HOOFDSTUK XV

Eene schriftelijke uitnoodiging.

Den volgenden dag, 9 November, werd ik na een slaap van twaalf uur

wakker. Koenraad kwam, volgens gewoonte, hooren of "mijnheer goed

geslapen had," en zijne diensten aanbieden. Hij zeide dat zijn vriend

Ned nog lag te slapen, alsof hij zijn leven lang anders niets gedaan

had. Ik liet den braven jongen naar hartelust babbelen, zonder hem

te antwoorden. Ik was afgetrokken door de voortdurende afwezigheid

van den kapitein, die sedert ons onderhoud van den vorigen dag niet

weder verschenen was; ik hoopte hem in den loop van den dag terug

te zien. Spoedig had ik mijne kleederen aan; de stof lokte menige

opmerking van Koenraad uit; ik vertelde hem, dat zij gemaakt waren van

de zijdeachtige draden, welke op een soort van schelpen langs de kusten

der Middellandsche Zee gevonden worden; vroeger maakte men er schoone

stoffen, kousen en handschoenen van, omdat de stof zeer zacht en warm

is. De equipage van de Nautilus kon zich dus goedkoop kleeden, zonder

ter markt te gaan bij katoenplanters, schapen, of zijdewormen. Toen

ik aangekleed was ging ik naar de zaal, maar er was niemand.

Ik ging aan het bestudeeren van alle schatten, welke onder de glazen

ramen lagen opgestapeld; ik doorbladerde de groote herbariums, die

opgevuld waren met de zeldzaamste zeeplanten welke hoewel gedroogd,

toch hare schoone kleuren hadden behouden.

De dag ging voorbij, zonder dat ik met een bezoek van den kapitein

vereerd werd. De zijwanden der zaal gingen niet open, misschien omdat

men onzen smaak voor die schoone zaken niet bederven wilde. De richting

van de Nautilus was altijd nog N.O.t.O., de snelheid twaalf kilometer,

de diepte tusschen de 50 en 60 meter.

Den volgenden dag, 10 November, bracht ik even afgezonderd en verlaten

door. Ik zag niemand van de equipage. Ned en Koenraad brachten het

grootste gedeelte van den dag met mij door; zij verwonderden zich over

de onverklaarbare afwezigheid van den kapitein. Was de zonderlinge man

ziek, of wilde hij zijne plannen ten onzen opzichte wijzigen? Overigens

genoten wij, volgens Koenraad, geheel onze vrijheid en wij werden

uitstekend gevoed. Onze gastheer hield zich nauwkeurig aan de

voorwaarden van onze overeenkomst; wij konden ons niet beklagen, en

bovendien vonden wij in het zonderlinge van ons lot zulk eene schoone

vergoeding, dat wij het recht nog niet hadden om hem te beschuldigen.

Dien dag begon ik het verhaal van mijne lotgevallen op te

schrijven, waardoor ik ze nu met de grootste nauwkeurigheid kan

mededeelen. Opmerkenswaardig was het dat ik op papier schreef,

hetwelk uit zeegras gemaakt was.

Den 11den November bemerkte ik 's morgens reeds zeer vroeg aan de

versche lucht, welke de Nautilus doorstroomde, dat wij weder aan het

oppervlak der zee dreven, om onzen voorraad zuurstofhoudende lucht

te vernieuwen. Ik ging naar de middeltrap en besteeg het plat. Het

was zes uur; het weer was mistig, de zee grauw, maar kalm, bijna

geen deining. Zou de kapitein, dien ik daar hoopte te ontmoeten,

komen? Ik zag slechts den stuurman in zijne glazen kooi. Ik ging

zitten op de kiel der sloep, welke eenigszins uitstak, en ademde

met wellust de heerlijke zeelucht in. Langzamerhand trok de mist

op door de werking der zonnestralen. De zonneschijf keek boven de

oosterkimmen uit; de zee werd vlammend rood gekleurd; de wolken,

welke hoog en zeer uit elkander gespreid waren, werden met wondervol

afwisselende kleuren getint, en talrijke veeren kondigden wind aan

voor den geheelen dag, doch wat maakte wind uit voor de Nautilus,

die stormen zelfs niet konden verschrikken! Ik bewonderde dus dezen

schoonen, vroolijken zonsopgang, toen ik iemand op het plat hoorde

komen. Ik wilde reeds den kapitein groeten, toen ik zag dat het zijn

tweede stuurman was. Hij deed eenige schreden voorwaarts op het plat,

zonder mij schijnbaar althans op te merken. Met een grooten kijker in

de hand keek hij met een buitengewone aandacht naar alle punten van

den gezichteinder; toen hij dit gedaan had, ging hij naar het luik, en

sprak den volgenden volzin uit; ik heb dien onthouden, omdat hij alle

morgen onder dezelfde omstandigheden herhaald werd; hij luidde aldus;

"Nautron respoc lorni virch." Wat het beteekende zou ik niet kunnen

zeggen. Toen de man dit gezegd had, ging hij weer naar beneden; ik

dacht dat de Nautilus zijne onderzeesche vaart weder zou aanvangen;

ik ging dus naar het luik en kwam door de gang weder in mijne kamer.

Vijf dagen gingen aldus voorbij, zonder dat de toestand veranderde,

Iederen morgen ging ik op het plat; dezelfde volzin werd telkens

door denzelfden persoon uitgesproken. De kapitein verscheen niet. Ik

had mijne partij gekozen om hem niet meer te zien, toen ik den 16den

November met Ned en Koenraad in mijne kamer terugkeerende, op de tafel

een brief aan mijn adres zag liggen. Ik brak dien met ongeduld open,

hij was met eene duidelijke hand, doch met eenigszins gothische letters

geschreven: dit schrift herinnerde aan de hoogduitsche type.

Deze brief luidde aldus:

"Aan den hoogleeraar Aronnax,

"aan boord van de Nautilus.

"16 November 1867.

"Kapitein Nemo noodigt mijnheer Aronnax uit voor eene jachtpartij,

welke morgen in de bosschen van het eiland Crespo zal plaats

hebben. Hij hoopt dat niets hem zal verhinderen deze bij te wonen,

terwijl hij met genoegen zien zal dat zijne beide makkers hem

vergezellen.

"De kapitein van de Nautilus,

"Nemo."

"Eene jachtpartij!" riep Ned.

"En in de bosschen van het eiland Crespo?" voegde Koenraad er bij.

"Maar hij gaat dan toch aan land?" hervatte Ned.

"Ik geloof dat dit vrij duidelijk is," zeide ik, den brief nog eens

lezende.

"Welnu, wij moeten aannemen," zeide Ned. "Als wij eens vasten grond

onder de voeten hebben, dan zullen wij wel over een besluit raadplegen;

overigens zal ik er niet rouwig om zijn, als ik eens eenige brokken

versch wild tusschen de tanden krijg."

Ik trachtte niet eens eenig verband te vinden tusschen den duidelijken

afkeer van kapitein Nemo voor eenig land, en zijne uitnoodiging tot

eene boschjacht, en antwoordde dus: "Laat ons eerst eens zien wat

eiland Crespo is."

Ik bekeek de kaart en vond op 32° 40' N.B. en 167° 50' O.L. een

eilandje, dat in 1801 door kapitein Crespo terug gevonden werd,

op oude Spaansche kaarten komt het voor als Racca de la Plata;

hetwelk "Zilverrots" beteekent. Wij waren dus op ongeveer 1800

kilometer verwijderd van de plaats, vanwaar wij waren uitgegaan,

terwijl de Nautilus haar koers eenigszins gewijzigd had en ons naar

het zuidoosten voerde. Ik wees mijne lotgenooten deze kleine rots;

welke vergeten in 't midden van de Stille Zuidzee lag.

"Indien kapitein Nemo soms aan land gaat," zeide ik, "dan kiest hij

ten minste eilanden die volkomen verlaten zijn."

Ned Land schudde het hoofd zonder te antwoorden, en ging met Koenraad

weg. Na het souper, dat de hofmeester mij stilzwijgend en onverschillig

als altijd voorzette, legde ik mij niet zonder eenige bezorgdheid

te rusten.

Den volgenden dag, 17 November, voelde ik bij mijn ontwaken, dat de

Nautilus onbeweeglijk stil lag; ik kleedde mij haastig aan, en ging

naar de zaal; daar wachtte mij kapitein Nemo. Hij stond op, groette

mij, en vroeg of het ons aangenaam was hem te vergezellen. Daar hij

niets zeide van zijne achtdaagsche afwezigheid; paste ik wel op er

niet over te spreken, en antwoordde eenvoudig, dat mijne makkers en

ik gereed waren hem te volgen.

"Alléén mijnheer," voegde ik er bij, "zij het mij vergund u eene

vraag te doen."

"Ga uw gang, mijnheer Aronnax, en als ik haar kan beantwoorden,

zal ik het doen."

"Welnu, kapitein, hoe komt het dan dat gij, die alle betrekking met

het land hebt afgebroken, bosschen op het eiland Crespo bezit?"

"Mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "de bosschen welke

ik bezit hebben licht, noch warmte van de zon noodig. Er zijn geen

leeuwen of tijgers, geen panters of andere viervoetige dieren; ik ken

ze alléén; zij groeien slechts voor mij; het zijn geene bosschen op

het land, maar onder de zee."

"Onderzeesche bosschen!" riep ik uit.

"Zooals gij zegt, mijnheer."

"En gij wilt er mij in brengen?"

"Juist."

"En te voet?"

"Zelfs droogvoets."

"En op de jacht?"

"Ja!"

"Met het geweer in de hand?"

"Met het geweer in de hand."

"Ik keek den kapitein van de Nautilus aan met een gezicht, dat alles

behalve vleiend voor zijn persoon was. Ik dacht dat zijne hersens

gekrenkt waren, dat hij een aanval van waanzin gehad had, die acht

dagen en dat die zelfs nog voortduurde. Het is jammer; ik had toch

liever met zijne vreemdsoortige eigenaardigheden te doen, dan met

een gek!

Waarschijnlijk kon de kapitein deze gedachten duidelijk op mijn gelaat

lezen, doch hij vergenoegde zich met mij te verzoeken hem te volgen,

en ik deed dit als iemand die op alles voorbereid is. Wij kwamen in

de eetzaal, waar het ontbijt gereed stond. "Mijnheer Aronnax," zeide

de kapitein, "ik verzoek u met mij te willen ontbijten; dan kunnen

wij op ons gemak praten. Ik heb u wel eene wandeling door de bosschen

beloofd, maar volstrekt niet gezegd dat gij daar eenige restauratie

zoudt vinden. Ontbijt dus als iemand die eerst zeer laat dineeren zal."

Ik deed het maal eer aan; het bestond weder uit verschillende

vischsoorten en zeeplanten. Wij dronken daarbij zuiver water, waarin

ik, op des kapiteins voorbeeld eenige droppels van een gistenden drank

voegde, welke op de Kamtschatdaalsche wijze uit een soort van zeewier

(rhodomenia palmaea) bereid was. De kapitein at zonder een woord te

spreken; toen hij gedaan had, zeide hij:

"Mijnheer de professor, toen ik u voorstelde om eene jacht in de

bosschen van Crespo bij te wonen, hebt gij gemeend dat ik met mij

zelven in tegenspraak was. Toen ik u vertelde dat er sprake was van

onderzeesche bosschen, dacht gij dat ik gek was. Men moet de menschen

nooit zoo lichtzinnig beoordeelen, mijnheer."

"Maar kapitein, gij zult toch niet gelooven, dat...."

"Hoor mij aan, mijnheer, en gij zult kunnen beoordeelen of gij mij

voor gek, of in tegenspraak met mij zelven moet houden."

"Ik luister."

"Gij weet even goed als ik, mijnheer, dat de mensch onderwater leven

kan als hij maar een voorraad lucht met zich mede voert. Bij werken

onder water wordt den werkman, die een ondoordringbaar kleed aan,

en een metalen helm op het hoofd heeft, lucht toegevoerd door middel

van perspompen en afvoerbuizen."

"Dat zijn scaphanders," zeide ik.

"Juist, maar op de door mij omschreven wijze is de mensch niet

vrij, hij is vastgehecht aan de pomp, welke hem door eene buis van

caoutchouc lucht toevoert; het is als 't ware een keten, die hem aan

het land vasthecht, en indien wij op die wijze aan de Nautilus zaten

vastgebonden zouden wij niet ver kunnen gaan."

"En hoe kunnen wij ons dan vrij bewegen?" vroeg ik.

"Door het gebruik maken van het toestel van Rouquayrol en Denayrouze,

door twee uwer landgenooten uitgevonden, maar dat ik voor mijn gebruik

gewijzigd heb; daarmede zult gij u onder water kunnen wagen zonder

dat gij daarvan iets nadeeligs ondervindt. Het is een bak van dik

geslagen ijzer, waarin ik de lucht onder eene drukking van vijftig

atmosferen te zamen pers; die bak wordt even als een ransel door een

paar draagbanden op den rug vastgemaakt. Het bovenste gedeelte bevat

eene ruimte, waaruit de lucht, welke door kleppen wordt teruggehouden,

niet anders dan onder hare gewone spanning kan ontsnappen. Aan het

toestel van Rouquayrol, zooals het gewoonlijk gebruikt wordt, zijn

twee buizen van caoutchouc verbonden, welke uit de beschreven ruimte

naar een soort van trechter loopen, waarin mond en neus vervat zijn;

de eene dient om er levenslucht door in te ademen, de andere om de

verbruikte lucht uit te ademen; de openingen van die buizen kan men

naar verkiezing met de tong openen of sluiten. Omdat ik, in de diepte

der zee soms aan zeer groote drukking van het water boven mij ben

blootgesteld, heb ik het hoofd met een koperen helm moeten omsluiten

waaraan de twee in- en uitademingsbuizen zijn vastgehecht."

"Juist, kapitein; maar de medegevoerde lucht moet, dunkt mij, spoedig

verbruikt zijn, en zoodra zij nog maar 15 pCt. zuurstof bevat, is

zij bedorven."

"Zonder twijfel, doch ik heb u gezegd, mijnheer Aronnax, dat de pompen

van de Nautilus de lucht onder verbazenden druk kunnen samenpersen,

zoodat de ijzeren vergaarbak lucht genoeg bevat voor 9 of 10 uur."

"Ik heb niets meer te zeggen," antwoordde ik, "alleen nog deze vraag:

hoe krijgt gij licht op groote diepten?"

"Met den klos van Ruhmkorff, mijnheer. Het eerste toestel draag

ik op den rug, het laatste aan den gordel. Het bestaat uit een

Bunsens element, dat ik met sodium vervaardig, hetwelk de zee

overvloedig oplevert. Een inductietoestel verzamelt de voortgebrachte

electriciteit, en brengt die in eene lantaarn van bijzonder maaksel.

"In die lantaarn is een glazen buis, welke koolstofgas bevat; als het

toestel in werking is, dan begint dit gas te lichten en geeft een

aanhoudenden en witten schijn; zoo adem, en zoo zie ik."

"Gij geeft op al mijne vragen zulke afdoende antwoorden, kapitein,

dat ik niet meer durf te twijfelen. Doch als ik moet gelooven aan

uwe toestellen van Rouquayrol en Ruhmkorff, dan twijfel ik toch nog

aan het geweer, waarmede gij mij wilt wapenen."

"Het is geen gewoon geweer met kruit en lood," antwoordde de kapitein.

"Is het dan een windgeweer?"

"Zonder twijfel. Hoe wilt gij dat ik bij mij aan boord kruit maak,

daar ik salpeter, zwavel, noch kool bezit?"

"Bovendien," zeide ik, "gij zoudt een ontzaglijken weerstand moeten

overwinnen om te schieten in de vloeistof, welke 855 maal dichter

dan de lucht is."

"Dat zou geene afdoende reden zijn. Er zijn kanonnen door de Engelschen

Philippe Coles en Burley, door den Franschman Furcy; en door den

Italiaan Landi uitgevonden en volmaakt, met een bijzonder stelsel van

slot, waarmede men onder water kan schieten; doch ik herhaal het u,

nu ik geen kruit heb, heb ik dit vervangen door samengeperste lucht,

welke de pompen van de Nautilus mij in overvloed verschaffen."

"Die lucht moet toch spoedig verbruikt zijn!"

"Wat zou dat? Heb ik dan niet het toestel van Rouquayrol? Ik

heb slechts een buis aan te schroeven en een kraan open te

maken. Bovendien mijnheer Aronnax, zult gij zien, dat men bij die

onderzeesche jachtpartijen weinig lucht en kogels noodig heeft."

"Toch dunkt mij, dat in die halve duisternis en in die slecht

doordringbare vloeistof een schot niet ver kan dragen of doodelijk

zijn."

"Met dit geweer, mijnheer, zijn alle schoten doodelijk; zoodra een

dier slechts hoe licht ook gewond is, valt het als van den bliksem

getroffen dood neder."

"Waarom?"

"Omdat het geene gewone kogels zijn, maar kleine glazen bolletjes,

door den Oostenrijkschen scheikundige Leniebrock uitgevonden, en

waarvan ik een aanzienlijken voorraad heb; zij zijn met ijzer omkleed,

terwijl er een klein stukje lood aan bevestigd is; het zijn, als 't

ware, kleine Leidsche flesschen waarin de electriciteit tot op groote

spanning is opeengehoopt. Bij den geringsten schok ontladen zij zich,

en het dier, hoe groot het ook zij, valt onmiddellijk dood. Ik voeg

er nog bij dat die kogeltjes niet grooter zijn dan hagel van No 4,

en dat eene gewone geweerlading er een tiental kan bevatten."

"Ik maak geene opmerkingen meer," antwoordde ik opstaande, "ik heb mijn

geweer slechts op te nemen; overigens ga ik, waar gij gaat, kapitein."

Nemo bracht mij naar het achterste gedeelte van de Nautilus; toen

wij voorbij de hut van Ned Land en Koenraad gingen, riep ik hen

om ons te volgen. Daarna kwamen wij in eene hut aan bakboordzijde,

dicht bij de machinekamer, waar wij ons jachtkostuum moesten aandoen.

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond · 第 18 / 28 题