't Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project

Gutenberg.

DE ELLENDIGEN

Naar het Fransch

Van

VICTOR HUGO.

Opnieuw bewerkt.

Tweede deel.

Arnhem en Nijmegen,

Gebrs. E. & M. Cohen.

BOEK I.

WATERLOO.

EERSTE HOOFDSTUK.

WAT ER OP DEN WEG VAN NIVELLES GEVONDEN WORDT.

Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een

voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles

en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen,

over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt,

welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als

ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en

Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten

kerktoren van Braine-l'Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas

heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een

dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift: Ancienne

barrière No. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond:

Au quatre vents. Echabeau, café de particulier.

Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan

het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk

staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van

den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde,

over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l'Alleud uit. Dáár,

ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor

welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken,

een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in

een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een

jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet,

waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning,

in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een

waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad

door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.

Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de

eeuw te zijn gekomen, die in een spitse laag van overdwars gelegde

steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in

den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief

zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam

mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke

allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten

met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste

klopper bevond.

De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij

in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze

bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig

vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom

vroolijk te kwinkeleeren.

De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het

rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door

een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden

zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.

Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.

"Een Fransche kogel heeft dat gedaan," zeide zij.

En zij voegde er bij:

"Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat

van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord."

"Hoe heet deze plaats?" vroeg de wandelaar.

"Hougomont," zei de boerin.

De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over

de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op

die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.

Hij was op het slagveld van Waterloo.

TWEEDE HOOFDSTUK.

HOUGOMONT.

Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis,

de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke

Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den

slag der bijl.

't Was een kasteel; 't is nu niet meer dan een hoeve. Voor den

oudheidkenner is Hougomont Hugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo,

heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij

van Villers stichtte.

De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude

kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in

't oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de

boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen

vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den

muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV,

door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag

men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met

zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een

kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje,

een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de

plaats, welker verovering eens Napoleon's droom was. Zoo hij dit

plekje gronds had kunnen nemen, zou 't hem misschien de overwinning

der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort

een gegrom; 't is een groote hond, die de tanden toont en er de

Engelschen vervangt.

De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende

zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd

aan de woede van een leger.

De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden,

vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één

der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke

poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel

bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van

het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen

Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en

Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille

werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann

waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin

was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de

brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen.

De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van

de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog

aan den muur. 't Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd,

die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.

De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet

om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan 't einde van

het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van

hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. 't

Is een gewone wagenpoort, zooals alle hoeven hebben; twee breede

slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze

poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort

allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin.

De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het

vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel

heeft er zich versteend; 't leeft, 't sterft, 't is niet ouder dan

gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen,

de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen

te willen vluchten.

Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds

afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.

De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen

er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde

van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig

overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men

zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting,

de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van

alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren,

boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit

al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen

aan en staken 't gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd

met houtvuur beantwoord.

Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters,

de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die

kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak

gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap

heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de

bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. 't

Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden

zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een

drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in

haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de

tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood;

de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816

heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten.

In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig,

is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het

altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten

steenen muur. Deze kapel bestaat uit vier, met kalk gewitte muren;

een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de

deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant

luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond

een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld

van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van

het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een

oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden,

staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij

is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten

Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker

verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van

het oord zeggen, dat 't een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is

zoo gelukkig niet geweest als de Christus.

De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest

men den naam: Henquinez. Voorts deze: Conde de Rio Maïor. Marques

y Marquesa de Almagro (Habana). Er zijn Fransche namen met

uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw

gewit. De volken beleedigden er elkander op.

Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de

hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.

Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit

voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en

katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen

water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.

De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van

Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18

Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.

Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene

dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot

schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude

afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het

dichtste hout sidderend bivouakkeerden.

Willem van Kylsom woonde te Hougomont "om het kasteel te bewaken" en

verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men

trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden

zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem

bracht hun water, 't welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar

hun laatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den

dood gingen, moest insgelijks sterven.

Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood

vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem

aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men

maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien

met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van

neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde,

flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.

De put staat afgezonderd op 't midden van het plein. Drie muren,

half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een

tochtscherm, hadden eenigszins 't voorkomen van een torentje en omgeven

den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte

men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien

door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering,

waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring

van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en 't oog

verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De

put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt.

Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende,

dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan

is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken

hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten,

noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om 't water

uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit

de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.

Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De

deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke

sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm

van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche

luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten,

hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af.

De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude

tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met

grijs haar zeide ons: "Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit

gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar

de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met

het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder

na en riep bom bom."

Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den

boomgaard.

Deze boomgaard is verschrikkelijk.

Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit drie

bedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke

boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk

omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel

en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door

een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is

van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men

in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen,

en vol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras

van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. 't Was vroeger een

slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging;

thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen,

die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig

pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het

gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele

geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk.

In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes

voltigeurs van het 1e regiment binnendrongen, zoodat zij er niet

weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil

aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan

een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter

deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen

tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden

geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan

een kwartier.

Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken

boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte,

vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur

schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig

schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in

zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche

grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten;

de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten

achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in

de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er

door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche

garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker

tijd hun vuur, een stortregen van kogels en schroot; de brigade-Soye

werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo.

De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders,

maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht

men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. Een bataljon

Nassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is

de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht,

als geheel afgeknaagd.

Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij

heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden

weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te

drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl

de voet in een molshoop zinkt. In 't midden van 't gras ziet men een

ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft

zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten

boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie

behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land

verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een

verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen

sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat

heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in

dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeien

viooltjes.

Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden,

een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch

bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk

vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde

verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps

gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend

man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand;--en dit

alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: "Mijnheer,

geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo

uitleggen."

DERDE HOOFDSTUK.

DE 18 JUNI 1815.

Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen

wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin

het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had.

Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou

Europa's toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min

of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts

een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz

te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting

in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten.

De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor

Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den

regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd

was om met de artillerie te kunnen manoeuvreeren.

Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al

zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een

bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij

ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een

citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt

met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In

zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré's overhoop te werpen,

regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor

hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een

vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien

jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte.

Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal

in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig

vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.

Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had

kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee

uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en

gewonnen zijn geweest.

In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuld van Napoleon

geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich

aan de blijkbare afneming van Napoleon's lichaamskrachten destijds

een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs

evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als

het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in

den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele

voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede,

om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen

door den wind van een ongunstig lot? Werd hij--wat voor een veldheer

hoogst noodlottig is--ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze

soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling

kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig

wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale;

de Dante's en Michel Angelo's nemen in den ouderdom toe; nemen

de Hannibal's en Bonaparte's er door af? Had Napoleon den rechten

zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen,

den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds

niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote

handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van

zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was

hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte

legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud,

door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider

van het lot niets meer dan een dolle moordenaar?

Wij gelooven het niet.

Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een

meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden

rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden,

de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren,

van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen,

Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee

werpen; dit alles lag in Napoleon's doel van dezen veldslag. Vervolgens

zou men zien.

't Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de

geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen

van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag

vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet;

deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het

eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door

Charras. Wij laten beide geschiedschrijvers de zaak uitmaken; wij

zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte,

een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die

misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet,

ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten,

waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten

noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een

stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren

te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht

geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde,

wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is.

VIERDE HOOFDSTUK.

A.

Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil

maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te

trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen

de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain

naar Braine-l'Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is

Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille

met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance;

daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A

het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In 't midden

van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist

werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld

van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd

door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte

van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte.

De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs

de wegen van Genappe en Nivelles; d'Erlon stond tegenover Picton;

Reille tegenover Hill.

Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is

het bosch van Soignes.

Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend

terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen

loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen.

Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij

omvatten elkander en de een poogt den ander te doen vallen. Men

klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van

een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt

heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond,

een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus

tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit

te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor

den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het

kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne.

De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte

van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar

had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw

genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had

den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde,

Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche

leger beneden.

't Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den

kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op

de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder

hem in 't oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van

Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de

overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het

vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen

schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N's en arenden, de rijlaarzen

over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo,--deze

geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding,

door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld.

Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van

zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid

steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier

haar licht aangebracht.

Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge

en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht

is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden

mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene

de andere bestrijdt en terechtstelt--de duisternis van den despoot

in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een

juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon

verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde

Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. 't

Is een ramp voor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn

gestalte heeft.

VIJFDE HOOFDSTUK.

HET "DUISTERE IETS" DER VELDSLAGEN.

Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward,

onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer

nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.

Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt;

in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op

sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de

buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die

door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld

en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging,

voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest.

Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de

gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden,

om 't nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij

had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden

rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den

grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. 't Was niet meer

de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was,

zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich,

dat het vijf minuten over half twaalf was.

Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer

wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont

begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de

brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den

rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel,

die op Papelotte steunde.

De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel,

er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou

gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige

Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden,

zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen,

zich kon bepalen tot er ter versterking vier andere compagnieën der

garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.

De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende

eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den

weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den

doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot

Hougomont, van daar tot Braine-l'Alleud en verder tot Hal terug te

drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten,

gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd

bemachtigd.

Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie,

voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover

onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van

veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als

tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en

wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden

iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige

infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.

Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.

In dezen dag, van 's middags af tot vier uur toe, ligt een duister

tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden

en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat

een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen,

een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier

onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen,

over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten,

huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako's met

vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode

Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen,

in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen

hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten

met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen

onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige

aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.

In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd. Quid obscurum, quid

divinum. Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min

of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen

geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg,

onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het

plan van den eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt

door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als

een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der

legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen

of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de

andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie

was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er

was iets: zoek, en 't is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich,

de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden

deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en

verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van

een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag

kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld

bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der

Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie

uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan

Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat

er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke

gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst,

die, om Napoleon's eigen woorden te gebruiken, "veeleer tot de

geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren." In

zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot

samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven,

en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die

vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is

ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op

Waterloo van toepassing.

Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag

duidelijker.

ZESDE HOOFDSTUK.

DES NAMIDDAGS TE VIER UREN.

Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De

prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel,

Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins

van Oranje den Hollanders-Belgen toe: "Nassau! Brunswijk! nimmer

terug!" Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington

geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de

Engelschen den Franschen het vaandel van het 105e linie-regiment

ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met

een kogel door 't hoofd gedood. Wellington had in den slag twee

steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde

zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van

het Duitsche bataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee

en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld

of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders

elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser

van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd

er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven,

Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij

een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door

een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze

Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren

neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van

Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren

zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee

ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen,

van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee

divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield.

Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog

slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd

vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine

stond, en Chassé, die te Braine-l'Alleud was.

Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht

ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van

Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk

steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, 't welk te

dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat,

waar beide wegen elkander kruisen. 't Is een gebouw uit de zestiende

eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het

te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen,

die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den

mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen

gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit

verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten

toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen

uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaan

verkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht

aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee

barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden.

't Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte

lag een bataljon der brigade Kempt, het 95e, met buksen gewapend,

in het hooge koren.

Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het

Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.

Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds

aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en

Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder

zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen

zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens

de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen

bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden.

Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van

den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den

linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen,

aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de

garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van

Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge

en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintig bataljons

te zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt,

achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse

waar thans het zoogenaamde "museum van Waterloo" is, achter aardzakken

gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der

garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. 't Was de andere

helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby

vernietigd was, bleef nog Somerset over.

De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond

achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en

een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid,

men had den tijd niet gehad het te palissadeeren.

Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef

den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden

molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien

later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed

afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het

regende kogels. Zijn adjudant Gordon viel aan zijn zijde. Lord Hill

vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees:--Mylord, welke

instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen?--"Te doen

gelijk ik," antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch:

"Hier blijven tot den laatsten man."--De dag nam blijkbaar een

slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera,

Vittoria en Salamanca toe: "Boys (jongens)! hoe kan men aan wijken

denken? denkt aan Oud-Engeland!"

Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche

beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie

en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche

houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte,

waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond

een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington

trok terug.--Het begin van den aftocht! riep Napoleon.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

NAPOLEON IN GOEDE LUIM.

De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld,

was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen

glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde

deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man,

die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De

gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze

vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts

aan God.

Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen

Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het

dat Cesar lachte.

Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen,

met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange

linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon,

van Frischemont tot Braine l'Alleud, verlichtten, scheen het hem,

dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van

Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn

paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de

bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeft dezen

fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen:

"Wij zijn het eens." Napoleon bedroog zich. Zij waren 't niet eens.

Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien

nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs

de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil

gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had

hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne

gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij

had aan Bertrand gezegd: "'t is de Engelsche achterhoede, die zich

in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend

Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen." Hij

sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, 't welk

hem den 1en Maart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf

Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep:

"Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!" In den nacht van den 17 op

den 18 Juni schertste hij over Wellington.--"Deze kleine Engelschman

heeft een les noodig," zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde,

terwijl de keizer sprak.

Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren

ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen

beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was

uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op

de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de

veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade

Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade

Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging

bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld,

dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den

slag afwachtte.--"Des te beter," had Napoleon geroepen. "Ik werp ze

liever overhoop, dan ze achteruit te drijven."

Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het

slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel

en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo

als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid,

daarbij tot Soult zeggende: "Een fraai schaakbord!"

Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen,

die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet

kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder

ontbijt, 't geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney

te zeggen: "Wij hebben negentig kansen van de honderd." Te acht uren

had men 's keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals

genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den

vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was

geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht,

had gezegd: "het bal is vandaag." De keizer had met Ney geschertst,

die zeide: "Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te

wachten." Zoo was overigens zijn gewoonte. "Hij schertste gaarne," zegt

Fleury de Chaboulon. "De grond van zijn karakter was een vroolijke

opgewektheid," zegt Gourgaud. "Hij vloeide over van kwinkslagen,

die eer zonderling dan geestig waren," zegt Benjamin Constant. Deze

vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij

noemde zijn grenadiers "grombaarden;" hij kneep hen in de ooren, trok

hen aan den knevel. "De keizer heeft altijd grappen met ons," zeide

een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk

ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik de

Zephir de brik l'Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg

aan den Inconstant berichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat

oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn

hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had

glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: "de keizer

bevindt zich wel." Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de

gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo,

bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had

hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met

een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo

plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd.

Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf

kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee

liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan 't hoofd,

met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige,

uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de

keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!

Van negen tot half elf ure had het geheele leger--'t geen schier

ongelooflijk schijnt--positie genomen en zich in zes liniën geschaard,

die, om 's keizers uitdrukking te bezigen, "de figuur van zes V's"

vormden.

De Ellendigen (Deel 2 van 5) · 第 1 / 24 段