SCHRIKWEKKENDE ONTMOETING.

Maar wat is dàt? Wat komt er ginder aan?

Een auto?.... Jawel....! Toch niet.... Ja, toch wel!

Een auto; en, aan 't stuur van de auto, een heer!

Maar dàt is 't wonderbare en schrikwekkende niet. Het wonderbare en

schrikwekkende is wat er vóór de auto gaat.

Vóór de auto, in doodkalm-bedaarden gang, zijn lange roede op den

schouder, zijn blauwe muts scheef op één oor, een pijpje in den mond,

stapt een lange, magere, Baskische voerman. Zijn ossen volgen hem, hun

mooie koppen onder 't juk licht tot elkaar geneigd, als voerden zij een

heimelijk gesprek over de ontzettende gebeurtenis; en, achter de ossen

komt de auto, zacht-schommelend voortgetrokken, in een gangetje van drie

per uur.

Ik stop.

--Monsieur, peut-on faire quelque chose pour vous? vraag ik den heer

achter 't stuur.

--Hélas! non, monsieur, j'ai cassé mon embrayage, antwoordt hij met een

gelaten glimlach, en groet beleefd mijn dames.

't Is als een lijkstoet, die voorbijtrekt. Op de achterbank der auto

liggen plaids, kleurige sluiers, mantels. Daar hebben dames in gezeten.

Waar zijn ze heen? In welke kampong afgeladen, terwijl de heer,

getrokken door twee ossen, ergens zijn wagen in veiligheid brengt?

Ik keer me tot _mijn_ dames om. Zij zitten stil, met ernstige gezichten.

Ja, ja, zoo iets kan ons ook overkomen. Wie weet of we straks ook

niet....

--Schei uit! roepen ze, griezelend; en kijken, vol angstige

meewarigheid, den auto na.

Zacht-schommelend op zijn veeren, daalt hij in zijn slakkegangetje de

helling af. Toch moet de heer nog even remmen; anders loopt hij van zelf

in de hielen der ossen. Wat 'n derisie: een auto te moeten remmen die

door ossen voortgetrokken wordt!

Eventjes, als een professor die les geeft, heeft de lang-magere Bask

zich met zijn roede omgekeerd. Hij schijnt een woord van diepe wijsheid

uit te spreken, en de ossen, koppen naar elkander geneigd, hebben het

blijkbaar begrepen.

De heer aan het stuur haalt philosophisch een sigaretje uit en steekt

het op.

De vroolijke tocht · 第 30 / 41 题