Ik had aan Grasse de heerlijkste herinnering bewaard.
Ik was er geweest, enkele jaren geleden, ook per auto, met en bij mijn
vriend Maeterlinck, en ongeveer om 't zelfde tijdstip als nu.
Ik had er valleien en heuvels van bloemen gevonden: mimosa's, Spaansche
brem, rozen, jasmijnen, viooltjes, tuberozen; het was er als een
wonderoord voor mij geweest van kleurenpracht en zoete geuren.
En nu....?
Niets of bijna niets meer!
Heb ik mij soms vergist? Ben ik wel op den weg van Cannes naar Grasse?
'k Houd even stil om het te vragen.
Jawel, 'k ben op den goeden weg. Er is trouwens geen andere. Heel
duidelijk herken ik nu de plaatsen: hier stond het goudgeel van mimosa,
dàt veld daar beneden was één groot, geurend bed van roze rozen, het
gras van déze helling onder de olijfboomen zag paars van de viooltjes,
en ginds, achter die bocht, terras-gewijze naar beneden dalend, strekt
zich de tuin uit van "Les Quatre Chemins", Maeterlinck's winterverblijf
in 't Zuiden.
Hij is er nu wel niet, maar 'k zal er toch eventjes ophouden en zien of
Antonin en Théréson, de oude tuinman en zijn vrouw, nog leven en mij nog
herkennen.
Ik duw het houten hekje open. Niets is veranderd. Recht strekt de laan
zich tusschen heesters uit naar de grijze "bastide" met haar dichte,
groene luiken. 't Fonteintje in het heel klein vijvertje, dat midden op
een pleintje vóór de deur ligt, spuit er nog hetzelfde zilverstraaltje
naar omhoog. Onkruid groeit op 't pad en in de dorre bloemperken
(Antonin mag wel eens harken vóór zijn meesters komen) en daar loopt
Antonin waarachtig zelf onder de grijze olijfboomen, dezelfde magere,
vaalgele Antonin onder zijn zelfden valen stroohoed, alsof ik hem maar
pas verlaten had.
--Bonjour Antonin! Ça va bien?
Natuurlijk herkent hij mij niet meer. Zijn vale hand grijpt even naar
zijn valen stroohoed, terwijl hij met een schuwen blik van
niet-herkennen een onduidelijk "bonjour m'sieu" stamelt.
--Vous ne me reconnaissez pas, Antonin? Je suis venu ici avec monsieur,
il y a cinq ans, en auto.
--Ah! ben sur, m'sieu, ben sur, antwoordt Antonin, zonder de minste
overtuiging.
--Et Théréson, elle va toujours bien, Antonin?
--Ah? ben sur, m'sieu, ben sur. Tè, la v'là!
En Antonin wijst op zij naar zijn huisje, waaruit Théréson, met een
potje in de hand, werkelijk te voorschijn komt.
Evenmin als Antonin is Théréson in al die jaren iets veranderd; en ik
ben overtuigd, dat 't grauw-zwart hoedje met de zwarte binders, die zij
op het hoofd draagt, nog steeds hetzelfde is, waarmee ik haar, vijf jaar
geleden zag. En evenmin als Antonin herinnert zij zich iets van mij, met
dit verschil dat zij er flink voor uitkomt.
--Non, je ne connais pas m'sieu; je n'ai jamais vu m'sieu.
't Is toch niet vleiend als je maar zoo weinig indruk maakt.
Ik vraag aan Antonin waardoor het komt, dat er geen bloemen meer zijn te
Grasse. En Antonin, die tot nu toe slechts de strikt noodige woorden
heeft gesproken, blijkbaar alleen bezorgd om liefst zoo gauw mogelijk
van mijn benauwend bezoek verlost te zijn, schijnt eensklaps te
herleven, en vertelt mij op een klaagtoon, in een overvloed van
woorden, waaraan Théréson trouwens nog het hare toevoegt, dat het in de
gansche streek gedaan is met de bloemen, sinds de meeste
parfumerie-fabrieken van Grasse geen bloemen meer willen, maar enkel nog
met chemische produkten werken.
't Is een gejammer zonder einde: ik heb daar een snaartje aangeraakt,
waarvan ik de uiterste teergevoeligheid in de verste verte niet
vermoedde; zij laten mij niet meer los, zij grijpen mij bij mijn mouwen,
zij willen mij doen binnen komen, zij hebben mij op eens herkend, heel
goed herkend van vroeger, zij vragen mij, jankend en zuchtend, of ik
toch niet denk, dat er nog wel iets aan dien droeven toestand te
veranderen is.
Ik krijg het er benauwd onder; ik wijk maar steeds terug, terug, terug,
verzoek de beste groeten aan meneer en aan mevrouw, zet aan, wip in mijn
wagen, doe mijn motor donderend snorren, en mijn laatste vizie is die
van twee rampzalige jammerlingen achter de houten staven van het hek,
waar zij als slachtoffers gevangen zitten.
Het spijt me innig, beste menschen, maar ik kan aan den toestand niets
veranderen, en al spoedig komt uw meester, die een goede, wijze meester
is en u zeer zeker wel zal helpen.