69. Frambozenmarmelade. Volgens No. 50.

70. Frambozensap. De bereiding geschiedt volgens No. 63, en de maat

van de suiker is, naarmate men het zoet wil hebben, 1 1/2 of 2 o. per

5 o. vruchtensap.

71. Frambozenazijn. Voor 2 1/2 p. frambozen neemt men 2 flesschen

goeden wijnazijn, waarin men de vruchten een weinig fijn roert

en dan 3 dagen laat staan; men wringt ze daarna niet al te sterk

uit, giet het door eene zeef, en zet het, met 2 1/2 p. suiker, die

afzonderlijk met een weinig water is gesmolten en even heeft gekookt,

op het vuur. Als alles te zamen weder aan de kook is, laat men het

nog 8 of 10 minuten doorkoken, roert tot het koud is, en giet het in

flesschen, die men met een papieren stop voorziet, zóó drie dagen in

den kelder laat staan, en daarna kurkt en harpuist.

72. Blaauwbessenmoes. Men moet alleen zeer rijpe, mooije en dikke

bessen nemen en die, na ze tweemalen gewasschen te hebben, op een

doorslag laten uitdruipen. Voor 4 kop vruchten neemt men 5 o. suiker,

en kookt ze daarmede in eene aarden pan, onbedekt en dikwijls roerend

en schuimend, tot zij geheel zacht en gaar, maar niet papperig

zijn. Men roert ze dan goed door, en zet de pan, met een doek er over

gehangen, tot den volgenden dag weg. Dan doet men de bessen in potten

of flesschen, en legt er een papier met brandewijn op.

73. Blaauwbessen met peren. Tegen 3 kop bessen neemt men 1 kop peren,

na het schillen gemeten, 5 o. suiker en 1 l. pijpkaneel.--De bessen

worden gekookt volgens No. 72 en dan met een schuimspaan uit het nat

geschept, waarin men de peren, half doorgesneden en van de klokhuizen

ontdaan, met de in stukjes gebroken kaneel, gaar, maar niet te week

kookt. Dan giet men alles, tegelijk met het sap, dat anders te veel

zou verdikken, in eene terrine, om het als het bekoeld is, in de

flesschen te doen.

74. Blaauwbessen met appelen. De bessen worden behandeld volgens

No. 73; dan kookt men in het nat wat gesnipperde zure appelen met

citroensap naar den smaak, en wrijft die, als zij geheel gaar zijn,

door eene zeef. Men voegt er dan de bessen weder bij, laat alles te

zamen nog even opkoken en handele voorts volgens No. 73.

75. Blaauwbessensap. Zeer rijpe bessen worden goed verlezen, gewasschen

en tot moes gekookt, en dan laat men er door een zakje het sap

uitdruipen, dat, bekoeld zijnde, van het bezinksel wordt afgegoten

en met 5 o. suiker, tegen 3 kan nat, wordt gekookt, geschuimd, en

verder behandeld als bessensap.

76. Blaauwbessengelei. De bessen worden behandeld volgens No. 75. Het

aldus verkregen heldere sap wordt gewogen en met hetzelfde gewigt

aan suiker te vuur gezet, om onder gedurig schuimen een kwartier te

koken. Dan neemt men de pan af, laat het kooksel rustig wat bekoelen,

en schept er het schuim goed af, dat soms nog boven is gekomen,

waarna men de flesschen vult.--Door te lang te koken, zou de gelei

hare schoone roode kleur verliezen, en toch moet zij stijf genoeg

worden, zoodat men, voor alle zekerheid, tusschenbeide de proef met

een druppel op een koud bord moet nemen.

77. Appelgelei. Men neemt fijne sappige appelen (liefst pigeons)

die nog niet geheel rijp zijn, en veegt ze met een doek af. Dan

worden ze in vierdeparten gesneden, van de klokhuizen ontdaan en,

ongeschild, met zooveel water dat zij goed onderliggen, te vuur gezet

om gaar te koken. Dit moes laat men 24 uren staan, laat het dan door

een zakje loopen, en weegt het uitgelekte sap. Voor 1 1/2 p. daarvan

neemt men evenveel suiker, waarmede men het kookt; later voegt men er

een half bierglas rhijnwijn, benevens het sap van 1 citroen bij, en

laat het verdikken, tot eenige druppels, op een koud bord gevallen,

tot gelei stollen.--De flesschen of potten waar men het inschept,

moeten eenigzins gewarmd worden.

78. Gelei van lijsterbessen. Deze gelei is zeer verzachtend voor

lijders aan borstkwalen. Men plukt daarvoor de bessen als zij tot

volle rijpheid zijn gekomen, maar vooral eer zij melig worden. Men

neemt ze van de stelen af, en kookt ze, schraal met water bedekt,

tot alle kracht er uit is. Dan giet men het nat door eene zeef,

weegt het, en kookt het met hetzelfde gewigt aan suiker, tot het

stijf genoeg is om tot gelei te stollen.

79. Gelei van kersappeltjes. De appeltjes worden gewasschen en, met

koud water bedekt, opgezet om tot moes te koken, dat men daarop door

een doek wringt. Den volgenden dag wordt het sap helder afgegoten,

gewogen, en met de helft van zijn gewigt aan suiker, onder voortdurend

schuimen, gedurende één uur gekookt. Dan doet men het in potjes.

80. Geconfijte citroenen. Op 5 o. vruchten neemt men 5 o. suiker en een

bierglas brandewijn. Van de citroenen raspt men de schil af en zet ze

dan gedurende 48 uren in koud regenwater; daarna zet men ze met versch

koud water te vuur en kookt ze tot men ze met een biesje doorsteken

kan. Intusschen laat men ook de suiker met de geraspte schillen en

wat water tot stroop koken; de week geworden citroenen moeten daarin

een uur lang zachtjes koken; dan doet men alles in een keulschen pot.

81. Wijnperen in brandewijn. De peren worden rond geschild, dan met

suiker en pijpkaneel in een keulschen pot gelegd, met brandewijn

overgoten en au bain marie gekookt.

82. Rietperenmoes. Men schilt de peren vóór dat men ze weegt, en

rekent dan voor 5 o. vruchten op 1 1/2 o. suiker. Eerst worden de

peren afzonderlijk tot moes gekookt, dan nog eens goed doorgekookt

met de suiker, en als het in den pot wordt gedaan, voegt men er wat

citroensap bij.

83. Bramen wascht men, smelt ze met het water dat er aan hangen

blijft, laat ze koud worden en schept ze in flesschen, die men met

een graauw papier toebindt, waarin verscheidene gaten moeten worden

gestoken. Er komt een zeer onooglijk vel op de vruchten, maar men

moet er dit volstrekt niet afnemen, vóór dat men ze gebruikt; zij

blijven daaronder zeer goed.

84. Concerf van vlierbessen. De bessen worden te vuur gezet en, onder

gedurig roeren en kneuzen, een half uur gekookt; dan wrijft men ze door

eene zeef. Vervolgens neemt men op 15 deelen sap, 3 deelen suiker, en

kookt dit, op een heet vuur, zoo snel mogelijk, onder gedurig schuimen,

zoolang tot een droppel, op een koud bord gestort, tot gelei stolt. De

potten moeten met een papier, in brandewijn gedoopt, bedekt worden.

85. Abrikozen in het zuur. Voor 2 pond rijpe, maar niet te zachte,

abrikozen neemt men 1 p. suiker, eene halve kan wijnazijn, een half

lood pijpkaneel en even zooveel nagelen. De azijn wordt met de suiker

gekookt en geschuimd; dan laat men de geschilde abrikozen, die in

de helft doorgebroken zijn en waar men de pit uithaalt, daarin door

en door warm worden. Men laat ze daarna op een vergiet uitlekken,

en legt ze met de gepelde pitten, de kaneel en de nagelen in eene

flesch; den azijn kookt men nog wat dikker, en giet hem koud op

de vruchten. Na verloop van eenige dagen kookt men hem weder op en

herhaalt dit later nog eens.

86. Kwetsen in het zuur. Voor 3 pond mooije rijpe kwetsen neemt

men 1 p., 1 1/2 o. suiker, 1 1/2 l. pijpkaneel, 8 w. nagelen en 1

k. goeden bruinen bierazijn, die voor het inmaken van kwetsen boven

wijnazijn is te verkiezen. De vruchten worden afgeveegd en met een

stalen breinaald beprikt; dan kookt men den azijn met de suiker en

de kruiderijen, en legt de kwetsen er in, maar niet allen te gelijk,

omdat dan die welke men er het laatst uitneemt, ligt tot moes zouden

koken. Men laat ze er een poosje in, tot zij goed gezwollen zijn, en

schept ze dan spoedig op een vlakken schotel, om te bekoelen; daarna

doet men ze in den pot, dien men, met een doek bedekt, wegzet, tot het

nog wat verdikte en koud geworden nat er over kan worden gegoten. De

pot wordt dan toegebonden, maar na verloop van 8 dagen moet de azijn

nog eens opgekookt, geschuimd en weder koud over de vruchten worden

gegoten. Het geeft een aangenamen smaak aan de kwetsen als men half

azijn en half rooden wijn voor het inmaken gebruikt.

87. Morellen in het zuur. Men knipt de stelen van de morellen kort

af en legt ze, afgeveegd zijnde, in eene flesch. Dan kookt men 2

1/2 m. azijn met 5 o. suiker, 1 l. pijpkaneel en 1/2 l. nagelen;

men laat dit koud worden, en giet het dan over de vruchten, die goed

moeten onderliggen. Na eenige dagen kookt men den azijn weder op,

en giet hem nogmaals geheel koud in de flesch.

88. Peren in het zuur. Voor 4 1/2 p. vruchten neemt men 1 1/2

p. suiker, 1 k., 2 1/2 m. wijnazijn, 1 l. kaneel en de schil van

één citroen. De beste peren hiervoor zijn dubbelde Bergamotten,

die volkomen rijp en zacht moeten wezen. Men schilt ze, snijdt ze in

de helft door, haalt het klokhuis er uit, weegt ze, en werpt ze zoo

spoedig mogelijk in koud water, opdat zij wit blijven. Nu smelt men de

suiker in den azijn, en nadat die op het vuur goed is geschuimd, legt

men er zooveel peren in als er naast elkander plaats kunnen vinden,

om ze, met bijvoeging van de kruiderijen, op een levendig vuur te

laten koken, tot men ze goed kan doorsteken; langer niet, want dan

zouden de vruchten onooglijk van kleur worden. Als de peren zoo vlug

mogelijk zijn gekookt, legt men ze met een lepel in de inmaakflesschen

(men vermijde het steken met eene vork) en giet het dikgekookte nat

er koud over. Na eenige dagen kookt men dit nog eens op en laat het

weder bekoelen vóórdat men het in de flesschen giet. Als later de

azijn weder dun wordt, moet men het opkoken geen dag uitstellen.

89. Rozenbottels in het zuur. De bottels worden in orde gebragt,

zooals men doet om ze te confijten, zie No. 4. Men kookt en schuimt

azijn met suiker, doet er dan vruchten en kruiderijen in, en handele

voorts geheel volgens genoemd recept. Voor 1 p. bottels neemt men 6

3/4 m. azijn, 7 1/2 o. suiker, 1/2 l. kaneel en eenige nagelen.

90. Meloenschillen in het zuur. Een meloen wordt geschild, en men

schept er met een zilveren lepel het eetbare gedeelte uit. Hetgeen

men dan overhoudt, wordt in vierkante stukjes gesneden en zoo in

wijnazijn gezet dat het onderligt. Den volgenden dag giet men den azijn

er af, en voegt er voor 1/2 k. ruim 6 o. suiker, 1/2 l. pijpkaneel,

evenveel witte peperkorrels, eenige stukjes ingemaakte gember en wat

citroenschil bij; hiermede laat men hem koken, neemt hem af, legt de

meloenschillen er in, en schept alles te zamen in de flesschen. Dit

herhaalt men nog tweemalen zoo, binnen het verloop van 8 dagen, en

de laatste maal wordt de azijn tot stroop verkookt. Het geeft een

zeer lekkeren smaak aan het zuur, als men er 1/2 l. nagelen bijvoegt;

maar het maakt de kleur wat donker.

91. Kalebassen in het zuur. Men maakt de vruchten schoon volgens

No. 45, en brengt dan bierazijn aan de kook, waarin men de stukjes

van de kalebas goed laat doorkoken. Er mogen niet meer tegelijk in

worden gelegd, dan zóóveel als er op de oppervlakte van den azijn

kunnen drijven, en als allen gekookt zijn, worden zij gewogen en tot

den volgenden dag weggezet. Dan neemt men voor 5 o. vruchten, 3 o.,

7 1/2 l. suiker, die men met wat wijnazijn en wat water kookt, en

hierin laat men de stukjes, bij kleine gedeelten te gelijk, zoo lang

medekoken, tot zij eenigzins doorschijnend zijn geworden. Daarna legt

men ze op een vlakken schotel om koud te worden, en doet ze dan in de

flesschen, terwijl men voorgenoemde hoeveelheid, 2 witte peperkorrels

en 4 w. foelie er tusschen strooit. Het nat wordt er terstond over

gegoten, en het is niet noodig om dit weder op te koken.

92. Blaauwbessen in het zuur. Voor 8 kop bessen neemt men 2 p. suiker,

1/2 l. kaneel en 1/2 kan wijn- of bierazijn. Nadat de bessen gewasschen

en uitgelekt zijn, laat men de suiker in den azijn smelten, kookt de

vruchten daarin goed op, en roert er de gestooten kaneel door. Den

volgenden dag roert men de bessen nog eens door elkander, schept ze

in potjes, en legt er een papier met brandewijn op.

93. Kersappeltjes in het zuur. Voor 1 p. vruchten neemt men 5

o. suiker, bijna 7 m. wijnazijn, 1 l. kaneel en 1/2 l. witte peper. De

goed afgeveegde vruchten, waar men een kort steeltje aan laat blijven,

worden in den kokenden azijn opgeweld, en als men ze er uit heeft

genomen, laat men het nat nog wat verdampen, dat ook na eenige dagen

op nieuw moet worden opgekookt; 1/2 l. nagelen er bijgevoegd, geeft

aan het zuur een lekkeren smaak, doch bederft de kleur.

94. Zoetzure komkommers. Men schilt de komkommers, haalt het zaad

er goed uit, en snijdt ze in stukken, die men weegt. Voor 1 1/2

p. vruchten laat men bijna 7 m. wijnazijn koken, met 5 o. suiker,

1 l. pijpkaneel, 1/2 l. nagelen en 2 w. foelie. Hierin legt men de

komkommers en kookt ze een poosje, maar zij moeten eenigzins hard

blijven; dan worden zij in een pot gelegd, het nat nog wat verkookt,

en niet kokend, maar toch nog warm er opgegoten. Dit moet na verloop

van 8 dagen en later nog eens worden opgekookt.

95. Heele komkommers à la Russe. Men neemt 30 komkommers waarin nog

geen zaad is, 5 o. chalotten, 6 1/2 l. wit ongestooten mosterdzaad,

3 l. knoflook, eene handvol basilicum, evenveel venkel en dragon,

benevens 1 spaansche peper. De komkommers worden gewasschen en dik

met zout bestrooid, waarmede men ze 48 uren laat staan. Dan laat men

ze uitlekken, wrijft ze luchtig tusschen een doek af, en legt ze,

digt naast elkander, in een steenen pot, met de genoemde kruiderijen

er boven op. Vervolgens giet men er zooveel kokenden wijnazijn over,

dat alles onder staat, kookt dien 14 dagen later weder op, en giet

ze dan koud geworden op de komkommers, die in zes weken goed zijn om

te gebruiken.

96. Komkommers op gewone manier. Men veegt de komkommers droog af,

schilt ze, ontdoet ze van het zaad en snijdt ze in stukken, die

men, met zout bestrooid, een nacht over laat staan. Dan laat men ze

uitdruipen, legt ze in een pot met in stukjes geknipte spaansche

pepers, schijven mierikswortel, wat heele peperkorrels, venkel en

dragon. Wijnazijn wordt gekookt en kokend op de komkommers gegoten.

97. Augurken. Groene augurken zijn de beste; zij moeten klein en gaaf

wezen. Men wascht ze een paar malen en schuijert er het zand en de

scherpe puntjes af; dan zet men ze een nacht in slappe pekel. Als

zij den volgenden dag zijn uitgelekt, zet men ze in een pot met

mierikswortel, aan schijven gesneden, eenige stukjes drooge gember,

wat witte peperkorrels, wat laurierbladen, eene handvol venkel en

dragon. Dan bedekt men alles met ongekookten wijnazijn, en laat het

zoo 14 dagen staan; na verloop van dien tijd kookt en schuimt men den

azijn, en giet dien koud geworden op de augurken. Sommigen voegen

er ook St. Jans uijetjes bij en, als men dit verkiest, moeten die

met de augurken in pekel staan; men behoeft ze slechts te wasschen,

want door het zout laat de schil los, die men er dan zeer gemakkelijk

afnemen kan, zonder de hulp van een mes, waardoor zij altijd zwart

gevlekt worden. Wanneer men een zakje met mosterdzaad boven op in

den pot legt, is het niet noodig den azijn later op te koken.

98. Gekookte augurken. Men laat de augurken, nadat ze goed

schoongemaakt zijn, 24 uren in sterke pekel staan, en zet ze dan

even zoo lang in azijn. Na verloop van dien tijd maakt men den azijn

alléén aan den kook, doet er dan de augurken in, en laat ze gedurende

10 minuten, onder gestadig roeren, mede koken. Vervolgens worden zij

in een pot gelegd met de kruiderijen die in No. 97 opgegeven zijn,

en giet men den azijn er warm op.

99. Komkommers als O.-I mango. Kappers of, bij gebrek daaraan,

ingemaakt zaad van O-I. kers, mierikswortel en chalotten snijdt

men alles aan kleine dobbelsteentjes, en roert het door elkander,

met grof gestooten notemuskaat, geknipte kruidnagelen, wat witte

peperkorrels en een weinig mosterdzaad. Men neemt kleine komkommers,

die men schoonmaakt, en waaruit men in het midden een stuk snijdt,

ter grootte van een gulden. Door deze opening haalt men met een

theelepelsteel de pitten en al wat er week is uit de vrucht, waarop

men ze met zout bestrooit en zoo een nacht laat staan. Als zij den

volgenden dag uitgelekt en wat afgedroogd zijn, vult men de binnenste

ruimte met het hierboven genoemde mengsel, en sluit de opening weder

met het uitgesneden stuk. Men naait een reepje nieuw linnen, van

een paar vingers breed, om de komkommers, ten einde die gesloten te

houden, legt ze dan in een pot, en giet er gekookten, koud geworden

azijn over. Bij het gebruik knipt men het lapje er af.

100. Mixed pickles in azijn. Men neemt mooije witte bloemkool,

dikke, vaste brusselsche spruitjes, goed gesloten witte kool, zeer

jonge worteltjes, kleine dunne prinsessenboontjes, jonge doperwten,

St. Jans uijetjes of chalotten, kleine augurkjes, jonge maïskolven,

zaad van O-I. kers en jonge tuinboontjes. De koolen, spruitjes,

wortelen en prinsessenboontjes worden gewasschen, en de eerstgenoemde

in stukjes gesneden; de uijen schoongemaakt volgens No. 103, de erwten

en tuinboonen gedopt, maar niet gewasschen, en dan dit alles, ieder

afzonderlijk, in rijkelijk gezouten kokend water geworpen, en een

klein poosje daarin zeer zorgvuldig gekookt, zoodat het knapperig

blijft. Dan laat men het op eene zeef afdruipen, en legt het op

schaaltjes. De augurken en de O.-I. kers worden den vorigen avond

gewasschen en benevens de maïskolven, die men echter niet wascht,

met zout bestrooid, in den kelder gezet. Men laat ze den volgenden

morgen droog uitdruipen, en schikt ze, met het gekookte, netjes in

inmaakflesschen, met de volgende kruiderijen aan lagen er tusschen

gelegd: schijfjes citroen, schijfjes mierikswortel, witte peperkorrels,

dragon, venkel, laurierbladen en eenige stukjes spaansche peper. De

bovenste laag moet uit deze kruiden bestaan, en dan wordt alles

overgoten met raauwen azijn tot het goed onderstaat.

101. Oostindische kers. Men plukt de zaden als zij nog zacht zijn;

men wascht ze, bestrooit ze met zout, en droogt ze den volgenden

dag tusschen een doek af, waarop men ze met heele peper, nagelen,

veel dragon en mierikswortel er bij in een pot legt, en met azijn

overgiet. Men kan dit zaad in allerlei sausen enz., in plaats van

kappers gebruiken.

102. Maïs in azijn. De kolven worden geplukt als zij de dikte van

een vinger hebben, en dan, als men ze uit de omhulsels genomen heeft,

met zout bestrooid. Zoo laat men ze een nacht staan, en laat ze dan

uitdruipen, waarna men ze laagsgewijze in eene flesch legt, met witte

peperkorrels, dragon, mierikswortel en basilicum er tusschen. Men

giet er gekookten en koud geworden azijn over.

103. Sint Jans Uijetjes. De uijetjes worden schoon gewasschen en dan,

een nacht over, met zout bestrooid, weggezet, waardoor de schil loslaat

en er zeer gemakkelijk kan worden afgenomen. Men mag daarvoor geen

mes gebruiken, omdat zij dan zwarte vlekken krijgen, dan spoelt men

de uijetjes af en begiet ze met kokenden azijn, waarin men ze eenige

dagen laat staan, om vervolgens op eene zeef uit te druipen en in

potten gelegd te worden, met witte peperkorrels, mierikswortel en

veel dragon, aan lagen er tusschen. Vervolgens giet men er verschen,

gekookten azijn op, en maakt den pot digt.

104. Chalotten. De goed schoongemaakte chalotten worden 24 uren in

boterpekel gezet; dan laat men ze uitlekken, en giet er koud geworden

gekookten azijn over, men legt dragon, venkel, mierikswortel en heele

peperkorrels tusschen de chalotten in den pot.

105. Bieten. Men kieze donkerroode bieten uit, en handele met het

schoonmaken en koken volgens C, No. 52. Dan trekt men er terstond

de schil af, en snijdt ze, als zij koud zijn geworden, aan dunne

schijfjes, die men in een keulschen pot legt, met peperkorrels,

schijfjes mierikswortel, eenige stukjes gember, en zeer weinig zout;

men kan er, des verkiezende, ook eenige laurierbladen bijvoegen. Men

giet er vervolgens kokenden azijn op, tot zij bedekt zijn. De

mierikswortel en gember zijn zeer noodig om de bieten goed te houden,

en men zegt dat men ze nog langer kan bewaren, als men ze in haar

geheel inmaakt.

106. Zoetzure peren. Hiervoor zijn winterbergamotten (zoogenoemde

mosterdperen) of pondsperen de beste soorten. Voor 14 kop vruchten

neemt men 2 1/2 ons wit mosterdzaad, dat gemalen en dan in de koekepan

gedroogd wordt, benevens 1 p. goede keukenstroop en bierazijn volgens

onderstaande opgave. De peren moeten, nadat zij geplukt zijn, acht

dagen blijven liggen, en dan worden zij, schoon gewasschen zijnde,

ongeschild, in water ruim gekookt, tot men ze met een rietje kan

doorsteken; maar zij mogen niet week worden. Men neemt ze er dan uit,

en legt ze tot den volgenden morgen naast elkander op eene zuivere

plank. Ook het water waarin zij gekookt zijn, laat men den nacht

over rusten, en giet het den anderen dag van het bezinksel af. De

azijn wordt met de stroop gekookt, goed geschuimd, en men laat hem

koud worden. Dan maakt men een mengsel van 3 deelen perenwater tegen

een deel azijn, roert het mosterdzaad daar door en giet dit op de

peren, die men in een keulschen pot heeft gelegd, zoodat zij goed

onderstaan. De pot wordt dan digtgebonden, en men moet hem in het

begin dagelijks eens zachtjes schudden, opdat er geen kaam op kome;

ook moet, na verloop van 6 dagen, het nat nog eens worden opgekookt

en geschuimd. Een zakje met mosterdzaad boven op in den pot gelegd,

is zeer bevorderlijk om de peren goed te bewaren.

107. Ingemaakte Champignons. Men neemt kleine champignons die nog

gesloten zijn, snijdt de stelen er af, wascht ze ongeschild in

koud water, en laat ze op een doek droogen. Dan kookt men goed wat

geklaarde boter (zie A. No. 17), legt de champignons er in, met wat

witte peperkorrels en het sap van eenige citroenen, en laat ze daarin,

onder gestadig roeren, een poosje kooken. Als zij beginnen sap los

te laten, moet men ze afnemen en in kleine potjes leggen, met de

boter er overgegoten, zoodat zij eenige vingersbreed onderstaan,

en als zij geheel koud zijn, strooit men over de gestolde boter een

dikke laag droog zout. Zij moeten op eene koude, zeer luchtige plaats

bewaard worden.

108. Champignons in azijn. Men kan hiervoor groote en kleine

champignons nemen; men schilt ze, neemt al wat week is er af, en

wascht ze vlug in koud water, opdat zij niet te veel water inzuigen,

waarna men ze in een doek zooveel mogelijk afdroogt. Intusschen kookt

men wijnazijn met peper, nagelen, laurierbladen, dragon en verscheidene

stukken drooge gember, en laat daarin de champignons even opkoken. Dan

legt men ze in flesschen, kookt den azijn nog wat langer en giet hem,

koud geworden, er overheen. Na verloop van 14 dagen wordt de azijn

nog eens opgekookt en weder koud op de champignons gegoten.

109. Aspersies in het zuur. De toppen van de aspersies worden ter

lengte van een vinger afgesneden, en dan 3 dagen in sterke boterpekel

gelegd, waarna men ze, gedurende een kwartier, in wijnazijn laat koken

tot zij zacht zijn. Hierin laat men ze koud worden, voorts uitlekken,

en legt ze daarna in de potten. Men kookt verschen azijn met wat

foelie en witte peperkorrels, en giet dien koud op de aspersies.

110. Prinsessenboontjes in het zuur. De boontjes afgehaald zijnde,

worden in water met zout gaar, maar niet te week gekookt en, als

zij koud zijn, in een pot gelegd met wit mosterdzaad, kaneel,

witte peperkorrels en schijfjes mierikswortel, aan lagen er

tusschen. Onderwijl kookt men azijn met suiker, waarvan men 2 1/2

o. voor een kan neemt, en giet dien, als hij koud geworden is, op

de boonen, die goed moeten onderliggen en met een stukje lei worden

bedekt. Na 8 dagen kookt men den azijn op, en giet hem koud in den pot,

hetgeen men na verloop van weder 8 dagen nog eens herhaalt.

111. Gedroogde champignons. De champignons worden goed schoongemaakt,

doch niet gewasschen en dan aan een draad geregen, om in de zon of

in een bekoelden oven langzaam te droogen. Men kan ze op ragouts

gebruiken, hetzij op de gewone manier, hetzij fijngestampt.

112. Gedroogde peren. De peren worden zeer goed, als men ze, wanneer

ze reeds eenigzins zacht zijn geworden, in kokend water werpt, ze

even laat opkomen, dan schilt en het bloempje er uitsteekt. Men legt

ze vervolgens op teenen horden, die met papier belegd zijn, in een

matig warmen oven, om ze langzaam, en vooral niet te hard, te laten

droogen. Wil men ze fijner hebben, om op het dessert te gebruiken,

dan handele men als volgt: De peren worden geschild en van de bloem

ontdaan, waarna men ze halfgaar kookt in rhijnwijn en water, ieder

voor de helft, met suiker, nagelen en citroenschillen. Dan legt

men ze, op zijnde, naast elkander op eene plank, met eene andere

plank er boven op, die men, zachtjes aan vermeerderend, met eenig

gewigt bezwaart, tot de vruchten tot op de dikte van een vinger zijn

platgedrukt. Vervolgens laat men ze op aarden schotels uitgespreid,

in den fellen zonneschijn of in een matig gestookten oven, langzaam

droogen, zonder dat zij hard worden, bestrooit ze dan met suiker,

en bewaart ze in steenen potten. Pondsperen zijn de besten.

113. Gedroogde pruimen. Men droogt ze half in den oven, drukt er dan

de pit uit, en zet ze er weder in; zij moeten er echter niet te lang

inblijven, maar in de lucht nog wat nadroogen. Verkiest men er de

schillen af te halen, dan worden de vruchten in een net gebonden, en

zóó 5 minuten lang in water gehouden, dat gekookt heeft, en nog zeer

heet is; dan laat de schil gemakkelijk los, en men haalt er meteen

de pitten uit. De pruimen moeten in steenen potten worden bewaard.

114. Gedroogde appelen. Men neemt rijpe appelen, die door het liggen

reeds eenigzins zacht zijn geworden, schilt ze, boort ze uit, en

droogt ze in een matig gestookten oven.

115. Gedroogde blaauwbessen. De bessen worden goed verlezen, dan dun

uitgespreid, en eenvoudig in de zon gedroogd.

116. Gedroogde kweeën. Nadat de vruchten wat zacht zijn geworden

door het liggen, schilt men ze, en snijdt ze in achtste parten. Men

droogt ze langzaam in een zacht gestookten oven, en gebruikt ze om

met appelen en peren door elkaâr te stoven.

Keukenboek · 第 51 / 64 题