—Als ik niet meende, dat wij hier wel iets anders te doen

hebben—namelijk zoo spoedig mogelijk heen te gaan—dan zou ik durven

wedden, dat je veel lust hebt hier te blijven, alleen om te zien, wat

er met die mooie cocotte, en dien kellner gaat gebeuren!

—Je zoudt je weddenschap gewonnen hebben, Charly—want dat ben ik

inderdaad voornemens!

—Je drijft er zeker den spot mee? riep Charly verschrikt uit.

—Ik meen het in volle ernst!

—In deze stad die wel een vulkaan gelijkt, welke ieder oogenblik tot

uitbarsting kan komen?

—Ik kan het niet helpen, dat dit interessante feit zich juist hier

afspeelt, hernam Raffles bedaard.

—Maar als die vrouw werkelijk gevaarlijk is, en iets in den zin heeft,

dan branden wij onze vingers, als wij er ons mede bemoeien! ging Charly

voort.

—Wij kunnen oppassen!

—Maar die vrouw hoort hier misschien in het geheel niet thuis! hield

Charly wanhopig aan.

—Dat is te onderzoeken—en als zij werkelijk niet in de stad thuis

hoort,—wel, dan zullen wij haar volgen! Maar wij zullen spoedig

zekerheid kunnen hebben!

Hij wenkte den kellner die hen bediend had, en die dadelijk gedienstig

kwam toesnellen.

Raffles wees op de schoone vrouw aan het andere tafeltje en vroeg op

zachten toon:

—Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend, wie die dame daarginds is en

hoe zij heet?

De kellner wierp een vluchtigen blik in de aangeduide richting en zei

toen:

—Wie zij is, zou ik U niet kunnen zeggen mijnheer, maar zij heet

Feodora Leszinsky, en zij is denkelijk een Poolsche, zeer rijke

demi-mondaine.

—En die heer naast haar?

—Wij houden hem voor haar minnaar, ofschoon hij niet in dit hotel

logeert.

—Dus dat doet die dame wel? vroeg Raffles op levendigen toon.

—Ja mijnheer, zij heeft twee prachtige kamers op de tweede verdieping.

—Zeker nog niet lang? vroeg Raffles als terloops.

—Sedert gisteren!

Raffles knikte den kellner toe en deze trok zich weder terug.

Raffles bleef eenige oogenblikken in gedachten zitten en hief toen

eensklaps het hoofd op.

—Ik gaf er heel wat voor, als ik wist wat er in het briefje stond, dat

de kellner haar zooeven tersluiks in de hand heeft geduwd, zeide hij op

zachten toon.

—Je kunt het haar moeilijk vragen, Edward! meende Charly.

—Neen, dat zal niet gaan, hernam Raffles met een flauwen glimlach. Wij

zouden echter kunnen trachten het briefje door list in handen te

krijgen!

—Maar mijn hemel! hecht je daar dan zoo bijzonder aan?

—Ja, zeer bijzonder. Ik weet niet wat het is, maar die vrouw oefent een

ongeloofelijke aantrekkingskracht op mij uit.

—Ha, ha! Eindelijk heb je je dan toch eens bloot gegeven! riep Charly

op zegevierenden toon uit. Eindelijk ben je dan toch onder den invloed

van de schitterende bekoorlijkheid van die vrouw!

—Je vergist je, Charly—ik denk alleen aan haar schitterende diamanten,

hernam Raffles lakoniek. Haar uiterlijk is mij volkomen onverschillig.

Charly maakte een gebaar van teleurstelling en bromde zuchtend voor

zich heen.

—Onverbeterlijk! Onverbeterlijk!

Raffles had intusschen rustig een paar halen aan zijn cigaret gedaan,

waarvoor hij echter drie roebel had moeten betalen en scheen in

gedachten verzonken.

Toen boog hij zich naar Charly over en zeide:

—Zij heeft het briefje in haar boezem weggemoffeld en het zal inderdaad

wat lastig zijn om het uit die schuilplaats te voorschijn te brengen,

zonder dat zij het bemerkt. Maar er zal toch een oogenblik komen dat

zij zich van haar kleederen ontdoet en het briefje wegbergt en dat

oogenblik moeten wij benutten.

—Tenminste als zij het niet voor dien tijd verscheurd heeft! merkte

Charly op.

—Dat zouden wij moeten afwachten!

—Zeg mij nu eens duidelijk wat je plannen zijn!

—Vannacht in haar kamer binnendringen en naar het briefje zoeken.

—En als zij ontwaakt?

—Snel heengaan en doen als of er geen wolkje aan de lucht is.

—En als zij haar revolver neemt en op je schiet, zooals Poolschen dat

gewend zijn?

—Bidden, dat zij zal misschieten. Heb je nog meer aanmerkingen?

Charly maakte een stom gebaar van wanhoop, en schudde ontkennend het

hoofd.

—Het blijft dus afgesproken, ging Raffles voort. Wij logeeren ook op de

tweede verdieping, en het zal gemakkelijk zijn het nummer van haar

kamers te weten te komen.

—Als je er dan volstrekt op gesteld bent je hoofd in een strop te

steken, Edward en haar kamer binnen te dringen, dan zou ik in

overweging willen geven, eenvoudig haar juweelenkistje onder den arm te

nemen, en zoo spoedig mogelijk te verdwijnen zonder je verder met dat

briefje van den kellner te bemoeien.

—Pardon, dat briefje kon weleens de hoofdzaak zijn, en veel meer waard

dan haar juweelen!

HOOFDSTUK V.

DE AANSLAG OP JUDENITSCH.

Charly gaf zich gewonnen, daar hij wel inzag dat Raffles zich vast had

voorgenomen om het geheim te doorgronden, en niet eerder zou rusten,

voor hij den inhoud van het briefje ontdekt had.

—Kan ik je tenminste helpen? vroeg hij.

—Neen, mijn jongen, ik geloof dat het beter is als ik dit alleen doe,

in een hotel opereert men beter alleen!

De eetzaal was nu langzamerhand leeggeloopen en de schoone Poolsche

stond nu ook op en liet zich door haar kleinen donkeren metgezel haar

bontmantel omhangen en verliet met denzelfden koninklijken tred

waarmede zij gekomen was, de zaal.

Maar van dat oogenblik af zou zij niet meer ontkomen aan den spiedenden

blik van den Grooten Onbekende.

Raffles wenkte den kellner, betaalde hem—gaf dertig roebel fooi, wat

maar juist even voldoende bleek te zijn, waarop hij zich haastte er

vijftig van te maken en verliet op zijn beurt met Charly de eetzaal.

In het hotel was als schrille tegenstelling met den nood der tijden een

danszaal ingericht waarin een strijkje van Hongaren meesleepende

dansmuziek speelde. En in die zaal danste men als of er niet nog steeds

om het bezit van de stad gestreden werd tusschen de Witten en

Rooden—men danste er, zooals de edellieden tijdens het hoogtepunt van

de Fransche Revolutie in hun gevangenis in de Bastille dansten, tot op

het oogenblik dat zij met karren tegelijk naar de guillotine werden

gevoerd.

De Poolsche was deze zaal binnengetreden, en zij vertoefde er bijna een

uur.

Raffles scheen volstrekt geen vermoeienis meer te gevoelen, en bewaakte

haar evenals een kat het een muizenhol doet.

Maar toen scheen zij er genoeg van te hebben, en zij ruischte weg,

nagezien door alle heeren in de zaal, terwijl de kleine zwarte man, die

steeds in haar gezelschap was geweest, achterbleef.

Feodora Leszinsky begaf zich naar hare kamer, en Charly vroeg op

fluisterenden toon:

—Nu zal het dus voor ons ook tijd worden om onze kamers op te zoeken?

—Ja, mijn jongen! antwoordde Raffles, het doet mij leed dat ik je van

een deel van je nachtrust beroofd heb, maar wezenlijk, deze zaak houdt

mij zoozeer bezig dat ik niet zal rusten, alvorens ik ze tot klaarheid

heb gebracht. Ik zelf zal een paar uur rust nemen en dan zullen wij

eens zien wat het briefje bevat!

De beide vrienden zochten hun kamer op, na zich te hebben vergewist dat

de logeerkamer van de schoone Poolsche inderdaad op hun eigen

verdieping gelegen was en dat zij zich in haar appartementen had

teruggetrokken.

Het was omstreeks één uur in den nacht.

Men hoorde hier zeer zacht en gedempt de tonen opklinken van het kleine

orkestje in de danszaal, waar men, zooals de kellner verzekerd had, den

geheelen nacht zou blijven doordansen!

Dit maakte natuurlijk de onderneming van Raffles niet gemakkelijker,

daar hij nu rekening moest houden met de mogelijkheid, dat hij op de

gang nog gasten zou tegenkomen. Hij was echter niet van zins zich

daarom van zijn voornemen te laten terughouden.

Ofschoon Charly poogde, zoolang mogelijk wakker te blijven, won de

vermoeienis het van hem en hij sluimerde in.

Wat Raffles betreft—hij had zich voorgenomen om juist half vier in den

morgen wakker te worden—en het scheelde ook geen vier minuten!

Hij sprong zonder eenig gerucht te maken uit het bed, schoot snel

eenige kleedingstukken aan, liet zijn revolver in zijn zak glijden, en

zijn kleine electrische zaklantaarn, die hem steeds had vergezeld.

Vervolgens opende hij behoedzaam de deur van zijn kamer en keek in de

gang.

Deze was flauw verlicht door een paar kleine electrische lampjes in de

zoldering aangebracht, en lag daar stil en verlaten, maar daar beneden

klonk de zachte gedempte dansmuziek nog altijd door—en tegelijkertijd

kon men hier duidelijk het dof gerommel van het geschut hooren!

Raffles bedacht zich echter niet, maar trad naar buiten, trok zachtjes

de deur achter zich dicht en stak snel de gang over.

Hij wist dat Feodora Leszinsky een kamer als slaapvertrek gebruikte

terwijl de andere als een soort salon werd benut.

Hij stond nu voor de deur van dit laatste vertrek en draaide behoedzaam

aan de kruk.

Zooals hij wel kon verwachten, was de deur van binnen met den sleutel

gesloten. Dit was echter voor iemand als Raffles geen bezwaar.

Hij haalde een klein instrument te voorschijn, hetwelk de Witte met

zijn sleutelbos en nog wat andere schijnbare waardelooze voorwerpen in

zijn bezit hadden gelaten, stak dit in het slot, en draaide van buiten

af voorzichtig den sleutel in het slot om.

Deze manoeuvre had nauwelijks eenige seconden geduurd.

Raffles vergewiste zich nog eens dat men hem niet bespiedde, en opende

vervolgens snel en geruischloos de deur welke hij dadelijk weer achter

zich sloot.

Het was stikdonker in het vertrek, maar de deur die tot het

slaapvertrek toegang gaf stond op een kier, en vandaar drong een flauw

lichtschijnsel in den salon door—er brandde dus een nachtlicht in het

slaapvertrek.

Het eerste wat Raffles deed, was naar deze tusschendeur te sluipen en

haar te sluiten.

Het tweede was zich te overtuigen dat het raam uitzicht gaf op een

balkon dat langs den geheelen zijgevel van het hotel liep, en aan welks

einde zich een brandladder bevond.

Na zich op deze wijze te hebben vergewischt, dat zijn aftocht gedekt

was in geval van nood, schoof Raffles de gordijnen weder dicht en

ontstak zijn zaklantaarn, teneinde het vertrek te onderzoeken.

Er stonden niet veel, maar zeer fraaie meubels en daaronder was een

klein schrijfbureau van rozenhout waarvan het blad gesloten was.

Raffles trad er dadelijk op toe, onderzocht met kennersoog het slot,

haalde minachtend de schouders op en opende het blad met evenveel gemak

alsof er een sleutel op gezeten had.

Het Bureau scheen gebruikt te worden, want er lag briefpapier in en een

vloeilegger, een sierlijke schrijfmap, en de laden, eveneens voor een

deel gesloten, bleken brieven te bevatten.

Raffles haalde er eenige uit de enveloppen en las ze vluchtig door.

Deze lectuur scheen hem groot belang in te boezemen, want een half uur

later las hij nog altijd!

Zijn gelaat teekende verrassing, toen hij eindelijk de laadjes weder

dicht schoof, na de brieven weder allen op hun plaats te hebben gelegd.

Hij wilde ook de klep reeds weder sluiten, toen zijn oog viel op een

slordig opgevouwen stukje papier, dat half uit de schrijfmap stak.

—Dat papiertje lijkt al zeer veel op het briefje hetwelk de kellner

heden avond aan onze schoone dame ter hand stelde! dacht hij.

Hij vouwde het open en las slechts deze woorden:

—“Houd je gereed. Word een dezer dagen in dit hotel verwacht.”

Een oogenblik bleef Raffles in gedachten met het briefje in de handen

staan en daarop stak hij het weder in de schrijfmap en sloot het

bureau.

Een oogenblik hield de gedachte hem bezig, dat er in het naastgelegen

vertrek voor een waarde van minstens honderd duizend roebel aan

juweelen was te vinden—maar Raffles scheen andere plannen te

hebben—want hij opende slechts weder de tusschendeur op een kier,

zooals hij ze gevonden had, en verliet het vertrek zonder meer leven te

maken, dan een vos zou hebben gemaakt.

Hij overtuigde zich dat de weg veilig was en stond met een paar

sprongen weder voor zijn eigen kamer.

Een minuut later had hij zich weder ontkleed en te bed begeven.

Charly sliep nog altijd rustig en Raffles dacht er niet aan hem wakker

te maken, ofschoon hij in de kamer van de schoone Poolsche zeer veel

belangrijks had ontdekt.....

De beide vrienden sliepen voor hun doen zeer lang en stonden pas om

half negen volkomen uitgerust en verkwikt op.

Zij namen een bad en daarop bracht een étage-kellner het eenvoudig

ontbijt in hun kamer bestaande uit chocolade en kleine broodjes.

Toen zij voor het raam gezeten waren, vanwaar zij een prachtig gezicht

hadden op het Newa Prospect, vroeg Charly nieuwsgierig:

—Nu zult je toch den tijd voor de confidenties wel aangebroken achten,

mag ik vragen of ge iets bijzonders ontdekt hebt in de kamer van de

schoone Feodora?

Raffles knikte bevestigend, nam een teug van de geurende chocolade en

zeide toen langzaam:

—Wat ik daar vond was zeker van gewicht! Wat denk je wel dat die mooie

demi-mondaine inderdaad is?

—Hoe zou ik dat kunnen weten? Misschien wel een voormalige

grootvorstin.

—Neen, dat niet bepaald! Zij is in dienst van de Rooden!

—Wat zeg je daar? Dus een Bolsjewiki? riep Charly verbaasd uit.

—Niets meer en niets minder. Ik heb in haar bureau een gansche

correspondentie gevonden met een Luitenant van Lenin. Zij heeft hier

een zending te vervullen en daarom heeft zij, hoewel slechts voor

tijdelijk, haar intrek in dit hotel genomen! Weet je wie hier verwacht

wordt?

—Lenin zelf misschien?

—Neen, Generaal Judenitsch!

—Judenitsch? Hier? Hoe weet je dat?

—Het stond in het briefje hetwelk de kellner haar gisteren in handen

speelde! Weliswaar werd daarin alleen de voorletter J genoemd, maar er

kan niet aan getwijfeld worden of hij is bedoeld, afgaande op de

overige correspondentie welke ik verwacht heb.

—En zij? Wat is haar taak?

—Haar taak is tweeërlei.—Zij moet trachten zich van de krijgskas

meester te maken waarover hij het beheer heeft, en daarna moet zij hem

dooden!

Charly verbleekte.

—Vreeselijk! zeide hij toonloos. Een sluipmoordenares dus!

—Ja, maar zoo zullen de Rooden het natuurlijk niet noemen, ging Raffles

kalm voort. Zij zullen haar wel wreekster of iets dergelijks noemen, en

in geval zij terecht gesteld wordt, heet zij natuurlijk een martelares!

—Maar je zult dat toch aanstonds bij de politie aangeven? riep Charly

uit.

—Geen haar op mijn hoofd denkt daar aan! antwoordde Raffles rustig. Ten

eerste is het begrip politie wat al te vaag op dit oogenblik, en in

deze stad. Vergeet niet dat wij hier in een stad zijn, die tot op

gisteren altijd in handen van de Bolsjewiki is geweest, en waar dus óók

de politiemacht onder controle van Lenin en Trotsky stond! Maar al is

dat niet zoo, ik heb heel andere plannen!

—Wat ben je van zins?

—Ik wil, om te beginnen de juweelen van die Poolsche hebben, want zij

zijn zeer schoon en zij zijn haar waarschijnlijk verschaft door het

Roode Hoofdkwartier, dat er ook wel niet op een eerlijke wijze zal zijn

aangekomen. Die heeft zij natuurlijk gekregen om naar behooren haar rol

van rijke Poolsche te spelen. Zij moet door haar schoonheid Generaal

Judenitsch tot zich lokken—en dan zou de rest haar niet moeilijk

vallen.

—Maar waarom heb je die juweelen dan eenvoudig van nacht niet

meegenomen? ging Charly voort.

—Dat zou zeer gevaarlijk zijn geweest, vergeet niet dat wij hier in een

zeer gevaarlijke omgeving zijn, en dat wij letterlijk aan de genade of

ongenade zijn overgeleverd van de partij die toevallig de overhand

heeft! Iedereen kan ons naar onze passen vragen en ons in de gevangenis

laten werpen! Een juweelendiefstal zou natuurlijk dadelijk ontdekt

zijn, en wat zou er met ons gebeuren, denk je, als men die kostbare

steenen bij ons vond? Je zult misschien aanvoeren, dat wij dadelijk de

vlucht hadden kunnen nemen, maar ik verzeker je dat we niet ver gekomen

zouden zijn! In ons land gaat men eenvoudig in een trein zitten, of wij

hebben onze auto bij de hand, of wij trekken ons eenvoudig terug naar

één van onze landgoederen, onder één of andere vermomming, maar dat

gaat ditmaal niet. Ik wist daarenboven, dat die diamanten mij niet

zouden ontgaan, als ik slechts den goeden weg volgde.

—En mag ik weten wat die goede weg is?

—Heel eenvoudig! Ik zal de plaats innemen van Generaal Judenitsch!

Charly liet een lichten kreet hooren, en bijna was zijn kop chocolade

hem uit de hand gevallen.

Hij staarde Raffles met wijd geopende oogen aan en zeide toen, nadat

hij zich hersteld had op ironischen toon:

—Wel zeker—dat is bijzonder eenvoudig! Het kon bijna niet eenvoudiger!

Ik begrijp niet, dat ik daar zelf niet op ben gekomen.

—Je drijft er den spot mede, hernam Raffles kalm, en je denkt dat het

moeilijk zal zijn, om mijn plan ten uitvoer te brengen.

—Moeilijk? maar Edward, het is volkomen onmogelijk!

—Waarom, als ik vragen mag?

—Waarom? Wel om alles! riep Charly uit.

—Noem mij dan eens eenige redenen, wat ik je verzoeken mag.

—Daar is om te beginnen het uiterlijk! Je hebt ditmaal niets

medegenomen om je te kunnen vermommen, en het weinige dat je had, is

met onze bagage verloren gegaan!

Raffles haalde de schouders op en sprak:

—Ik erken dat dit een bezwaar is, maar het is niet onoverkomelijk. Je

zult je herinneren, Charly, dat ik je eens heb medegedeeld, hoe ik in

alle hoofdsteden der voornaamste landen van Europa, te Berlijn zoowel

als te Parijs, te Madrid, te Rome, te Weenen en te Petrograd een

kleinen voorraad van vermommingen bezat, die in geval van nood moesten

dienst doen.

—Zeker herinner ik mij dat, Edward, maar je gelooft toch niet dat

tijdens den oorlog die bergplaatsen en die kleine kamertjes welke je

gehuurd had of zelfs de kleine huizen welke je bezat, onaangeroerd zijn

gebleven!

—Dat mag ik tenminste niet hopen, Charly, antwoordde Raffles. In die

jaren zal er heel wat gebeurd zijn, vooral in de oorlogvoerende landen,

maar in ieder geval zullen wij dadelijk op onderzoek uitgaan en zien

hoe of het met mijn woning staat!

—Die is natuurlijk al lang door anderen in bezit genomen!

—Dat is zeer wel mogelijk, maar dat zou niet hinderen zoo lang men mijn

geheime bergplaatsen niet heeft ontdekt!

—En als dat wel het geval is?

—Dan zouden wij ons moeten wenden tot een of anderen Theaterkapper! Ik

erken dat dit lang niet hetzelfde is, maar na eenige uren werk zouden

wij hetgeen de man ons verschaft, voldoende hebben kunnen veranderen.

—Maar de uniform, Edward? Hoe kom je daar aan?

—Judenitsch draagt een zeer eenvoudige generaalsuniform, en toen wij

hem zagen was hij in veldtenue. Een dergelijke uniform is zeer

gemakkelijk ergens te krijgen—wij zullen er aanstonds eens op uitgaan.

—Zijn ridderorden?

—Namaken of bij een opkooper aanvragen.

—Zijn gevolg?

—Hij komt hier niet met zijn geheelen staf, maar slechts met zijn

adjudant en dat ben jij!

—Maar ik ken niet voldoende Russisch!

—Er wordt ook niet van je verlangt dat je je mond opendoet!

Charly zocht met inspanning naar nog andere tegenwerpingen, maar hij

kon er geen vinden en liet zich wanhopig achter in zijn stoel vallen,

terwijl hij een gebaar van machteloosheid maakte.

Toen bromde hij:

—Ik zeide het al—er is niets aan te doen. Dan moet het noodlot zich

maar voltrekken!

HOOFDSTUK VI.

TOEBEREIDSELEN.

Nu Raffles zich éénmaal vast had voorgenomen, om zijn plan ten uitvoer

te brengen, begon hij ook dadelijk met koortsachtigen ijver aan de

toebereidselen.

Charly had zich in het onvermijdelijke geschikt en ondanks zichzelf

bewonderde hij de weergalooze stoutmoedigheid van dezen man, die zelfs

onder deze omstandigheden niet terugschrok voor een onderneming welke

ieder ander zeker als waanzinnig en tot mislukken gedoemd zou

beschouwen!

Dadelijk na het ontbijt verlieten de beide mannen het hotel, nadat zij

Henderson hadden gewaarschuwd.

Deze kreeg in opdracht zoo mogelijk voor een zeer snelle auto te zorgen

ofschoon dat zeker niet gemakkelijk zou zijn, daar Henderson alleen

maar Engelsch sprak.

Raffles en Charly wisten een huurauto machtig te worden en de eerste

gaf den chauffeur het adres op van een kleine straat dicht bij het

Admiraliteitsplein.

De man scheen even na te denken, en zeide toen:

—Dat zal U honderd roebel kosten, mijnheer, ik geloof dat die buurt nog

door de Rooden onder vuur wordt genomen.

—Dat kunnen wij afwachten, zeide Raffles bedaard.

Zij stapten in en de auto zette zich in beweging.

De chauffeur had vrij wat moeite het voertuig naar de hem opgegeven

plaats te brengen, want hier en daar lag de sneeuw nog zeer dik en

bovendien waren de straten nu en dan versperd door barricades of de

puinhoopen van door het granaatvuur vernielde huizen.

Maar eindelijk bereikten zij toch de aangewezen straat.

Raffles gelastte den chauffeur te wachten en verzocht Charly in de auto

te blijven tot hij zou zijn teruggekeerd.

Hij liep haastig de straat in en hield ten slotte stil voor een oud

huis waarvan hij jaren geleden een kamer op de bovenste verdieping had

gehuurd, waarnaar hij echter tijdens den oorlog niet had kunnen omzien.

Zooals hij wel vermoed had, was deze kamer intusschen reeds herhaalde

malen aan anderen verhuurd, zooals de portier van het groote huis hem

medegedeeld had.

Maar de tegenwoordige huurder, die bij het leger der Rooden dienst

deed, was reeds veertien dagen geleden heengegaan, en sedert dien had

men niets van hem vernomen.

Raffles greep de gelegenheid aanstonds aan en zeide tot den portier:

—Ik zal U eens wat zeggen! Ik heb deze woning eenige jaren geleden

gehuurd en ofschoon ik er volstrekt geen rechten op wil doen gelden zou

ik ze gaarne weder betrekken gedurende een paar dagen, ik ben niet rijk

genoeg om een duur hotel te betalen en ik beloof U dat ik aanstonds

weder zal verhuizen als de tegenwoordige huurder mocht terugkeeren.

Raffles had hem onder het spreken een goudstuk in de handen gedrukt,—en

al was het dan een Engelsch, de portier verbaasde er zich ten zeerste

over dat hij in deze stad goudgeld te zien kreeg! Raffles noemde toen

den naam waaronder hij eenige jaren geleden de woning gehuurd had.

De man scheen even in beraad te staan, maar de Engelsche Souverein had

hem reeds zoo week als boter gemaakt—hij wist wel dat hij voor dat

geldstukje gemakkelijk vijftig en zelfs zestig roebels zou kunnen

maken! En daarom zeide hij:

—Ik denk wel dat het zal gaan, mijnheer! Gij zult er echter zeer weinig

meubels vinden en die zijn nog van den huiseigenaar!

—Dat doet er niet toe. Ik kom hier slechts eenige dagen met een paar

mijner vrienden wonen.

Raffles knikte den man toe, keerde naar de auto terug, en zeide op

zachten toon tot Charly:

—Het lot is ons gunstig! We hebben nu een dak boven ons hoofd, ik heb

dezelfde kamer kunnen huren, waarin ik destijds mijn vermommingen heb

weggeborgen.

—En denk je dat die er nog zijn?

—Dat zullen we aanstonds onderzoeken!

Raffles betaalde den chauffeur, Charly stapte uit en te voet begaven de

beide vrienden zich naar het huis.

De portier geleidde hen naar een vrij groote kamer op de bovenste

verdieping en vroeg toen:

—Hebben de heeren geen bagage bij zich?

—Neen, die is aan de grens opgehouden! antwoordde Raffles voor de vuist

weg, maar wij zullen U een week huur vooruit betalen!

—Dan is alles in orde, mijne heeren, zeide de man waarop hij zich

terugtrok. Zoodra het geluid zijner voetstappen was weggestorven sloot

Raffles de deur van het eenvoudig gemeubelde vertrek en trad snel op

een der hoeken toe, die het verste van de ramen verwijderd was.

Hij sloeg hier een punt van het vloerzeil terug, en nu zag Charly een

soort luik, dat hij echter niet als zoodanig herkend zou hebben, als

hij niet half en half verwacht had wat hij te zien zou krijgen, dat

bijna anderhalve meter in het vierkant mat.

Niet zonder groote moeite wist Raffles het open te krijgen—en daar

zagen zij nu een aantal platte blikken doozen, alles voorzien van een

etiket, waarvan de opschriften echter door vocht en door stof bijna

onleesbaar waren geworden.

—Ik heb dat luik zelf gemaakt, zeide Raffles en de ruimte benut

tusschen het plafond en den vloer die tamelijk groot is, zooals je

ziet. En nu zullen wij eens zien hoe de inhoud zich wel gehouden heeft

in al die jaren.

Hij nam een paar blikken uit de schuilplaats, en opende ze.

De doozen waren vrij sterk door de roest aangetast, en de inhoud bleek

op eenige plekken van motten en houtwurmen te hebben geleden.

Maar gelukkig niet zoo erg als Raffles wel gevreesd had.

Nu kwam er een groote roode doos te voorschijn, die een aantal pruiken

bleek te bevatten.

Deze waren allen nog geheel en al ongeschonden alsof zij zoo van den

pruikenmaker kwamen. Tevens bevonden er zich eenige voortreffelijk

nagemaakte en eenige echte ridderorden in.

Lord Lister No. 0319: Het komplot tegen Judenitsch · 第 3 / 4 段