II.

Marie, nog even als Lili niet gedrapeerd, sprak door het gesloten raam,

met den vuurwerker, die in den besneeuwden tuin, in een dikken duffel,

wachtte om het Bengaalsch licht af te steken. Een groote reflector

was door het venster als een bleeke, lichtlooze zon zichtbaar.

--Eerst wit, dan groen, dan rood! riep Marie, terwijl de vuurwerker

knikte.

De kamer was donker, slechts verlicht door de lamp, die Bet vasthield,

terwijl Dien bij de porte-brisée der, nu verlaten, kleedkamer stond.

--Voorzichtig, Freddy, voorzichtig! sprak Paul.

Frédérique liet zich zeer behoedzaam in de kussens van het rustbed

neêr; Paul schikte haar draperieën, haar kettingen, heur haren,

haar diadeem, en strooide hier en daar een bloem.

--Is het zoo goed? vroeg zij met bevende stem, eene, van te voren

bestudeerde poze aannemende.

--Je bent om te stelen, prachtig; nu Marie, Lili hier!

Lili wierp zich op den grond, Marie vlijde zich tegen de bank, met

het hoofd aan Frédérique's voeten. Vlug drapeerde Paul beide meisje

in kleurige châles, sluiers, strengelde snoeren om haar armen, in

heur haren.

--Marie en Lili, wanhopig kijken! meer wringen je armen, Lili! In

wanhoop, meer in wanhoop! Freddy, jij meer smachten, je oogen omhoog,

in je mond iets treurigs.

--Zoo?

Marie schaterde.

--Ja, zoo! Zoo is het beter; stil nu, Marie, alles klaar?

--Klaar! sprak Marie.

Paul schikte nog iets, een plooi, een bloem, in wantrouwen, of alles

gereed zoû zijn.

--Kom, nu maar beginnen! sprak Lili, die zeer ongemakkelijk lag.

--Bet, breng de lamp weg; Dien, de deur dicht, en dan beiden hier,

elk aan een kant van de porte-brisée!

Dit gebeurde, en zij bevonden zich allen met kloppende harten in het

pikdonker, terwijl Paul aan het venster tikte, om zich daarna bij de

jongens in den hoek te voegen.

Langzaam en weifelend ontvlamde het Bengaalsche licht tegen den

reflector aan, de porte-brisée schoof statig open, een helle witte

gloed verheerlijkte het tableau.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 5 / 188 题