TROMPET-DILEMMA.

Wat zal je doen, chauffeur, als iets, iets dat je niet absoluut

onontbeerlijk is, uit je wagen weggestolen wordt?

Zal je de rustige philosophie hebben in jezelf te denken: "Ach, 't is

niet de moeite waard me daarvoor op te houden, een heele boel tijd te

verliezen en daarna te moeten jagen om den verloren tijd weer in te

halen." Of zal je zeggen: "Dáár loopt de man, die mij het voorwerp heeft

ontstolen; ik ren hem na, ik wil en zal mijn eigendom terug krijgen!"

Ik koos het laatste; 't besef van het eigendomsrecht overweldigde in mij

de philosophische berusting. Maar, ware het opnieuw te beginnen, ik zou

wel anders kiezen.

* * * * *

Het voorwerp, dat, terwijl wij lunchten, uit mijn wagen werd gestolen,

was een vrij eenvoudig, koperen trompetje. Zoo'n soort van

jachthorentje, waarop je scherp en luid kunt blazen, wanneer de gewone

auto-signalen geen uitwerking hebben.

Een man van de straat kwam mij in het restaurant waarschuwen:

--M'sieu, un homme vient de voler une trompette dans votre automobile.

Il s'est enfui avec!

Ik was juist begonnen met een ordentelijke entrecôte-béarnaise te

verorberen. Ik erken onbewimpeld, dat ik meer lust had het onderhoud

met de entrecôte voort te zetten, dan den dief te achtervolgen. Maar

mijn dames keken mij veelbeteekenend aan, ik kreeg mijn plichtsgevoel te

pakken, en, na een korte aarzeling, lei ik mijn servet neer en stond op.

Er was drukte om mijn auto vóór 't hôtel. Vingers strekten zich uit in

de richting waar de dief met de trompet verdwenen was en een

politieagent kwam vlug en gezagvoerend aanstappen.

De man van de straat, die mij gewaarschuwd had, werd ondervraagd. Ginds

liep de dief, beweerde hij, je kon hem nog zien.

--Haal hem in! beval de agent.

De man rende heen.

Ondertusschen werd ik door den agent ondervraagd, verzocht mijn naam,

adres en kwaliteit op te geven.

Dat duurde een poosje.

Toen zagen wij den man uit de straat terugkomen, vergezeld door een

anderen man, een kleine dikkerd, met zwarte pet en blauw boezeroen.

--C'est lui qui a volé la trompette! riep van verre de man uit de

straat.

--C'est pas vrai, godfèrdom! antwoordde de kleine, met een nijdigen

schuinblik.

--Je te l'ai godfèrdom vu voler! beweerde krachtig de man van de straat.

't Klonk aller-gekst de twee Walen voortdurend dien vlaamschen vloek te

hooren gebruiken. Ik had moeite om er mijn ernst bij te behouden. De

agent kwam in 't midden.

--Vot' nom? vroeg hij den kleine.

--Pour vous servir, m'sieu, antwoordde deze zonder schroom, een smerig

boekje met papieren uit zijn boezeroen-zak halend en meteen zijn

vettig-zwart petje afnemend.

Een bulderlach ging onder de menigte op. De kleine dikkerd had geen

enkel haartje meer op zijn hoofd. Nog nooit heb ik een zóó absoluut

kalen kop gezien, en, daar hij ook heelemaal glad geschoren was, leek

zijn gansche hoofd één bolle vetblaas met gaten van mond en neus en

oogen erin.

--C'est vous qui avez volé la trompette à m'sieu, begon de agent.

--C'est pas vrai, godférdom! herhaalde nijdig de dikkerd.

--Mais cet homme l'a vu, godférdom! riep de agent, op zijn beurt den

vlaamschen vloek gebruikend en naar den man van de straat wijzend.

Ik vond het dol om 't standje aan te hooren. Alleen 't idee der

entrecôte temperde eenigszins mijn pret. Ik wierp een blik in de heldere

ramen van het restaurant, waar de lunchers, gezellig om de witte

tafeltjes gezeten, eventjes mes en vork hadden neergelegd, door het

schouwspel geïnteresseerd.

--Allons, au bureau de police, godférdom! beval eensklaps de agent, die

geen kans zag, om daar, op straat, het spel in 't klare te trekken.

Ik werd verzocht om er hem met mijn wagen heen te brengen. Ik trok een

zuur gezicht. Mijn entrecôte, helaas....! Maar er was niets aan te

doen, ik maakte een wanhopig gebaar met de armen naar mijn dames aan 't

gezellig tafeltje en zette mijn motor in gang. De agent en de dikkerd

namen plaats op de achterbank, de man van de straat kwam naast mij

zitten en zoo reden wij naar het politie-bureau.

Daar werd de dikkerd opnieuw ondervraagd en afgetast. De trompet werd

niet op hem gevonden. Maar de politie-commissaris, verveeld en

geprikkeld, en overtuigd dat hij wel degelijk den dief te pakken had,

beval den agent hem in de gevangenis te stoppen.

Nauwelijks had de kleine dikkerd dat bevel gehoord, of hij begon

eensklaps als een kind te huilen.

--Eh ben, oui, c'est vrai, je l'ai pris! snikte hij.

--Haha! riep triomfant de commissaris.

De dief bekende: hij had de trompet gestolen, was er mee weggevlucht,

had het achter een loods, bij 't station, verstopt.

--Pardon, m'sieu, kwijlde hij smeekend-gevouwen handen naar mij

uitstrekkend; pardon, ça ne m'arrivera plus.

--Allez! beval de commissaris onverbiddelijk. En de snikkende dikkerd

werd weggebracht, terwijl een agent de trompet ging halen.

Reeds lang was mijn hart vermurwd en had ik de misdaad vergeven. Ik

dacht er nu alleen maar aan om spoedig weg te komen. De dagen waren

kort, het werd reeds laat, (half drie) ik had nog ruim een honderd

kilometer af te rijden om te Bouillon, einddoel van dien eersten dag, te

komen, en mijn entrecôte.... helaas....! helaas!.... Ik keek verlegen

naar den commissaris, die nijdig zat te schrijven, en, na een korte

aarzeling, dorst ik het wagen:

--Och, meneer de commissaris, zouden we nu dat zaakje maar niet verder

op zijn beloop kunnen laten?

--Hoe bedoelt u, meneer? zei de politie-dienaar, verbaasd zijn pen

neerleggend.

--Ja, kijk eens, ik krijg nu toch mijn trompet terug; ik heb nog niet

gedéjeuneerd en moet nog meer dan honderd kilometer wegs afleggen. Als

we nu eens kalmpjes 'n lekkere sigaar daarop rookten, en verder....

anders moet ik immers nog wachten, uw proces-verbaal onderteekenen en...

--En dan later als aanklager op de zitting van het kantongerecht komen,

glimlachte hij.

--Als 't u belieft, meneer de commissaris, zei ik, haast smeekende, met

bevende hand mijn fijnste sigaren aanbiedend. En ook aan den agent, die

met de trompet terug kwam, bood ik ze aan.

Een reeds lange en veelvoudige ondervinding heeft mij geleerd, aan de

almacht der Sigaar, als algemeen verzoeningsmiddel, vast te gelooven. Er

gaat een onweerstaanbare bekoringsmacht uit van een ongekend,

gracieuselijk-aangeboden merk. Nooit heb ik daarmee gefaald en ook in

dit geval niet. De commissaris schoof zijn half-beschreven blad papier

op zij, de agent boog naar mijn koker, putte eruit en sloeg aan in

militaire houding en bevel werd gegeven om den dief weer uit zijn hok te

halen.

--Il doit au moins vous faire des excuses, demander pardon, zei beslist

de commissaris.

De man werd voorgeduwd.

Ik zie niet graag het schouwspel van een mensch die zich vernedert; en

ik begrijp niet hoe het komt, want 't is een zonderlinge contradictie,

maar iemand die mij vergiffenis voor iets vraagt, voel ik al dadelijk

als mijn meerdere. 't Komt feitelijk hierop neer, dat ik terstond en

onweerstaanbaar de behoefte voel, mij zelf bij zoo iemand te excuseeren,

dàt ik excuses van hem verg, wat voor onmiddellijk gevolg heeft den

misdadiger een intens verongelijkt gevoel te geven. Ook hier weer. Ik

begon met 'k weet niet welke gekke zinnen uit te stotteren, zóó, dat de

man niet eens 'n woord hoefde te spreken; en 't zou beslist vernederend

voor mij afgeloopen zijn, als niet de commissaris zelf hem onder handen

had genomen, op een manier, zooals politie-commissarissen dat kunnen en

gewend zijn.

Eindelijk was ik vrij, "c'est le cas de le dire". Met een zeer onvoldane

gewaarwording over mijzelven nam ik afscheid en reed haastig terug naar

het hôtel. Mijn dames waren reeds een heele poos wachtend klaar en

begonnen zich ongerust over mij te maken. De entrecôte was warm gehouden

en werd weer opgehaald. Had ik nu maar een vijf minuutjes alleen kunnen

zijn! Doch ik moest eten en vertellen te gelijker tijd: ik alleen, vóór

mijn half verorberde, weerbarstig-taai geworden entrecôte, met drie

verzadigde dames rondom mij die wachtend klaar zaten, met auto-hoeden,

handschoenen en mantels aan, om zoo spoedig mogelijk te vertrekken.

--Die trompet moet nu toch eerst en vooral gedesinfecteerd worden, vóór

wij haar verder gebruiken, zei een van mijn dames.

Ik maakte een wanhopig gebaar, den mond vol, niet kunnende spreken.

--Hij ziet er aller-griezeligst uit, meende mijn tweede dame, met

gedégouteerd gezicht de trompet bekijkend.

Ik hoofdknikte, steeds zwijgend, met smeekende oogen.

--Was het een vieze man? vroeg mijn derde dame.

--Nee, gelukkig heel frisch, hijgde ik: keurig gladgeschoren en zijn

haar gemillimeterd.

Ik was klaar en wij konden vertrekken.

* * * * *

Een gebeurtenis staat niet op zichzelf. Een gebeurtenis is slechts een

schakel in den keten der gebeurtenissen. Was de man van de straat mij

niet komen zeggen, dat mijn trompet gestolen was, dan zou ik het hoogst

waarschijnlijk niet zoo dadelijk gemerkt hebben. Ik zou kalm geluncht

hebben, met een lekkere, zacht-gare, in plaats van een weerbarstig-taaie

entrecôte-béarnaise; en goed op tijd met mijn dames weer vertrokken en

nog vóór donker in Bouillon aangekomen zijn. 't Is waar: ik had er de

trompet bij ingeschoten; maar nu wil ik hier dadelijk aanstippen, dat

wij de trompet gedurende de gansche reis geen enkele maal gebruikt

hebben; zij heeft geen klank gegeven, is herhaaldelijk onder den voet

geraakt, telkens verloren en weer teruggevonden, zij heeft ons aldoor

verveeld en gehinderd, zoodat het niets geschaad zou hebben, wel

integendeel, was zij maar van 't begin af onvoorwaardelijk uit de baan

geweest. Hoe dan ook, de verloren tijd moest worden ingehaald, en,

nauwelijks buiten Namen, over de mooie, effen-gladde wegen, liet ik den

wagen maar in volle vaart snorren.

Het moest, helaas! mij gauw genoeg berouwen! Eensklaps: pan!.... en daar

stonden wij met een gesprongen band!

Een springende band,--de portemonnaie-kwestie daargelaten--is 't spreken

niet waard.... als je maar rustig den tijd hebt om je Stepney-wiel aan

te schroeven of een anderen band op te leggen. Maar 't moet al laat

zijn, je moet je haasten, zenuwachtig worden, even de dames doen opstaan

om iets van onder hun zitbank te halen: het een komt op het andere, je

vergeet een schroefje, legt iets uit je hand wat je niet terug kunt

vinden, gooit je boel onderste boven, trapt de dingen door elkaar;

kortom een ellende, waarbij je van ergernis en razernij om je eigen

stommiteit zoudt kunnen huilen.

Enfin! eindelijk kom je klaar. Je eindigt altijd met min of meer klaar

te komen per auto. Met vuile handen zit je weer aan je stuur, hijgend en

zweetend nog van 't zwoegen, en met bezorgd gezicht staar je naar de

lucht en naar den hemel, die reeds zijn avondkleur begint te krijgen.

't Is mooi, zoo'n oranjeroode avondlucht over de donkerwordende rivier

en de wegblauwende bergen. De dames zijn verrukt, genieten. Dames

bezitten trouwens een bijzonder groote vatbaarheid voor genieten. Maar

de vertraagde, verantwoordelijke chauffeur kan heusch niet meegenieten.

Hij denkt aan de vele kilometers die nog af te leggen zijn op onbekende

wegen, en ieder lichtje dat zich in de watervlakte komt weerspiegelen en

dat de dames zoo poëtisch en zoo aardig vinden, is hem als een vuurpriem

in de oogen. Een of andere straatjongen, die hem in 't voorbijrennen

naroept: vos lanternes! doet hem beseffen, dat het nù reeds te laat is

om zonder licht te rijden; en eindelijk moet hij er wel aan gelooven:

opnieuw stilhouden, de acetyleenlichten doen branden en in aanzienlijk

vertraagd tempo verder rijden.

Waren we maar door die ellendige trompet niet opgehouden! Hij zou lachen

in zichzelf, de kleine dikkerd met zijn kale bol, die mij zijn excuses,

of liever: aan wien ìk mijn excuses maakte, als hij ons nu kon zien

sukkelen, geen namen op de wegbordjes meer onderscheidend, telkens weer

stilhoudend om den weg te vragen! Neen, 't heeft niets geen aardigheid,

dat avond-rijden in een onbekende streek. Hier, bij voorbeeld, op dat

kruispunt midden in de bosschen! Welken kant moeten we uit? Weer

opgehouden, afgestapt, lucifers aangestreken, getracht de namen op de

bordjes te lezen. Zijn we goed? Zijn we mis? Onzekerheid en twijfel! En

als er nu eens een band springt, of iets aan den motor hapert, wat dan?

In die dood-eenzame groote bosschen overnachten? Weldra komt de mist er

nog bij. Ik zie geen tien meter ver vóór mij uit. 't Wordt vijftien per

uur rijden, minder nog, want ik zie letterlijk niets meer, ik hang drie

kwart uit den wagen en onderscheid nog nauwelijks wat weg, of gras, of

sloot, of boom is. 't Is of de wagen door wegdrijvende watten rijdt.

Eensklaps, midden in die grijs-duistere eenzaamheid, twee zwakke

lichtjes in de verte. Lieve lichtjes, waar je ook rijdt of staat, wees

welkom! Jullie zijn het glanzend bewijs dat er nog iets van leven is in

die verlaten en verloren streek.

Twee lichtjes, drie lichtjes, vier lichtjes, eensklaps een hoop

lichtjes! O! zouden we toch eindelijk veilig aangekomen zijn! Ik zie

beweging, menschen op den weg; ik meen muziek en zang te hooren. Jawel,

zoo is het. We vallen daar ergens midden in een kermis, met dans in

herbergen, muziek en kramen langs den weg.

--Bouillon? vraag ik onder het zeer langzaam rijden, denkend dat wij in

het stadje zijn.

--Tout droit, vingt kilomètres! antwoordt een harde stem.

Vingt kilomètres! O, hemel, wat 'n slag! 't Is om te huilen!

De lichtjes zijn verdwenen, we zitten weer in 't wattig-grijze duister,

en de weg schijnt te stijgen, want ik moet al spoedig van versnelling

veranderen. En 't sukkelen herbegint!

Wat is het lang, lang, eindeloos lang, twintig kilometer, als men niets

ziet en ontzaglijk-voorzichtig moet rijden over een onbekende baan! Ik

voel mijn wagen als een schip in volle, grijze zee, verre van alle

havens of kusten. Hij schijnt ter plaats te dobberen; niets duidt me

aan, dat we maar eenigszins vorderen. Ik spreek geen enkel woord meer,

al mijn aandacht op 't sturen gespannen en ook mijn dames zitten stil en

zwijgend, 't is of zij in de auto niet meer zijn. Ik weet niet of ze nu

nog wel genieten, maar ik denk dat ze 't in elk geval huiverig hebben

en, zonder ze te zien, stel ik ze mij voor, roerloos, als marmotten,

onder plaids en mantels geduffeld. Die lievelingen! Ik kan ze maar

knuffelen in gedachte en hopen dat ze 't straks goed en gezellig zullen

hebben, in 't hôtel. Maar komen we nog wel ooit aan een hôtel?

We schijnen toch wel in de buurt van "iets" te komen. De weg waarop wij

rijden daalt nu merkbaar, en rechts en links komt het mij vagelijk voor

alsof er hier en daar een hek was, met aanleg van tuinen en

half-zichtbare gebouwen in den achtergrond. Ik twijfel nog, ik durf

haast niet meer hopen dat wij nog in een levend oord zullen aanlanden,

tot zich plotseling iets duidelijks openbaart, dat geen de minste

onzekerheid meer overlaat: een soldaat, teer-omarmd met zijn lief, langs

een voetpad met boomen.

--Dames, zeg ik, mij omkeerend, we zijn te Bouillon.

Vage stemmen, die als 't ware van heel diep en verre, uit plaids en

mantels komen, geven een heroplevend antwoord.

--Waar? waar is het? vragen zij.

Een korte, plotselinge bocht en daar is 't antwoord: een straat,

winkels, huizen, meiden, militairen, en, op een vijftig meter afstand,

achter een pleintje, flink verlicht, 't hôtelletje.

De vroolijke tocht · 第 7 / 41 题