En nu hij in het midden van den zomer, des avonds in den tuin van
Paul en Freddy dwaalde en Marie aan zijn zijde liep, gevoelde hij
zich, ondanks zichzelven, gelukkig. Hij had Marie een vraag gedaan,
die haar eerst verblind had en haar toen had doen weenen. Maar
hij had haar gesmeekt hem niet van zich te stooten, omdat hij eens
aan een ander had toebehoord. Hij had haar lief gekregen, omdat zij
eenvoudig en lief was, omdat hij een weldadige zachtheid in haar vond:
o, hij bekende het, hij had haar lief uit een groot, groot egoïsme,
maar zij mocht hem daarom niet minachten, want hij had zoo geleden,
om die andere. En zij, zij wenschte hem ook niet van zich te stooten:
haar ziel vloeide over van een oneindig medelijden, en zoo zij weende,
was het niet om zichzelven, niet uit geluk, dat hij ten laatste tot
haar kwam, niet uit ergernis, dat hij in deze ure van het verleden
sprak: het was slechts ter wille van hem, omdat hij zulk verdriet
had moeten dragen.
Zij stootte hem niet af en zij kuste, vochtig van oogen, hem met haar
lichten kus op zijn voorhoofd. Hij wist niet, dat zij hem steeds had
lief gehad; hij wist niet, dat zij ook geleden had, toen hij gelukkig
was geweest. Hij vermoedde nog niet de diepte harer liefde; hij zag
alleen haar overvloeiend medelijden, maar reeds dat was hem weldadig
als een heilzame balsem.
Door het bladerenweefsel der heesters schemerde de villa heen en
tusschen de zuilen der voorgalerij, in het licht, dat van binnen viel
zaten eenige vroolijke menschen en schenen te schertsen. Want Paul en
Freddy hadden nog meer gasten: Georges en Lili met hun twee kleintjes
en Etienne, bruisend jong als altijd.
Otto en Marie wandelden langzaam naar huis toe. Om hen heen bloeiden
de stamrozen en een zwoele wolk van geur hief zich uit de perken
omhoog, op de avondkoelte. Daar ginds scheen Etienne dwaze grappen
te verkoopen en de arme Lili te plagen, want zij hoorden Lili zich
verdedigen en de anderen schaterden.
Marie draalde een weinig, als verlegen met haar geluk, dat haar
overstelpte en zij schudde spelend aan de uitgebloeide rozen, wier
bladeren afdwarrelden.
--Kom! fluisterde hij zacht en vriendelijk. Kom, laten we dan gaan. We
zullen ze er meê verrassen.
En hij voerde haar voort, herademend, herlevend, bezield als door een
wedergeboorte, getroost door den tijd, die zijn smart had uitgewischt,
die zijn levensvreugde scheen te kunnen doen herbloeien.