Chic was 't er niet. Maar wel gezellig.
Je behoefde bijvoorbeeld niet eerst 'n dubbele belegering van zware
portières door, vóór je je compliment afstak bij mevrouw in den salon
(trouwens 't woord «salon» kenden de Henkeman's, meen 'k, alleen
uit afleveringen-romans, welke zij verslond; hij veegde er enkel z'n
pennemes aan af of zette er glazen water op).
Nee, je stapte zóó uit de kale gang, waar niets dan 'n paraplubak
stond zónder paraplu's, in 't voorvertrek, waar zoowel ontvangen,
gegeten, gehuisd als somwijl geschilderd, gegymnastiseerd en met
pijl en boog geschoten werd. Late vrienden logeerden er ook wel en
'k meen, dat er 'n enkele maal ook werd gebaad. Doch dit laatste heb
'k nooit meegemaakt.
Sans gêne dus; daarom niet ongenoeglijk. En je had ruimte van bewegen,
want veel stond er niet. En wàt er stond, was nogal wankel, ruimde
je dus, als 't je hinderde, gauw uit den weg. Vandaar dat, wanneer 't
gezelschap bijzonder voltallig was--de Henkeman's ontvingen drùk--de
kamer in een minimum van tijd was ontmeubeld. Je moest dan wel staan,
wat op den duur vermoeiend is, maar 't hield je ten minste wakker
en 't gaf iets los, ongekunstelds aan 't samenzijn. Je kon je soms
zelfs verbeelden, dat je je op 'n gezelligen clubtocht bevond, zóó
liepen allen dwars door elkaar of in groepjes 'n eindje op, druk
gesticuleerend of in hoogst geanimeerd gesprek. Ja, aan kouwe sjeu
deden de Henkeman's niet.
De suite-deur stond meest open. Niet voor 't gezicht! Want was
de voorkamer al niet rijk aan chaise longue's, Mimi-tafeltje's,
causeuse's, 't achtervertrek was direct te exploiteeren als
rolschaatsbaan: je viel er zelfs niet over 'n stoof. Henkeman
noemde 't daar z'n «conceptie-hol»--hij broeide er z'n geweldigste
kunstwerken uit--; ook wel zijn Paradijs. Nu, even maagdelijk was
't er minstens. 'k Geloof, dat, vele, vele jaren her, de Henkeman's
iets dikker zaten in wat men gemeenlijk het huiselijke comfort
noemt. Echter, de tand des tijds had veel vrekkig verknaagd. En ook, om
deze beeldspraak nog iets door te voeren, de tand des deurwaarders--'n
geweldige slagtand, 'n heele ivoormijn!--had er verwoestend in gehuisd,
zoodat slechts 'n wrak, 'n ruïne overbleef van wat eens statig zeilde
op de geordende huwelijkszee.
Doch de Henkeman's trokken er zich niets van aan, geheel los van dat
wurmige gedoe, waarover ieder ander zich zoo dwaaslijk bekommerde. Zij
leefden in 'n geestelijke sfeer, waar men desnoods genoegen nam met
één rieten stoel en 'n tafel van twijfelachtige stabiliteit. Bijkoopen
deden ze evenmin. Eerstens wijl hun daartoe 300 en zooveel dagen
van 't jaar de middelen, 't leelijke, protsige geld ontbraken. En de
overige, weinige etmalen besteedden ze hun overtollige financiën liever
aan meer direct te consumeeren levensvreugden als: nieuwe broeken,
'n huisjapon, kreeft, oesters, port- en andere wijnen. In zekeren
zin waren de Henkeman's echte levenskunstenaars.
't Overige van hun huis lag voor de meeste bezoekers in 't duister. Ik
heb er eens 'n blik in geslagen. 'k Zag 'n keukentje, vettig, walmig,
met hier en daar scheef aan 'n verdwaalden spijker 'n enkele pan, die
nieuwsgierig door z'n eigen bodem keek. Dan kwam je in de uitbouwen,
waar geslapen en, bij helder weer, ook geschilderd werd. 'k Zag op
tegen 'n berg van beddegoed, bultig, valleiïg, 'n wanorde, of er
hevig slag geleverd was door slaapdronken reuzen. Die eene blik was
me voldoende. Ik gevoelde me behaaglijker in hun gezellig vóór.
Toen ik er de vorige maand kwam, ontvingen de Henkeman's me met hun
gewone hartelijkheid. Co, in 'r peignoir, welke 'k me nog van onze
eerste kennismaking herinnerde, zat over 'n mandje aardappelen gebogen,
welke ze niet schilde. Hìj, Jos, handen tusschen hemd en pantalon,
liep heen en weer met onnoodig groote stappen, de zijkanten van den
vloer zorgvuldig vermijdend; want dan kwam je op hout, wat geweldig
kon klotsen en Co had weer last van 'r hoofdpijn. In 'n hoek bij 't
raam lag de kleine Joop over den grond te knikkeren met òngekookte
bruine boonen. Uit 't «conceptie-hol» klonk 't zachte gebler van de
jongste--de Henkeman's waren laat in hun kinderen gekomen--, die daar
met z'n wieg tijdelijk was ondergebracht, dus de maagdelijkheid van
't Paradijs lichtelijk schendend. Ik voelde me weer dadelijk in den
familiekring.
Voorzichtig m'n weg nemend langs 'n tafeltje, dat 'k kènde--'t ding
had altijd de onhebbelijkheid, met je mee te gaan--stak 'k Co bruisend
de hand toe. Zij, de hare afvegend aan 't ochtendkleed, reikte me die
dan slapjes aan, met 'n van hoofdpijn schuinschen blik onder langs
'r vrijzinnig opgemaakt Cleo-haar. En ze zei: «Zoo?», wat zoowel alles
als niets beteekenen kon, zoodat 't moeilijk voor me was, er op in te
gaan. 'k Wou dus al, dwars over 'n hindernis van kinderspeelgoed en
'n teekenmap, oversteken naar Jos, toen 'k aan bei m'n broekspijpen
werd vastgegrepen. 'k Keek benedenwaarts en ontwaarde kleinen Joop,
die tegen m'n beenen lag te duwen, omdat 'k op twee van z'n bruine
boonen stond. 'k Hou van dat kinderhandjes-gegraai, dus bukte me,
'm te aaien. Doch Jopie, die zeer vrij wordt opgevoed--bloemen
in 't wild zijn 't mooist, is een van Jos' opinies--beet me vrij
felletjes in m'n duim, zoodat 'k m'n hand haastig terugtrok. En,
nu niet meer wijkend voor de versperring van 'n houten paardje, dat,
geheel staartloos en zonder manen, me melancholiek stond aan te staren,
stevende 'k recht op Jos af met 'n joviaal «besjour!» Jos, die juist
z'n broek weer optrok, wat nooit voor langer dan vijf minuut hielp,
zei op zìjn beurt: «zoo?» Doch hij stak me de vijf niet toe, want
hij is niet erg handerig: hij vindt dat bourgeois.