vanaf dat

oogenblik geld.

Deze koopkracht stond in het begin nog volstrekt niet vast en was ook

geenszins bestendig. Zoolang er slechts een kleine hoeveelheid goud

was, was zijn koopkracht groot, maar toen de hoeveelheid, die aan de

rotsen onttrokken of uit het zand gewasschen werd, aangroeide en den

dorst van het volk er naar meer en meer verzadigde verminderde zijn

koopkracht of waarde; en als de voorraad grooter was geweest en de

vraag beperkt was gebleven tot binnen de grenzen van het eiland, dan

zou zijn waarde op den duur ongetwijfeld niet grooter zijn geweest dan

die van koper of ijzer of zelfs niet eens zoo groot. Maar, merkwaardig

genoeg, bleef die groote toevloed niet aanhouden. De voorraad, die

men in het begin en zonder veel moeite had verkregen, bleek ontstaan

te zijn door een eeuwenlange verweering en bespoeling der rotsen;

en toen, zooals weldra gebeurde, de gemakkelijk bereikbare voorraden

aan de oppervlakte uitgeput raakten, werden de omstandigheden, die

den toevloed van het goud bepaalden, totaal anders. Er was evenwel

volstrekt geen gebrek aan goud. Inplaats van een zeer zeldzaam metaal,

bleek het zelfs zoo algemeen verspreid te zijn, dat de scheikundigen

en metallurgisten weldra sporen van goud ontdekten in welhaast ieder

uitgestrekt bed van klei en zand, dat zij onderzochten. [11] Maar aan

den anderen kant bewees de ervaring, dat het niet alleen heel wat

werk van de meest onaangename en uitputtende soort kostte, om een

eenigszins aanzienlijke hoeveelheid van dat metaal te verkrijgen,

maar eveneens een groot aantal andere artikelen. Met het gevolg

dat velen, die aanvankelijk hun verschillende bezigheden, zooals

kleeren maken, tarwe verbouwen, schepen bouwen, broodbakken en

steenen muren en schoorsteenen maken, hadden neergelegd om goud

te gaan delven, weldra tot de ontdekking kwamen, dat zij voor de

gemiddelde opbrengst van een dag gouddelven niet meer nuttige of

begeerenswaardige artikelen--voedsel, drank, kleeren, etc.--konden

krijgen, dan voor de opbrengsten van een gelijke hoeveelheid arbeid

besteed aan de meest gewone bezigheden; en de meesten gaven zelfs,

op grond van hun persoonlijke ervaringen, volmondig als hun oordeel

te kennen, dat men met ieder ander beroep beter en gemakkelijker zijn

brood verdienen kon dan met goud zoeken. [12]

Daarom verlieten de bekwaamste arbeiders na eenigen tijd de

goudvelden om terug te keeren naar hun vroegere bezigheden; en hun

voorbeeld werd door zoovelen der minder bekwame arbeiders gevolgd,

dat de velden weldra geheel verlaten zouden zijn, waren er niet

nog altijd menschen geweest, die aangemoedigd werden door de hoop,

dat de vondst van een grooten klomp hen opeens rijk zou maken,

zooals wel eens gebeurde. Zooals de zaken nu stonden nam de toevloed

van goud sterk af en daar de vraag er naar niet verminderde, ging

de koopkracht van den aanwezigen voorraad ten opzichte van andere

artikelen langzamerhand naar boven, totdat het bleek, dat de gemiddelde

opbrengst van een dag gouddelven grooter was dan die van evenveel werk

in andere bedrijven. Maar zoodra dit bekend werd ging er een nieuwe

toevloed van arbeidskracht terug naar de goudvelden, zoolang totdat

de opbrengsten van het goudgraverswerk en die van andere soorten

arbeid weer tegen elkander opwogen. En deze wisseling van beroepen,

waardoor de opbrengsten van verschillende soorten arbeid voortdurend

vereffend werd, duurde jaar in jaar uit voort, totdat tenslotte het

volk als 't ware instinctief besefte, dat een gegeven hoeveelheid

goud constanter een gegeven hoeveelheid of een zekeren graad of

soort van menschelijken arbeid of inspanning vertegenwoordigde dan

iedere andere stof. En tegelijkertijd, dat zij dit beseften, werd

het den eilandbewoners ook voor het eerst duidelijk, dat het goud nu,

behalve de algemeene ruilbaarheid of koopkracht, die het al eerder van

zelf had gekregen door de omstandigheid, dat iedereen het wenschte te

bezitten van het oogenblik af dat het voor het eerst ontdekt was, nog

twee andere eigenschappen veroverd had, die het meer dan iets anders

geschikt maakten om als geld te dienen, namelijk en ten 1e, dat het

een standaardmeter van waarde was geworden, waarmee men, evenals met

een duimstok, de betrekkelijke waarde van alle andere goederen kon

meten of schatten; en ten 2e, dat zijn waarde op zichzelf zóó constant

en van blijvenden innerlijken aard was, zelfs onder omstandigheden,

die de waarde van de meeste andere artikelen vernietigen zouden, dat

iemand, die goud bezat, onmogelijk een beteren waarborg kon krijgen

voor de blijvende waarde van zijn kapitaal tot in lengte van dagen,

dan door het in dienzelfden vorm in zijn bezit te behouden.

Er was wel geen deel der bevolking van het eiland, die deze laatste

eigenschap van het goud zoozeer als een zegen beschouwde, als de arme

oude mannen en vrouwen. In den regel verdienden deze oudjes niet veel

meer dan zij voor hun levensbehoeften van iederen dag noodig hadden

en natuurlijk waren zij altijd bang, dat het kleine beetje geld, dat

zij hadden overgelegd, in waarde achteruit zou gaan door het bewaren,

vóór het oogenblik waarop zij het bijzonder noodig mochten hebben

om den dokter en medicijnen te betalen of om hun een fatsoenlijke

begrafenis te bezorgen. Het kauri-geld, dat zij vroeger ten koste

van persoonlijke ontberingen en harden arbeid verzameld hadden, was

tenslotte door het te bewaren tot een hoopje waardelooze schelpen

geworden; het kralengeld was waardeloos geworden, toen het uit de

mode geraakte, het veegeld moest iederen dag gevoed worden om het voor

groote waardevermindering te behoeden, terwijl het iedere nacht gestald

moest worden om te verhinderen, dat het wegliep; het tarwegeld was

altijd onderhevig aan beschadiging door vocht of ongedierte, terwijl

twintig pond ruw ijzer een te zware vracht bleken te zijn voor hun oude

ledematen om naar een winkel te dragen, telkens wanneer zij een stuk

goed of een beetje tabak wilden koopen. Maar hier was eindelijk iets,

dat volkomen voldeed aan alle behoeften van hun toestand en waarvan

zij zeker konden zijn, dat zij er altijd gemiddeld dezelfde hoeveelheid

dingen van allerlei soort voor zouden kunnen krijgen, of zij het nu al

begroeven in de aarde, waar het altijd vochtig zou liggen, of dat zij

het in den schoorsteen stopten, waar het altijd verhit en berookt zou

worden; of zij aan den eenen kant van het eiland onder de Heidenen of

aan het andere einde onder de Christenen woonden, en dat, wanneer zij

het in betaling voor diensten en artikelen aanboden aan een dokter,

een advocaat, een koopman, een drogist, een begrafenis-ondernemer, een

metselaar of een kleermaker, aan een Yankee, een Ier, een Hollander,

een Turk of een Hindoe, aan den Gouverneur van Ohio of aan een senator

van Indiana, nooit zou één van deze menschen het noodzakelijk achten om

eerst in een boek te kijken, of een wet na te slaan, of in den Bijbel

te lezen of in de besluiten van het laatste Congres van Politieke

Conventie te gaan snuffelen om te weten te komen, hoeveel het waard

was en of het wel secuur was om het aan te nemen en te bewaren.

Er was een heel wijs man op het eiland, die zich verzette tegen

het gebruik van goud als geld, omdat hij bang was, dat de arme oude

vrouwtjes er hun afgedankte kousen mee vullen en het oppotten zouden,

om de zekerheid te hebben, dat zij altijd iets van onveranderlijke

waarde in hun bezit hadden [13]. Maar spoedig werd hem het zwijgen

opgelegd door iemand, die hem vroeg, waarom men die oude vrouwtjes

niet zou veroorlooven om zelven iets te bewaren, waarop zij altijd

konden rekenen in kwade tijden, wanneer zij dat nu eenmaal wenschten en

wanneer het bezit daarvan hun rustiger deed slapen? en welke reden hij

feitelijk had om er tegen te zijn dat die oude vrouwen goud oppotten,

wanneer het tenminste niet in zijn bedoeling lag om de arme menschen

te plagen en te benadeelen door hen te dwingen om hun zuur verdiende

spaarduitjes te bewaren in den vorm van artikelen, waarvan de waarde

niet zeker was en die misschien in het geheel geen waarde meer zouden

hebben, als de tijd kwam om den dokter of den begrafenis-ondernemer

te betalen?

Toen de menschen op het eiland voor het eerst begonnen het goud

als geld te gebruiken, liepen zij er soms mee rond in den vorm,

waarin het gevonden was: hetzij als stofgoud of schilfers, die zij

in pijpjes bewaarden, of als korrels in zakken; of zij smeedden het

om tot groote brokken en bonken [14]; en daar de koopkracht van het

goud altijd in overeenstemming was met zijn gewicht en zuiverheid,

droeg iedereen kleine weegschaaltjes en toetssteenen bij zich,

waarmee hij het goud keurde alvorens er een ruil mee aan te gaan

(dit is tegenwoordig nog de gewoonte in China). Maar aan deze methode

waren groote bezwaren verbonden en ofschoon de getuigenis van een

erkend eerlijk man, dat hij de waarde getoetst had van het goud,

dat hij als betaling aanbood, algemeen voor de daad werd aangenomen,

zoo moest men toch ook toegeven, dat het volstrekt geen grootere

onrechtmatigheid of onbeleefdheid was van de zijde van den kruidenier,

wanneer deze het geld van zijn klant woog en toetste, dan er stak

in de gewoonte van dien klant zelf om het zout en de suiker van den

kruidenier te keuren door het te proeven. Zooals te begrijpen is,

kostte het zoodoende heel wat tijd om den gewoonsten koop te sluiten,

en overal gaf dit aanleiding tot klachten en schreven de menschen er

brieven over naar de couranten. Kooplieden, die erg voorzichtig en

precies waren, gaven hun klanten daarmee ergernis, en kregen den naam

van zeer veeleischend en wantrouwend te zijn, terwijl kooplieden,

die maar weinig kapitaal hadden en die zaken tot zich wenschten te

trekken, adverteerden, dat het woord van hun klanten hun voldoenden

waarborg zou zijn om hun goud te accepteeren. Maar deze laatsten gingen

allen vroeger of later failliet, doordat zij onophoudelijk bedrogen

werden. Ten slotte kwam een reeks van gelukkige omstandigheden de

eilandbewoners in deze moeilijkheid te hulp.

Robinson Crusoe was eenige jaren tevoren op zeer hoogen leeftijd

gestorven; en ook Will Atkins en alle zeelieden, die met hem uit

andere landen naar het eiland waren gekomen, waren dood; zoodat er nu

geen menschen meer op het eiland waren, die ooit iets hadden gehoord

of gezien van gemunt geld. Maar op een goeden dag stootte een groep

werklieden, die bezig waren met het maken van wegen, op de oude grot,

waar Crusoe eerst gewoond had, toen hij aan de schipbreuk ontkomen

was, en in het stof onder den vloer ontdekten zij de drie groote

zakken geld, die Crusoe in de kast had gevonden en die hij in zijn

verachting begraven en totaal vergeten had. Iedereen zag dadelijk,

dat de metalen voorwerpen in die zakken van goud waren, en was even

bereidwillig om daarvoor andere artikelen te ruilen met de vinders,

als voor ander goud.

Maar waarom het in den vorm van platte ronde schijven moest zijn en

gestempeld met opschriften en afbeeldingen, dat was voor iedereen een

raadsel; en het Oudheidkundig en Philosophisch Genootschap riep een

bijzondere vergadering bijeen om dit onderwerp te bespreken. Sommigen,

die alleen één kant van de geldstukken bekeken, dachten, dat het

medailles waren, geslagen om een bijzonderen man te herdenken, of

ook een vrouw, wier naam vaak "Liberty" scheen te zijn. Anderen, die

alleen den anderen kant bestudeerden, meenden, dat zij zeker gemaakt

waren met de bedoeling om de groote tegenstelling tusschen een leeuw

en een eenhoorn aan te toonen of om het volk vertrouwd te maken met de

eigenaardigheden van den een of anderen onnatuurlijken vogel of een

ander dier, dat men, daar het niet geleek op eenig bestaand wezen of

voorwerp, hetzij in de hemelen of op aarde, of in de wateren onder de

aarde, misschien mocht aanbidden, zonder daarmee een zonde te begaan.

Ten slotte, nadat de platte schijven of munten eenigen tijd in omloop

waren geweest en de gemeenschap bemerkt had door herhaaldelijk toetsen

en wegen, dat iedere schijf een bepaald constant gewicht van goud

van gelijke zuiverheid vertegenwoordigde, kwam men plotseling op de

gedachte, dat de eenige bedoeling van die fantastische figuren en

inscripties op de schijven moest zijn, om officieel het feit van hun

eenheid van gewicht en waarde te betuigen, en toen verbaasden allen

zich er over, dat zij zoo dom hadden kunnen zijn om niet eerder op

dat idee te komen en het toe te passen, inplaats van iedereen zijn

goud te laten wegen, snijden en toetsen, iederen keer dat hij het

wilde afgeven of ontvangen om er een koop mee te sluiten. Men begon

daarom dadelijk met een openbaar instituut op te richten--later een

Munt genoemd--waarheen ieder, die het wenschte, zijn goud brengen

kon om het weer terug te krijgen nadat het gegoten was in passende

stukken van bepaald gewicht en fijnheid; terwijl de getuigenis, dat

het gewicht en de qualiteit van ieder stuk op die manier gekeurd was,

in geijkte kenteekenen op het metaal werd aangegeven. En op deze wijze

kwam "gemunt geld" voor het eerst in gebruik op het eiland. En nu

had ook het geld, dat Robinson Crusoe in de kast had gevonden en dat,

toen het voor den eersten maal in zijn bezit kwam, nut noch waarde had

en evenmin kon dienen als een standaard of waardemeter, langzamerhand

al deze verschillende attributen verkregen: nut, zoodra de grondstof,

waaruit het bestond, aan eenig menschelijk verlangen kon voldoen,

hetzij als sieraad of als een symbool van aanbidding of voor het een

of ander mechanisch of chemisch doel; waarde (uitsluitend een gevolg

van arbeid) toen het een voorwerp van of een equivalent in ruilhandel

werd of het vermogen verkreeg om er andere dingen mee te koopen;

een standaard of waardemeter, toen zijn koopkracht tengevolge van

verschillende omstandigheden zoo niet volkomen bestendig dan toch

tenminste over het algemeen bestendiger bleek te zijn dan die van

eenig ander artikel.

De herschepping van geld in munt was iets zuiver kunstmatigs en het

gevolg van een wet of een verordening, waarvan het eenige doel was

om het geld (dat tevoren al in omloop was) zoo geschikt mogelijk te

maken voor het gebruik. Maar, zooals reeds werd aangetoond, het geld

zelf kwam in eerste instantie in gebruik zonder wettelijke bepalingen

en ontstond als het ware van zelf door de werking der menschelijke

instincten; en toen men later aan het goud als geld-materiaal den

voorkeur gaf boven ieder ander artikel, deed men dit om soortgelijke

redenen, als waarom de menschen zijde, wol, vlas en katoen kiezen

als materiaal voor kleeding, en steen, baksteen en timmerhout als

materiaal voor huizen. Het was nu eenmaal van alle stoffen het meest

geschikt voor dit bijzondere doel.

De invoering en het gebruik van gemunt geld hadden dadelijk een

groote opleving in zaken tengevolge en deze nieuwe uitvinding

maakte de menschen rijker, omdat zij tijd en werk uitspaarde bij

het handeldrijven en iedereen vrijwaarde van de kosten en moeite,

die het koopen en het bij zich dragen van een weegschaal en ander

keuringsmateriaal veroorzaakten. De eenige menschen, die ontevreden

waren over deze nieuwe instelling, waren de weegschaal-fabrikanten,

wier bedrijf nu bijna stilstond, en zij richtten derhalve een

verzoekschrift aan de overheid, of deze hun belangen niet kon

beschermen door een wet uit te vaardigen, die alle menschen zou dwingen

om hun geldstukken te wegen op weegschalen alvorens ze in ruil te

geven, zooals zij vroeger met hun ongemunt goud deden. Maar aangezien

iedereen dadelijk inzag, dat zulk een wet gelijk zou staan met alle

handelaars te dwingen tot nutteloos werk, had het verzoekschrift

geen resultaat.

Voor het gemak bij het spreken en schrijven kreeg ieder goudstuk

of munt van bepaald gewicht en fijnheid, dat geregeld door de munt

werd uitgegeven, ook een eigen naam en werd op ieder een bepaald

devies gestempeld. Zoo werd bijvoorbeeld het kleinste geldstuk,

dat 25.8 grein standaardgoud bevatte en dat de beeltenis droeg van

Crusoe's ouden, trouwen dienaar, een "Vrijdag" genoemd; een stuk van

tienmaal het gewicht en de waarde van een Vrijdag met een afbeelding

van den stichter der gemeenschap op het eiland, heette een "Crusoe",

en een stuk, dat tweemaal zooveel woog als het laatste of twintig

maal zooveel als het eerste, met een groot portret er op, heette een

"Robinson Crusoe" of een "dubbele Crusoe". Eenigen tijd later, toen

het eiland over de geheele wereld algemeen bekend werd, bleek het,

dat deze munten in gewicht, fijnheid en waarde precies overeenkwamen

met die, welke ingesteld waren in dat vreemde land, dat "de Vereenigde

Staten" genoemd werd, en die daar bekend waren onder de namen van den

gouden dollar, den adelaar en den dubbelen adelaar, en nog wat later

nam men op het eiland het besluit, ten einde de beschaving te helpen

bevorderen en een grootere toenadering te bewerkstelligen tusschen de

verschillende volkeren, om alle eng-nationale gevoelens over boord te

werpen en de vreemde namen voor de inheemsche in de plaats te stellen.

Het Geld van Robinson Crusoe Populaire uiteenzetting omtrent den oorsprong en het gebruik van geld als ruilmiddel · 第 15 / 30 题