tegen den bankier op. Eenige dagen later konden de advocaten hem
mededeelen, dat, wijl de omstandigheden bijzonder gunstig waren voor
het jonge meisje, de heeren zich bereid verklaarden, haar een flinke
schadeloosstelling uit te keeren.
De bankier zoowel als de advocaat betaalden ieder 20,000 Mark en waren
blij, op deze wijze van de zaak af te zijn.
De groote onbekende deponeerde het geld bij het vermogen, dat de
minister op de Duitsche Bank had vastgezet en zocht daarna voor zijn
beschermelinge een ervaren reisgezellin van gepasseerden leeftijd.
Hij vond deze persoon en wel de weduwe van een Pruisisch officier van
justitie, een dame, die in alle opzichten te vertrouwen was en die een
goeden indruk op hem had gemaakt.
Met haar regelde hij alles, wat de toekomst van het jonge meisje
betrof.
Zij zou in Zwitserland haar opvoeding voltooien en Raffles zou van tijd
tot tijd iets van haar hooren.
Het verdere moest hij aan de toekomst overlaten.
Toen hij in den nacht naar huis terugkeerde en met Charly Brand door de
Mohrenstraat ging, zag hij, dat voor zijn huis verscheiden personen
stonden, waaronder hij den zwartharige ontdekte.
„Ik wil die kerels onschadelijk maken,” sprak Raffles. „Luister naar
mijn plan:
„Jij loopt langs hen heen, raakt een van hen met je arm aan, en roept
hem ter verantwoording door hem te vragen, waarom hij je overlast
aandoet. Zeer zeker zal dan een twist ontstaan en ik zal den
politiepost in de Friedrichstrasse daarop opmerkzaam maken.
„Ik hoop, dat de kerels gevangen genomen zullen worden.
„Zij schijnen er achter te zijn gekomen waar ik woon. Ik ben echter
volstrekt niet van plan om gedurende mijn kort verblijf te Berlijn in
handen der politie te vallen.
„Als het Mr. Baxter uit Londen was, zou het een feest voor mij zijn,
maar met de Berlijnsche politie valt niet te spotten. Ik heb geen zin,
het inwendige van een Pruisische gevangeniscel te leeren kennen.”
De groep mannen had hen niet zien aankomen.
Raffles ging met Charly Brand de Mohrenstraat door tot vlak bij de
Friedrichstrasse, toen stak Charly Brand over naar den anderen kant en
begaf zich in de richting der jonge kerels.
Lord Lister keek scherp toe en zag weldra, dat Charly Brand twist kreeg
met de mannen, die aanleiding gaf tot een gevecht.
Raffles maakte den in de buurt staanden politieagent opmerkzaam op het
straattooneel.
Dadelijk waarschuwde deze den politiepost, die dichtbij was en met
versnelden pas stormden de agenten op de kerels los.
Met groote handigheid werden deze gevangen genomen en naar het
politiebureau gebracht.
Charly Brand, die als getuige mee naar de wacht ging, had een sterk
bloedende hoofdwonde gekregen en zocht na een kort verhoor, waarin hij
meedeelde, dat hij door de kerels was aangevallen, een apotheek op om
zich te laten verbinden.
Toen hij deze weer verliet, wachtte Raffles op hem en sprak:
„Mijn arme jongen! Zij hebben je leelijk getracteerd, die schurken!”
„Dat hindert niet,” antwoordde Charly Brand lachend, „het voornaamste
is, dat wij ze kwijt zijn. Nu heb ik tenminste een aandenken aan mijn
reis naar Berlijn.
„Ik ben blij, als ik iets voor je kan doen, dat weet je wel.”
Hij nam den arm van zijn vriend en samen gingen zij naar huis.
Den volgenden morgen haalde Raffles zijn beschermelinge met haar
reisgezellin uit een pensionaat in de Potsdammerstraat, waar hij ze had
gebracht en maakte alles in orde, wat voor de reis van het jonge meisje
noodig was.
Een vader kon niet beter voor alles zorgen dan hij.
Steeds opnieuw drukte zij dankbaar zijn hand. De edele man had in haar
oogen bijna iets van een God.
Wie was deze man, die Raffles genoemd werd?
Tevergeefs dacht zij hierover na en toen zij op zachten toon de vraag
tot hem richtte, aan welk adres zij haar brieven aan hem moest zenden,
antwoordde hij:
„Mijn lieve, kind! Ik kan je geen adres opgeven, misschien ben ik den
eersten tijd in Londen, maar het kan ook zijn, dat ik Yokohama of
New-York ben.”
„Blijft gij dat ongeregelde leven altijd voeren?”
„Een ongeregeld leven? Voor mij is het hoogst interessant. Ik geloof,
dat de meeste menschen, wanneer zij sterven, weinig van de wereld
hebben gezien.
„Ik daarentegen maak mij dezen tijd ten nutte, reis de wereld door en
bestudeer alles, wat ik op mijn weg ontmoet.”
„Zult gij mij af en toe eens schrijven?”
Een smeekende blik uit haar schoone oogen trof hem.
„Maar natuurlijk,” antwoordde Raffles.
„En hoe zult gij mijn adres dan weten?”
„Heel eenvoudig. Gij kunt elke maand met het opschrift „Raffles” een
advertentie in de Londensche Times plaatsen, teneinde mij uw adres op
te geven.
„Ik zal u dan schrijven en gij kunt mij meedeelen, of gij mijn diensten
ook voor het een of ander noodig hebt.”
Reeds den volgenden dag vertrokken de beide dames naar het zuiden.
Raffles en Charly Brand hadden haar naar het station en in den trein
gebracht. De beide heeren bleven bij de coupé staan en toen de trein
vertrok, keken zij deze na, zoolang het jonge meisje met haar zakdoek
uit het raampje wuifde.
„Een ongelukkig mensch minder in de wereld,” sprak Raffles tot Charly
Brand, toen zij het perron verlieten.
De gezelschapsdame van het jonge meisje had moeite om het aan haar
zorgen toevertrouwde meisje te troosten en te doen bedaren. Nadat zij
afscheid van Raffles had genomen, was Elvira in een krampachtig snikken
uitgebarsten, omdat zij begreep, dat zij dezen trouwen vriend nimmer
terug zou zien.
Maar toch verloor Raffles haar niet uit het oog en door een
detectivebureau liet hij zich af en toe bericht omtrent haar zenden.
Toen hij het stationsgebouw verliet, bemerkte hij, dat een heer hem met
scherpen blik opnam.
Onmiddellijk-vermoedde Lord Lister, dat het een zijner vrienden van de
politie moest zijn.
Hij maakte Charly Brand opmerkzaam op den man, die hen langzaam volgde
en bij de volgende halteplaats nam hij een auto, om den vervolger te
ontkomen.
Raffles wendde zich tot den chauffeur en sprak:
„Rijd naar het Grunewald, Hagenstraat, nummer 13. Rijd zoo snel
mogelijk, dan betaal ik dubbel.”
Nu begon een ware jacht.
De vervolger was niemand anders dan wachtmeester Bender.
Hij had Raffles op het perron gezien en herkend, maar wist niet zeker,
of hij den goede voor had.
In razende vaart snorden de beide auto’s dicht achter elkaar naar het
Grunewald.
De auto van Raffles bereikte twee minuten eerder de villa van den
minister.
Terwijl Charly Brand den chauffeur betaalde en hem beval te wachten,
liet Raffles zich bij den minister aandienen.
Met gefronste wenkbrauwen ontving deze den grooten onbekende, het was
hem aan te zien, dat hij zijn bezoeker het liefst vermoord had.
Koelbloedig nam Raffles, zonder een begroeting af te wachten, naast de
schrijftafel plaats en sprak:
„Ik wilde u mijn dank betuigen voordat ik weer vertrek, dat gij op zoo
fatsoenlijke wijze de aangelegenheid met uw dochter hebt geregeld.”
De minister zette een gezicht als een boer, die kiespijn heeft.
„Ik merk wel,” sprak Raffles, toen de minister geen antwoord gaf, „dat
het geen aangename zaak voor u is geweest. Maar het was in elk geval
beter dan uw doen en laten tegenover de Fransche Regeering.”
De oogen van den minister fonkelden bij deze woorden.
Raffles begreep, wat er in den man omging. Het ging hem als alle
schurken, wanneer zij ontmaskerd worden.
Op dit oogenblik trad de bediende van den minister binnen en meldde:
„Pardon, Excellentie, een heer die beweert tot de politie te behooren,
wenscht u dringend te spreken.”
Het gelaat van den minister werd bleek als een lijk.
„Het is goed,” antwoordde hij den bediende, „laat mijnheer in het
salon; ik ben nog bezig.”
De bediende boog en ging heen.
„Gij hebt mij verraden,” hijgde de minister.
„Dat is niet waar,” antwoordde Raffles, „het zal uw slecht geweten
zijn, dat u zoo ongerust maakt.”
De minister stond op.
Zijn knieën knikten zoo, dat hij nauwelijks kon gaan.
„Ik geloof u niet,” mompelde hij, „gij wilt mij te gronde richten.”
„Bega geen domme dingen,” riep Raffles, „en geloof mij.”
Maar de minister hoorde deze woorden reeds niet meer, maar ontsloot de
deur naar de studeerkamer.
Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen zag hij dat een andere deur
uit de kamer naar de gang voerde en zonder aarzelen verliet hij langs
dezen weg het vertrek.
Toen hij de gang doorliep, hoorde hij in het salon de stem van den
wachtmeester, die tot den bediende sprak:
„Zeg tegen zijne Excellentie dat ik hem zeer dringend moet spreken.”
Maar ook de eigenaar der villa zelf hoorde deze woorden.
Luisterend stond hij bij de deur die toegang gaf tot het salon en met
knikkende knieën sloop hij in zijn studeerkamer terug.
Hij geloofde vast en stellig dat hij, ten gevolge van het verraad van
Raffles, nu gevangen werd genomen.
Toen de bediende de studeerkamer binnentrad, om hem mede te deelen, dat
de wachtmeester hem zeer dringend moest spreken, had de minister op
hetzelfde oogenblik een der laden van zijn schrijftafel geopend, een
revolver te voorschijn gehaald en zich doodgeschoten.
Het schot bracht alles in huis in rep en roer.
Wachtmeester Bender was de eerste, die met den bediende het lijk van
den minister naderde.
Niemand lette erop, dat Raffles, die het schot eveneens had gehoord,
het huis had verlaten, in de auto plaats nam en met Charly Brand
heenreed.
Des avonds bevatten de couranten het opzienbarende bericht omtrent den
zelfmoord van den minister en alleen de beide Engelschen, die per
nachttrein naar Vlissingen vertrokken, wisten, welke de oorzaak was van
den dood van dezen staatsman.
Raffles gaf de courant aan Charly Brand, wees hem het bericht omtrent
den dood van den minister en sprak:
„Het geweten van den mensch is zijn eigen rechter.”