Jachtavonturen.
Deze hut was letterlijk gesproken het arsenaal en de kleedkamer van
de Nautilus. Een dozijn scaphanders hing langs de wanden en wachtte
de wandelaars.
Toen Ned Land ze zag, toonde hij zichtbaar weerzin om er een aan
te schieten.
"Maar mijn beste Ned," zeide ik hem, "de bosschen van Crespo zijn
slechts onderzeesche bosschen."
"Goed," mompelde de teleurgestelde harpoenier, die zijne droomen van
versch vleesch in rook zag verdwijnen. "Gaat gij die dingen aantrekken,
mijnheer Aronnax?"
"Ik moet wel, Ned."
"Gij kunt doen wat gij wilt, mijnheer," antwoordde de harpoenier,
terwijl hij de schouders ophaalde, "maar wat mij aangaat, buiten
noodzaak steek er nooit een vin in."
"Men zal u niet noodzaken, Ned," zeide de kapitein.
"En zal Koen zich wagen?" vroeg Ned.
"Wel zeker, ik volg mijnheer, waar hij ook gaat," antwoordde Koenraad.
Op bevel des kapiteins, kwamen twee matrozen ons helpen om die zware
ondoordringbare kleederen aan trekken. Zij waren van caoutchouc
zonder naad, en zoo gemaakt dat zij eene aanzienlijke drukking konden
lijden; het was als het ware eene buigzame en sterke wapenrusting,
de kleederen vormden broek en buis aan elkander; de broek eindigde
in zware schoenen met dikke looden zolen. Het buis was van binnen
gevoerd met koperen banden, opdat de borst en dus de ademhaling vrij
zou blijven; de mouwen eindigden in buigzame handschoenen, welke de
beweging der hand in geenen deele hinderden.
Deze volmaakte scaphanders verschilden, zooals men ziet hemelsbreed
van die gebrekkige duikertoestellen, welke in de 18e eeuw uitgevonden
en zoo geprezen werden.
De kapitein, een van zijn volk, een soort van Hercules, die eene
verbazende kracht moest bezitten, Koenraad en ik hadden weldra de
scaphanders aan. Wij behoefden nog slechts den koperen helm op te
zetten, doch voor ik dit deed, vroeg ik den kapitein verlof om de
geweren eens te zien, welke wij mede zouden nemen. Een van de matrozen
gaf mij daarop een geweer, welks kolf van staal gemaakt, geheel hol
en vrij groot was. Dit was de bewaarplaats van samengeperste lucht,
welke door een klep, die met eene veer in beweging werd gebracht, in
den loop ontsnappen kon. In de kolf was ook een kogeldoosje, dat een
twintigtal electrieke kogeltjes bevatte, welke eveneens door middel
eener veer van zelf in den loop konden worden gebracht; als er een
schot gelost was, kon men dus aanstonds weer schieten.
"Dit wapen is volmaakt en gemakkelijk te hanteeren, kapitein,"
zeide ik.
"Ik verlang om het te gebruiken. Maar hoe zullen wij in zee komen?"
"Op dit oogenblik, mijnheer de professor, ligt de Nautilus tien meter
onder water, en wij behoeven slechts te gaan."
"Maar hoe komen wij er uit?"
"Dat zult gij zien."
De kapitein zette zijn helm op, welk voorbeeld Koen en ik volgden,
terwijl wij nog hoorden dat de harpoenier ons spottenderwijze een
goede jacht toewenschte. Ons kleed eindigde van boven in een koperen
kraag, waarop de helm kon worden vastgeschroefd. Drie gaten met dik
glas voorzien lieten het uitzicht naar alle kanten vrij, als men het
hoofd binnen den helm slechts omdraaide. Zoodra de helm vast zat,
begon het toestel van Rouquayrol, dat ik op den rug had, te werken,
en wat mij aangaat, ik ademde geheel vrij. Met de lamp aan den
gordel en het geweer in de hand was ik gereed om te vertrekken;
maar om ronduit te spreken in die zware kleederen opgesloten en
door mijn looden zolen als aan den grond genageld, kon ik onmogelijk
een stap doen. Dit was evenwel voorzien, en ik voelde mij naar een
klein vertrek naast de kleedkamer voortduwen. Mijne makkers volgden
mij evenzoo voortgetrokken. Ik hoorde een met sluitstukken voorziene
deur achter ons dicht gaan, en eene diepe duisternis omringde ons. Na
eenige minuten hoorde ik een scherp gefluit; ik voelde iets kouds
langs mijne beenen naar boven stijgen; ik begreep dat men door
eene kraan het zeewater in dit vertrek liet dringen, en weldra was
de ruimte er geheel mede gevuld; toen opende zich een tweede deur,
welke op zijde in de Nautilus gemaakt was; een schemerlicht omgaf ons,
en weinige oogenblikken later stonden wij op den bodem der zee.
En hoe zou ik nu den indruk kunnen weergeven van die wandeling onder
water? Woorden zijn onmachtig om zulke wonderen te vertellen! Als
het penseel zelfs niet in staat is om het schoone van het vloeibare
element te schilderen, hoe zou de pen het dan kunnen doen?
De kapitein liep vooruit, en zijn makker volgde ons op eenige
schreden afstands. Koen en ik bleven dicht bij elkander, alsof wij
door onze helmen heen met elkander hadden kunnen praten. Ik voelde
niets meer van de zwaarte van kleederen, schoeisel, luchtbak of helm,
waarin mijn hoofd ronddraaide als een amandel in haar bast. Al die
voorwerpen verloren een gedeelte van hun gewicht, gelijkstaande met
de massa water welke zij verplaatsen, zoodat ik gelegenheid had om de
voortreffelijkheid der wet van Archimedes te ondervinden. Ik was geen
werkeloos lichaam, maar genoot integendeel een betrekkelijk groote
vrijheid in mijne bewegingen.
De kracht van het licht, dat den grond tot op tien meter onder water
bescheen, verwonderde mij; de zonnestralen drongen gemakkelijk door,
en losten de kleur van het zeewater op; ik onderscheidde voorwerpen
op honderd meter afstand; wat verder lag werd onduidelijk door tinten
en ultramarijn, en nog verder verloor het zich in een ondoorschijnend
blauw, dat eindigde in een zeker duister. Het water, dat mij omringde,
was inderdaad slechts eene soort van lucht, wel dichter dan de aardsche
dampkring, doch even doorschijnend. Boven mij zag ik het kalme zeevlak.
Wij gingen over een gelijken bodem van fijn zand, waarin geene rimpels
waren, zooals men dat op het strand door de branding ziet gebeuren. Die
hagelwitte grond kaatste de zonnestralen met verwonderlijke helderheid
terug. Van daar dat krachtige licht, dat in alle deelen der zee
doordrong. Ik betwijfel het of men mij zal gelooven als ik verzeker,
dat ik op eene diepte van tien meter even helder zag als in het
volle daglicht.
Gedurende een kwartier liep ik over dat witte zand, hetwelk met
millioenen kleine schelpen bezaaid was. Langzamerhand verdween de
Nautilus, welke op eene langwerpige klip geleek, uit het gezicht;
maar als het donker werd zou de electrieke lantaarn door haar helder
licht ons den weg naar boord aanwijzen.
Wij gingen echter steeds voort, en de uitgestrekte zandvlakte scheen
grenzeloos te zijn; met de hand joeg ik nu en dan het water voor
mij uit, hetwelk zich echter terstond achter mij sloot, terwijl de
indruk van mijne voetstappen door den druk van het water aanstonds
werd uitgewischt.
Weldra begon ik eenige voorwerpen te zien, welker vorm door den afstand
nog niet duidelijk was geweest. Ik herkende prachtige rotsen met de
schoonste zoöphyten bedekt, doch daarbij trof mij eene zonderlinge
uitwerking van het licht. Het was toen ongeveer tien uur in den
morgen. De stralen der zon vielen vrij schuin op zee, het licht
werd door terugkaatsing, evenals wanneer het door een prisma valt,
ontbonden, zoodat bloemen, rotsen, planten, schelpen, polypen, kortom
alles met de zeven kleuren van het zonnespectrum schitterde. Het
was een wonder, verrukkelijk voor het oog, die dooreenmenging en
schakeering van kleuren, een ware kaleidoskoop van groen, geel,
oranje, paarsch, blauw, in een woord het geheele palet van een dollen
schilder! Hoezeer speet het mij, dat ik aan Koenraad mijne levendige
indrukken niet kon mededeelen, en dat ik met hem niet kon wedijveren
in uitroepen van verbazing! Waarom kon ik niet, evenals kapitein
Nemo met zijn makker, door teekens mijne gedachten mededeelen! Bij
gebrek aan beter praatte ik dus maar tot mij zelven; ik schreeuwde
in de koperen doos, waarin mijn hoofd besloten was, en gebruikte,
met mijne ijdele woorden mogelijk meer lucht dan ik mocht.
Koenraad was bij dit prachtig schouwspel evenals ik blijven stilstaan;
zeker was die brave jongen bij die massa zoöphyten en molusken weder
aan het rangschikken; duizenden soorten van planten en dieren toch
lagen op den bodem, en het speet mij telkens als ik schoone exemplaren
er van plattrapte; doch wij moesten vooruit; wij gingen te midden
van al die wonderen voort, ik mocht mij nauwelijks een oogenblik
ophouden, want ik volgde den kapitein, die mij telkens met een wenk
riep. Weldra veranderde de aard van den bodem; op de zandvlakte
volgde een laag kleverige modder, die uit kalkschelpen ontstaan was;
daarop gingen wij door eene weide van zeegras en zwamplanten van
wonderlijke groeikracht. Deze dichtbegroeide perken waren zacht om
op te loopen, en konden met de zachtste, door menschenhanden geweven
tapijten wedijveren. Maar terwijl het groen onder onze voeten zich
uitspreidde, was het ook boven ons hoofd te vinden; er vormde zich
nu en dan als een prieel van zeeplanten, welke allen tot de grassen
behoorden, waarvan men meer dan duizend soorten kent; de kleuren der
planten waren ook verschillend, waarbij ik opmerkte, dat de groene
planten meer tot de oppervlakte der zee naderden, terwijl de roode
op eene middelmatige diepte, en de zwarte of bruine in de grootste
diepten van den Oceaan gevonden werden.
Wij hadden voor ongeveer anderhalf uur de Nautilus verlaten;
het was bij twaalven; ik bemerkte het aan den loodrechten stand
der zonnestralen, welke niet meer gebroken werden. Het wondervolle
kleurenspel verdween langzamerhand; wij liepen met regelmatigen tred,
hetwelk met wonderbare duidelijkheid op den bodem weerklonk. Het minste
geluid werd met eene snelheid overgeplant, waaraan men op aarde niet
gewoon is; inderdaad geleidt het water het geluid beter dan de lucht,
en het plant zich met viervoudige snelheid voort.
Op dit oogenblik daalde de bodem vrij snel; het licht verminderde. Wij
bereikten eene diepte van honderd meter, en liepen onder eene drukking
van tien atmosferen; doch mijne kleeding was zoo gemaakt dat ik van
die drukking niets gevoelde; alleen bemerkte ik zekere belemmering in
het gebruik mijner vingers, doch dit verdween spoedig, en hoewel ik
vermoeid moest zijn van eene wandeling van twee uur in eene kleeding,
waaraan ik zóo weinig gewoon was, gevoelde ik daarvan bijna niets. Door
het water geholpen, kon ik mij met bijzonder gemak bewegen.
Op deze diepte van honderd meter zag ik de zonnestralen nog, maar
zwak. Op den helderen glans was eene rosachtige schemering gevolgd,
zoo wat gelijkende op iets dat tusschen dag en nacht in was. Toch
zagen wij nog genoeg om voort te kunnen gaan, en het was nog niet
noodig om onze lichttoestellen in werking te brengen.
Op dit oogenblik stond kapitein Nemo stil; hij wachtte tot dat ik
bij hem was, en toen wees hij mij met den vinger eene donkere massa,
welke op kleinen afstand in de schemering te zien was.
"Dit is het bosch van het eiland Crespo," dacht ik, en ik bedroog
mij niet.