Wie Arles zegt, noemt Mistral; wie Tarascon zegt, noemt Daudet.
Een glimlach komt op het gezicht, wanneer men Tarascon nadert. Tartarin,
Bompard, Costecalde, le pont de Beaucaire et la tour du roi René,....
het zijn ons allen goede, grappige bekenden; 't is of men een historisch
oord betreedt, waar men zeer aparte dingen zal hooren en zien.
O, wondere verbeeldingskracht van een artiest, die ons zijn vizie zóó
weet op te dringen, dat wij de werkelijkheid volstrekt _willen_ zien,
zooals hij ons die voortooverde, en niet tevreden zijn wanneer de
nuchtere realiteit niet aan die fantasie beantwoordt!
Tarascon is een provençaalsch stadje als tal van andere: vaal, vuil,
stoffig, de straten rijk belommerd door platanen. Het lijkt zóó sterk op
wat we overal gezien hebben, dat ik twijfel of het Tarascon wel is en
even ophoud om te vragen.
--Certainemeinn, monsieur, antwoordt een stem die klinkt als koper.
Gezellig, die klank te hooren, de echte Tartareinn-klank! Wij komen
ietwat in de stemming.
Daar is de brug, en rechts, op den oever, een ronde grijze toren met
kanteelen: la tour du roi René. Wij glimlachen....
En toch,.... we zijn teleurgesteld. Het is niet dàt. Tartarin, Bompard,
Costecalde, al die drukke, opgewonden lui ontbreken. Waar zou het huis
van Tartarin wel staan, het huis met zijn baobab in een reseda-pot en
met zijn woeste wapenrekken aan de muren? Daar ergens, rechts, langs de
Rhône, op den weg naar Avignon? Zullen we dien kant uit rijden? 't
Bewuste huis gaan zoeken?.... Neen, het gaat niet; het ziet er overal
even saai en doodsch uit. De stemming ontbreekt; er is geen animo; de
werkelijkheid correspondeert niet met Daudet's zoo geestige
voorstelling. Na een heel kort oponthoud nemen wij maar het besluit
onzen weg naar Nîmes voort te zetten. Met een laatsten glimlach op "la
tour du roi René" keer ik rechts om en stuur over de brug, aan de andere
zijde van de Rhône, naar Beaucaire toe.
En dáár wacht ons, toen we die reeds niet meer verwachtten, de echte
Tarascon-geest onder de gedaante van een levende Tartarin-verschijning!
Een dikke man, ginds, midden op den weg, in hemdsmouwen, zwaaiend met
een roode vlag, dicht bij 't octroi van Beaucaire! Hij zwaait
hartstochtelijk, met beide armen te gelijk, schreeuwt ons een klinkend
"arrêtez!" toe.
Ik houd stil.
--D'où venez-vous? vraagt hij opgewonden.
--De Tarascon.
--Où allez-vous?
--A Nîmes.
--Qui êtes-vous?
Ik haal mijn internationaal rijbewijs te voorschijn en laat het hem
zien.
Hij kijkt er even naar, draait het naar rechts, draait het naar links,
staart mij aan in 't gezicht, barst eensklaps in een luiden proestlach
uit, terwijl hij mij vraagt:
--Vous n'avez pas de bombes dans votre auto?
--Des bombes....!
De man heeft dolle pret om mijn verbazing. Hij buldert het letterlijk
uit en slaat van vroolijkheid met beide handen op zijn dijen.
--C'est une farce? vraag ik, half wantrouwig.
--Ah, ben oui, c'est une farce! gilt de man. En hij vertelt mij de
toedracht.
We waren midden in de groote spoorweg-staking: (daar had ik wel in de
couranten van gelezen, maar feitelijk niets van bemerkt) de municipale
besturen hadden overal last gegeven, bruggen en sporen te bewaken; en
Tarascon voerde dat bevel op een echte Tarasconsche wijze uit: iedere
wagen, ieder rijtuig, iedere auto moest op de brug van Beaucaire
aangehouden en onderzocht worden, of er soms ook bommen in verborgen
waren.
O, Tartareinn, we hadden u dan toch eindelijk gevonden, en gij, leuke
schim van Daudet, stond zeker met ons mee te glimlachen! Nu had ik wel
naar Tarascon willen terugkeeren, daar nog een poosje rondkuieren,
misschien er een avondje doorbrengen. Maar mijn goede vriend, en ook
mijn dames, voelden er niet zoo veel voor, verlangden verder te rijden.
Met een laatsten blik van spijt en weemoed keek ik nog eens naar la tour
du roi René en naar het geestig stadje om, en richtte toen mijn stuur op
Nîmes.