„Welneen,” antwoordde deze, „ik ben er trotsch op kennis met hem te

hebben gemaakt.”

„Zoo, zoo,” glimlachte de rechter. „Is dit uwe handteekening,

mijnheer?”

De minister keek naar het papier en herkende het onmiddellijk.

„Zeker, dat is mijn handteekening, mijnheer de voorzitter.”

„Kan die onderteekening door niemand anders geschreven zijn?”

„Onmogelijk, ik zelf zette ze eenige weken geleden.”

„Dan begrijp ik niet,” sprak de rechter, „waarom gij nog blijft

ontkennen.

Hier in dit document staat het volgende te lezen:

„Hiermede verklaar ik aan graaf di Salvatore, eerevoorzitter van de

Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het vaderschap

erken.

Ik verplicht mij mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira

Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden.”

Toen de rechter zweeg, gleed over de gezichten der aanwezigen, behalve

dat van den minister een glimlach.

De beklaagde was eerst rood en daarna bleek geworden.

„Men heeft mij bedrogen!” riep hij uit, „ik zette mijn handteekening op

een stuk, dat een anderen inhoud had.”

De rechter en de andere ambtenaren keken den beklaagde met spottende

blikken aan.

„Het is toch niet aan te nemen,” sprak de rechter, „dat een man van uw

positie iets zal onderteekenen, waarvan hij den inhoud niet eerst

nauwkeurig heeft doorgelezen.

„Of wilt gij misschien beweren, dat dit stuk vervalscht is?”

„Ja”, antwoordde de minister, „het moet vervalscht zijn.”

De rechter bekeek het document met alle aandacht, maar niet het

geringste spoor was te ontdekken, niets wees op een vervalsching.

De rechter liet de beschermelinge van Raffles, de onechte dochter, voor

zich komen.

Iedereen werd getroffen door de opvallende gelijkenis tusschen het

jonge meisje en beklaagde.

De rechter nam deze omstandigheid te baat en op Elvira Manthé wijzend,

sprak hij:

„Uwe Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben waar het

documenten betreft, maar dit levende bewijs, dat hier voor u staat, en

dat gij eveneens betwist, bewijst ons allen zeer duidelijk, dat het

evengoed van den minister afkomstig is als het geschreven stuk.”

„Ik erken niets van dit alles!” riep de beklaagde opnieuw uit.

Met welwillenden blik keek de oude, ervaren rechter naar het jonge

meisje.

Daarop sprak hij het vonnis uit: de eischeres werd in het gelijk

gesteld en de minister veroordeeld, om aan zijn buitenechtelijke

dochter een jaarlijksche toelage voor haar levensonderhoud uit te

betalen ten bedrage van 3000 Mark.

Hiermede was het proces afgeloopen, en ziedend van woede stormde de

man, die na zooveel jaren eindelijk ter verantwoording was geroepen, de

gerechtszaal uit.

Vervuld van innige dankbaarheid, wilde het jonge meisje, toen zij met

Raffles in een rijtuig wegreed, hem de handen kussen.

Maar hij verhinderde haar dit en sprak:

„Het is de plicht van iederen mensch om zijn naaste behulpzaam te zijn

zooveel hij kan.”

Reeds den volgenden dag ontving de advocaat van het meisje een brief

van den minister, waarin deze hem een minnelijke schikking voorstelde

en een bedrag ineens van 20,000 Mark aanbood.

John Raffles, die den advocaat dienzelfden avond in het consult-uur een

bezoek bracht, zei, toen hij den inhoud van den brief had vernomen:

„Vraag 50,000 Mark en bovendien aanspraak op een gedeelte der

nalatenschap; gij zult zien, dat de minister daarop ingaat.”

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN INBRAAK.

Den volgenden avond kwam Charly Brand te Berlijn aan.

John Raffles haalde hem van het station, gekleed in de uniform van een

zee-officier.

Het was reeds over negenen, toen Lord Lister het station bij den

Dierentuin bereikte.

Charly Brand die, gehoorzaam het telegrafische bevel, dat Raffles hem

had gezonden, daar uitstapte, liep zijn vriend achteloos voorbij en

verschrikt keek hij om, toen men hem plotseling op den schouder klopte.

„Hallo! Charly! Waar ga je zoo haastig naar toe? Herken je je ouden

vriend en leermeester niet eens meer?”

Met een verbaasd gelaat keek de jonge man den marine-officier aan.

Maar nu herkende hij hem en met een stevigen handdruk sprak hij:

„Heb je voor uitbreiding van de Duitsche zeemacht gezorgd?”

„Ja”, antwoordde Raffles lachend, „en ik verzeker je dat ik, als ik

admiraal was, in een enkelen nacht de mooiste oorlogsschepen van

Engeland uit de havens zou stelen.”

„Is er iets belangrijks voorgevallen, dat je mij uit Londen hebt

teruggeroepen?”

„Ik heb verschillende dingen beleefd. Ik vond bijvoorbeeld een jong

meisje, dat vijf vaders heeft en een minister, die heden werd

veroordeeld om haar vader te zijn.

„Ter wille van dien man heb ik je hierheen laten komen.”

Al pratende waren zij uit het stationsgebouw naar buiten gegaan en daar

Charly Brand geen zware bagage bij zich had, alleen een klein

handtaschje, gingen zij een café in de buurt binnen om daar hun gesprek

voort te zetten.

„Bij dien minister,” vertelde Raffles, „heb ik een ontdekking gedaan,

die mij verschillende dingen laat vermoeden, waarvan ik graag meer zou

willen weten.”

„Wat heb je daar ontdekt?”

„Wij zullen er ons vannacht samen eens van gaan overtuigen. Maar eerst

zullen wij in den omtrek van het station een paar kamers in een hotel

huren, opdat jij rust kunt nemen en met mij aan den arbeid gaan.”

Tegen twee uur verlieten zij het hotel.

Zij vertelden den portier, dat zij van het Berlijnsche nachtleven

wilden profiteeren.

Deze glimlachte geheimzinnig en vond dat zeer begrijpelijk.

Hij verstrekte hun zelfs een paar adressen van dansgelegenheden, waar

zij zich kostelijk zouden amuseeren.

John Raffles bedankte den man, nam dicht bij het hotel een auto en reed

naar het Grunewald.

In de buurt van de Hagenstraat, waar zich de villa van den minister

bevond, liet Raffles de auto stilhouden, hij stapte met Charly uit en

beval den chauffeur, wien hij 40 Mark ter hand stelde, daar geduldig te

wachten.

„Met alle genoegen”, sprak de motorbestuurder op vergenoegden toon.

Daarop ging het tweetal de stille, rustige villastraat in, waar zich op

dat uur niemand op straat vertoonde.

Alle vensters van de villa van den minister waren donker.

Door zacht te fluiten overtuigde de Groote Onbekende zich ervan, dat er

zich geen wachthond in of bij het huis bevond.

Een hoog ijzeren hek scheidde den voortuin der villa van de straat.

Hier klommen zij over en samen begaven zij zich naar den achterkant van

het gebouw.

Raffles, die een klein, bruin handtaschje droeg, opende dit en haalde

er een kunstig bewerkte zijden ladder uit te voorschijn, aan welks

uiteinde een ijzeren haak was bevestigd.

Dat met ijzer bezwaarde eind slingerde hij nu met groote behendigheid

naar een balkon op de eerste verdieping en werkelijk bleef de ijzeren

haak in het hek van het balcon vastzitten.

Door meerdere malen eraan te trekken, beproefde hij, of de ladder

stevig genoeg vast zat, waarna beiden als katten naar boven klommen en

eenige oogenblikken later stonden de twee mannen op het balkon.

Een poosje bleven zij daar luisterend staan.

Maar alles bleef rustig in huis.

Niemand had eenig geluid vernomen.

Nu opende Raffles met behulp van een kleinen looper de balkondeur en

zij traden het vertrek binnen.

Bij het licht van een kleine electrische zaklantaarn zagen zij, dat zij

zich in de eetkamer van den minister bevonden,

„Volg mij”, fluisterde Raffles tot zijn vriend. Daar hij zich bij zijn

eerste bezoek goed georiënteerd had, viel het hem niet moeilijk, den

weg te vinden.

Nadat zij verscheiden kamers waren doorgeloopen, bevonden zij zich in

de studeerkamer van den minister. Zijn slaapvertrek moest een

verdieping hooger liggen en daardoor had de Groote Onbekende het

voordeel, ongestoord te kunnen werken.

Met een smal breekijzer opende Raffles de schrijftafel, maar hij vond

niets, dat voor hem eenige waarde kon hebben.

Daarop ging hij naar de kleine brandkast, die in een hoek der kamer

stond.

Hij boorde rondom het slot gaten en kon zoodoende eindelijk met weinig

moeite het slot indrukken.

Op dezelfde wijze brak hij ook de binnendeur open.

Charly Brand, die zijn vriend hielp, gaf dezen plotseling een

waarschuwend teeken.

Dadelijk werd het licht der electrische zaklantaarn uitgedoofd en

beiden luisterden aandachtig.

Duidelijk hoorden zij in de kamer, die aan het studeervertrek grensde,

voetstappen.

„Maskers voor!” fluisterde Raffles, „wij moeten ons verbergen!”

Als een schaduw gleed hij achter de gordijnen, terwijl Charly Brand

languit op het tapijt onder de schrijftafel ging liggen.

De deur der studeerkamer werd geopend en een heer in overjas en met een

cylinder op, trad binnen, streek een lucifer aan en draaide de kraan

eener gaslamp open.

Op het oogenblik, waarin hij den arm ophief om het licht te ontsteken,

werd zijn arm gegrepen, naar achteren gedraaid, een slag kwam op zijn

schedel neer en half bewusteloos viel de minister, want deze was het,

die nu pas thuis was gekomen, op den vloer neer.

Als in een nevel zag hij twee mannen met zwarte maskers, die hem bonden

en hem een samengevouwen doek in den mond stopten.

Hij kon geen enkele beweging maken, noch geluid geven.

Nu begaf John Raffles zich weer naar de brandkast, nam al de aanwezige

contanten, die zich daarin bevonden en die eenige duizend Mark

bedroegen, eruit en ging daarna een stapel papieren doorzoeken, die

alle het stempel droegen van het Fransche ministerie van oorlog.

Toen Raffles deze stukken bij zich stak, deed de minister wanhopige

pogingen om zich van zijn boeien te bevrijden en ondanks den prop, dien

hij in den mond had, slaakte hij een kreet van woede.

Maar de groote onbekende ging kalm zijn gang.

Hij ging aan de schrijftafel zitten en begon de brieven door te lezen.

Charly Brand keek over zijn schouder naar den inhoud der papieren en

bemerkte, dat zij hier een waardevolle en zeer belangrijke vondst

hadden gedaan.

De brieven bewezen duidelijk, dat de minister een spion was in dienst

van de Fransche regeering en reeds jarenlang zijn positie van

vertrouwen misbruikte door schurkenstreken uit te halen.

Raffles keek met fonkelende oogen naar den man, die aan alle leden

beefde en sprak:

„Het zou mij eigenlijk verwonderd hebben, als iemand, die zijn eigen

vleesch en bloed verloochent en die als een hartelooze schurk handelt,

in zijn zaken een man van eer zou blijken te zijn.

„Gij zult nu wel weten, wat u te doen staat.

„Gij hebt hedenavond een schrijven ontvangen van den advocaat van uw

onwettige dochter, betreffende een afkoopsom van 50.000 Mark.

„Ik zie in uw chèqueboek, dat gij op de Duitsche Bank een vermogen van

bijna twee millioen Mark liggen hebt. Dat is veel te veel voor een man,

die vrouw noch kinderen heeft.

„Dit vermogen zult gij morgen laten verschrijven op naam van uw

dochter.

„Wanneer gij dat niet doet, of de een of andere list tracht te

gebruiken, dan kunt gij er zeker van zijn, dat ik gebruik zal maken van

de papieren, die ik hier heb gevonden en dan zijn uw uren geteld. Neem

hem nu den knevel uit den mond.”

Deze laatste woorden werden tot Charly Brand gesproken en deze deed wat

Raffles wenschte, zoodat de minister weer kon spreken.

Het klamme angstzweet stond hem op het voorhoofd en liep in straaltjes

langs zijn gelaat.

„Wie waarborgt mij, dat gij uw woord houdt?” mompelde hij met gesmoorde

stem.

Bij het hooren van die woorden richtte Raffles zich vol trots op, nam

zijn masker af en met een kreet herkende de minister zijn

geheimzinnigen bezoeker van eenige weken geleden, den voorgewenden

eerevoorzitter van de Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, den

pauselijken geheimen kamerdienaar, graaf di Salvatore.

De Groote Onbekende amuseerde zich eenige oogenblikken over het

verbaasde en ontstelde gelaat van den schurk en sprak toen:

„Ik houd ervan, mijn afspraken zwart op wit in den zak te dragen.

„Ik zal daarom onze overeenkomst op dit stuk papier, dat hier op de

schrijftafel ligt, neerschrijven. Gij zult het daarna onderteekenen. En

opdat gij weet, met wien gij te doen hebt, ben ik zoo vrij, u tevens

mijn werkelijken naam mede te deelen.

„Ik heet Lord Lister, bijgenaamd Raffles, de Groote Onbekende.

„Maak de boeien los!”

Charly Brand knoopte de touwen los en de minister staarde den genialen

man, die hem in alle opzichten de baas was geweest, met wijdgeopende

oogen aan.

Raffles ging aan de schrijftafel zitten, nam pen en papier en schreef.

Nauwelijks had hij een paar regels neergezet, of de minister bracht

schijnbaar onwillekeurig zijn hand naar zijn zak, haalde een revolver

te voorschijn en legde in het volgende oogenblik op Raffles aan.

Maar hij had niet op Charly Brand gerekend.

Voordat hij kon afdrukken, had deze zijn hand weggeslagen en hem met

een flinken vuistslag neergeworpen.

„Vervloekte schurk!” siste de jonge man.

Raffles had slechts even opgekeken.

Koelbloedig, zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, schreef

hij verder.

Toen hij gereed was, was de minister weer opgestaan en tandeknarste van

woede.

„Gij zijt krankzinnig, man,” sprak Raffles. „Gij wilt uzelf

waarschijnlijk aan de galg brengen.

„Bedank mijn vriend, dat uw schot de bedienden niet wekte. Mijn dood

zou uw schurkenstreken ongetwijfeld aan het licht hebben gebracht.

„Wie weet, of gij mij wel doodelijk hadt gewond. Denkt gij, dat mijn

vriend of ik gezwegen zouden hebben?

„En luister nu naar wat ik hier heb neergeschreven:

„Bij dezen beken ik, dat ik jegens de Duitsche Regeering verraad

heb gepleegd aan Frankrijk en Lord Edward Lister heeft het recht,

de mij toebehoorende en in zijn bezit zijnde papieren aan de

Duitsche Regeering kenbaar te maken, wanneer ik mijn belofte, om

mijn vermogen te laten overschrijven op het hoofd van mijn

buitenechtelijke dochter Elvira Manthé, niet nakom.

„Onderteeken dit, Excellentie.”

Met bevende handen zette de schurk zijn naam onder het document.

John Raffles droogde het stuk.

„Gij zijt er goed afgekomen. Dit document is niet alleen millioenen,

het is zelfs een menschenleven waard. En nu wensch ik u wel te rusten.”

Lord Lister maakte een buiging, alsof hij zich in een salon bevond en

afscheid nam van een aangenaam gezelschap.

Charly volgde zijn voorbeeld en daarop verdween het tweetal langs

denzelfden weg, waarlangs zij waren gekomen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN ZELFMOORD.

Elvira Manthé had juist haar hotel verlaten en ging de Leipzigerstrasse

in, om zich naar haar advocaat te begeven, toen bij den hoek van een

zijstraat iemand haar arm greep en tot haar sprak:

„Eindelijk tref ik je zonder je nieuwen beschermer.”

Bleek van schrik bleef zij staan en keek bevend van angst in het

hoonlachende gelaat van den zwartharigen jongen man.

„Kom eens mee om den hoek, dan kunnen wij rustig een woordje met elkaar

spreken. Iedereen behoeft niet te hooren, wat wij met elkaar te

behandelen hebben.”

Bijna willoos volgde het meisje den zwartharige en toen zij de stille

zijstraat insloegen, floot de jonge man en uit een der portieken kwam

een vriend van hem te voorschijn, die daar had staan wachten.

„Heb je haar eindelijk gesnapt?”

„Dat duifje heb ik en nu zullen wij met haar afrekenen. Laat eerst eens

kijken, wat je aan geld bij je hebt.”

Met een ruwe beweging ontnam hij het jonge meisje het handtaschje,

waarin zich verscheiden goudstukken bevonden.

„Ik zie, dat het je goed gaat,” lachte de zwarte spottend, terwijl hij

het goudgeld in zijn zak liet glijden. „Maar dat is niet genoeg. Wie

zoo’n kerel als Raffles tot minnaar heeft, kijkt niet op een paar

duizend mark.”

„Beleedig een edel mensch niet!” riep het jonge meisje uit.

Beide mannen lachten luidkeels.

„Heb je zoo iets ooit meer gehoord?” riep de zwartharige tot zijn

kameraad. „Nu vertelt ze waarachtig, dat Raffles, die gauwdief, een

edel mensch is. Achter de tralies hoort hij voor minstens vijftien jaar

en daarvoor kan jij zorgen.

„Als hij mij vandaag niet duizend mark stuurt, zal ik er voor zorgen,

dat de politie hem inpikt.

„Je kunt hem zeggen, dat ik weet, waar hij uithangt. Een van onze lui

heeft meer verstand in zijn kop dan die kerels op het Alexanderplein en

verbeeld je vooral niet, dat je zoo gemakkelijk van mij afkomt.

„Ik vind je steeds weer terug en als je niet doet, wat ik je zeg, zal

ik de zedelijkheidspolitie inlichten, wat voor eentje jij er bent en

dan—je weet het, dan laten ze je niet meer los.”

Het jonge meisje was te bevreesd voor de twee ruwe kerels dan dat zij

kon beseffen, hoe ongegrond de bedreigingen waren, die hij tegen haar

uitte.

„Vanmiddag om zes uur kom je hier terug op dezelfde plaats, waar wij nu

staan en dan breng je mij het geld. Kom je niet, dan laat ik den edelen

man om zeven uur gevangen nemen.

„Ga nu maar heen en groet hem namens mij.”

Als een opgejaagd wild snelde het jonge meisje heen.

Zij wist niet, wat zij moest doen.

Radeloos liep zij de straten door en tegen vier uur kwam zij weer in

het hotel terug.

De portier deelde haar mede, dat de heer Von Treuenfells—onder dien

naam had Raffles zich in het hotel bekend gemaakt—om zes uur bij haar

zou zijn.

Zij begaf zich naar haar kamer en schreef een brief.

Op haar zwerftocht door de straten van Berlijn had zij niet gemerkt,

dat de zwartharige haar had achtervolgd.

In de buurt van het hotel bleef hij staan om te zien of zij het gebouw

weer zou verlaten, of dat Raffles misschien zou verschijnen.

Even voor zes uur zag hij, dat zij uit het hotel naar buiten trad om

het plein over te steken.

Een oogenblik later stond hij naast haar, hield haar tegen en sprak:

„Heb je het geld?”

Maar nu geschiedde iets, wat hij niet had verwacht.

Elke aarzeling en vrees was van het jonge meisje geweken. Met van toorn

flikkerende oogen antwoordde zij:

„Waag het niet, mij nog eenmaal aan te raken, of ik lever u

oogenblikkelijk over aan de politie.”

Stom van verbazing keek hij het jonge meisje met groote oogen aan.

Voordat hij iets kon antwoorden, had zij hem den rug toegekeerd en was

in het hotel teruggekeerd.

Hij zag niet, dat zij het gebouw door een anderen uitgang weer verliet.

Hij floot met een spottend lachje op het gelaat en in zijn oogen

lichtte een gevaarlijke gloed.

„Wacht maar!” siste hij, „dat zal je den nek breken!”

Op dit oogenblik ontwaarde hij een auto, waaruit Raffles stapte,

gevolgd door Charly Brand, welke laatste den zwartharige onbekend was.

Een oogenblik keek hij hen na; hij zag, hoe zij het hotel binnentraden

en zoo snel als zijn beenen hem konden dragen, rende hij naar het

politiebureau, dat zich in het stationsgebouw bevond.

John Raffles was intusschen naar den portier gegaan en vroeg deze, of

juffrouw Manthé te spreken was.

„Het spijt mij, heer baron,” antwoordde de portier, „de juffrouw is een

kwartier geleden uitgegaan en liet dezen brief voor u achter.”

De groote onbekende nam den brief en verliet met zijn vriend het hotel.

Zij staken samen het plein over en namen plaats aan een tafeltje in den

tuin van een café.

Juist had Raffles den kellner een bestelling gedaan, toen hij zag, dat

op eenigen afstand van het café eenige politie-agenten, voorafgegaan

door den zwartharigen jongen man, naar het hotel snelden.

„Dat is om ons te doen,” fluisterde Raffles, terwijl hij Charly Brand

de beambten wees.

„Wij zijn geen minuut te vroeg heengegaan. Als een muis zouden wij in

de val hebben gezeten. De zwarte, dat is de kerel, uit wiens macht ik

mijn beschermelinge heb gered, heeft haar verblijf ontdekt en moet

hebben gezien, dat wij het hotel binnen gingen.

„Kom, wij zullen dit plaatsje verlaten.”

Hij legde een geldstuk op tafel en toen de kellner, met het bestelde

kwam, zag hij tot zijn verbazing, dat de beide gasten verdwenen waren.

Raffles had met Charly Brand in een auto plaats genomen en was

weggereden.

Eerst nu nam hij den brief uit zijn zak om te lezen wat Elvira hem te

vertellen had.

De brief luidde:

JOHN C. RAFFLES.

Ik heb elken dag den Hemel gedankt voor de groote diensten en de

onbaatzuchtige vriendschap, die gij mij hebt bewezen, hoewel gij

niet hebt kunnen weten of gij met uw edel hart misschien een

onwaardige de behulpzame hand hadt geboden.

Ik heb heden ingezien, dat ik u als loon voor uw vriendschap

slechts in groote moeilijkheden kan brengen en heb begrepen, dat

iemand, die zoo diep is gezonken als ik, het recht niet heeft, met

eerlijke, fatsoenlijke menschen om te gaan.

Ik smeek u daarom, mij te vergeten.

Ik heb ook niet de minste hoop, dat mijn leven ooit anders zou

kunnen worden.

Leef wel! De Hemel zal u rijkelijk beloonen voor al het goede, dat

gij over hebt voor de armen en ongelukkigen.

Vergeet een rampzalige, die niet anders kan handelen en wees niet

boos op mij.

Mijn laatste gedachte zal een zegewensch voor u zijn.

ELVIRA MANTHÉ.

Toen Raffles den brief tot het einde gelezen had, zuchtte hij, streek

meermalen met de hand over het voorhoofd, sloot zijn oogen en gaf den

brief zwijgend aan Charly Brand.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN DOOD MAN.

Den volgenden morgen, terwijl Raffles met Charly Brand aan de

ontbijttafel zat, keek hij de brieven en documenten in, die hij den

minister had afgenomen.

Verschillende der stukken waren in cijferschrift geschreven.

Raffles bestudeerde ze, om het schrift te ontcijferen. Dit gelukte hem

ook; na een half uur had hij de oplossing gevonden en kon hij de

brieven van het begin tot het eind lezen.

Het was juist zooals hij had vermoed.

De minister was inderdaad een schurk, die aan de Fransche Regeering

allerlei geheimen betreffende vestingplannen had meegedeeld.

Geërgerd door den inhoud der documenten, sloot Raffles ze weg en nam

een courant op.

Nauwelijks had hij deze eenige minuten ingezien, of hij sprong op en

antwoordde op den vragenden blik van Charly Brand:

„Vraag nu niets! Maak je gereed, je moet dadelijk met mij mee naar het

Ziekenhuis la Charité.”

Charly Brand had moeite, zich zoo snel te kleeden als zijn ongeduldige

vriend dat wenschte.

Toen hij met Raffles in een auto zat en naar la Charité reed, gaf

Raffles hem de courant, die hij nog steeds in de hand hield en sprak:

„Lees!”

Charly Brand las het volgende:

„Stadsnieuws. Een zekere Elvira Manthé trachtte gisteravond om zes

uur zelfmoord te plegen. Voorbijgangers zagen, hoe zij plotseling

van de Wilhelmsbrug in het kanaal sprong. De reddingsboot, die

dadelijk werd losgemaakt, nam het levensmoede jonge meisje, ondanks

haar hevigen weerstand, op. Zij werd naar la Charité overgebracht.”

Dit bericht had Raffles tot zoo grooten spoed aangezet.

Toen zij in het ziekenhuis aankwamen en naar het jonge meisje

informeerden, kregen zij ten antwoord, dat zij reeds hersteld was en de

inrichting over een half uur zou verlaten.

Er bleef Raffles dus niets anders over dan voor de deur af te wachten

totdat het jonge meisje zou verschijnen.

Het duurde bijna een half uur, voordat zij naar buiten trad.

Lord Lister gevoelde een diep medelijden in zich opkomen, toen zij met

vermoeide, langzame schreden en met een bleek, droevig gelaat naar hem

toekwam. Hij snelde haar tegemoet en geleidde haar naar de auto, daarop

gaf hij den chauffeur het adres op van zijn pension en bracht haar

daarheen.

Zij mocht nu niet alleen gelaten worden, want al haar wilskracht was

gebroken.

Raffles hield zich met haar bezig, alsof zij een jongere zuster van hem

was. Het duurde niet lang of hij vernam van haar, dat de bedreigingen

van den zwartharige haar tot de wanhopige daad hadden gebracht.

„Hoe hebt gij zoo dwaas kunnen zijn!” sprak Raffles, „door eenige

waarde te hechten aan de woorden van dien deugniet. Wees nu niet meer

beangst, mijn kind, alles komt in orde.

„Gij zult, vergezeld door een gezelschapsjuffrouw, een reis naar het

zuiden maken om volkomen te herstellen. Uw vermogen zal op een soliede

bank worden vastgezet en van de rente zult gij ruim kunnen leven.”

Zij wist niet, hoe zij hem kon danken.

De groote goedheid, die hij jegens haar aan den dag legde, overweldigde

haar zoodanig, dat zij in een krampachtig snikken losbarstte.

Reeds dienzelfden avond kreeg John Raffles bericht van den advocaat,

dat de minister het verlangde bedrag had uitbetaald en dat het geld op

naam van het jonge meisje bij de Duitsche Bank was gedeponeerd.

Lord Lister wreef vergenoegd zijn handen.

Daarop begaf hij zich naar den advocaat en stelde dezen in het bezit

van een aanklacht tegen zijn collega.

„Ik zal dien lichtzinnigen heer,” sprak Raffles, „een flinke straf

bezorgen.”

Lord Lister No. 0031: Vier vaders · 第 3 / 4 段