HAARLEM, l Maart 1898.
[Illustratie: ANNIE BESANT]
#De Theosofie en haar leeringen.#
I
Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond te overwinnen hebben:
een vreemde taal is tusschen ons en zelfs voor hen die de taal kennen,
waarin ik spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen.
Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de taal is voor een
spreker het instrument, dat hij bespeelt. Door de taal bereikt hij de
harten en hoofden zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon
voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt en vermindert de
mogelijkheid dat hij de gedachten en gevoelens zijner hoorders bereikt.
Toch moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen wat wij kunnen, en
terwijl ik spreek zoo helder en eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe
aandacht leent zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen
en het onderwerp begrijpelijk te maken.
Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare leeringen, en daar ik
morgen te Haarlem over het zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het
in twee deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke voordracht
volledig zal maken. Ik zal hedenavond en morgen een verschillenden
gedachtegang volgen, voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten
mochten willen hooren.
Diegenen onder u, die gedurende de laatste twintig jaren den
ontwikkelingsgang van het denken in Europa hebben gevolgd, weten dat er
één bijzondere richting van studie is, welke veel wordt gebruikt als
een wapen tegen den godsdienst: de studie van Oostersche talen en
Oostersche godsdiensten. De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's,
der oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit de verschillende
landen van Europa en bij het onderzoeken dezer godsdiensten hebben zij
gezien hoeveel die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt, toen
zij de verschillende Schriften der Chineezen, der Perzen, der
Egyptenaren ter hand namen, dat deze alle dezelfde leering gaven: zij
spreken omtrent God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van God als
Één, het Éne Bestaan, zij spreken van God als immer geopenbaard in
drieëenheid, in drievoudig aanzicht, terwijl iedere persoon in die
drieëenheid zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al deze
Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den mensch en zijnen aard;
zij leeren dat de ziel des menschen onsterfelijk is, dat zijn aard
samengesteld is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden begrepen;
men zag dat in al deze Schriften der menschen ontwikkeling wordt
geleerd, de ontwikkeling der ziel, welke de openbaring van den geest is
in den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren dat enkele menschen
hunne ontwikkeling hebbon voleindigd, hunnen groei als geestelijke
wezens hebben voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch, goddelijk
in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens van hoofd en van hart; en in
al deze Schriften vond men geleeraard dat de menschen van heden kunnen
groeien, gelijk die menschen uit het verleden zijn gegroeid, dat zij ook
volmaakt kunnen worden en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen,
stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe onontwikkeld ook, kan
ontwikkelen tot den volmaakten, goddelijken mensch. Al deze dingen
worden geleerd in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen
deze vertaald waren in verschillende Europeesche talen, begreep men dat
de wereld-godsdiensten veel gemeen hebben en dat de meeste
leerstellingen van een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden
worden in het Hindoeïsme, het Boeddhisme, de leeringen van Confucius en
Lao-tse. Zij hebben alle zooveel gemeen, dat wij niet één godsdienst van
de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking door de geleerden werd
gedaan, toen deze boeken waren vertaald in verschillende talen en de
menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken, was het eerste
besluit, waartoe velen kwamen, dat alle godsdiensten als zij in den
grond hetzelfde waren, één oorsprong moesten hebben, en dat zij geen
goddelijke openbaring konden zijn, maar dat een andere bron moest worden
gevonden, waaruit de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele
geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind waren, trachtten hunne
ontdekkingen te gebruiken om allen godsdienst te vernietigen en zeiden:
Zij zijn alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid, uit de
wijze waarop de mensen de natuur beschouwt: hij heeft de natuur
verpersoonlijkt en er wezens in gezien; en daar die wezens machtiger
waren dan hij, aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken dikwijls
vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen kon, hoewel zijn leven en
gemak van hem afhing, daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij
zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien, moest de mensch in
zijn onwetendheid denken dat al deze dingen goddelijke krachten, goden
waren; en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen, die zij
konden geven. En die geleerden zeiden dat zóó alle godsdienst was
opgegroeid, dat hij steeds zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of
animisme, en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had dan de
menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond tegen de waarde van den
godsdienst heeft veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op
feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde leeren, dat zij
alle dezelfde denkbeelden verkondigen, het was waar dat de groote
leeraars allen hetzelfde zeiden, de een na den ander. De feiten, welke
die geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen waren
verkeerd. In het eerst begrepen de menschen het onderscheid niet
tusschen deze beide dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden
worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst.
Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid der verschillende
godsdiensten van een ander standpunt en zeide: ja, het is waar dat de
leerstellingen van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een feit dat
door niemand, die de geschiedenis heeft bestudeerd, kan worden ontkend.
Wij zullen als voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen nemen,
het "Klassieke Boek van de Reinheid," [Voetnoot: Ook in het
Nederlandsch vertaald, in het Maandblad "Theosophia". Deel 5 (1897) blz.
206.] een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol wijsheid, vol
diepe geestelijke leering, dat ons verklaart hoe God zich in den mensch
geopenbaard heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als die van
God, hoe des menschen geest dezelfde is als de goddelijke geest, hoe
echter het menschelijk verstand troebel is door begeerten, die tusschen
zijn verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest in hem staan,
hoe de hartstochten van zijn lichaam zijn vooruitgang tegenhouden, en
hoe slechts wanneer zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn
gekomen, de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen in den
mensch. De leeringen van dit kleine Chineesche boekje, een der oudste
geschriften die wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als het
beste wat wij bezitten.
Van de Chineezen overgaande tot de Indiërs vinden wij bij hen dezelfde
leeringen en wanneer wij in Egypte de mummies opgraven en de banden
loswikkelen waarin zij 10 à 20.000 jaar geleden werden gehuld, vinden
wij geschriften die ons de bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte
dezelfde leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid van de
menschelijke ziel, omtrent de wijze waarop zij gaat door leven na leven,
omtrent de lagere wereld waarin zij komt na den dood van het lichaam en
de hemel-wereld waarin zij vertoeft na gezuiverd te zijn op lagere
gebieden, omtrent haren daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar
zij wederom wijsheid opdoet door ondervinding.
Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden wij dezelfde leeringen,
steeds weer door de groote leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft
slechts één oorsprong, slechts ééne bron, en die bron is het goddelijk
weten; niet de menschelijke onwetendheid, zooals vele geleerden dachten
maar het goddelijk weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren,
en dat steeds door volmaakte menschen van God tot de menschheid gebracht
is. Dit goddelijk weten bevat in zich de kennis van al wat is, en een
gedeelte ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid geschonken. De
hoeveelheid die gegeven wordt hangt af van de beschaving van het volk,
hangt af van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen, hangt
af van den aard dergenen die deze kennis bezitten en van de kracht van
hun pogen. In overeenstemming met al deze dingen verschilt steeds de
wijze, waarop dat weten gegeven wordt, maar in den grond is het toch
altijd hetzelfde: altijd leert het één goddelijk Bestaan, dat zich
openbaart als drieëenheid, altijd leert het dat de mensch drievoudig is
in zijn wezen gelijk God, en dat hij nog verder kan worden
onderverdeeld, drievoudig in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne
ontwikkeling; altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij
niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt en groeit, leven
na leven, en dat enkele menschen de volmaking bereikten en dan leeraars
zijn geworden van het ras. Deze volmaakte menschen waren eens gelijk aan
ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt gelijk de mannen en vrouwen van
thans, maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen en groeiden
en werden sterk en bereikten eindelijk de volmaking, gelijk wij de
volmaking kunnen bereiken. En toen zij volmaakt waren, begonnen zij
hunnen medemenschen te leeren, en vormden een groote Broederschap van
leeraars; en van tijd tot tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat
aan ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat ieder ras, ieder
volk een godsdienst zou ontvangen, geschikt om het te helpen en te
leeren. En de reden waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat
zij altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap heeft
bestaan, langen, langen tijd reeds voordat de beschaving van Europa
ontstond, voordat zelfs Indië zijn beschaving ontving. Daar, waar thans
de wateren van den Atlantischen Oceaan zich vergaren, was eens een groot
vastland, dat begon waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de
plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland had zich een hooge
beschaving ontwikkeld. Sporen van die beschaving worden nog gevonden in
Mexico en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen zijn overblijfsels
van zeer oude steden ontdekt en daar zijn hieroglyphen en beelden
aangetroffen, gelijkende op die welke men in Egypte gevonden heeft,
zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika aan den anderen kant
hetzelfde schrift en beeldhouwwerk is ontdekt. Dit toont ons dat er
tusschen deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een grooten
oceaan, eens gemeenschap is geweest. In Plato scholen, waar hetzelfde
goddelijk weten werd geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid,
zoodat de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden goddelijken
grondslag. In Griekenland droegen deze leeringen het eerst den naam
Theosofie, wat niets anders is dan het Grieksche woord voor goddelijk
weten. De Grieken nu gaven dit weten niet slechts in den vorm van
godsdienst, maar ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in
vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indië en China, en de wijsbegeerte
van Plato, zooals die op de scholen wordt onderwezen, berust op het
goddelijk weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden en van den
Logos, wanneer hij ons zegt dat de wereld in de gedachte van den Logos
bestond, voordat zij zich voordeed als een stoffelijke verschijning,
wanneer hij ons spreekt van denkbeelden die, bestaande in den
goddelijken geest, één voor één worden uitgestort om de stoffelijke
wereld op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk weten; en wanneer
gij de leeringen van Pythagoras bestudeert en van hem leert dat de
geheele wereld op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de
geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren is samengesteld,
dat alle steenen en kristallen en planten en dieren zijn gebouwd naar
den grondslag van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat oude goddelijk
weten, dat hij geleerd heeft in Indie, en dat hij naar Europa heeft
overgebracht. Evenzoo is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert
van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk weten, maar
in den lateren tijd is de wiskunde eng en bekrompen gemaakt en volstrekt
niet begrepen in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het goddelijk
aanzicht ervan is verdwenen en slechts de vorm, de gedaante wordt
gegeven als de wiskunde, terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken
onderwezen, een aanzicht van het goddelijk weten was; hun leerde hoe de
wereld gemaakt is en hoe de gang is der ontwikkeling, hoe de mensch
langzamerhand wordt opgebouwd, hoe steenen en planten en dieren zijn
gemaakt naar getal en naar vorm; hun een begrip gaf van de
ontwikkelingsgeschiedenis der wereld. In den laatsten tijd begint de
wetenschap bij hare natuurstudie de wetten weer te ontdekken, die het
goddelijk weten onder de Grieken en Indiërs leerde in wijsbegeerte en
wetenschap. En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en plantkunde
bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen de wet leeren van getal,
van vorm en van trilling; dat alle dingen door trilling worden
opgebouwd, dat alle krachten door trilling hun werking voortplanten, en
dat het aantal dezer trillingen in de sekonde den aard der kracht en
haar werking bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder geluid
trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen vorm, dat iedere
noot overeenstemt met een vorm en een kleur, en naarmate wij deze
trillingen en vormen en kleuren doorgronden, beginnen wij een begrip te
krijgen, hoe de natuur haar opbouwend werk verricht. Uitgaande van de
stoffelijke wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te
ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren geleden leerde,
terwijl het uitging van de hoogere wereld in plaats van uit de lagere,
want het goddelijk weten daalt steeds van gedachte neder tot vorm, klimt
niet op van vorm tot gedachte, terwijl de nieuwere wetenschap steeds
begint met den uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de
gedachte.
Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen evengoed wijsbegeerte en
wetenschap, als godsdienst. Het leerde den menschen niet slechts hoe de
ziel kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden der wereld om hen
heen, en de verborgenheden van het verstand, van de rede, van het
begripsvermogen in den mensch.
Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard, totdat vier of vijf
eeuwen na Christus een groote verandering kwam in het Westen. Er
ontstonden in de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij was die
der ontwikkelde en wijze Christenen, die de oude leeringen hoog hielden
en het goddelijk weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden,
de groote menigte der onontwikkelden, die tot het Christendom waren
aangetrokken door de zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid
niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene, wat zij niet konden
deelen, en haatten alle wijsheid, die zij niet konden begrijpen; en zij
vormden eene groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis en
wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat deze niets met godsdienst te
maken hadden, dat zij niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts
de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te begrijpen was, van
belang was voor de menschelijke ziel. En daar er toen evenals nu veel
meer onwetenden waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund
werden door den val van het Romeinsche rijk, door oorlogen en invallen,
door de staatkundige moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid van
de groote menigte der armen, wier lot schromelijk was verwaarloosd,
spanden al deze dingen samen tegen de kennis en voor de onwetendheid,
zoodat de kennis uit het Christendom verloren ging en slechts de
zedelijke en geestelijke leering bleef. Hiertoe werkte nog een andere
oorzaak mede: in alle oude godsdiensten, en in het Christendom even goed
als in alle andere, bestonden twee soorten van leeringen. De eene voor
de groote menigte, eenvoudig en helder, omvatte slechts de zedelijke
voorschriften, welke den menschen leerden een goed leven te leiden, een
zeer eenvoudig verstandelijk onderricht, juist genoeg om de zeer
onontwikkelden voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der
broederschap en die der wedergeboorte, en de wet welke zegt dat des
menschen daden hem zijn geluk of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de
wet van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen zouden inzien, dat
een goed leven, hier op aarde geleid, hun geluk zou brengen na den dood
en een beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn weergekeerd.
Deze dingen werden aan allen geleerd; maar meerdere kennis werd
toevertrouwd aan hen, wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van
de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk aan de wet van
Christus gehoorzaamden, en die in hun uiterlijk leven een hoogen graad
van reinheid hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat wij de
mysteriën van Jezus noemen en kregen daar de innerlijke leering, welke
slechts zij die een rein leven leidden, konden deelachtig worden. Deze
innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit dezen kring kwamen
de leeraars en bisschoppen en de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de
menschen, die het Christendom prediken mochten, zoodat de kerk een groep
van wijze menschen bezat, onderricht in diepere kennis, en door die
kennis in staat om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die
hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen. Want dit geheime
onderricht was steeds praktisch. Het leerde den menschen hoe zij hun
bewustzijn konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand
bewust konden worden op hoogere gebieden van bestaan, hoe het leven der
ziel kan worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het lichaam kan
verlaten en in aanraking komen met de onzichtbare wereld. Het leerde hoe
de ziel, na het lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen en
kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld, hoe de ziel leering kan
ontvangen van de engelen en geestelijke verstandswezens en zoo kennis
verkrijgen die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen, hoe de
ziel, van het lichaam bevrijd, de toestanden kan onderzoeken van het
leven na den dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde,
verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in plaats van uit den mond
van andere menschen: in deze scholen verkregen de onderzoekers
eerste-hands kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden den aard
van den mensen begrijpen door eigen onderzoek, in plaats van af te
hangen van de mededeelingen van anderen. Daardoor waren zij veel beter
in staat onderricht te geven, dan zij die hun kennis slechts uit boeken
hadden verkregen.
Het gevolg van het bestaan van deze scholen in de kerk was dus dat er
vele menschen waren die deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden,
zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom. In de vijfde
eeuw echter verdwenen deze scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit
gebrek aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een fout die door
vele menschen wordt begaan, is dat zij denken dat de leeraars de kennis
terughouden. In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de kennis
niet willen mededeelen, maar de leerlingen, die ze niet willen leeren,
leeren op de eenige wijze waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze
scholen van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen, want er
waren niet genoeg menschen die het leven wilden leiden dat vereischt
wordt voor leerlingen van het Occultisme; zij wilden dit leven niet
leiden, maar slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden, en
toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed waren. Zoo verdween
langzamerhand de innerlijke school en slechts een zwakke overlevering
van haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters der
Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan verscheen in de middeleeuwen
nog een heilige die door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij
iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen van deze heiligen vinden
wij in de geschiedenis der kerk vermeld; waarlijk groote,
hoog-ontwikkelde zielen, die _wisten_ omtrent de onzichtbare wereld, en
op de oude wijze onderricht geven konden, omdat zij wisten en kenden.
Nu en dan zien wij een van hen verschijnen, doch hun aantal is gering:
St. Elisabeth van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas à Kempis,
de geleerde Thomas Aqumo, deze allen zijn de groote leeraars der kerk
gedurende de middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk weten,
dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd. Dan waren er nog andere
menschen die een deel van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de
Christelijke kerk hadden verkregen. Sommigen van hen kwamen uit het
Oosten en anderen reisden als jonge menschen daarheen, en kwamen met de
verkregen kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten behoorde
Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen genomen en naar het Oosten
gevoerd. Daar leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid en
bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij de grondlegger werd van de
nieuwere geneeskunde en scheikunde, waar hij leering bracht over de
elementen der scheikunde en over het magnetisme, die vóór hem aan
niemand bekend was geweest, en waar hij zieken genas, die geen ander
genezen kon. Hij bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van deze
menschen was Christian Rosenkreuz, die in de vijftiende eeuw leefde. In
zijn jeugd reisde hij naar het Oosten en ontmoette daar een der groote
leeraars, die hem iets mededeelde van het oude geheime weten, om dit
terug te brengen aan de Christelijke kerk en om deze te ontwikkelen tot
een meer geestelijk lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen en
leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte de orde der
Rozenkruisers. Zijn werk was een der pogingen om het oude weten in de
westersche wereld terug te brengen. Een andere poging was die der
alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat oude weten. Zij wisten
dat er slechts één grondstof in de natuur bestaat en dat alle dingen uit
die ééne grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de scheikunde een
wetenschap is, die de eigenschappen van die ééne grondstof in al hare
wijzigingen onderzoeken kan, en zij bestudeerden die wetenschap in het
licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen vervolgden hen en
lachten hen uit en noemden hen oplichters en kwakzalvers en bedriegers,
doch in den tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde tot de
ontdekking te komen van wat hun in de middeleeuwen bekend was.
Tegenwoordig begint de scheikunde enkele der waarheden in te zien, die
door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen hen nog uitlachte,
toan niemand hen geloofde. Heden begint men te begrijpen dat er slechts
ééne grondstof is, en dat alle dingen van die ééne grondstof gemaakt
zijn en men begint zelfs weer te spreken van de mogelijkheid goud te
maken uit zilver en zoo in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te
doen, waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen en
vervolgd,--nu drie of vierhonderd jaar geleden.
Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult gij begrijpen dat de
Theosofie in den eenen of anderen vorm steeds in de wereld is blijven
bestaan als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap.
Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke de behoeften van
den tijd en de omstandigheden van het volk, waaraan de leeraar gezonden
werd, medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen zij weer het oude
weten aan de wereld leeraarde niets nieuws gaf. Het was slechts een
nieuwe vorm, een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde wat
er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst, wijsbegeerte en
wetenschap. Toen zij begon hare leering te geven, gaf zij eerst den
wijsgeerigen kant, leerde zij iets van den aard van het verstand, van de
rede, en van den aard van den mensch en van het goddelijk Bestaan, de
werkelijke wijsbegeerte die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna
ging zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen God en den
mensch, hoe de mensch een uitstorting is van God, een deel van het
goddelijk leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen kan,
hoe de menschelijke ziel zich kan ontplooien; en zij leerde weer wat
vroeger in de Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het lichaam
verlaten kan en in aanraking komen met groote geestelijke
verstandswezens en met de Meesters, hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan
en kennis opdoen uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan komen
tot weten in plaats van gelooven. Toen zij dit alles leerde, gaf zij ons
slechts weer wat reeds zoo dikwijls geleerd was in de groote
godsdiensten van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken
kant en leerde ons meer dan de mannen van de wetenschap van dien tijd
wisten, en zeide zij ons welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen
weinige jaren zouden worden gedaan; en vele van deze ontdekkingen zijn
inderdaad gedaan sedert haren dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de
ééne grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar uiterlijke
verschijningsvormen heeft. In haar werk "De geheime Leer" sprak zij van
een eigenschap der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke zij
doordringbaarheid noemde, en welke in verband staat met helderziendheid.
Vijf jaar na haren dood ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn,
trillingen in de stof, welke in verband staan met helderziendheid en
welke de mcnschen in staat stellen te zien wat de helderziende kan zien
zonder werktuigen en hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde
Röntgen-stralen, waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een been, als zij
willen onderzoeken of het beschadigd is, kunnen fotografeeren ofschoon
het voor het gewone oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is ook
mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen. De mensch kan in
zichzelf het vermogen ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen
van Röntgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk lichaam te zien
zonder hulp van eenig werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande de
kennis van straling, van geluid en kleur leerde zij ons. Zij heeft ons
bewezen dat de oude wijsheid beter licht kan werpen op de waarheden der
nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf kan doen, en dat deze
laatste eerst langzamerhand datgene ontdekt wat door ben die het oude
weten bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen die zich het
ontvangen van dit onderricht waardig betoonden. Zoo bracht H.P.
Blavatsky ons dit weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten had,
en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten verder moesten
verspreiden, niet als iets nieuws maar als iets ouds, niet als een
nieuwe ontdekking maar als overoud weten, door de menschen vergeten, en
thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate wij zelven
leerden, onderrichtten wij op onze beurt anderen, en wij bevonden dat
dit goddelijk weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke de
mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Wij
bevonden dat wij zonder de werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap
hare feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van de vermogens der
ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld dat vele scheikundige waarheden door de
goddelijke krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden verkregen
dan door reagentiën en proefnemingen van allerlei aard. Wij bevonden dat
de mensch in zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken en dat hij
veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen zijner innerlijke krachten
dan door het gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap. Maar tevens
weten wij dit: de vermogens der menschelijke ziel zijn niet bestemd tot
het doen van ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke beroemd
te maken en rijk. Zal de kracht der menschelijke ziel worden gebruikt
tot het doen van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden gebruikt
voor het welzijn der menschheid, en niet ten voordeele van den éénen
persoon, die de ontdekking doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp
van deze krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid kan helpen,
indien het ras er rijp voor is, aan allen gelijkelijk. Is het ras er nog
niet rijp voor, dan behoort zij toe aan allen, die haar kunnen
bevatten, niet aan den éénen mensch, die haar gemaakt heeft. Deze is
slechts een pandhouder van de eigendommen der menschheid. Naarmate de
Occultist zich ontwikkelt en meer leert en begrijpt wordt hij meer en
meer een dienaar der menschheid in plaats van haar meester. Alle kracht
welke hij verkrijgt wordt gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis
welke hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner medemenschen
te verminderen en den gang der menschelijke ontwikkeling te versnellen.
Wanneer de menschen tot ons komen om met ons te studeeren, eerst de
uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan zeggen wij hun steeds: Gij
moet de broederschap der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij
een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen belangen hebt buiten
die van dat huisgezin, dat gij geen bezittingen hebt buiten die van dat
huisgezin, dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die niet
tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en wanneer gij wat ouder zult
zijn en iets meer zult hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is
dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren tot sneller
ontwikkeling, opdat zij sneller mogen worden bevrijd van de ellenden der
aarde en spoediger dan anders den vrede en het geluk mogen bereiken.
Naarmate iemand werkelijk Theosoof wordt, moet hij meer en meer
onzelfzuchtig worden; hoe meer hij leert, des te meer moet hij anderen
dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des te grooter
verantwoordelijkheid rust op hem om de lasten zijner medemenschen te
verlichten. Het Occultisme brengt juist het tegengestelde van wat de
wereld welslagen noemt. De wereld kent hèm welslagen toe, die rijkdom en
welvaart verwerft voor zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen
en zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene. Hij die slaagt in
het verkrijgen van goddelijke wijsheid en kennis en kracht, bezit deze
slechts in de mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner
medemenschen. Hij gebruikt ze nooit om over anderen te heerschen, nooit
om iets te verwerven voor zichzelf, nooit om zichzelf te verrijken ten
koste van een ander, en gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe
meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren, hoe meer hij begrijpt
des te meer moet hij deelen met anderen, hoe sterker hij wordt des te
grooter aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want de kracht van
het Occultisme, van het goddelijk weten kan nooit dienen om den bezitter
te doen uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om hen op te heffen
tot eigene hoogte, slechts om hen te doen deelen in eigene kracht. Dat
is het kernverschil tusschen de kennis der wereld en die van het
goddelijk weten. De eerste maakt den mensch tot heerscher, de andere tot
dienaar. Daarom zeide Jezus: "Indien iemand wil de eerste zijn, die zal
de laatste van allen zijn, en aller dienaar." [Voetnoot: Marcus 9, 35.]
Waarlijk groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid gegeven
hebben.
Het voorgaande is een schets van de geschiedenis der Theosofie in het
verleden, van de geschiedenis van het goddelijk weten in godsdienst,
wijsbegeerte en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid steeds
trachtte der wereld leering te schenken, en hoe zij twee vormen van
onderwijs deed ontstaan: het openbare voor allen, het bijzondere voor
hen die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van den vooruitgang
van het ras.
Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk. In de uiterlijke
Theosofische Vereeniging komen de menschen om de wetten, volgens welke
de menschheid zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij deze wetten
hebben geleerd en trachten hun leven voor anderen nuttig te maken, komt
het innerlijk onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet gegeven
kan worden. Deze twee vormen bestaan nog heden als in het verleden, en
de Theosofische Vereeniging is een vereeniging van onderzoekers, waartoe
een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte en wetenschap
wil bestudeeren in de richting van het goddelijk weten en daarbinnen een
groep van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de wereld hoog stelt
en streven naar hooger ontwikkeling, teneinde helpers te worden voor de
menschen rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens hunner ziel te
ontplooien. Dat is ons werk, onze plicht. Zij, die zich tot dit werk
voelen aangetrokken, kunnen in de Loges onzer vereeniging komen om
onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig toont, kan een
leerling worden in den dieperen zin van het woord, om een medewerker te
worden voor den vooruitgang van het ras. Herinner u echter steeds dat
het goddelijk weten niets anders heeft aan te bieden dan Zich en met
zichzelf de kracht anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het biedt
geen belooning in rijkdom, in gewone macht of kennis, maar dien
innerlijken schat, die den mensch in staat stelt een zegen te worden
voor zijn broeders, een mededrager van de lasten der wereld; en tot
diegenen onder u wien het ernst is met dit streven, tot hen wendt zich
de Theosofische Vereeniging en biedt hun het oud, goddelijk weten,
waardoor zij helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel zenden de
Meesters hun boden onder de menschen. Ieder, die ernstig wil, wordt de
gelegenheid tot leeren gegeven.
#Theosofie en haar leeringen.#