HÔTEL DES POSTES!

Nog nooit hebben de vergulde letters van een hôtel mij zoo vriendelijk

toegelachen, nog nooit heb ik zooveel echten, gullen welkom gelezen als

op het vet gezicht van den gezetten eigenaar, die ons voor de stoep kwam

begroeten.

Of we kamers konden krijgen? Zeker!

Of het nog niet te laat was om te dineeren? Absoluut niet!

Mijn bagage en mijn dames werden afgeladen, ik borg den wagen in de

garage, en even later zaten wij alle vier, trotsch en gelukkig als na

een roemrijke overwinning, om een tafeltje, gezellig in de

helder-verlichte eetzaal.

* * * * *

Het is toch eigenaardig hoe een impressie,--en nog wel zoo'n onnoozele

impressie--halsstarrig-blijvend zich kan opdringen!

Bouillon is een pittoresk en aardig gelegen stadje, met een mooi

riviertje en de indrukwekkende ruïne van een prachtig oud slot; het is

mooi van omstreken en kleur en alleszins de moeite waard om te bekijken;

en toch, als ik nu weer aan Bouillon denk, is het telkens, tot sarrens

toe, fataal en onverjaagbaar, een onnoozele impressie van gansch anderen

aard, die zich aan mij komt opdringen:

Ik zie van Bouillon alleen de lichte eetzaal van 't hôtel waar ik

gezellig met mijn dames zat: ons tafeltje in een hoek en, vlak daarvoor,

een ander tafeltje, waaraan drie personen, twee dames en een heer

gezeten waren.

De heer, van iets meer dan middelbaren leeftijd, was slank en mager en

had een vrij gedistingeerd uiterlijk, maar een tamelijk bête expressie

over zijn gezicht. Een der dames was groot, zwaar, zwart, massief, met

een bolrond gelaat, waarin de groote, donkere oogen als van onverholen

nieuwsgierigheid blonken, terwijl haar groote mond met glinsterwitte,

valsche tanden aldoor van verbazing of bewondering scheen te lachen. De

andere was kort en klein, maar goed gevuld van vormen ook, met een bleek

gezicht vol rimpels om den mond en om de oogen, die haar een uitdrukking

van gefolterde consternatie gaven.

De heer, nu, die een buitengewoon onaangenaam-klinkend orgaan bezat,

praatte, praatte, praatte, onbedaarlijk en onophoudend, zooals ik wel

meer gemerkt heb van menschen met een bizonder-akeligen stemklank. Hij

praatte, als een drassige bron die eindeloos brobbelt en de beide dames

zaten te luisteren in verstarde houding, de groote met haar stralende

verbazing en bewondering, de kleine bleeke met haar folterrimpels van

verslagenheid, beide roer- en machteloos in verschillende gevoelens, als

voor een niet te stelpen, alles-overweldigend natuurverschijnsel. Er was

geen begin bij en er kwam geen eind aan; wij vonden ze zoo en wij hebben

ze zoo gelaten; en ik kan me niet anders voorstellen als dat ze daar nòg

zoo zitten: de man babbelend, babbelend, babbelend; de beide vrouwen

stom-en-roerloos-luisterend, de eene met een juichgezicht, de andere als

het beeld der consternatie, beide als gepetrifieerd in hun diverse,

alles overweldigende gewaarwordingen.

Het is toch gek en ergerlijk dat dàt nu voor mij _de_ impressie van

Bouillon moet blijven.

De vroolijke tocht · 第 8 / 41 题