Eline had reeds van hare cadeaux eene kleine étalage gemaakt, en zij
beweerde, dat men haar verschrikkelijk bedorven had en straalde van
blijdschap in haar sympathieken glimlach. Glimlachend ook nam zij
nu een pakket uit Martha's hand aan; langzaam brak zij het touw,
voorzichtig ziende of een cachet of een onbewaakte letter haar niet
op het spoor van den gever zou brengen. Maar niets verried haar dit;
het adres gaf eenvoudig te lezen: Mlle E. Vere. Het was een waaier-étui
van grijs leer; zij opende het, reeds met verwondering bedenkend van
wien dit kon wezen. In den étui, op het gecapitoneerde grijze fluweel,
lag een waaier van zeer fijn gesneden parelmoêr: zij nam dien op en
ontplooide hem langzaam. Bewonderend zag zij er op neêr.
--Bucchi! murmelde zij, den naam des schilders lezende onder aan den
waaier, Bucchi!
De waaier was inderdaad geschilderd door den Italiaanschen kunstenaar,
een fantazie van rozen en elven op ivoorwit satijn.
--Van wien kan dat zijn? sprak zij. Hoe prachtig!
Ieder stond op, ieder verdrong zich om Eline, die voorzichtig
den waaier hield opengeplooid en men bewonderde het kostbare
voorwerp. Eline was zeer verbaasd. Van mevrouw Van Raat had zij een
odeurstelletje, dat wist zij zeker; van Henk en Betsy....
--Betsy, lieveling, moet ik jou hiervoor bedanken? vroeg zij oprijzend.
Betsy schudde haar hoofd.
--Parole d'honneur, mij niet, Eline!
Ja, zij had immers een armband van Betsy en Henk, maar van wien dan
dezen waaier?
--Zou het misschien van.... Vincent zijn? vroeg zij weder.
--Van Vincent? Ach wel neen, hoe kom je daar nu op? Welk jongmensch
geeft zoo een cadeau. Laat eens zien.
Eline reikte haar den waaier over.
--Het is magnifique, zeide Betsy; magnifique!
Eline schudde, zich bedenkend, langzaam het hoofd, geheel en al het
spoor bijster.
De waaier ging intusschen voorzichtig van hand tot hand, en Eline
bespiedde onderwijl ieders gelaat, maar op niemands trekken las zij
ook maar de minste verklaring. Toch richtte Frédérique eensklaps
haar hoofd met iets verwonderds op. Zij verdreef echter aanstonds
die uitdrukking van haar gelaat en schijnbaar onverschillig naderde
zij de plaats, waar Eline gezeten was.
--Mag ik den étui eens even zien? vroeg zij.
Eline reikte haar den étui en Frédérique bezag en betastte het grijze
leêr en het grijze fluweel.
--Kan je ook soms in de verste verte vermoeden, van wien ik dat kan
gekregen hebben? vroeg Eline en bewoog hare armen met een gemaakte
wanhoop.
Frédérique haalde haar schouders op en zette den étui neêr.
--Neen.... ik weet het heusch niet! sprak zij, een weinig koel en zij
zag Eline nieuwsgierig in haar lichtbruine oogen. Iets onverklaarbaar
antipathieks scheen haar uit dien gazellenblik toe te lichten, straalde
haar ook uit die affectatie, die wanhoop over den onbekenden gever
tegen. Zij keek niet meer naar den algemeen bewonderden waaier, en was
het verdere gedeelte van den avond stiller dan zij ooit placht te zijn.