I.

Er was meer dan een jaar verloopen na Eline's dood. Er hadden

in dien tijd voor de Erlevoorts gewichtige veranderingen plaats

gegrepen. Mevrouw had, zeer gedrongen door Théodore, ten laatste

besloten, het huis op het Voorhout, het huis waar al haar kinderen

waren geboren en groot geworden, het huis, dat vol was van

haar innigste souvernirs, te verkoopen en met Mathilde en de Van

Rijsseltjes op de Horze te komen. Paul en Frédérique waren gehuwd en

woonden te Heibeek, in Zuid-Holland, waar Paul tot burgemeester was

aangesteld. Etienne was gepromoveerd en er was sprake geweest, dat

hij naar Indië zou vertrekken, maar mevrouw Van Erlevoort, wanhopig

door de gedachte voor goed van haar jongen afscheid te nemen, had zóo

lang aangehouden, dat Etienne in Holland bleef en zich in Den Haag als

advocaat gevestigd had. En mevrouw, al gevoelde zij zich den eersten

tijd ongelukkig, nu zij niet meer meesteresse van haar woning in

Den Haag was, nu haar kinderen her- en derwaarts gingen, vergat toch

haar leed in de zacht koesterende gezelligheid van den huiselijken

kring haars oudsten zoons, waar Henriette, evenals vroeger Marianne,

voor goed van de kostschool thuis was gekomen, de jongens soms een

apparitie maakten en de Van Rijsseltjes--Tina was nu elf--met Mémée

gezond en stevig in het buitenleven opbloeiden.

Paul en Frédérique hadden mevrouw Van Raat verzocht het voorbeeld

van mevrouw Van Erlevoort te volgen, haar huis te verkoopen en op

Heibeek te komen, maar mevrouw Van Raat was er niet toe te bewegen

geweest. Zij zou haar kinderen zeer veel bezoeken, maar bij hen haar

intrek nemen, dat niet. Zij meende, dat haar melancholieke dofheid,

welke na den dood van Eline, die zij steeds zeer lief had gehad,

grijzer en grijzer was geworden, een schaduw op hun zonnig en frisch

geluk zou werpen. De emoties vóor Pauls engagement, zijn huwelijk

daarna hadden haar een wijle uit die dofheid kunnen oprichten, nu,

nu haar kind bezat wat hij verlangde, verviel zij weder geheel en al

in haren weemoed, stierf zij, nog levend, langzamerhand geheel en al

uit het leven weg.

Bij de Verstraetens was het stil, en dikwijls weende Marie bitter. Zij

gevoelde in hare arme ziel iets als een schat van weldoende liefde, die

verloren zou gaan. Het was haar, als zou zij verdorren, verschrompelen,

een bloem gelijk, die men over het hoofd had gezien. In Lili, een

weinig egoïst en kortzichtig in haar huishouden en de zorg harer

twee blonde kleintjes verloren, vond zij geen medegevoel voor haar

eenzaamheid, maar zij verweet het hare zuster niet, dat deze haar

niet begreep. En dan, wat zou het hebben geholpen, al had Lili haar

begrepen; welke troost zou het hebben geschonken!

Des zomers vroegen Paul en Freddy Marie te logeeren en zij gevoelde

zich bij hen gelukkiger dan thuis, al waren papa en mama ook goed

en lief. Met Paul en Freddy kon zij nog eens vroolijk zijn, nog eens

lachen om den tijd van vroeger, den tijd, toen zij tableaux-vivants

gaven en toen Marie Paul de les las over zijn luiheid. Herinnerden

Paul en Freddy zich nog, dat Lili vroeger De Woude niet had kunnen

uitstaan? Nu wilde Lili daar nooit van hooren; haar heugde het

volstrekt niet, zeide Marie. O Lili werd boos, wanneer men er een

woord van repte!

Het was een juweel van een villa, waar Paul en Freddy woonden. Door

den vorigen burgemeester van Heibeek gebouwd, was zij eenigszins als

een Indisch huis met een voorgalerij van witte zuilen en een gesloten

achtergalerij, die men ook een ruime serre had kunnen noemen. Paul

had met veel weelde zijn woning ingericht, en Frédérique vond die

pracht wel eenigszins overdreven voor zoo een dorp, waar zij niemand

ontvingen dan den dominé. Maar zij weêrstreefde haren man niet in

zijn liefde voor luxe, die iets was als eene uiting zijner onmachtige

artisticiteit, en zij gevoelde zich gelukkig, nu zij hem, met een

warm hart voor zijn gemeente, tevreden zag in zijn ambt.

Een enkelen keer was Otto van Elzen overgekomen om een paar dagen ten

huize zijns zwagers te vertoeven en zijn verblijf had er een enkelen

keer samengetroffen met dat van Marie. Frédérique had iets geraden

van wat er in Marie omging en daarna zich met schrik herinnerd hoe

zij eens had uitgeroepen:

--Marie, jij zou een goede vrouw voor Otto geweest zijn!

--Ik! hoorde zij Marie nog stamelen en ontsteld vroeg zij zich nu

af, of zij Marie misschien door die woorden had doen lijden. Maar ze

troostte zich met de gedachte, dat zij verkeerd kon geraden hebben,

dat zij zich licht iets verbeeld had, dat niet bestond.

Voor Otto was dit jaar in eene sombere, neêrdrukkende melancholie

voorbijgegaan. Na den dood van Eline hadden er akelige geruchten

rondgezweefd, en hoewel men er niet hard-op over sprak, fluisterde

men elkander toch in, dat de plotselinge dood van Eline, hoe ziek zij

ook geweest ware, zonderling was. Men maakte zachtjes verschillende

veronderstellingen, en iets van het geruisch dier veronderstellingen

was tot Otto doorgedrongen. De smart, die zijn leven gebroken had,

had zich nog eens verlevendigd en hem bijna oud gemaakt. Wanneer

Frédérique hem opbeurde en hem verweet, dat hij zich geheel en al in

zijn droefheid liet nederzinken, ontkende hij dit zachtjes met dezelfde

woorden, waarmede hij eens Suzanna op de Horze had gerustgesteld:

een man gaf zich niet zoo over aan zijne smart, een man had zijne

bezigheden en mijmerde niet immer over een teleurgestelde liefde.

Toen, op de Horze had hij die woorden niet gemeend. Maar nu werd het

hem, alsof er iets waars in die woorden lag en of het gewicht van zijn

leed hem niet meer het hart perste als een looden last, maar als de

lichte druk eener herinnering van weedom en zwaarmoedigheid. Vaak

verweet hij zichzelven, dat hij lichter van hart werd, en nam hij

zich voor zijn leven te wijden aan de herinnering van Eline. Maar hij

vergat, dat de tijd, wreed en troostrijk tegelijk, een wond heelde,

die hemzelven dierbaar was geworden, maar die toch weldra een lidteeken

zou zijn.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 186 / 188 题