II.

Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over de Theosofie en haar

leeringen, heb ik voor zoover dat in een korte voordracht mogelijk was,

de geschiedenis der Theosofie geschetst. Ik heb haar verband met de

groote godsdiensten der wereld aangeduid, hare verspreiding door de

verschillende landen beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage

de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar openlijken als in haar

innerlijken vorm. Ik stel mij voor hedenavond het onderwerp van een

anderen kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen zelve

welke de Theosofie brengt, welke zij geeft om de menschheid te helpen,

en ik zal u trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige toepassing

vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk en geestelijk gebied, dat

zij betrekking hebben op ieder deel van 's menschen samengestelden aard

en hem een helder denkbeeld geven van de wereld waarin hij leeft, van

den menschelijken samenstel en van de mogelijkheden, welke daarin

verborgen liggen.

Vóór alles dan begint het onderricht der Theosofie, het goddelijk weten,

te spreken over het goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke

betrekking van den mensch tot God. Het leert dat er één goddelijk

Bestaan is, het Leven van al wat is; dat er slechts één goddelijk Leven

is, één goddelijke werking, ééne kracht, welke overal bestaat in het

heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven van God zich bevindt,

dat overal waar dieren voelen kunnen of menschen kunnen denken, het

leven van God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en plantenrijk

steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven alle dingen; in het geheele

heelal is geen leven buiten het goddelijk Leven. Dit ééne Bestaan ligt

ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de Theosofie begint met

het leeren van een grondeenheid, een wet van eenheid, van één-zijn alom;

en deze eenheid spruit voort uit God, die de ééne bron is van alle

bewustzijn, waar ook dat bewustzijn worde gevonden. De ontwikkeling van

het bewustzijn in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden hunnen

oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend tot zelf-bewustzijn,

komt voort uit één bron, één oorsprong. Alle bewustzijn is één, wij

kunnen het ééne niet scheiden van het andere, en de menschen van elkaar

vervreemden alsof zij tegenover elkander stonden--zij komen allen van

denzelfden stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde Leven, zij zijn

allen een uitdrukking van hetzelfde goddelijk Bestaan. Deze eenheid van

bewustzijn is ééne uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht in

het heelal.

Maar niet alleen alle bewustzijn is één, ook alle kracht is één, en hier

stemt de wetenschap in met de Theosofie: er is slechts één groote

werking in het heelal; alle vormen van werking en kracht welke wij

waarnemen, zijn in den grond één. Zij kunnen in elkander omgezet worden;

alle vormen van werking welke de wetenschap bestudeert, alle krachten

welke wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of plantenrijk,

hetzij bij dier of mensch, al deze krachten zijn één in hunnen aard.

Slechts hun uitdrukking, hun wijze van openbaring is verschillend, bij

nader onderzoek blijken zij allen één te zijn: ééne kracht, juist zooals

er één bewustzijn is.

Een derde uitdrukking van de wet van eenheid is de eenheid van stof.

Alle stof is één, hoe verschillend ook de vorm wezen mag welke zij

aanneemt. Er is slechts één grondstof en alle scheikundige elementen

zijn daaruit opgebouwd. Al wat wij om ons waarnemen: vaste lichamen,

vloeistoffen, gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde,

slechts verschillend in de rangschikking van zijn deelen. Wij vinden

door de geheele wereld heen een eenheid, eenheid van bewustzijn en

leven, eenheid van kracht, eenheid van stof, en deze drie eenheden zijn

de uitdrukkingen van het goddelijk Bestaan, zij komen alle uit het ééne

Leven, het Leven van God.

Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en van stof kunnen wij een

gevolgtrekking maken. Daar er slechts één stof is, slechts één kracht,

slechts één bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een broederschap;

zij zijn allen gemaakt uit dezelfde bouwstoffen, zij zijn allen bezield

door dezelfde kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij

zien dat het geheele heelal één groote broederschap vormt, waarin de

verschillende schepselen in verschillende staten van ontwikkeling zijn,

maar allen worden saamgebonden door de éénheid van stof, van kracht, van

bewustzijn. In deze alomtegenwoordige grond-eenheid wortelt het begrip

"broederschap", en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van

hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander kunnen blijven staan.

Er moet één gemeenschappelijk goed zijn voor ons allen, één

gemeenschappelijke ontwikkeling waarin wij allen deelen, één

gemeenschappelijk doel waarnaar wij allen streven, en alle gedachten van

naijver of vijandschap, alle gedachten welke de menschen denken, alsof

zij elkanders bestrijders zijn in plaats van elkanders helpers en

broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande het wezen van God

en van den mensen. De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt de

broederschap tot een noodzakelijk feit in de natuur.

Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder uitwerken, bevinden wij dat

deze broederschap zich toont in alle betrekkingen, waarin wij tot

elkander komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking de eenheid van

stof heeft tot de broederschap der menschen. Onze lichamen zijn

opgebouwd uit wat wij "stof" noemen, en wij weten, dat ons lichaam

voortdurend zijn bouwstoffen hernieuwt, dat ons lichaam heden niet

hetzelfde is, als het gisteren was of verleden week of de vorige maand,

of als het morgen zijn zal of de volgende week of maand.

Ons lichaam verandert voortdurend van bestanddeelen. Kleine deeltjes

ervan, zóó klein dat zij onzichtbaar zijn voor het oog, komen en gaan

ieder oogenblik. Wanneer wij ons lichaam zeer sterk vergroot zagen,

zouden wij een stroom van deeltjes ervan zien uitgaan, en een stroom van

deeltjes er heen zien komen, een stroom van komen en gaan, welke ons

lichaam op ieder oogenblik van het leven verandert. Wanneer nu menschen

elkaar ontmoeten, zooals wij hedenavond bijeen zijn gekomen, wisselen de

deeltjes onzer lichamen onderling, deeltjes van uwe lichamen hechten

zich vast aan het mijne, deeltjes van mijn lichaam gaan en worden

opgenomen in dat van u, zoodat wij, wanneer wij de zaal verlaten, geen

van allen hetzelfde zijn gebleven als toen wij binnenkwamen. Onze

stoffelijke lichamen hebben een deel van de bouwstoffen waarvan zij

gemaakt zijn, gewisseld. Ieder van u heeft iets aan zijn buren gegeven,

ieder van u heeft iets van zijn buren ontvangen. Dit nu maakt dat er

tusschen ons een zeer daadwerkelijke stoffelijke broederschap bestaat.

Indien wij op deze wijze van deeltjes onzer lichamen wisselen, zijn wij

broeders naar het lichaam, hetzij wij het willen of niet. Wij kunnen

niet nalaten op elkander invloed te oefenen, hetzij ten goede of ten

kwade. De gezonde persoon verspreidt zijn gezondheid, waar hij ook gaat,

de zieke verspreidt zijne ziekte overal waar hij komt; deze wisseling,

deze overgang legt tusschen ons allen een band, die maakt dat het

lichamelijk welzijn onzer medemenschen van belang is voor ons allen.

Nu bouwen wij ons lichaam op door voedsel, drank, lucht en door het

leven dat wij leiden. Indien gij in uw lichaam onrein voedsel brengt,

onreinen drank, indien gij uw huis en uw kleeding niet rein houdt,

trekt gij tot uw lichaam deeltjes, welke gij vergiftigt en vervolgens

zendt gij die giftige deeltjes weer uit naar uwe medemenschen, zoodat

een mensch die slechte, onreine dingen eet of drinkt, die ongezond is of

onrein, op al zijne medemenschen een overeenkomstigen invloed uitoefent.

Ieder mensch die alkohol, wijn of dergelijke giftige dranken gebruikt,

beleedigt het lichaam van zijnen medemensen even goed als zijn eigen.

Wij kunnen ons leven niet van dat van anderen scheiden, maar zijn

genoodzaakt te leven als één groot huisgezin; al wat een van ons

schaadt, schaadt daardoor het geheel. Wanneer wij dit inzien, kunnen wij

niet langer onverschillig blijven voor de armoede en ellende om ons

heen, want wij weten dat zoolang nog één mensch in de maatschappij arm

is en ellendig en uitgehongerd, niemand volmaakt gezond en zuiver kan

zijn en zijn lichaam bewaren kan in den best mogelijken staat. In ieder

volk waarin men menschen vindt die lijden door armoede en ellende en

stoffelijke ontaarding, moet elk lichaam zijn deel ontvangen van de

ellende dier armen. De menschen zullen het misschien niet bemerken of

begrijpen, maar hun lichaam is minder gezond wegens de ziekte, die

rondwaart in de armere wijken der stad, onder de lichamen hunner armere

medemenschen. Geen volk is zoo gezond als het zijn kan, zoolang één

zijner kinderen ziek is, van geen land kunnen de bewoners volmaakte

lichamen hebben, zoolang er nog één honger lijdt. De stoffelijke ellende

in de maatschappij is een zaak die allen ter harte moet gaan en niet

slechts hun alleen die er onmiddellijk onder lijden. Wij zijn broeders

naar het lichaam en genoodzaakt hun leed mede te dragen.

De broederschap van lichaam is echter niet de eenige band tusschen ons.

Er is een broederschap van aandoeningen en gevoelens even goed als van

lichaam. Wij oefenen ook invloed op elkander uit door onze gevoelens. Al

wat ik gevoel werkt ook op u in, al wat gij gevoelt, werkt op mij in. De

geheele dampkring is vervuld van trillingen, gemaakt door de gevoelens

en hartstochten der menschen. Ook op deze wijze oefenen wij zonder het

te weten invloed op elkander uit en indien gij er op let, kunt gij het

door eigen ondervinding waarnemen. Hebt gij nooit opgemerkt, hoe wanneer

één persoon in een gezelschap slecht gehumeurd is, die stemming zich

verspreidt over de anderen, hoe één knorrig persoon in huis iedereen min

of meer wrevelig stemt? Hebt gij nooit waargenomen hoe wij in de

nabijheid van sommigen een gevoel krijgen van vrede en rust, een gevoel

alsof alles ons gemakkelijk zou vallen, terwijl anderen alleen door hun

nabijheid ons knorrig maken en alles somber doen schijnen en zwaar? Het

is de broederschap onzer aandoeningen, die op deze wijze voortdurend op

ons inwerkt en de reden waarom dit mogelijk is ligt hierin, dat de

mensch behalve het zichtbare lichaam nog een lichaam heeft van fijnere

stof, welke wij astrale stof noemen en deze astrale stof, welke van een

hoogeren graad van fijnheid is, trilt uiterst gemakkelijk en vlug. Door

onze gevoelens nu wekken wij trilling op, welke die astrale stof aandoet

en welke andere menschen in hun astraal lichaam doet beantwoorden aan

het gevoel dat in ons astraal lichaam die trilling veroorzaakt heeft.

Ieder van u heeft in en om zijn stoffelijk lichaam een wolk of mist van

deze fijne astrale stof, veel schitterender dan het stoffelijk lichaam

zelf, juist alsof zich rondom u een wolk bevindt, waardoor kleurenspel

van elektrisch licht zichtbaar is. Het astrale lichaam is helder en vol

kleuren, kleuren als van den horizon bij den opgang of ondergang van den

zon. Evenals gij dan in de lucht soms wolken zien kunt, welke door den

zon worden gekleurd, zien de menschen, die meer dan het stoffelijke

waarnemen kunnen, rondom ieder van u een gekleurde wolk, maar in plaats

van door den zon, wordt die wolk gekleurd door uwe gevoelens, uw

aandoeningen, uwe hartstochten, en zoodra een gevoel, eene aandoening in

u opkomt, kleurt zich de wolk rondom u en trilt zij met groote snelheid,

en deze trilling straalt van u uit en wekt in het astrale lichaam van

anderen gelijke trillingen op, zoodat zij hetzelfde gevoelen als gij.

Wij oefenen daardoor, wanneer wij in elkanders nabijheid vertoeven,

invloed op elkaar uit door onze gevoelens even als door onze gezondheid

of ziekte, en wij zijn evenzeer door een broederschap van gevoelens

verbonden als door een broederschap van het stoffelijk lichaam, en die

broederschap van gevoelens uit zich door middel van het astrale lichaam,

het lichaam der aandoeningen dat steeds in beweging is, steeds in

trilling en hoe sterker onze gevoelens zijn, des te krachtiger oefenen

wij er invloed door uit op anderen.

Er is nog een derde wijze, waarop zich de broederschap openbaart en wel

in ons denkvermogen. Wij leven evengoed in broederschap van gedachten

als in gevoels-broederschap. Wanneer wij denken oefenen wij invloed uit

op de gedachten der menschen om ons heen. Wanneer wij denken, zenden wij

als het ware elektrische stroomen uit, die werken op het denken van

anderen, en zij krijgen betere of slechtere gedachten al naar den aard

onzer eigene gedachten. Terwijl ik tot u spreek, gebruik ik mijn

stoffelijk lichaam, mijn stem, ook hoort gij mij met uw stoffelijk

lichaam, met uw ooren, maar dit is niet het eenige, wat u en mij

verbindt. Behalve mijn stem die gij hoort, gaan er van mij trillingen

uit, gevoelstrillingen die u er toe nopen te luisteren en uwe aandacht

te schenken. Deze trillingen worden soms magnetisch genoemd, en daar zij

uit mijn astraal lichaam voortkomen, oefenen zij invloed uit op het uwe.

Behalve deze wisselwerking tusschen onze stoffelijke en astrale lichamen

is er nog wisselwerking van denkvermogen. Mijn denkvermogen zendt

stroomen uit tot het uwe en vormt beelden welke gij met uw denkvermogen

waarneemt, niet met uw stoffelijke oogen. Zoolang ik spreek, zend ik

voortdurend die denk-beelden uit, zoodat de woorden gemakkelijker voor u

zijn te begrijpen wegens den onmiddellijken invloed, dien ik uitoefen op

uw denkvermogen. Deze inwerking der menschelijke gedachte op anderen

vindt onophoudelijk plaats, en wanneer iemand invloed tracht uit te

oefenen op een ander is die werking veel sterker dan wanneer hij als het

ware slechts voor zich zelf denkt. Deze beelden welke ons denkvermogen

vormt en welke de menschen waarnemen door het hunne, brengen het

grootste deel onzer gedachten over aan anderen en stellen ons in staat

elkander beter te kunnen begrijpen dan alleen door stoffelijke

mededeeling mogelijk is. Deze invloed welken ons denkvermogen op anderen

uitoefent bestaat steeds, niet alleen wanneer iemand tot anderen

spreekt, maar ook in het gewone dagelijksch leven. Wanneer gij denkt,

zijn alle menschen om u heen min of meer geneigd op dezelfde wijze te

denken en hoe sterker uw denkkracht is, des te grooter invloed oefent

gij op hen uit. Hebt gij wel eens opgemerkt hoe dikwijls, wanneer gij

met iemand samenwoont, gij beiden over hetzelfde onderwerp denkt, en

wanneer de één zijn gedachte uitspreekt, zegt de ander: "Daar dacht ik

juist ook aan." Dit is dikwijls het geval met man en vrouw, broeder en

zuster, vriend en vriend, en vaak beslist slechts toeval, wie het eerst

spreekt. Wie dan het eerst zijn gedachte in woorden kleedt, bemerkt dat

de ander in dezelfde richting gedacht heeft. Op deze wijze kunnen wij

elkander veel goed doen en veel kwaad. Goed wanneer wij edel denken en

rein, kwaad wanneer wij laag, gemeen en slecht denken. Vele menschen

denken dat als zij slechts doen wat goed is, als zij maar geen grove

woorden gebruiken, het er niet toe doet hoe zij denken: gedachten zijn

tolvrij. Dit is onjuist: onze gedachten oefenen een veel grooteren

invloed uit op onze medemenschen dan onze woorden, en een slecht mensch,

die slecht denkt, vergiftigt alle menschen met wie hij in aanraking

komt; hij oefent een slechten invloed uit zonder iets anders te doen dan

in onze nabijheid te zijn. En evenzoo is men, indien men goede

gedachten kweekt, overal waar men gaat tot zegen. De menschen om ons

heen zullen zelf goede gedachten krijgen zonder te weten waarom. Onze

invloed zal hen goed doen denken. Op deze wijze is er broederschap van

denken evengoed als broederschap van gevoel en van lichaam.

Zie dan hoe veel er voortvloeit uit dit denkbeeld van de eenheid van al

wat is, hoe sterk deze eenheid zich doet gevoelen in het leven, hoe wij

naarmate wij die eenheid doorgronden, nuttiger worden voor elkander dan

te voren, hoe wij leeren dat wij invloed uitoefenen op onze medemenschen

door onze lichamen, onze gevoelens en onze gedachten, en hoe wij op deze

drie wijzen elkander kunnen helpen. Zoo leeren wij de natuurwet en

passen die dan toe om onze broeders te helpen en de wereld door ons

leven beter te maken. Deze eenheid, uitgewerkt zooals ik het thans heb

gedaan, is één der groote leeringen van de Theosofie.

Laat ik thans een tweede groote leering nemen, die welke zegt dat uit

God de zielen der menschen zijn voortgekomen, dat het leven van God

iederen mensch gegeven is, opdat hij zich ontwikkelen moge tot een

volmaakt wezen, gelijk God zelf. Gij zult u herinneren dat Jezus, toen

hij sprak tot de menigte, een merkwaardig gebod gaf: "Weest dan

gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is."

[Voetnoot: Mattheüs 5,48] De Vader in den hemel nu is God, het goddelijk

Wezen, en Jezus leerde aan zijne leerlingen en aan de volksmenigte dat

zij volmaakt moesten zijn gelijk God. Nu is God volmaakt in kennis,

volmaakt in kracht, volmaakt in liefde. Hoe kan de mensch volmaakt zijn

in kennis en in kracht en in liefde, gelijk God volmaakt is? Toch was

dit het gebod dat Jezus gaf en als Jezus sprak, zeide hij slechts wat

waar was en mogelijk. Hij zou het niet hebben gezegd als deze volmaking

onmogelijk was voor den mensch. De vraag waartoe wij van zelf komen is

dan deze: hoe is het mogelijk, en is het mogelijk voor ieder of slechts

voor eenige menschen? En het antwoord dat de Theosofie geeft is: het is

mogelijk voor ieder, niet slechts voor enkelen; voor ieder is het

mogelijk volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, de mensch is

werkelijk gemaakt naar het goddelijk beeld, dat wil zeggen hij is de

juiste weerkaatsing van God. Laten wij eerst een uiterst geval

beschouwen; een zeer onontwikkelden wilde, zoo laag ontwikkeld dat hij

het goede nog niet kan onderscheiden van het kwaad, dat hij nog niet

weet dat het kwaad is te stelen of te liegen of te moorden, dat hij al

deze dingen geoorloofd vindt. Waarom zou hij niet stelen als hij iets

noodig heeft dat hem niet toebehoort? Waarom zou hij niet liegen als hij

daardoor kan krijgen wat hij begeert? Waarom zou hij niet moorden als

hij sterk genoeg is het te doen en verlangt zijnen vijand te dooden? Die

wilde ziet geen kwaad in moorden en liegen en stelen. Hij denkt dat het

goed is, of liever: hij denkt er in het geheel niet over. Hij wil het

doen. Derhalve doet hij het, en het komt nooit in hem op te vragen: "is

het goed dat ik moord of lieg of steel?" Hij onderzoekt niet of wat hij

wil doen geoorloofd is. Hij wil het doen en dat is alles waar hij om

geeft. Waartoe zou het dienen zulk een mensch te zeggen, volmaakt te

zijn zooals God volmaakt is? Hij is zelfs nog niet in staat, kwaad te

onderscheiden van goed; hoe zou hij dan volmaakt kunnen zijn?

Verstandelijke vermogens zijn in hem nog niet ontwikkeld, hij kan niet

verder tellen dan twee, hij kan geen gevolgtrekking maken, begrijpt niet

wat een gevolgtrekking is. Hij heeft geen geheugen en herinnert zich

niet wat gisteren gebeurde, noch kan hij berekenen wat morgen gebeuren

zal. Hij is in verstandelijk opzicht even dom als hij zedelijk laag

staat. Wat wilt gij met zulk een mensch doen? Hij ziet er niet uit als

"het beeld van God" en er schijnt niet veel kans dat hij volmaakt zou

worden gelijk God volmaakt is. Als hij sterft, bezit hij noch verstand,

noch zedelijk gevoel. Wat wordt er van dien mensch? Wanneer hij sterft

en een ander leven intreedt, zonder zijn lichaam, een soort van

middenleven tusschen deze aarde en den hemel, is er niet veel in hem dat

omhoog kan stijgen, want zijn ziel is zwak en onontwikkeld. Zij is nog

slechts een kiem. Hij kende het goed nog niet van het kwaad. Hij kon nog

niet denken. De ziel nu is de kracht in den mensch die denkt en het

goede onderscheidt van het kwaad en de ziel van zulk een wilde is

slechts een embryo, nog volstrekt onontwikkeld. Wanneer hij sterft en

uit het lichaam treedt, is hij in de wereld, volgende op de stoffelijke,

in de astrale wereld, waar de dierlijke aard werkelijk thuis behoort. De

dierlijke aard nu van den wilde is zeer sterk. Deze was het die hem deed

moorden en liegen en stelen, omdat de dierlijke aard sterk was en de

ziel nog zwak en jong. Wanneer hij nu na den dood deze astrale wereld

binnentreedt, terwijl de dierlijke aard in hem nog sterk is, ondervindt

hij dat hij ze daar niet meer kan bevredigen, zooals hij kon terwijl hij

in het lichaam woonde, dat hij dat soort genot dat hij op aarde vond,

daar niet verkrijgen kan, dat hij met zijn lichaam het werktuig verloren

heeft, waardoor zijn dierlijke aard zich kon uiten. Zoo leert hij,

wanneer hij uit het lichaam is getreden, dat hij de zucht naar genot van

zijn dierlijken aard op den langen duur niet kan voldoen, dat datgeen

wat hem in het lichaam genot schonk, hem daarbuiten smart geeft in

plaats van genot. Zoo leert de jonge ziel deze eerste les door

ondervinding in het aardleven en na den dood. Daarop gaat de ziel naar

de hemelsche wereld. Veel is er nog niet dat deze jonge ziel in den

hemel kan vinden, maar toch leert zij een weinig door een tijd in die

wereld te vertoeven. Toen de wilde nog op aarde leefde, gevoelde hij

wellicht eenige liefde voor vrouw of kind, en deze liefde leert hem een

nuttige les. Wanneer hij de hemelsche wereld bereikt, is die liefde nog

met hem; en hij ondervindt dat deze blijft en hem genot schenkt in die

hoogere wereld. Hij bevindt dat de weinige goede gevoelens, dat iedere

aandoening welke iets in zich had dat goed was en rein, bij hem is,

wanneer al het andere achterblijft, dat de liefde blijft wanneer alle

hartstocht is uitgestorven. Wanneer hij een tijdlang in den hemel

vertoefd heeft, en zijn liefde in de hemelsche gebieden is toegenomen in

kracht, komt het oogenblik, waarop de ziel terug moet keeren tot het

aardleven, opnieuw moet worden geboren in een lichaam, een weinig beter

dan het lichaam dat zij vroeger bezat. Want de ziel is een weinig

gegroeid en heeft een beter lichaam noodig dan het vorige dat zij

bewoonde. Zij is een weinig gegroeid, heeft geleerd een weinig meer

liefde te koesteren, heeft een weinig geleerd door hare ondervinding in

deze wereld en in de twee werelden aan gene zijde van het graf. Zij is

een weinig ouder geworden en wijzer en heeft om nieuwe ondervinding op

te doen een beter lichaam noodig, wanneer zij terugkomt. Na in dat beter

lichaam geboren te zijn, leert zij een weinig meer dan in het vorige.

Zij heeft geleerd dat stelen en moorden niet goed is, en wanneer een

leeraar of oudere bloedverwant tot het jonge kind, dat reeds deze

ondervinding heeft opgedaan, zegt: "Gij moet niet stelen, niet liegen,

niet moorden," zal deze ziel, die op aarde teruggekeerd is met de

ondervinding die zij heeft opgedaan, deze leering kunnen beantwoorden en

zeggen: "Ja, het is waar, ik moet niet stelen, niet liegen, niet

moorden, ik zie in dat dit alles verkeerd is." Waarom ziet die ziel nu

in dat het verkeerd is, terwijl zij het den vorigen keer niet inzag?

Omdat de ziel in dien tijd is gegroeid, omdat zij ondervonden heeft dat

stelen ongelukkig maakt. En deze ondervinding bot als zedelijke

eigenschap uit, wanneer de ziel in een stoffelijk lichaam wordt

weergeboren. De kinderen, die thans in ons midden ter wereld komen,

worden niet geboren zooals de volkomen onontwikkelde wilde, waarover ik

sprak, niets wetende van goed en kwaad. Zoodra gij hen onderwijst,

begrijpen zij het verschil tusschen kwaad en goed en het is gemakkelijk

hun te leeren, daar hunne zielen ouder zijn en reeds vele aardlevens

doorleefd hebben, waarin zij ondervinding hebben opgedaan en verzameld,

en die ondervinding hebben omgezet in wat wij geweten noemen, in

aangeboren begrip van goed en kwaad. Deze groei van de ziel gaat door,

leven na leven, honderde keeren, zoodat de ziel, wanneer zij in een

stoffelijk lichaam ter wereld komt, na reeds honderde levens te hebben

doorgemaakt, vele vermogens in zich heeft. Zij komt ter wereld met

zekere verstandelijke kracht, met zekeren aanleg voor kunst, met

zedelijke eigenschappen. Ieder uwer werd geboren met het vermogen te

denken, zoodat gij met vrucht kondt worden opgevoed; en misschien met

eenige artistieke kracht, met talent voor schilderen, voor

beeldhouwkunst of muziek. Gij bracht die vermogens met u, en toondet ze

reeds als kind, zoodat uw opvoeding kon worden ingericht op een wijze

die geschikt was om de vermogens die gij medebracht, te kunnen

ontwikkelen. Deze vermogens, welke de kinderen meebrengen en in

overeenstemming waarmede wij hun opvoeding behooren te regelen, hebben

zij gewonnen in herhaalde aardlevens in het verleden, en telkens

gedurende hun leven in de hemelsche wereld hebben zij die vermogens

verbeterd en doen toenemen in kracht, en bij iedere geboorte op aarde

brengen zij ze mede op een hoogeren trap van ontwikkeling dan den

vorigen keer.

Op deze wijze groeit de ziel door voortdurend herhaalde wedergeboorte

op aarde en naarmate zij groeit wordt zij meer en meer gelijk God. Na

langen, langen tijd wordt de ziel op aarde geboren als een kind met een

zeer goed karakter, misschien als genie, misschien bijna volmaakt uit

een zedelijk oogpunt. Enkele kinderen worden zoo goed geboren dat hunne

opvoeding bijzonder gemakkelijk is, onzelfzuchtig, vriendelijk en

liefdevol, anderen ter wille. In deze kinderen wonen zielen die oud

zijn, zielen die reeds vele malen op aarde geweest zijn, en geleerd

hebben onzelfzuchtig en vriendelijk te zijn en hunne medemenschen lief

te hebben, zoodat zij thans bij hun geboorte zulk een karakter toonen.

Zij behoeven niet meer te leeren wat goed is, zij weten het van de wieg

af, juist zooals andere kinderen reeds in hun prille jeugd geniën

blijken. Wanneer de ziel zulk een standpunt bereikt heeft, is het

oogenblik daar waarop haar ontwikkeling zeer kan worden versneld, het

oogenblik, waarop bijzondere leering zal komen op haren weg, waarop haar

bijzondere gelegenheden zullen worden geboden, sneller te kunnen

ontwikkelen en groeien; dan komt wat de "geestelijke geboorte" genoemd

wordt, de geboorte naar den geest waarvan Jezus sprak toen hij zeide dat

geen mensch het koninkrijk Gods kon kennen, tenzij hij was geboren naar

den geest. De menschen worden telkens en telkens geboren naar den

vleesche; zij worden slechts ééns geboren naar den geest en wanneer een

mensch geboren is naar den geest, zegt men dat de Christus in hem

geboren is. Gij zult u herinneren dat Paulus in een zijner brieven

schreef, dat de Christus geboren moest worden in de ziel; dit nu is de

groote "tweede" geboorte, die het begin is van de ontwikkeling van den

Christus in den mensch. Alle vroegere ontwikkeling heeft hem slechts

doen groeien tot een goed en knap mensch, verstandig en krachtig en

zedelijk, maar na de geestelijke geboorte wordt hij geestelijk, en

begint hij het leven te leiden van den Christus. Hij wordt vol

mededoogen voor allen, vol liefde en vol van den wil zijn medemenschen

te helpen. Hij ontwikkelt in zich den aard van den Christus, hij gevoelt

de broederschap die hem met allen verbindt, hij gevoelt dat hij één is

met alle menschen, dat zij allen leden zijn van zijn huisgezin, dat zij

allen hem na-staan, als een deel van hemzelf, een deel van zijn eigen

leven. Naarmate de Christus zich in den mensch ontwikkelt, nadert hij de

volmaking. Hij wordt meer en meer vrij van zonden, hij verkrijgt meer en

meer inzicht in alle geestelijke waarheid, hij omvat meer en meer van

het goddelijk leven en drukt dit uit in zijn leven op aarde. Dit

tijdperk in de menschelijke ontwikkeling is dat van geestelijken groei,

niet van verstandelijken of zedelijken vooruitgang. Het komt na dezen

vooruitgang en brengt de gelijkenis van God en den mensch tot volkomen

volmaking. Wanneer de mensch zóó gedurende langen tijd heeft geleefd,

vrij van zonde, terwijl hij goed doet aan ieder, allen met wie hij in

aanraking komt helpt, vol wijsheid en inzicht in alle geestelijke

waarheid, heeft hij het standpunt bereikt waarop Jezus doelde toen hij

zeide: "Weest dan gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen

is volmaakt is." Dit zou onmogelijk zijn indien de mensch niet gedurende

honderde levens tot die hoogte kon klimmen. Voor den wilde, over wien ik

u gesproken heb, zou het niet mogelijk geweest zijn, in één leven

volmaakt te worden, te worden gelijk God. Maar zonder twijfel is het

mogelijk, wanneer hij leven na leven op aarde terugkeert, leven na leven

verbetert en groeit, totdat de ziel van een klein zaadje gegroeid is tot

een machtigen boom, na talrijke eeuwen van levens. En evenals de eik

door zijne bladeren die hij ontplooit, den geheelen zomer voedsel

verzamelt, en dit voedsel uit de bladeren voert tot takken en stam, en

in den herfst de bladeren afvallen en sterven, maar de boom door het

opgenomen voedsel gegroeid is--- zoo ook zendt de menschelijke ziel een

lichaam uit, gelijk de boom zijne bladeren, en verzamelt ondervinding

door het vergankelijke lichaam, gelijk de boom door de bladeren zijn

voedsel. Al die ondervinding neemt de ziel in zich op: het lichaam

sterft wanneer zijn tijd daar is, maar de ziel groeit door de opgedane

leering en nadert de volmaking.

Dit is wat de Theosofie leert omtrent den groei der ziel, en gij hebt

gezien dat wij gekomen zijn tot de gevolgtrekking, dat de mensch

volmaakt kan worden, en de vraag zal bij u opkomen: "Wat moet de

volmaakte mensch doen met zijne volmaking?"

Hij moet zijn medemenschen helpen. Zij die volmaakt zijn geworden zijn

degenen die wij Meesters noemen. Zij zijn de Leeraars der groote

godsdiensten, zij zijn het die tot de wereld komen om den menschen te

leeren hoe te leven, hoe sneller te groeien. Zelf volmaakt geworden,

blijven zij anderen leeren hoe de volmaking te bereiken. Jezus, die

zelf volmaakt is, bleef op aarde ten einde den menschen te leeren hoe

zij volmaakt konden worden en gelijk aan Hemzelf. En de Theosofie leert

dat deze volmaakte menschen nog heden bereikt kunnen worden. Zij zijn

niet ver weg in den hemel, maar hier op aarde. En wij kunnen hen vinden,

indien wij den juisten weg inslaan; en de eenige weg om hen te vinden is

te trachten hun gelijk te worden. Misschien hebt gij wel eens in de

geschriften van de heiligen der Christelijke kerk gelezen, hoe Jezus tot

hen kwam en hun leerde; en dan hebt gij steeds gedacht dat dit droomen

waren of verzinsels. Toch is dit niet het geval. Wat zij schreven is

letterlijk waar, en het zou ook voor ons waar kunnen zijn zooals het

waar was voor hen, want gij kunt een heilige worden zoo goed als ieder

ander mensch, die leefde in de middeleeuwen of in de eerste eeuwen der

Christelijke kerk. Waarom zouden niet de tegenwoordige Christenen heilig

worden kunnen gelijk die van vroeger, waarom zouden zij den Christus

niet kennen zooals Hij gekend werd in de vroegste tijden der kerk,

waarom zouden zij niet in staat zijn Hem te spreken en van Hem te

leeren, zooals de menschen in die oude dagen deden, toen Hij leefde

onder de menschen en zooals zij het nog deden, vier of vijf eeuwen

daarna? De ziel der menschen is thans niet zwakker dan toen, de ziel der

menschen is in staat nog heden te doen, wat zij toen in staat was te

volbrengen. Het is slechts de kennis die u ontbreekt, hoe het te doen en

den krachtigen wil, welke u moed tot volharden kan geven. De Theosofie

is dáár om u de kennis te geven van den weg, waarlangs wij de groote

Leeraars kunnen bereiken, en met die kennis geeft zij ons den moed en

den wil en het geduld tot volharden.

Veel van wat ik u hedenavond heb gezegd zal voor sommigen uwer nieuw

schijnen en vreemd. Toch is het niet nieuw maar over-oud, zóó oud dat de

menschen het hebben vergeten; en niet vreemd, zooals gij bij nadere

studie zult vinden. Ik heb u hedenavond niets gezegd, dat ik niet _weet_

dat waar is en de weg dien ik gevolgd heb om tot weten te komen, is de

weg dien de Theosofie aanwijst. Door het volgen van hare voorschriften

ben ik in staat geweest hetzelfde te doen wat in de Christelijke kerk

gedaan werd, vele eeuwen geleden, en wat in alle andere godsdiensten

mogelijk is geweest, lang voordat het Christendom was gesticht. Al deze

dingen zijn altijd bekend geweest, deze weg is altijd betreden door de

weinigen; en zij die hem betraden waren de menschen, die de waarheden

van den godsdienst wisten door eigen waarneming--niet uit de tweede

hand. Het doel der Theosofische Vereeniging is, u te helpen in het

verkrijgen van eerste-hands kennis en hoewel de dingen die ik u gezegd

heb misschien onbekend mogen wezen en schijnen onmogelijk te kunnen

worden bewezen, kunnen zij alle bewezen worden door ieder uwer die

begeert te onderzoeken, en zich dezelfde moeite wil geven, welke door

sommigen onzer is gedaan. Dan zult gij de werkelijkheid der

wedergeboorte op aarde weten, niet slechts gelooven, dan zult gij de

wijze kennen, waarop de ziel langzamerhand groeit tot volmaking, dan

zult gij weten dat deze Leeraars nog levende menschen zijn en nog steeds

leering geven willen aan leerlingen die tot hen komen. De Theosofie is

inderdaad een studie. Ik vraag u niet haar te gelooven, ik vraag u niet

haar aan te nemen zonder begrijpen, ik vraag u slechts te onderzoeken,

zooals ik onderzocht heb. Gij kunt tot weten komen zooals ik ben gekomen

tot weten. En ik weet, dat wanneer al deze dingen voor ons eerste-hands

kennis worden, niets in de wereld ons meer werkelijk ongelukkig kan

maken. De moeiten en zorgen, welke zoo vele menschen kwellen, worden ons

niets, zelfs de dood, die scheiding te maken schijnt tusschen de

menschen, kan voor ons geen scheiding meer brengen wanneer wij deze

waarheden voor ons zelf bevestigd weten, omdat wij dan den sluier des

doods kunnen oplichten, en de menschen aan de andere zijde kennen, even

gemakkelijk als gij ze hier kent op aarde; zoodat de Theosofie u met de

gelegenheid om deze dingen te onderzoeken de mogelijkheid biedt van

grooter geluk dan den meesten menschen ten deel valt, van kennis die u

sterk zal maken en krachtig, van een leven vol vrede en rust. Dàt is de

uitkomst van Theosofisch onderzoek, dàt is het gevolg van het streven

tot weten te komen, en mijn doel voor hedenavond was, eenigen van u te

brengen tot diepere studie, opdat gij moogt komen tot de kennis der

waarheid. En wanneer gij dan tot die kennis gekomen zult zijn, zult gij

terugzien tot dezen avond en zeggen: Toen was het dat ik voor het eerst

de leeringen der Theosofie vernam, waarvan de kennis in mijn geheele

leven verandering heeft gebracht. Toen was het dat ik den grootsten

schat vond, welken ik ooit heb gekend; want ik vond de kennis van God,

die het eeuwige leven is, zonder welke het leven arm is en beperkt, met

welke het leven oneindig wordt, vol van vreugde en vrede.

#Esoterisch Christendom#

Sommigen die niets weten van de Theosofische leeringen beschouwen de

Theosofie als vijandig gezind jegens het Christendom. Zij denken dat

iemand wanneer hij Theosoof wordt moet ophouden Christen te zijn. En

wanneér zij vernemen dat de Theosofie zich in een land verspreidt, nemen

zij als van zelf sprekend aan dat in dat land een nieuwe beweging tegen

het Christendom is ontstaan, een beweging waarvoor geen Christen

sympathie kan gevoeien. Deze zienswijze nu is geheel en al verkeerd. Hoe

zou het mogelijk zijn dat de grondslag van alle godsdiensten de vijand

was van eenigen godsdienst? Daar zij komt om het godsdienstig gevoel te

versterken door kennis, kan de Theosofie niet ten doel hebben het geloof

te ondermijnen, of te trachten het godsdienstig gevoel der menschen te

doen wankelen. Integendeel: waar zij komt tot de menschen, vraagt zij

hun niet hunnen godsdienst te verlaten, maar zij vraagt hun te pogen

dien godsdienst te doorgronden in zijn diepere en meer geestelijke

beteekenis. Zij komt tot den godsdienst om hem terug te geven wat hij in

den loop der eeuwen heeft verloren, zij komt om de kennis terug te

brengen, welke langzamerhand uit zijn gebied is geweken, zij komt om de

zinnebeelden en riten van den godsdienst begrijpelijk te maken en aan

hen wier geloof was geschokt door de aanvallen van het ongeloof een

hechten en zekeren grondslag te schenken waarop hun geloof rusten kan,

verheven boven de mogelijkheid van eenigen aanval, bekroond met goed

gevolg.

Wanneer ik dan hedenavond u toespreek uit naam der Theosofie, spreek ik

als iemand die het Christendom beschouwt als één van de groote

godsdiensten der wereld, die gelooft dat het in zich alles bevat wat

noodzakelijk is voor den groei der menschelijke ziel, maar die tevens

meent dat het algemeen verspreide Christendom van tegenwoordig zeer veel

verloren heeft van wat het oorspronkelijk Christendom bezat, als iemand

die gelooft dat het mogelijk is aan de kerk dat diepere, geestelijker

inzicht in den godsdienst terug te geven, dat in den tegenwoordigen tijd

uit het weten der Christenen verdwenen is.

Reeds de naam van deze voordracht "esoterisch of innerlijk Christendom"

zal waarschijnlijk door vele Christenen verworpen worden. Weinigen onder

de hedendaagsche Christenen willen toegeven dat er een esoterisch

Christendom bestaat, ja zelfs hoort men Christenen er zich dikwijls op

beroemen dat hùn godsdienst ten minste niets heeft dat teruggehouden en

verborgen is. Dikwijls hoort men zeggen: de Christelijke godsdienst is

zóó eenvoudig dat zelfs een kind, dat de meest onontwikkelde hem kan

begrijpen en ik heb soms Christenen ontmoet die verontwaardigd werden

over het denkbeeld, dat er in verband met hun geloof eenige kennis zou

bestaan, welke teruggehouden wordt van den onwetende, welke niet

openlijk aan de wereld wordt verkondigd, kennis zoo moeilijk te

omvatten, dat de gewone menigte niet in staat zou zijn haar te

begrijpen. En toch is het duidelijk dat als het waar is dat het

Christendom niets anders te leeren heeft dan wat begrepen kan worden

door het kind en door den onopgevoeden mensch, dit de erkenning in zich

zou sluiten, dat het Christendom niet de waarheid bezit, dat het niet

voldoende is voor den wijsgeer en den wijze. Want gij kunt het verstand

van den wijsgeer niet tevreden stellen met dezelfde opvattingen welke

voldoende zijn voor het kind en den polderwerker. Men kan niet

verwachten dat de man van de wetenschap, de hoogontwikkelde denker,

tevreden zal blijven met de enge en ruwe opvattingen, welke voor den

onwetende niet slechts voldoende zijn, maar die voor hem veel meer

geschikt zijn dan de verklaringen van den verheven wijsgeer. Neem

bijvoorbeeld het begrip "God". Voor een kind moet gij van God een

konkreet denkbeeld geven, anders kan het kind het niet bevatten. Indien

gij tot hem spreekt in de taal der metafysika, indien gij tot hem

spreekt over het absolute, het oneindige, indien gij hem vertelt van een

oneindig leven, dat de geheele ruimte doordringt en de tallooze zonnen

welke zich in het heelal bewegen in wezen houdt, indien gij hem zulk een

beschrijving van de Godheid geeft, zult gij het kind slechts in

verwarring brengen en geenerlei opvatting, welke door hem kan worden

bevat, zal zijn ongeoefend brein bereiken door uw wijsgeenge taal. Zal

het kind eenig denkbeeld krijgen van God dan moet de opvatting van het

goddelijke tot hem komen in een gewone, menschelijke gedaante. Gij kunt

hem leeren van een Vader, die teeder is en liefhebbend, want dit geeft

hem een denkbeeld dat hem reeds bekend is door de liefde van zijn eigen

vader. Gij kunt hem vertellen van den mensch Jezus, vol liefde en

mededoogen; dit geeft hem het denkbeeld van een vriend, sterker en ouder

dan hij zelf, die hem lief heeft en beschermt. Zóó kan het kind eenig

denkbeeld ontvangen van God. Het goddelijke moet menschelijk worden

gemaakt, het oneindige moet worden beperkt; slechts zóó kan het

kinderhart worden bevredigd. Maar wanneer gij staat tegenover den

wijsgeer, die onmiddellijk de bezwaren inziet welke er zijn tegen de

beperking van het goddelijke binnen den menschelijken vorm, wanneer gij

staat tegenover een man van de wetenschap die zich den God dien hij

aanbidt denkt als een Leven dat de gansche ruimte doordringt, dat alle

zonnen en planeten beheerscht, dat tegelijk het leven is van het heelal

en het leven van het kleinste wezentje dat bestaat, voor wien de

beperking in den menschelijken vorm godslastering wordt en

bespotting--wanneer gij dan nog blijft bij de opvatting van het kind,

zal de wijsgeer, de man van de wetenschap agnostisch worden of atheïst.

De erkenning van de waarheid, dat het godsbegrip moet beantwoorden aan

de beperkingen van het menschelijk verstand, dat het denkbeeld dat de

mensch van God heeft verschillend moet zijn naar gelang van de kracht

van zijn verstand, naar den aard zijner aandoeningen, naar de diepte van

zijn inzicht,--de erkenning van deze waarheid maakt het voor alle

menschen mogelijk, God te aanbidden, want ieder mensch, hetzij onwetend

of geleerd, ontvangt dan van de goddelijke kennis juist zooveel als hij

in staat is op te nemen in hoofd en hart. Ieder mensch houdt als het

ware het vat zijner eigene ziel tot God omhoog. Is de ziel klein en

beperkt, dan kan zij slechts weinig van de goddelijke kennis bevatten;

indien de ziel groot is en ontwikkeld, kan zij meer bevatten van het

goddelijk leven. Klein waarlijk in vergelijking met dien machtigen

oceaan is het grootste verstand, de grootste wijsheid des menschen, maar

toch heeft dit verstand het recht een opvatting te eischen, die noch te

hoog is noch te laag, en slechts door een esoterischen godsdienst kunnen

de ontwikkelden en wijzen gehouden worden binnen de grenzen der kerk.

Dit is in het verleden altijd bekend geweest. Geen godsdienst der

oudheid gaf aan alle menschen leering in denzelfden vorm. Onder de

Hindoes, de Chineezen, de Boeddhisten, de Egyptenaren, de Grieken,

overal vindt gij verschil van leering voor de menigte der

onontwikkelden, en de kleine minderheid der ontwikkelden. Toen het

Christendom aan de wereld werd gegeven, toen Jezus kwam als een

boodschapper der waarheid en de stichter van een nieuwen vorm van

godsdienst, trad hij in de voetstappen zijner voorgangers en verdeelde

zijn leer in twee deelen, het eene voor de menigte, het andere voor de

verlichten. Ik wensch u van deze bewering het bewijs te leveren door een

aantal bewijsgronden, wier gewicht gij voor u zelf kunt schatten. Ik zal

u aantoonen, eerstens uit de woorden van Jezus zelf, dat hij die

onderscheiding maakte; dan uit de woorden zijner apostelen dat ook zij

die verdeeling erkenden, vervolgens dat die apostelen ze overdroegen

aan het geslacht dat na hen kwam, en eindelijk dat diezelfde verdeeling

der leeringen in tweeën door de bisschoppen en kerkvaders werd

gehandhaafd. Wij hebben dus vier stappen te doen in de vroegste

geschiedenis der kerk. Wij moeten de gezegden van Jezus zelf, die zijner

apostelen, die van degenen die door de apostelen als leeraars werden

uitverkoren, en die van de bisschoppen en kerkvaders in de eerste vijf

eeuwen der geschiedenis van het Christendom beschouwen. Over deze vijf

honderd jaren strekken zich de verklaringen uit, die ik u zal aanhalen

als bewijsgronden voor het feit dat er in die eeuwen een esoterisch

Christendom bestond, evengoed als een exoterisch, dat er een bijzonder

onderwijs was voor de ingewijden, evengoed als een openbare leering voor

de menigte der geloovigen. Na deze eerste reeks bewijsgronden, de

geschiedkundige, zal ik een bewijsvoering leveren van anderen aard, en

wel deze: dat zij die thans esoterische kennis bezitten, beter in staat

zijn de Christelijke leeringen uit te leggen dan zij die deze kennis

niet bezitten, en beter de beteekenis begrijpen van de vele verklaringen

in het Nieuwe Testament, welke de gewone kerkleeraars niet in staat zijn

uit te leggen, verklaringen, die de hedendaagsche kerk dikwijls heeft

uitgelegd op een wijze, welke in strijd is met het geweten, zoodat die

uitleggingen der kerk vele menschen uit het Christendom drijven, en van

velen onder hen die slechts de exoterische verklaring ontvangen, het

verstand beleedigen en het geweten in opstand brengen. Het gevolg

hiervan is dat zij de kerk verlaten en onverschillig worden voor het

Christendom, een groot verlies voor henzelf, daar zij hun geloof moeten

opgeven, een groot verlies voor de kerk, want op deze wijze gaan de

meest ontwikkelden verloren, en wordt de invloed van het geloof op de

menigte verzwakt.

Wij zullen thans de verschillende bewijsgronden in volgorde aanvoeren en

beginnen met de geschiedkundige, in de eerste plaats met de woorden van

Jezus zelf.

Toen de discipelen tot Jezus kwamen en hem vroegen naar de gelijkenissen

welke hij tot de menigte gesproken had, gaf hij hun dit merkwaardige

antwoord: "Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het

koninkrijk Gods, maar dengenen die buiten zijn, geschieden al deze

dingen door gelijkenissen." [Voetnoot: Marcus 4,11.] En verder: "Zonder

gelijkenis sprak hij tot hen niet." [Voetnoot: Marcus 4,34.] Wij vinden

hier den toestand duidelijk verklaard. Tot de menigte sprak Jezus

slechts in gelijkenissen, in allegoriën, in verhalen in den vorm van een

fabel, welke hun zedelijke leering gaf; maar zijnen discipelen gaf hij

de uitlegging der gelijkenissen, verklaarde hij de verborgenheid van het

koninkrijk Gods, en ik verzoek u deze onderscheiding, door Jezus

gemaakt, goed in het oog te houden, omdat wij haar straks door de

kerkvaders aangehaald zullen vinden ter rechtvaardiging van de

handelwijze der kerk in hun eigen tijd.

Jezus zeide eens tot de discipelen: "Geeft het heilige den honden

niet." [Voetnoot: Mattheüs 7,6.] Het woord "hond" nu had bij de Joden

een zeer bepaalde beteekenis. Het duidde iedereen aan, die geen Jood was

en gij herinnert u dat toen een Kananeesche vrouw tot Jezus kwam om hulp

te vragen, hij ten antwoord gaf: "Het is niet betamelijk, het brood der

kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen." [Voetnoot: Mattheüs

15,26.] En zij nam zonder morren die benaming aan en zeide slechts: "Ja

Heer, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die er vallen van de

tafel hunner heeren." Dit woord van Jezus: "Geeft het heilige den honden

niet" is niet anders dan een bevel, niet het innerlijke te geven aan hen

die buiten de groep der uitverkorenen stonden. Voor deze laatsten alleen

moest het heilige worden bewaard. De apostelen, die het evangelie van

Jezus buiten de Joden verspreidden, erkenden evenzoo een aantal

uitverkorenen, dat waren zij die in de kerk in de mysteriën waren

ingewijd, terwijl zij die buiten de mysteriën stonden profanen werden

genoemd. Het woord profaan werd in de oudheid gewoonlijk gebruikt om

deze menschen aan te duiden en wanneer wij overgaan tot de tweede soort

van geschriften, waarvan ik u gesproken heb, tot de geschriften der

apostelen, vinden wij dat Paulus het onderscheid, door Jezus gemaakt,

behield en het toepaste op zijn eigene bekeerlingen. Zoo schreef hij aan

de Corinthiërs, die als Christenen waren gedoopt, die hadden deelgenomen

aan het Heilige Avondmaal, die lidmaten der kerk waren, zooals wij

zeggen zouden: "En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot

geestelijken, maar als tot vleeschelijken, als tot jonge kinderen in

Christus. Want gij zijt nog vleeschelijk." [Voetnoot: I Corinthiërs

3,1-3.] En elders zegt hij: "En wij spreken wijsheid onder de

volmaakten." [Voetnoot: I Corinthiërs 2,6.] Paulus maakte dus hetzelfde

onderscheid als de Meester: voor hen die vleeschelijk waren, voor de

jonge kinderen in Christus, sprak hij zonder geestelijke wijsheid; die

wijsheid werd slechts gegeven aan de volmaakten, dat is, aan hen die

ingewijd waren in de mysteriën der kerk. Want deze uitdrukking "de

volmaakten" is het oude woord voor de ingewijden; zij moesten volmaakt

zijn in het uiterlijke leven, voordat zij werden toegelaten tot de

kennis der mysteriën van Jezus. Vervolgens vinden wij dat Paulus aan

Timotheüs, dien hij wijdde tot bisschop der kerk, beval op zijn beurt

uit de geloovigen diegenen te kiezen, die in staat zouden zijn meer te

leeren en dat hij aan dezen het Woord moest mededeelen, dat hij zelf had

ontvangen voor vele getuigen. Hier hebben wij weer een uitdrukking die

in de oudheid veel werd gebruikt: "het Woord," het Woord dat gegeven

werd voor vele getuigen. Wat is dat Woord, dat Paulus gaf aan Timotheüs,

in tegenwoordigheid van vele getuigen en dat hij hem beval over te geven

aan hen die het waardig zouden zijn? Dit Woord, gesproken voor vele

getuigen, is de geheime leering der mysteriën, welke nooit op schrift is

gesteld, welke nooit werd gegeven in eenigen vorm, waarin zij kon worden

verraden, maar altijd slechts gesproken werd van mond tot oor, van

leeraar tot leerling, in tegenwoordigheid van vele getuigen, die konden

instaan voor de nauwkeurigheid der ongeschreven overlevering, die konden

getuigen dat de leeraar het Woord goed had overgebracht, dat hem

gegeven was om aan anderen over te leveren. Het Woord, door Timotheüs

van Paulus ontvangen in tegenwoordigheid van vele getuigen, is het

esoterisch Christendom, mondeling geleerd aan hen die waardig waren zelf

leeraars te worden.

Wij hebben gezien, eerstens hoe Jezus zelf de mysteriën slechts leerde

aan enkele leerlingen, en tot de menigte sprak in gelijkenissen,

vervolgens hoe Paulus als apostel op dezelfde wijze te werk ging en aan

Timotheüs beval het Woord op zijne beurt verder te geven, zoodat wij

thans in de derde plaats komen tot de latere bisschoppen en kerkvaders,

die verklaren dat zij de geheime leering hadden ontvangen en ze op hunne

beurt hadden over te leveren aan hen die zich daartoe waardig toonden.

Tot nog toe heb ik slechts aanhalingen gedaan uit het Nieuwe Testament

dat naar ik veronderstel ieder uwer bekend zal zijn. Thans zal ik eenige

schrijvers aanhalen uit de vroegste geschiedenis der kerk, die u

misschien niet bekend zullen zijn, maar die gij toch ook zelf lezen

kunt, hetzij in het Latijn of het Grieksch, zoo gij die talen verstaat,

of anders in uw eigene taal overgezet. De kennis van de geschriften der

oude kerkvaders is noodig voor ieder die als prediker van het

Christendom optreedt. Zonder die kennis is hij niet geschikt zich

leeraar van het Christendom te noemen.

Een van die bisschoppen nu was Clemens van Alexandrie, een der meest

geleerde en wijze mannen der Christelijke kerk, die het aanzien der kerk

heeft verhoogd door de zuiverheid van zijn leven, door de diepte zijner

wijsheid. Terecht heeft de dankbare kerk hem in latere dagen als een

heilige beschouwd. Groot is het aantal geschriften dat hij heeft

nagelaten tot leering der Christenen. In een van deze geschriften

spreekt hij over de kennis, die door de kerk was overgeleverd van den

tijd van Jezus tot op zijn tijd toe, het onderricht dat Jezus gaf aan

zijn apostelen, en dat na hem van geslacht op geslacht was overgegaan.

Hij zegt: "Deze leering werd van den beginne af slechts gesproken tot

hen die begrijpen. De ongeschreven uitlegging der geschrevene woorden,

die door den Heiland aan de apostelen gegeven werd, is tot ons

overgeleverd." [Voetnoot: Stromata 6,15.] Hier hebben wij de getuigenis

van een der bisschoppen van de oude kerk, dat er een onderricht van

Jezus was, niet geschreven, maar door Jezus gegeven aan de apostelen, en

door de kerk bewaard als een ongeschreven overlevering. Dezelfde

getuigenis geeft Origenes, een ander kerkvader. Hij zegt dat Jezus met

zijne discipelen in het bijzonder sprak over het evangelie Gods, dat de

woorden welke hij sprak niet werden bewaard in geschrifte, en dat zij de

verklaring vormden der gelijkenissen. Slechts zij ontvingen die leering,

die waardig waren haar te ontvangen; hij zegt dat allen die deze leering

zullen ontvangen, in bewondering zullen staan over hare wijsheid. Maar

er is nog meer: dezelfde Clemens, die spreekt over de ongeschreven

leering van Jezus, vertelt ons ook dat hij zelf in zijn openbare

prediking slechts zwakke, onvolmaakte beelden kon geven, maar dat zij

die geslagen waren met den thyrsus, de beteekenis ervan zouden

begrijpen. Geslagen te zijn met den thyrsus nu beteekent te zijn

ingewijd, want de thyrsus was een roede, die bij de inwijding gebruikt

werd, bij welke gelegenheid de persoon die ingewijd werd in trance werd

gebracht, om de ziel te bevrijden van het lichaam. Wanneer de kandidaat

voor de inwijding voor den leeraar was gebracht, ontving hij eerst door

mondelinge leering de kennis, waarvan ik reeds gesproken heb en daarna

werd hij geslagen met de roede, welke als voertuig diende voor

magnetische krachten, welke in den kandidaat de innerlijke krachten der

ziel deden ontwaken, en de ziel in staat stelden zich vrij te maken van

het lichaam en zoo hoogere leering te ontvangen in de onzichtbare

wereld, vrij van den last van het lichaam. Deze uitdrukking nu:

"Geslagen met de roede" beteekent ingewijd in de mysteriën. Clemens

vertelt ons hiervan nog iets meer, licht een hoekje van den sluier op,

en ontdekt ons een weinig van wat daarachter verborgen is. Hij deelt ons

de voorwaarden mede waaronder de mensch de inwijding kan ontvangen, en

de eerste woorden welke door den leeraar bij het begin van de

inwijdingsplechtigheid werden gesproken. Hij vertelt ons dat uit de

lidmaten der kerk, uit hen die gedoopt waren en aan het Heilige

Avondmaal hadden deelgenomen, dat uit die velen zeer weinigen werden

gekozen: "velen zijn geroepen", zegt hij, de woorden van Jezus

aanhalende, "maar weinigen uitverkoren." Hij zegt verder van die

uitverkorenen: wie vrij is, niet slechts van alle laagheid, maar ook van

wat de menschen als geringere zonden beschouwen, slechts hij kan worden

ingewijd in de mysteriën van Jezus, welke alleen door de heiligen en

reinen worden gekend. Daarna deelt hij de eerste woorden mede, welke bij

de inwijding gesproken werden: Hij die als inwijder optreedt,

overeenkomstig de voorschriften van Jezus, zal zeggen tot hen die rein

zijn van harte: "Hij wiens ziel zich gedurende langen tijd van geen

kwaad bewust is, en in het bijzonder sinds hij zich overgaf aan de

weldoende kracht van het Woord, laat de zoodanige hooren de leering,

door Jezus in het geheim gesproken tot zijn waarachtige leerlingen."

[Voetnoot: Contra Celsum 3,40.] Dit waren de eerste woorden, gesproken

bij de Christelijke inwijdingsplechtigheid, dit was de eerste zin, door

den hierophant tot den kandidaat gericht. Het verdere kan Clemens niet

aanhalen, want dan begint de leering welke slechts gegeven kon worden in

de mysteriën. Deze eerste woorden echter stellen de voorwaarde van

reinheid en roepen den kandidaat op om te luisteren naar de leering,

door Jezus in het geheim aan zijne leerlingen gegeven.

Wat is er thans geworden van die leering? Wat heeft de kerk gedaan met

deze heiligste nalatenschap van den Christus? Waar wordt nu het

onderricht gevonden, dat Jezus zijnen leerlingen in het geheim gaf? Waar

zijn nu de mysteriën van Jezus, en degenen die den kandidaat zouden

kunnen inwijden in de kennis, die aan de vroegere Christenen werd

meegedeeld? Is de kerk trouweloos geweest in het bewaren van haren

schat? Heeft zij de overlevering verloren, en ook degenen aan wie deze

was toevertrouwd? Indien dit waar is, geen wonder dan dat de

ongeloovige instaat is het geloof der Christenen te doen wankelen, geen

wonder dan dat honderden van de meest ontwikkelde menschen worden

gevonden buiten de grenzen der Christelijke kerk.

Is het mogelijk die verloren kennis te herwinnen? Is het mogelijk deze

leering weer te vinden, nu ze verdwenen is uit den schoot der kerk? Ja,

die leering is nooit werkelijk verloren gegaan, de kennis van de

mysteriën is nooit geheel en al verdwenen. Zij is bewaard door Jezus

zelf en door zijn trouwe leerlingen, en die leerlingen zijn nooit geheel

en al van de aarde verdwenen. Hier en daar werd er altijd nog een

gevonden, die de duisternis om zich verlichtte, een heilige, stralend

als een ster aan den donkeren hemel, in het bezit van eerste-hands

kennis, de kennis van de oude mysteriën van Jezus. Nu en dan verscheen

zulk een leerling in den schoot der Christelijke kerk, ingewijd en

onderwezen gelijk voorheen, evenals de Christenen van vroeger, in het

bezit van onmiddellijke leering, welke hem in staat stelde als leeraar

op te treden. En hiertoe zijn slechts zij in staat, die zelf de

onmiddellijke leerlingen zijn van de Meesters. Sedert de overlevering

van haar bestaan uit de kerk verdwenen is, wordt de geheime leering nog

altijd overgedragen van den een op den ander, zoo vaak er iemand

gevonden wordt die waardig is ze te ontvangen. En met die leering gaat

samen het vermogen om wat men verkeerdelijk "wonderen" noemt te

verrichten, het gebruiken van natuurkrachten, welke de gewone menschen

niet kennen. Gij zult u herinneren hoe Jezus gezegd heeft dat zekere

teekenen hen zouden vergezellen, die geloofden; dat zij vergif zouden

drinken zonder dat het hun schaadde, dat zij door handoplegging zieken

zouden genezen; aan deze teekenen, zeide hij, zouden waarlijk geloovigen

worden herkend.

Hoevele Christenen vertoonen thans deze teekenen van het levend geloof?

In welke mate zijn die krachten in het bezit der Christenleeraars van

onze hedendaagsche kerk? Hier en daar in de middeleeuwen vinden wij er

nog sporen van, zooals de wonderen, verricht door Franciscus van Assisi

en Elisabeth van Hongarije, wonderen, niet in den zin van een schending

der natuurwetten, want zulk een schending is onmogelijk, maar wonderen,

mogelijk gemaakt door de kennis eener hoogere wet, welke op lagere

gebieden niet kan worden ontdekt, door gebruik te maken van geestelijke

krachten welker werking de groote menigte der menschen niet kent.

In den aanvang van deze voordracht sprak ik u nog van een ander soort

van bewijs dat kon worden gegeven om het bestaan van de esoterische

kennis aan te toonen. Voor hen toch die deze kennis bezitten is het

mogelijk de duistere en moeilijke plaatsen in de Schrift te begrijpen en

te verklaren, plaatsen welke altijd struikelblokken zijn geweest voor

den Christen, maar toch voor een eenvoudige verklaring vatbaar zijn,

wanneer men slechts den esoterischen kant der godsdienstige leering

onderzocht heeft. Laten wij bijvoorbeeld enkele plaatsen nemen uit het

Nieuwe Testament, welke moeilijk zijn te begrijpen en waarin de

hedendaagsche Christenen niet gelooven, en die altijd weggeredeneerd

worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van den jongeling, die tot Jezus

kwam en hem vroeg hoe hij het eeuwige leven beërven kon. Het eerste

antwoord dat Jezus hem gaf was het exoterische. "Gij weet de geboden".

Dit is juist wat thans de predikant zou zeggen tot iemand, die hem kwam

vragen hoe hij het eeuwige leven zou kunnen verkrijgen. Zijn antwoord

zou wezen: "leid een goed leven op aarde". Dit was ook het eerste

antwoord dat Jezus gaf, maar de jongeling was hiermede niet tevreden.

Hij wist dat dit slechts het exoterische antwoord was, niet het diepere

dat hij zocht. Het wees hem den weg niet dien hij wenschte te vinden.

Daarom antwoordde hij: "Meester, deze dingen heb ik onderhouden van

mijne jonkheid af". Dit is het antwoord dat ieder moet kunnen geven, die

naar de diepere wijsheid verlangt. Aan de uiterlijke wet moet zijn

voldaan, voordat de innerlijke leering kan worden verkregen. Toen gaf

Jezus een ander antwoord: "Eén ding ontbreekt u, ga henen, verkoop al

wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den

hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij". Toen ging de

jonge man treurig heen, want hij had vele goederen; en Jezus wendde zich

tot zijne discipelen, die alles verlaten hadden om hem te volgen, en

sprak: "Het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan

dat een rijke in het koninkrijk Gods inga." [Voetnoot: Marcus 10,

17-26.]

Hoe dikwijls worden tegenwoordig deze laatste woorden weggeredeneerd.

Hoe vele predikers hebben er over gepreekt en ze van hun beteekenis

beroofd. Hoe dikwijls hebt gij misschien in uwe jeugd aan uw leeraar

gevraagd, gelijk ik het mijn leermeester vroeg: "wat beteekenen toch die

woorden? Is het waar dat een rijke niet gemakkelijker het koninkrijk

Gods binnengaan kan dan een kemel kan gaan door het oog eener naald?"

Maar mijn leermeester redeneerde de moeilijkheid weg en zeide mij dat

het beteekent dat een rijke even goed als een arme het eeuwige leven kan

verwerven, dat het iets anders beteekent dan het zegt, dat het

betrekking heeft op een poort in Jeruzalem waar een kameel slechts

onbeladen door kon gaan; en dat het wilde zeggen dat een rijke vele

moeilijkheden heeft en aan vele verleidingen blootstaat, maar niet dat

hij in het geheel niet zou kunnen binnengaan in het koninkrijk Gods. De

groote menigte der Christenen schijnt het ook niet op te vatten in den

zin, zooals het door Jezus is gezegd, want overal ziet gij de menschen

hard werken om rijkdommen te verwerven, en als zij dachten dat zij

daardoor het eeuwige leven zouden verliezen, zouden zij wel niet zoo

hard werken om in de hel te komen; zoodat wij vrij zeker kunnen zijn dat

zij in woorden van Jezus als de aangehaalde volstrekt niet gelooven. Dit

is het noodzakelijk gevolg van het verloren gaan der esoterische kennis.

Wat is de beteekenis van deze uitdrukking: "het koninkrijk Gods?" Zij

wordt altijd gebruikt voor "inwijding in de mysteriën". Zij die willen

binnengaan in het koninkrijk Gods moeten volmaakt worden, niet zooals de

mensch van de wereld, die na den dood in den hemel komt, om na verloop

van tijd terug te komen, meer te leeren en meer ondervinding op te

doen,--het eeuwige leven is niet het vertoeven in een voorbijgaanden

hemel, het is de kennis van God, het is de vereeniging met de Godheid

zelf. En die kennis van God die het eeuwige leven is, is het koninkrijk

Gods, waarin slechts de volmaakte kan binnengaan. En het is altijd een

vaste wet geweest dat ieder mensch, voordat hij wordt ingewijd, alles

moet afstaan wat hij bezit, dat hij niets meer als zijn eigendom

beschouwen moet, wat in de oogen der wereld het zijne is. De gelofte van

armoede is altijd de gelofte van den ingewijde geweest; niemand kan

inwijding bereiken die niet deze gelofte doet in haar wijdste

beteekenis: niet slechts wat zijn aardsche goederen aangaat, maar

aangaande alles wat hij bezit, zij het rijkdom van verstand of rijkdom

van hart of rijkdom der aarde. Hij staat ze alle af en deelt ze met de

wereld, hij beschouwt ze niet langer als de zijne. Indien geld in zijne

handen komt, is het niet het zijne, moet het niet worden gebruikt voor

zijn persoonlijke behoeften: het behoort aan het werk van zijn Meester.

Hij bezit niets dat hij voor zichzelf gebruiken kan. Indien hij kennis

bezit is die niet de zijne, maar hij bezit die om de wereld te

onderwijzen. Hij bezit zijne kennis slechts om ze te kunnen geven aan

anderen; hij heeft geen rechten, hij kent slechts plichten jegens de

menschheid. Voor zichzelf kent hij geen rechten van eenigen aard. Hij

staat alles af wat het zijne is. En toen Jezus zeide dat hij die

volmaakt wil worden alles verkoopen moet wat hij heeft en hem volgen,

zeide hij slechts wat iedere Meester zegt tot den leerling die

inwijding bereiken wil: "Gij moet alles afstaan wat gij bezit, gij moet

u ontdoen van al wat gij hebt." Een harde voorwaarde, zeker: hard voor

hem wiens hart nog hangt aan de wereld, hard voor hem die nog geeft om

de schatten der aarde; maar licht voor hem die het hoogere leven zoekt,

die naar diepere wijsheid verlangt, die het lagere leven wil opofferen

om het hoogere te vinden, die het vleesch wil kruisigen opdat hij in God

met Christus vereenigd kan zijn.

Wij zullen thans een tweede spreuk van Jezus nemen: "Wijd is de poort en

breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door

dezelve ingaan; want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven

leidt, en weinigen zijn er die dezelve vinden." [Voetnoot: Mattheüs

7,13.] Hoevele liefhebbende harten treuren over deze woorden, van

hoevele vrome Christenen breekt het hart bij het denken aan deze woorden

van Jezus. Weinigen die binnentreden, velen die ten verderve gaan,

weinigen die redding vinden, velen die den breeden weg, weinigen die het

smalle pad volgen! Wat is de beteekenis van deze woorden? Zij zeggen

hetzelfde wat Jezus bedoelde toen hij sprak tot den jongeling. De breede

en gemakkelijke weg is de gewone weg van de menschen der wereld, die

leidt van geboorte naar dood, van dood naar geboorte, van geboorte weer

terug naar den dood, door steeds herhaalden kringloop van dood en

geboorte. Zulk een leven is dood, niet leven, in de oogen van den

verlichte. De weg welke tot het leven leidt is de weg welke van

wedergeboorte bevrijdt, is het pad der inwijding, dat leidt tot dien

tempel Gods, welken niemand verlaat, nadat hij hem is binnengetreden.

Weinigen inderdaad zijn er op het tegenwoordig standpunt van de

ontwikkeling der wereld, die dezen weg betreden, weinigen worden er

gevonden onder de millioenen der menschheid, die sterk genoeg zijn om de

moeilijkheden van het enge pad te overwinnen. Maar in den loop der

eeuwen zullen allen dit pad vinden en betreden, en geen menschelijke

ziel zal vervallen tot eeuwig verderf.

Er is nog een gezegde van Jezus, dat moeilijk is te begrijpen: "Weest

dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt

is." [Voetnoot: Mattheüs 5,48.] Dat is weer een bevel dat door de meeste

menschen wordt weggeredeneerd, omdat zij gevoelen dat de vervulling

onmogelijk is voor zondige menschen, voor mannen en vrouwen vol

zwakheden en dwaasheden, alledaagsch en wereldsch, bekrompen in hun

opvattingen, overgegeven aan de genoegens der wereld. Hoe zouden zij

volmaakt kunnen worden gelijk God in den hemel volmaakt is? Bracht Jezus

dan zijn leerlingen op een dwaalspoor, toen hij hun een bevel gaf dat

zij onmogelijk uitvoeren konden? Kon hij, die de waarheid Gods zelf was,

een gebod geven dat niet kon worden opgevolgd? Neen! Het is voor den

mensch mogelijk, volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, niet in één

kort leven, niet in twintig of veertig of honderd jaar, niet in het ééne

korte tijdperk tusschen de wieg en het graf, tusschen geboorte en dood.

Dit is slechts één stap naar een volmaking als die van God. Maar leven

volgt op leven, groei volgt op groei. Ieder volgend leven kan dichter

bij de volmaking worden gebracht, ieder volgend leven zamelt den oogst

van het voorgaande in. Met steeds vermeerderende kracht, met steeds

toenemenden groei stijgen de menschen tot de volmaking, in de

voetstappen van den Heiland. In de lange eeuwen die voor ons zich

uitstrekken zal de goddelijke volmaking worden bereikt.

Laten wij van deze op zich zelf staande teksten afstappen en een

leerstuk der Christelijke kerk beschouwen dat voor velen moeilijk te

gelooven is, en dat dikwijls wordt aangevallen: de leer der drieëenheid.

God een eenheid en toch drievoudig, drie personen en toch één God. Velen

hebben zich over dit leerstuk verbaasd en zijn ten laatste tot de

overtuiging gekomen, dat zij dit niet konden begrijpen, dat blind geloof

moet aannemen wat het verstand niet begrijpen kan. Maar in de

esoterische leering der mysteriën werd de leer der drieëenheid

begrijpelijk gemaakt, werd zij een verheffende en helpende kracht. Deze

geheele leering kan niet openbaar worden gemaakt, maar een deel ervan

kan hier worden besproken; en dit kan eenig licht werpen op ons

onderwerp. In iederen godsdienst wordt de drieëenheid geleerd: de Vader,

die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan voorstelt, en uit den Vader

de Zoon en de Geest. De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is.

God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, van onbegrensd Vermogen in

alle openbaringen voor als de Eeuwige Vader, het midden-leven van het

heelal. Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van het aanzicht van

liefde der Godheid, van liefde en gelukzaligheid tevens, de tweede

persoon in de drieëenheid, de tweede Logos, zooals hij dikwijls genoemd

wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen kant de openbaring van

mededoogen, van alomvattende liefde, aan de andere zijde van eeuwige,

oneindige gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is dat van

wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard als de Geest, het goddelijk

denkvermogen. Toen God zich openbaarde als scheppende kracht, als het

algemeen denkvermogen, werd hij de derde Logos, de derde persoon in de

drieëenheid. God is in wezen één, drievoudig in zijn openbaring, het

ééne Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer wij spreken

van de drie personen van de drieëenheid, zijn dit slechts drie

aanzichten, waarin de godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en

begrijpelijk voor den mensch.

De drieëenheid, die in de godheid is, weerkaatst zich in den mensch, ook

de mensch is een drieëenheid, het beeld van God. In den mensch heeft de

goddelijke drieëenheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt in den

voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen aard van de godheid, en

ontwikkelt in zijn inwezen de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft

van God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het verstand, de

weerkaatsing van den derden persoon der goddelijke drieëenheid, daarna

wordt de Zoon in hem geboren, de geest van den Christus, van

alomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het kenmerk van den mensch

in wien dit tweede aanzicht zich ontwikkelt, die van den derden trap

tot den tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle menschen in

zich omvat. Dit is de geest van den Christus, en naarmate de mensch

dezen ontwikkelt wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor de

laatste openbaring in den mensch. Niet alleen de ontwikkeling van het

verstand, de weerkaatsing van den Geest, niet alleen de liefde, die

wordt voorgesteld door het leven van den Zoon,--ook het leven van den

Vader moet zich in den mensch openbaren. Hij moet gelijk worden aan de

goddelijke Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging waarvan

alle godsdiensten hebben geleerd, dat is het één-worden met den Vader,

waarvan Christus tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal dien

zij zouden bereiken. Het één-worden met den Vader is het einddoel der

ontwikkeling van den mensch.

In het grootste deel der menschen op aarde ontwikkelt zich thans het

derde aanzicht der drie-eenheid, het verstand. Slechts hier en daar

treffen wij menschen aan, in wie het leven van den Christus zich begint

te ontvouwen. Wanneer dit leven volmaakt zal zijn, zal de vereeniging

komen met den Vader, waarvan Paulus zegt: "Daarna zal het einde zijn,

wanneer hij het koninkrijk aan God en den zij alles in allen."

[Voetnoot: 1 Corinthiërs 16, 24-28.] Dat is de zielsverrukking waarom

ieder heilige bad, de vereeniging met God; dat is het doel, dat de kroon

is der menschelijke ontwikkeling. Aldus is de leering van het

esoterisch Christendom, dieper, breeder, verheffender dan de uitwendige

vorm, tot welken helaas de kerk zich bepaalt. Aldus leert het Goddelijk

Weten, dat het uwe is door erfrecht, het uwe door de gave van den.

Christus, het uwe krachtens uw geestelijke afkomst, het uwe door uw

recht als leden eener Christelijke gemeenschap. En ik, die geleerd heb

van die Meesters waarvan Jezus één is, ik, die door eigen ondervinding

weet, dat deze leering kan worden verkregen, dat duizendmaal meer kan

worden geweten dan hier mijne lippen uiten kunnen, ik kom tot u als

bode, om u te herinneren aan uw erfrecht, ik kom tot u om u te

herinneren aan het bestaan van goederen die de uwe zijn. Dat is de

boodschap die ieder leerling op zijne beurt brengt aan iedere kerk, aan

ieder geloof; niet iets nieuws brengt hij niet zich, slechts de

herinnering aan wat oud is, maar nog steeds binnen menschelijk bereik.

Aan u om dit pad te betreden, aan u om die kennis te verwerven, aan u om

de gelegenheid aan te nemen, die de leering der Theosofie u brengt, de

leering die dezelfde is als esoterisch Christendom. De gelegenheid wordt

u geboden, aan u haar aan te nemen of te laten, gelijk gij dat wilt.

#Het verhaal van den Christus#

Ik zal hedenavond het verhaal van den Christus beschouwen van het

standpunt van den Occultist, Wanneer wij enkel als Theosofen spreken,

trachten wij het verhaal van den Christus duidelijk te maken in zijn

geestelijke beteekenis. Wanneer wij ons echter op het standpunt van den

Occultist plaatsen kunnen wij verder gaan. Wij kunnen terugzien naar de

archieven van het verleden en deze onderzoeken, wij kunnen terugzien tot

het leven, zooals dat negentien eeuwen geleden werd geleid en het stap

voor stap bestudeeren. Maar ik moet u herinneren dat de inhoud dezer

occulte archieven niet langs geschiedkundigen weg bewezen kan worden.

Het is waarschijnlijk dat in de eerstvolgende twintig jaren eenige oude

handschriften zullen worden gevonden, welke dezen inhoud tot op zekere

hoogte zullen bevestigen, maar op het oogenblik zijn deze handschriften

nog niet door de oudheidkundigen ontdekt. Daarom stel ik mij voor mijn

onderwerp niet van den kant der gewone geschiedenis maar van het

standpunt van den Occultist te beschouwen, en naarmate ik verder ga zult

gij zien dat deze wijze van beschouwing vele moeilijkheden in de

evangeliën uit den weg ruimt, en dat zij u in staat stelt al wat in die

evangeliën van waarde is te redden uit de aanvallen der geschiedkundige

kritiek. Zij stelt u in staat het Christendom te baseeren op een leven,

meer dan op een handschrift en alles te begrijpen wat van werkelijk

belang is in het verhaal van den Christus, beschouwd als een mystiek

verhaal en als een feit uit de geschiedenis.

Hat verhaal is vanzelf in twee deelen te splitsen, welke wij in onze

beschouwing zullen moeten scheiden. De ééne afdeeling behandelt den

geschiedkundigen Jezus en omvat tevens de zonnemyten welke door zijne

levensbeschrijving geweven zijn. In de tweede afdeeling spreken wij niet

over den geschiedkundigen Jezus maar over den mystieken Christus, en

deze vertegenwoordigt in een opzicht den tweeden Logos, en in een ander

de individuële ziel, welke goddelijkheid bereikt.

In de evangelie-verhalen en in het geloof der kerk zijn deze beide

gedeelten niet scherp gescheiden. Wat tot het ééne behoort wordt

dikwijls gerekend bij het andere. Dit geeft tot veel verwarring

aanleiding en biedt menig zwak punt voor de aanvallen van den

ongeloovigen kritikus. Naarmate wij deze draden ontwarren zult gij

beider waarde beter begrijpen en zult gij ook het groote belang inzien,

dat het geheel voor de menschheid heeft.

Laten wij eerst het verhaal van den geschiedkundigen Jezus nemen, en de

zonnemyten welke daarmede zijn tezamen geweven.

Jezus werd geboren uit Joodsche ouders, ongeveer honderd jaar vóór het

tijdstip dat gewoonlijk wordt opgegeven. Hij werd opgevoed onder de

Esseers, een Joodsche sekte van zeer rein leven en diep godsdienstig

gevoel. Zij waren ongehuwd, zij aten geen vleesch en dronken geen wijn,

en waren ook buitengewoon weldadig en medelijdend. Kinderen, die als

weezen waren achtergebleven, namen zij tot zich om ze in hun midden op

te voeden. Behalve de weezen werden dikwijls ook andere kinderen van

goede afkomst aan hunne zorg toevertrouwd wegens de reinheid van hun

leven en de wijsheid welke zij bezaten, en die hun groote waarde gaf als

onderwijzers. Onder deze heilige menschen bracht Jezus zijn jeugd door.

Hij muntte uit door zijn buitengewone reinheid en godsdienstige

toewijding, welke zich op twee wijzen toonde: in zijne vurige aanbidding

van God en zijn voortdurend streven om zijne medemenschen te helpen.

Deze beide karaktertrekken waren buitengewoon sterk in hem ontwikkeld:

de liefde tot God welke hem leidde tot lange uren van overpeinzing en de

liefde tot de menschen welke hem krachtig werkzaam deed zijn om allen te

helpen die smart leden. Deze toewijding ging zooals ik reeds zeide

gepaard aan een buitengewone reinheid. Toen hij den mannelijken leeftijd

naderde trok hij naar Egypte. Hij trok van de gemeenschap der Esseers in

het Zuiden van Palestina tot een dergelijke gemeenschap op den berg

Sinaï en naderhand in Egypte. In dit land bestudeerde hij de oude

wijsheid der Egyptenaren en hij werd ingewijd in hunne mysteriën. Op

omstreeks 27-jarigen leeftijd keerde hij naar Palestina terug, en begon

zijnen verwanten en vrienden onderricht te geven in wat hij geleerd had.

Te dien tijde nu was in de wereld een nieuwe aandrang van

geestelijkheid noodig geworden. De tijd voor het ontstaan der westersche

volkeren brak aan. Reeds ontwikkelden zich jonge rijken welke de kiem

van toekomstige grootheid in zich droegen. De beschaving waartoe zij

zich zouden ontwikkelen zou van geheel anderen aard zijn dan die van het

Oosten. Het verstand dezer nieuwe volken zou krachtig en werkzaam van

aard zijn. De omstandigheden van hun klimaat zouden ijver en

krachtsontwikkeling eischen. De godsdienst welke bij de vorming van deze

beschaving daartoe dienstig zou zijn moest ethisch en praktisch zijn,

eenvoudig van wijsbegeerte, helder van leering. Deze godsdienst werd

geschonken door de groote Broederschap uit welke alle godsdiensten

voortgekomen zijn, en Jezus was het voor die taak uitgekozen werktuig.

Hij was voor dit werk bijzonder geschikt door zijn reinheid en

toewijding. Toen hij ongeveer dertig jaar oud was kwam voor hem de tijd

zijn werk te beginnen. Een bijzondere nederdaling van goddelijke kracht

kwam in hem en scheidde hem af van de overigen van zijn ras. Deze

nederdaling maakte hem in zeer bijzonderen zin tot den

vertegenwoordiger, tot den bode van God. Van deze nederdaling wordt

gesproken als van zijn "doop" en gij zult u herinneren hoe in het

verhaal van dien doop gezegd wordt dat de geest Gods op hem nederdaalde.

Van dien tijd af, gedurende de jaren zijner prediking, kan men Jezus

beschouwen als een vleeschwording van het goddelijk Leven. Het is

belangrijk, in gedachte te houden dat dit een uitstorting van het

goddelijk Leven in den mensch Jezus was, en dat de "doop" het tijdstip

was waarop die uitstorting plaats vond. Van toen af werd hij de prediker

van een zuiverder geloof voor de westersche wereld. Hij werd door de

Joden wegens godslastering gedood nadat hij ongeveer drie jaren onder

hen had gewerkt.

Vele van de verhalen welke wij in de evangeliën vinden behooren niet tot

het werkelijk leven van dezen grooten leeraar, maar zijn verhalen welke

zich rondom dat leven hebben gegroepeerd doch ook in verband met andere

leeraars aan de wereld bekend zijn geweest. Het is uit dit punt dat de

aanvallen van ongeloovigen met zonnemyte-argumenten hun kracht putten.

Enkele menschen, zooals Strauss en anderen, hebben getracht het

geschiedkundig karakter van Jezus geheel te vernietigen. Maar dat is een

overdrijving van ongeloovige kritiek, welke niet kan worden gehandhaafd

door kennis welke op goede grondslagen berust. Wat hun aanval kracht

heeft gegeven is het feit dat enkele dezer verhalen reeds sedert

duizenden jaren bestaan hebben. Het verhaal bijvoorbeeld van de geboorte

van Jezus uit een maagd, wat de kerk aanneemt dat plaats heeft gevonden

op den 25e December, is een van deze zonnemyten. In de oudste

Christelijke handschriften wordt de geboorte van Christus aangegeven op

verschillende tijden van het jaar. In het eene verhaal wordt hij geboren

in Mei, in een ander in Juli, in een derde in September. Eerst in de

zevende eeuw werd de 25^e December algemeen als Kerstdag erkend, en dit

is de datum welke reeds van de oudste tijden her genoemd is als de datum

van de geboorte van een vleeschgeworden godheid. Het is de datum waarop

Mithra, de zonnegod der Perzen, werd geboren, het is de dag waarop

Osiris, de zonnegod der Egyptenaren, het licht zag. Deze dag wordt als

feestdag beschouwd in alle groote godsdiensten welke tegenwoordig op

aarde bestaan. Dit feit berust hierop, dat de zon beschouwd wordt als de

vertegenwoordiger Gods. Alle licht en leven in een zonnestelsel komt van

den zon, gelijk alle licht en leven in het heelal komt van God. En in

alle godsdiensten der oudheid werd de zon beschouwd als het symbool voor

God, niet als Hemzelf, maar toch als een symbool waaraan de grootste

eerbied verschuldigd was. En daar de dag in het winter-stilstandspunt

het kortst is, zeide men dat dan de geboorte van den zon plaats vond. De

Christenkerk heeft dat tijdstip ook aangenomen voor de geboorte van

Jezus, en dit feit wordt gebruikt als bewijsgrond om aan te toonen, dat

Jezus niet anders is dan een zonnegod.

Wat de datum van zijn dood betreft: het is u bekend dat de dag van de

kruisiging niet op een vasten datum gesteld wordt, maar op een datum

welke ieder jaar verandert en berekend wordt uit de standen van zon en

maan, zoodat deze dag niet een geschiedkundige, maar een sterrekundige

datum is. Een geschiedkundige verjaardag kan natuurlijk op deze wijze

niet worden vastgesteld en zij die het Christendom vijandig gezind zijn,

gebruiken dit als een bewijsgrond tegen dezen godsdienst. Het is daarom

van belang op te merken dat deze datums inderdaad niet uitsluitend op

het Christendom betrekking hebben, en dat de werkelijkheid van het leven

en den dood van Jezus niet van deze sterrekundige gegevens afhangen.

Ook vele andere verhalen, aan het leven van Jezus verbonden, hebben

reeds lang voor zijn geboorte bestaan. Dit was aan de eerste kerkvaders

en bisschoppen zeer goed bekend. Zij beschouwden het echter nooit als

een bewijsgrond tegen de werkelijkheid van het leven van Jezus, en

trachtten nooit den hoogeren ouderdom van die heidensche verhalen,

zooals zij genoemd worden, in twijfel te trekken. De waarheid van de

verhalen aangaande het leven van Jezus is deze: dat hij een man was, vol

goddelijken geest, gezonden om een nieuwen godsdienst te stichten; dat

hij een leven leidde van wonderbare toewijding en reinheid; dat hij de

diepste geestelijke wijsheid leeraarde; dat hij werken van medelijden en

liefde deed aan allen met wie hij in aanraking kwam en dat hij eindelijk

wegens godslastering door de Joden gedood werd. Dit zijn de voornaamste

feiten betreffende het leven van Jezus, welke geschiedkundig juist zijn.

En zooals ik zeide bestaat de waarschijnlijkheid dat binnenkort

handschriften zullen worden ontdekt welke aan de wetenschap

geschiedkundige gegevens zullen verschaffen. Maar de wonderbaarlijke

geboorte in December en de kruisiging omtrent den tijd der

lentenachtevening behooren tot de zonnemyten, niet tot de geschiedenis.

In de oudste handschriften welke wij thans bezitten vinden wij deze

datums niet vermeld en onder de vroegste Christenen werden deze punten

niet van belang geacht. Eerst gedurende de ontwikkeling der kerk hebben

zij belang gekregen als dogmata, en een der redenen waarom het van

belang was deze datums vast te stellen, was dat zij ook reeds

heidensche feestdagen waren en behoorden tot de verschillende vormen

van zonaanbidding welke in het Westen verspreid waren. De jonge kerk nam

deze feestdagen over en schakelde ze in de geschiedenis van Jezus, daar

men toen de vrees nog niet kende voor den ongeloovigen kritikus der

negentiende eeuw.

Het verhaal van den Christus is van geheel anderen aard. Het woord

"Christus" is niet een naam die toebehoort aan éénen enkeling maar een

titel welke een zekeren rang aanduidt en sedert onheuglijke tijden

gebruikt werd om een zekeren graad van inwijding aan te duiden. Ieder

ingewijde die voorbij een zekeren graad van inwijding is, wordt een

Christus genoemd, welk woord "de gezalfde" beteekent. De zalving is een

deel van de plechtigheid van die inwijding, zoodat de inwijding den

mensch tot een "gezalfde" maakt. Ik zeide u reeds dat het verhaal van

den Christus van tweeërlei standpunt kan worden beschouwd, en wel in de

eerste plaats als een kosmisch verhaal, betrekking hebbende op het

heelal. In dit kosmisch verhaal stelt Christus den tweeden Logos voor,

den tweeden persoon in de drieëenheid. Deze tweede persoon in de

drieëenheid wordt in het Christendom erkend als de God-mensch en de

geschiedkundige Jezus wordt met dien God-mensch vereenzelvigd. Het

kosmische verhaal is in het kort het volgende: De tweede Logos, de

tweede persoon in de drieëenheid, daalde neder in de stof, om aan deze

zijn leven te geven: hij gaf zijn leven aan ieder schepsel dat ontstond.

Hij is het van wien Johannes schrijft: "Het Woord was bij God, en het

Woord was God. Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder

hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is". [Voetnoot: Johannes 1,

1-3] In het oude verhaal van deze nederdaling in de stof wordt gezegd

dat de tweede Logos in de stof gekruisigd is. Dit wil zeggen dat het

leven van God is gegeven om het leven van alle levende wezens te zijn en

dat God de banden der stof op zich nam, om dit leven mogelijk te maken.

Deze kosmische gebeurtenis wordt herhaald in de geschiedenis van iedere

menschelijke ziel, want wat in het heelal geschiedt, gebeurt ook in het

kleine heelal, in den mensch. Wanneer wij het verhaal van den Christus

toepassen op de menschelijke ziel, geven wij het in den vorm waarin het

door de Christelijke mystieken werd beschouwd. De ziel des menschen

wordt beschouwd als voortgekomen uit God. Door een lange reeks van

aardlevens ontwikkelt zij de eigenschap van verstand, begripsvermogen,

denken, de weerkaatsing van den Heiligen Geest of den derden persoon in

de drieëenheid. De geest van den mensch wordt, van dit standpunt gezien,

beschouwd als het beeld van God. Hij is een drieëenheid in zijn wezen

evenals God een drieëenheid is, en de ontwikkeling van het leven, van

die drieëenheid in den mensch vervalt vanzelf in drie onderdeelen: de

eerste stap is die, waardoor het denkvermogen wordt ontwikkeld; deze

stap is den Theosoof bekend als de ontwikkeling van Manas, het

denkvermogen. Manas is in den mensch de vertegenwoordiger van Mahat in

den Kosmos, of om de Christelijke uitdrukking te gebruiken, de

vertegenwoordiger van den Heiligen Geest. Dit zich ontwikkelende

verstand is het derde aanzicht der menschelijke drieëenheid. Dit

standpunt van ontwikkeling is het standpunt waarop de menschheid zich

tegenwoordig bevindt, en deze ontwikkeling van Manas moet vrij ver

gevorderd zijn voordat de tweede stap kan worden gedaan, welke bestaat

in de ontwikkeling van het tweede aanzicht der drieëenheid in den

mensch, de ontwikkeling van den Zoon, of den Christus. Het kenmerkende

van dit standpunt van ontwikkeling is niet gelegen in de ontvouwing van

het verstand, maar van de liefde. Het is gelegen in de erkenning van

alle mensch en als één, niet als een gevolgtrekking door denken, maar

door de ontwikkeling van dit tweede aanzicht der drieëenheid, van wat

wij Buddhi noemen. Buddhi beteekent voor den Theosoof wat Christus

beteekent voor den Christen. Wanneer de mensch gereed is den Christus in

zich te beginnen te ontwikkelen ontvangt hij de eerste van de groote

inwijdingen. Bij deze inwijding zegt men dat hij geestelijk geboren

wordt; het is de tweede geboorte of de geboorte uit den geest waarvan

Jezus sprak. Deze inwijding wordt de tweede geboorte genoemd, omdat zij

den tweeden persoon in de menschelijke drieëenheid in werking brengt.

Door die inwijding ontwaakt Buddhi in den mensch en begint zich te

uiten, of in de Christelijke symboliek: bij die inwijding wordt Jezus

geboren uit den schoot der maagd. Deze geboorte werd steeds een

onbevlekte genoemd, een geboorte uit een maagd, omdat zij niet is een

geboorte uit het vleesch, maar een geboorte uit den geest. Om deze

reden ook zeide Jezus dat een mensch gelijk een kind moest worden om het

koninkrijk Gods binnen te gaan. In het geheele onderwijs van Jezus heeft

de uitdrukking: "het koninkrijk Gods" de beteekenis van "inwijding" en

de nieuw-ingewijde wordt een "kind" genoemd. Gij herinnert u ook dat

Paulus van zijn bekeerlingen hoopte dat Christus een gestalte in hen

mocht krijgen. Zij waren gedoopt als lidmaten der kerk, zij hadden

deelgenomen aan het Avondmaal, en toch noemde hij het zijn hoogsten

wensch, dat Christus in hen mocht worden geboren. Hieruit blijkt dat de

geboorte van Christus in den mensch niet beteekent lidmaat te worden van

de kerk, maar iets hoogers waarnaar de Christen moet streven. Een van de

redenen waarom de inwijding "de geboorte van den Christus" werd genoemd

is dat de mensch die deze eerste der groote inwijdingen ontvangt, voor

de eerste maal het bewustzijn van het buddhisch gebied ondervindt. Hij

wordt door zijnen Meester tot dat gebied gevoerd: door de aanraking van

den Meester wordt hij voor de eerste maal bewust op dat gebied. Dan

begrijpt hij wat eenheid beteekent: hij gevoelt dat hij één is met al

wat bestaat, hij ondervindt dat hij niet afgescheiden is, maar een deel

van het groote geheel; hij begrijpt het niet door verstandelijke

inspanning, maar ondervindt het door onmiddellijk bewustzijn. Dan begint

in den ingewijde het leven van den Christus, en langzamerhand neemt hij

dien geest van liefde en mededoogen in zich op. Zoo ontwikkelt de

Christus in hem. Nog twee andere inwijdingen moet hij doormaken terwijl

hij nog altijd als onvolwassen beschouwd wordt. Dan komt de tijd voor

den mystieken doop, die overeenkomt met den doop van den mensch Jezus.

Deze doop is de inwijding van den Arhat. Van dien tijd af is het

bewustzijn van den ingewijde voortdurend op het buddhisch gebied. Vóór

deze inwijding wordt zijn bewustzijn van tijd tot tijd daarheen

overgebracht, maar wanneer zij heeft plaats gevonden, en de doop des

geestes ontvangen is wordt het buddhisch bewustzijn zijn gewone

bewustzijn, en begint hij langzamerhand het nirvanisch bewustzijn te

verwerven. Het bewustzijn op het buddhisch gebied wordt genoemd het

leven van den Zoon, die altijd in den hemel is bij zijnen Vader, en toch

op aarde wandelt onder de menschen als één van hen. Wanneer de mensch

dezen trap heeft bereikt, kan hij een Heiland der menschheid worden,

want daar zijn bewustzijn één is met dat van alle menschen kan hij met

hen deelen al wat hij heeft, daar hij zelf zuiver is kan hij naast de

menschen staan in hun zonde, daar hij zich zijn geheele verleden

herinnert kan hij medevoelen met den slechtste. Alleen de Christus kan

de vriend zijn van den laagste, want daar hij zelf tot zonde niet meer

in staat is kan hij met den zondaar in de nauwste aanraking zijn zonder

gevaar voor zijn eigen reinheid. Alleen de Christus kan den zondaar

werkelijke hulp brengen, want slechts hij kan gevoelen, wat die zondaar

gevoelt, en door de vereeniging van zijn bewustzijn die hulp brengen,

welke noodig is. De mensch die geheel buiten den zondaar staat kan hem

niet werkelijk helpen. Slechts hij die zijn bewustzijn kan vereenigen

met dat van den zondaar kan geven wat noodig is. Daarom wordt zulk een

mensch terecht een Heiland der wereld genoemd.

Na al deze inwijdingen komt de mystieke kruisiging. De Arhat offert zich

geheel en al op voor het welzijn der wereld. Hij geeft al wat hij bezit

opdat het der menschheid ten goede moge komen. Hij verzaakt alle

afgescheiden leven, opdat zijn leven het leven der menschen zijn moge.

Hij neemt niets voor zichzelf opdat de menschheid alles moge ontvangen,

en deze laatste daad van opoffering wordt de "kruisiging" genoemd. Door

dien dood van het lagere rijst de ingewijde tot het goddelijk leven. Hij

wordt één met den Vader, hij stijgt boven het leven der wereld. Om de

Theosofische uitdrukking te gebruiken: Buddhi gaat op in Âtmâ; de Arhat

wordt daardoor een Meester. In de Christelijke spreekwijze zegt men: de

Zoon wordt één met den Vader en, in den hemel opgestegen, zit hij aan de

rechterhand Gods. Dit "zitten aan de rechterhand Gods" is een

zinnebeeldige uitdrukking, welke beteekent dat hij de goddelijke

krachten bezit. Hij is in staat om een werktuig te zijn van de godheid

voor de ontwikkeling der menschheid en iedere Zoon, die de eenheid met

den Vader bereikt heeft wordt een van de krachten die de wereld vooruit

helpen, zoodat door zijn ontwikkeling die der geheele menschheid wordt

bevorderd.

Aldus luidt het verhaal van den Christus, beschouwd als de geschiedenis

van den geest in den mensch. Het is het verhaal der inwijdingen, die in

de vroegere kerk bekend waren onder den naam: "de mysteriën van Jezus."

Aan de oningewijden werd het gegeven in den vorm van de geschiedenis van

den Christus. Dit verhaal van de inwijding der menschelijke ziel werd

samengeweven met de geschiedenis van het leven van Jezus, en verloor

zijn verheffende kracht omdat men het toepaste op het uitwendig leven

van één mensch, in plaats van op het innerlijk leven van den geest. Maar

bij de Christelijke mystieken is het verhaal in zijn innerlijke

beteekenis bewaard gebleven. Wij vinden het terug in de overpeinzingen

der heiligen, waar zij zich vereenigen met den Christus en zich één

gevoelen met den Meester. Het gebed van Jezus dat zijn discipelen één

mochten worden in hem en met hem één in den Vader, schijnt door de

tegenwoordige Christenen vergeten te zijn.

Het is een deel van de zending der Theosofie, aan het Christendom de

mystiek terug te brengen welke het verloren heeft. Voor millioenen

menschen in Europa is de Christelijke symboliek degene welke zij het

gemakkelijkst kunnen begrijpen. Indien wij tot hen spreken van Manas,

Buddhi en Âtmâ, begrijpen zij ons niet. Indien wij hun echter aantoonen,

dat hun eigene woorden dezelfde beteekenis hebben, kunnen wij ons doel

bereiken. Wanneer wij hun vertellen, dat zij Buddhi kunnen ontwikkelen,

en dat Buddhi kan opgaan in Âtmâ, weten zij niet wat wij bedoelen. Maar

wanneer wij hun leeren dat de Christus in hen kan worden geboren, en dat

zij één kunnen worden in den Vader, zien zij onze bedoeling. Wij moeten

de Christenen helpen te begrijpen: dat het verhaal van den Christus niet

betrekking heeft op één enkel mensch, maar dat het de geschiedenis der

ziel is, die zich tot volmaking ontwikkelt, dat ieder mensch een

Christus moet worden, dat dit voor ieder mensch mogelijk is. Dat is

juist de kracht van de geschiedenis van Jezus, bedoeld als een voorbeeld

voor allen, en een groot deel der waarde van zijn leven gaat verloren,

wanneer zijn geschiedenis wordt beschouwd als die van het uiterlijk

leven van eenen Heiland, in plaats van als een beeld van het geestelijk

leven.

Nog één punt is er betreffende den geschiedkundigen Jezus, dat van groot

belang is, namelijk dat hij nog leeft in een lichaam, als één van die

groote Broederschap van Meesters waarvan de Theosofie ons leert. Hij

vindt zijn bijzondere taak in de Christelijke kerk. Door die kerk kunnen

nog heden de zielen hem als Meester bereiken; en zij die er toe zijn

gekomen de Meesters te kennen, weten dat Jezus één van hen is, en dat

hij nog thans door Christenen kan worden bereikt. Maar de voorwaarden

hiervoor zijn nog steeds dezelfde als immer te voren. Zij zijn

neergelegd in de woorden van Jezus in de Christelijke evangeliën,

woorden die letterlijk moeten worden gevolgd, en niet weggeredeneerd.

Thans, gelijk oudtijds, moet de mensch die het leven van den Christus

wil vinden het lagere leven dooden. Thans, gelijk voorheen, moet hij

alles opgeven, wat behoort tot het persoonlijk zelf. Nog heden, evenals

vroeger, moet al zijn aandacht op geestelijke dingen zijn gericht en

niet op aardsche. Wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, zal Jezus, de

Meester, zich aan den leerling openbaren; maar zoolang zijne woorden

worden weggeredeneerd ter wille van wereldsche begeerten, zoolang de

mensch tracht twee meesters te dienen, in twee werelden te leven,

zoolang zal hij Jezus, den Meester, niet vinden, zal hij het leven van

den Christus niet bereiken.

#Aanhangsel.#

Vier Voordrachten over Theosofie · 第 8 / 16 题