II.

En nu hij in het midden van den zomer, des avonds in den tuin van

Paul en Freddy dwaalde en Marie aan zijn zijde liep, gevoelde hij

zich, ondanks zichzelven, gelukkig. Hij had Marie een vraag gedaan,

die haar eerst verblind had en haar toen had doen weenen. Maar

hij had haar gesmeekt hem niet van zich te stooten, omdat hij eens

aan een ander had toebehoord. Hij had haar lief gekregen, omdat zij

eenvoudig en lief was, omdat hij een weldadige zachtheid in haar vond:

o, hij bekende het, hij had haar lief uit een groot, groot egoïsme,

maar zij mocht hem daarom niet minachten, want hij had zoo geleden,

om die andere. En zij, zij wenschte hem ook niet van zich te stooten:

haar ziel vloeide over van een oneindig medelijden, en zoo zij weende,

was het niet om zichzelven, niet uit geluk, dat hij ten laatste tot

haar kwam, niet uit ergernis, dat hij in deze ure van het verleden

sprak: het was slechts ter wille van hem, omdat hij zulk verdriet

had moeten dragen.

Zij stootte hem niet af en zij kuste, vochtig van oogen, hem met haar

lichten kus op zijn voorhoofd. Hij wist niet, dat zij hem steeds had

lief gehad; hij wist niet, dat zij ook geleden had, toen hij gelukkig

was geweest. Hij vermoedde nog niet de diepte harer liefde; hij zag

alleen haar overvloeiend medelijden, maar reeds dat was hem weldadig

als een heilzame balsem.

Door het bladerenweefsel der heesters schemerde de villa heen en

tusschen de zuilen der voorgalerij, in het licht, dat van binnen viel

zaten eenige vroolijke menschen en schenen te schertsen. Want Paul en

Freddy hadden nog meer gasten: Georges en Lili met hun twee kleintjes

en Etienne, bruisend jong als altijd.

Otto en Marie wandelden langzaam naar huis toe. Om hen heen bloeiden

de stamrozen en een zwoele wolk van geur hief zich uit de perken

omhoog, op de avondkoelte. Daar ginds scheen Etienne dwaze grappen

te verkoopen en de arme Lili te plagen, want zij hoorden Lili zich

verdedigen en de anderen schaterden.

Marie draalde een weinig, als verlegen met haar geluk, dat haar

overstelpte en zij schudde spelend aan de uitgebloeide rozen, wier

bladeren afdwarrelden.

--Kom! fluisterde hij zacht en vriendelijk. Kom, laten we dan gaan. We

zullen ze er meê verrassen.

En hij voerde haar voort, herademend, herlevend, bezield als door een

wedergeboorte, getroost door den tijd, die zijn smart had uitgewischt,

die zijn levensvreugde scheen te kunnen doen herbloeien.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 187 / 188 题