Ik ken niets mooiers op de wereld, dan de verrukkelijke streek, welke
zich uitstrekt tusschen Carcassonne en Lourdes, langs de groene heuvelen
en dalen van "l'Ariège".
In Carcassonne had ik willen beeldhouwer zijn, om in somber bazalt de
tragische grootschheid der oude "Cité" uit te beelden. Hier zou ik
willen schilder zijn, om in teere kleuren en lijnen de innige bekoring
van dit pastorale land terug te geven.
Het is er een en al zacht-herderlijke poëzie. 't Is er het land der
menschen en der dieren, in volkomen harmonische gemeenschap met elkaar
en met de schoone, frissche weelde der natuur.
O! die ossenspannen, die men onophoudend tegenkomt! Het zijn
fijngebouwde, lichtgrijs- of lichtgemskleurige beesten, met groote,
wijze, zacht-donkere oogen, als de mooie oogen van een mooie vrouw. Zij
hebben niet die domme, lompe uitdrukking van onze koeien, zij hebben
iets pensiefs en menschelijks, 't zijn wezens van ras en traditie, als
de Bijbelsche dieren uit het Oude Testament.
De leidsman loopt vóór het gespan, recht, mager, met zijn blauwe,
platte, Baskische muts op één oor, een lange, dunne roede in de hand.
Hij is als een professor die les geeft, hij keert zich even naar zijn
beesten om, maakt een trage beweging met de roede en het gespan gaat
langzaam-schommelend naar rechts, naar links, daar waar het wezen moet.
De beide ossen zijn met hun horens door het jukhout aan elkaar gebonden.
Een grijze schapenvacht hangt als een bundeltje valsch haar laag op hun
voorhoofd, hun mooie peinzers-oogen staren van daaronder droomerig vóór
zich uit en uit hun mond kwijlt een lang, dun straaltje slijm tot op den
grond. Hun ietwat tot elkaar geneigde koppen schijnen heimelijk een
bedaard gesprek te voeren:
"Heb jij begrepen wat de baas verlangt?"
"Jawel; en jij?"
"Ik ook."
"Goed; laten we dan maar heel kalmpjes doorstappen. Als 't moet zal de
baas wel met zijn stokje waarschuwen."
En dood, dood-langzaam verdwijnt het stil gespan over de zacht-groene
heuvelen, de man voorop, de wagen er achter, terwijl zich aan den
horizon, onder de blauwe lucht, het prachtscherm der besneeuwde
Pyreneeën, als een reuzengrens van ongeëvenaarde heerlijkheid tusschen
aarde en hemel uitspreidt.
* * * * *
't Is een gezegend land en het wekt geen verwondering, dat zigeuners en
chemineaux het tot hun Beloofde Land schijnen te hebben uitverkoren.
Hoeveel hebben wij er reeds gezien van die bekende karretjes: een mager
paardje in 't lemoen, een schurftige hond onder den bok, en daar
binnenin een gekrioel van bruine gezichten en halfnaakte boezems,
terwijl, om het gespan heen, enkele bengels in lompen rondloopen,
opdringerig en vinnig schooiend, en dadelijk obsceen uitscheldend, als
ze hun zin niet krijgen? Hoeveel van die heerlijke landloopers, zooals
ze alleen en uitsluitend in Frankrijk bestaan, fier en eenzaam, echte
vrijheidsvogels, poëeten van den grooten weg, komend en gaande zonder
zich ooit ergens, al was 't maar voor één enkelen, vasten, kalmen dag te
willen vestigen, onverschillig voor honger, koude, warmte, en hun
gansche aardsch bezit in een pakje op den rug dragend?
Zie, daar zit er weer één, op dien zachten grasberm, onder de schaduw
van een boom, met een prachtig vergezicht over de zilvertoppen van de
Pyreneeën. Dáár, bij dat heerlijk tafereel, en niet elders, heeft hij
willen zitten om te lunchen. Hij eet een groot stuk droog brood met
witte kaas en hij drinkt rooden wijn uit een halfvolle flesch; en,
aangezien hij toch wel een uurtje tijd mag verliezen.... leest hij zijn
krant. Want de Fransche chemineau is geen dom en ongeletterd wezen; hij
interesseert zich voor de dingen, hij heeft een politieke opinie, hij is
een poëet.
Mijn dames zijn door 't schouwspel getoucheerd. Zij smeeken mij om even
op te houden; zij willen met dien man eens spreken. Ik houd op.
--Monsieur, est-ce bien la route pour Lourdes, s'il vous plait? vraagt
een van mijn dames.
Als een ridder, met zijn groen-verkleurden deukhoed in de hand, is de
chemineau dadelijk opgestaan.
--Le chemin pour Lourdes, madame, ah! je ne suis pas du pays, je ne
pourrais pas vous dire....
Hij komt naar ons toe, legt familiair een hand op den wagen, kijkt ons
allen om de beurt met oogen vol openhartigheid en haast vol deelnemende
bezorgdheid aan, herhaalt opnieuw, emphatisch:
--Ah, je suis tellement au regret, madame, vous comprenez, si je pouvais
vous renseigner, mais vraiment, je ne puis pas.... Là-bas, peut être, à
cette ferme, ou pourra vous dire.... mais vraiment....
't Gezicht van mijn dames begint vreemd te vertrekken. Zij bedanken den
man, een opkomende lachbui bedwingend, en vragen mij om door te rijden.
Heel, heel langzaam zet ik weer in gang.
--N'est-ce pas, madame, vous comprenez bien, si j'étais du pays je ne
manquerais pas.... klinkt achter ons de stem van den man, die,
óverbeleefd, met ons meeloopt.
--Oui, oui, monsieur, merci bien, merci bien, hoor ik mijn dame met
benauwd-hikkende stem antwoorden. En, tot mij, kort, kras, gebiedend:
--Maar rij toch door, ik kàn niet meer!
De wagen heeft geen haast, blijft dood, dood-langzaam voortkuieren.
--Ah! je vous assure, madame, que je suis désolé, mais certainement,
là-bas, à cette ferme.... ratelt aldoor de dienstvaardige stem.
Met een stillen glimlach kijk ik even om. Mijn dames zien purper, den
zakdoek op den mond gepropt, de schouders schokkend, de oogen vol
tranen. En steeds blijft de chemineau den kalmen gang der auto volgen,
hoed af, de oogen vol meewarige belangstelling, aldoor, met onverstoorde
overtuiging, weer herhalend:
--Ah n'en doutez pas, madame, si je savais....
Mijn dames huilen. Zij kùnnen zich niet meer inhouden; de proesttranen
springen uit hun oogen en biggelen over hun wangen, zij wringen zich
heen en weer en kreunen het uit. Zij smeeken mij klagend om toch in
godsnaam door te rijden, en eensklaps krijgt er een 'n soort van
crisis, hoestend, proestend, stikkend, den adem afgesneden, terwijl de
stem steeds achter ons blijft galmen:
--Mais là-bas, à la ferme, ah, oui, assurément....
Wij zijn óp. Ook mij wordt het ineens te machtig; ik zie niet meer van
't lachen, ik kan mijn stuur niet meer vasthouden, ik breng mijn wagen
op den zijkant van den weg en "là-bas, ah, oui, assurément, à la ferme"
moet ik even stilhouden om ons allen uit te laten blazen.
O! die fransche chemineaux, die Don-Quichotten, die heerlijke poëeten
van den vrijen, ruimen weg!