IV.

Na de derde herhaling van den droom ging mevrouw Verstraeten in de

kleedkamer. Zij vond er Frédérique en Lili, schaterend bezig zich van

haren Egyptischen dos te ontdoen, zoekende naar de tallooze spelden,

tusschen elke vouw. Paul en Marie, op hooge trappen, bijgelicht door

twee der meiden, rukten Kleopatra's boudoir uiteen. Dien beijverde

zich neêrgeworpen draperieën en afgegleden kettingen op te rapen. De

drie jongens rolden op een matras over elkaâr.

--Was het mooi, mama? vroeg Lili.

--Was het mooi, mevrouw? riep Frédérique tegelijkertijd.

--Prachtig mooi! Ze hadden het nog eens willen zien.

--Nog eens! Ik ben nu al half dood! riep Lili, en zij liet zich

kwijnend, met geloken oogen, in een fauteuil neêr, terwijl ze er een

grooten bundel van afgooide. Dien werd wanhopig: zóo zou zij nooit

aan een eind komen.

--Lili, rust dan toch! riep Paul, boven op zijn trap, haar uit de

andere kamer toe; je krijgt nu zoo een vermoeiende poze. Tante,

zegt u toch aan Lili, dat ze moet rusten! en hij wierp eenige bonte

tapijten van de koorden af, waarover zij geplooid hingen. Dien ging

aan het opvouwen.

--Dien, witte lakens en witte tulle! riep Marie. Dien hoorde verkeerd

en bracht verkeerd aan.

Ieder sprak, ieder beval en vroeg; de grootste wanorde begon te

ontstaan. Paul roerde zich in wanhoop, zonder begrepen te worden,

op de hoogste trede van de trap.

--Ik kan niet meer! sprak hij, neêrhurkend en woedend. Ik moet ook

alles alleen doen!

Mevrouw Verstraeten was, na Pauls verzoek aan Lili herhaald te hebben,

vertrokken om den knechts te zeggen, dat de jonge artisten niet

vergeten mochten worden. De eersten kwamen dus weldra binnen, met

groote bladen vol glazen wijn en limonade, gebak en sandwiches. De

wanorde steeg ten top. De drie jongens lieten zich bedienen op hun

matras, waarover een der Jannen een stroom orgeade goot. Toen stortte

Marie op hen in een woede van woorden toe, en zij trok met Dien de

matras onder hen weg, naar de andere kamer.

--Frédérique, help dan toch eens aan den achtergrond! riep Paul,

steeds gehurkt, en met eene verwijtende stem. Hij had het reeds

opgegeven meester te blijven over de drie jongens, die nu echter door

oude Dien buitelend en gillend uit de kamer werden verdreven. Het

werd een weinig rustiger, ieder was echter bezig, behalve Lili.

--Wat een rommel! sprak zij binnensmonds; en zij borstelde zittend

heure haren uit, golvend en aschblond, om daarna van een grooten

kwast een sneeuw van poeder op haar armen te doen vallen.

Dien kwam terug, ademloos, en het hoofd schuddende met een goedigen

glimlach.

--Dien, witte lakens en tulle, gauw! riepen Freddy, Marie en Paul

tegelijkertijd. Paul was van zijn trap afgeklommen, had het groote

witte kruis, waaronder hij bijkans bezweek, op de estrade geplaatst

en vlijde de matras en tal van kussens aan het voetstuk.

--Dien, witte lakens en tulle, alle tulle en gaas, dat er is! En Dien

bracht het aan, met de andere meiden, wit, alles wit.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 7 / 188 题