VAN NÎMES NAAR CARCASSONNE.

Is het een stemming of een voorgevoel? Ik had vooraf een onaangename

gewaarwording, dat wij nu aan een gedeelte van de reis gekomen waren,

dat ons minder zou behagen.

Met Nîmes reeds was de teleurstelling begonnen. Iemand had mij eens

gezegd: O, Nîmes is prachtig, je kunt al niet veel mooiers zien in 't

Zuiden. En nu kon ik het niet helpen, maar ik vond Nîmes vrij

onbeduidend. Een mooie fontein, jawel; maar zooveel steden hebben mooie

fonteinen. De romeinsche baden en de tempel van Venus! Ja,.... nou ja,

enfin, maar.... La tour Magne, daar op de hoogte, boven dat prachtig

park! En dan la Maison Carrée, dat eenig juweel! Jawel!.... jawel,....

maar.... kortom, wij waren wellicht wat brommerig gestemd, maar

feitelijk vonden wij niets zoo bepaald de moeite waard. Je raakt ook wel

blasé op reis. Alleen de arena, de prachtige goud-grijze arena kon ons

boeien; en dan nog minder dan die van Arles, omdat ze te Arles zoo

heelemaal past in het oude milieu, terwijl ze te Nîmes heelemaal apart

staat in haar heidensche schoonheid, omringd door banale café's en

hôtels, door luxe-winkels en electrische trams.

Neen, wij waren niet in de echte atmosfeer, in de geschikte stemming.

Zelfs het afscheid van onzen goeden vriend, die Nîmes wel zeer bizonder

interessant vond, want Nîmes is een kokend-heet centrum van politieke

beweging, zelfs dàt afscheid had iets stroefs en gedwongens, en 't was

ook zonder bepaalde geestdrift, dat wij ons op weg zetten naar het

wereldberoemde Aigues-Mortes, de onveranderde, midden-eeuwsche vesting,

van waar Saint Louis met zijn kruisvaarders naar het Heilig Land

vertrok.

Ik kan de omstreken van Aigues-Mortes niet beter vergelijken dan met de

Noord-Hollandsche wei. Grasvlakten, moerassen, kanalen, hier en daar een

boerderij met enkele boomen. De Noord-Hollandsche wei zonder molens! De

plaats zelf: een reuzen vierkant van hooge, breede, grijze vestingmuren

met kanteelen en torens, aan den oever eene stille, wijd-uitgestrekte

lagune. Daar binnen, in de omheining der wallen, kleine straten van

onnoemelijke vuilheid, met vrij stijllooze, bouwvallige huizen en in 't

midden van de kleine stad een markt, waarop het kolossale standbeeld van

Lodewijk de Heilige prijkt. 't Is een teleurstelling, zooals de meeste

dingen, die men àl te veel heeft hooren roemen.

Een andere teleurstelling wordt de weg, zoodra wij, te Lunel, de erg

vies-ruikende geboortestad van den helden-dichter Henri de Bornier, op

de groote baan naar Montpellier komen. Rijden we soms weer, als in

Vlaanderen, over doods- of kinderhoofden? Neen; maar we rijden over een

weg die op geen weg meer lijkt, zoo ontzettend vol als hij is met diepe

kuilen en voren en gaten. Wij zijn hier volop in het meridionale

wijn-distrikt, waar dag en nacht de zwaar-bevrachte wagens rijden. Die

ruïneeren den weg en men heeft geen tijd hem te herstellen. Daarbij een

stof, een vuil-grijze, aschkleurige, rookfijne stof, die alles bedekt en

overal doorheen dringt.

't Zijn wijngaarden, en nog wijngaarden, en nóg wijngaarden, tot in 't

oneindige. Maar niet de mooie, rijke, zwoele wijngaarden als in

Burgondië: de arme, schrale, sjovele wijngaarden, die een goedkoop en

zurig wijntje geven, een drankje, waarvan het gezicht vertrekt. Hier

heeft Vincent van Gogh gewerkt, en men herkent het landschap door zijn

schilderijen. Ik zou niet durven beweren, dat ik in de kleur van de

bevolking zijn groenen maaier heb erkend: de afgebeulde man met groen

gezicht en groene armen, die, onder een groene zon met groene stralen,

zichtbaar als de spaken van een wagenwiel, een brandend-gelen akker

afmaait; maar, wat men dadelijk herkent, dat is 't getormenteerde van

dat landschap, die dorre hitte, die droogte, die dorstigheid, waaronder

de lage, rood-bruine, alom wijd-uitgestrekte wijnakkers zich schijnen

te wringen, terwijl de zwarte cypressen, als gefolterde en gerevolteerde

Mephisto's, om lucht en leven uit den barren bodem opspiralen.

Montpellier: aschgrijze stad, aschgrijze stof, banaal-moderne straten en

banaal-moderne huizen, een stad zooals er duizend andere zijn. Er is een

mooi museum van schilderijen in Montpellier. Zullen we daar even

ophouden, bezichtigen? Neen; wij zijn niet in de stemming. Trouwens, wij

voelen ons, op deze reis heelemaal niet artistiek of litterair

aangelegd. Wij reizen als natuurmenschen, willen enkel de dingen van

buiten af, in helder dag- en zonnelicht bekijken. Vooruit dan maar! En

steeds meer zon, en stof, en wijngaarden, en slechte wegen, en nóg meer

wijngaarden en nóg meer wijngaarden, met wegblauwende bergen in 't

verschiet. En dan Béziers, het toppunt van de akeligheid, een land dat

als 't ware onder een aschregen ligt begraven, met wegen zóó slecht, dat

het soms geraden is om naast den weg, door 't kluiterig droog land te

rijden.

Maar na Béziers wordt het iets beter. Wij raken, Goddank, uit de

schrale, stoffige wijngaarden, de veel betere weg wordt

sterk-stijgend-en-dalend, het land begint te groenen, alsof er iets van

teere lente overheen lag en gansch tegen den einder, links, verrijzen

weldra hooge bergen: de eerste kammen van de Pyreneeën!

Op een kruisweg staat een paal: Carcassonne 45 kilomètres. Goddank!

Goddank! Wij hebben 't land der grijze nachtmerrie verlaten!

De vroolijke tocht · 第 26 / 41 题