Mijnheer v. N. lachte.--Haha! zeide hij, moeder, moeder! daar loopt gij

er in met uwe definitie; de _ergo_, de gevolgtrekking van Bella was

juist, maar het is duidelijk, dat uw _major_ niet deugde.

--Nu, zeide mevrouw v. N., dan moet de tijd haar maar leeren, wat eene

moeder is, en nu lieve Bella! wil ik uwe moeder zijn--uwe moeder is in

den hemel, en eens, Bella! had ik--een meisje, net als gij--en dat--is

ook in den hemel, en misschien ziet uwe moeder nu op u neder en is

gelukkig, dat er eene vrouw is, die voor u als eene tweede moeder zal

zorgen en aan wie gij dierbaar zijn zult als een kind.

Bella weende en legde het hoofdje met de donkere haren in den schoot,

die haar wel niet gedragen had, maar waarboven een hart klopte zoo vol

en zoo overvloeiend van moederlijke liefde!

Mevrouw v. N. keek haar man aan, en hij zag haar aan, en beiden dachten

met stillen weemoed aan een lief kind, dat, evenals Bella nu, aan hare

zijde gehangen had, en nieuwe tranen welden op met deze oude

herinnering.

Bella hief het hoofd op en haar wonderlijk verstandige en levendige

oogen op mevrouw v. N. richtende, begreep zij die droefheid, en hare

armen teeder om mevrouw v. N.'s hals slaande, riep zij:

--Moeder! mag ik u dan moeder noemen? En wilt gij mij nemen in de plaats

van wat gij verloren hebt?

En ik stond daar bij en terwijl ook mijn hart vol was en ik het zoo

voelde, dat eene moeder toch wel iets meer is dan eene eenigszins

bejaarde vrouw, die thee schenkt en boterhammen maakt, en een mandje met

sleutels heeft,--en ik ook wel iets had willen zeggen om mijn gevoel te

luchten, stond ik als een slungel aan mijn neus te krabbelen en mij te

verwonderen over de onbevalligheid en onhandigheid van een jongen en

over de snelle gevatheid, waarmede een meisje in zulke toestanden de

juiste snaren weet te treffen.

* * * * *

De bibliotheek van mijnheer v. N. was de kamer, waarin ik zoo dikwijls

gezeten, waarin ik zoo veel geleefd en gelezen heb, waaraan zoo vele

draden van latere verschijnselen en eigenschappen van mijn geest zijn

vastgehecht, dat het geen wonder is, indien menig blad van het

levensboek mijner jeugd daarvan vol is. Het blad, dat ik bij het

doorbladeren van dat boek nu opsla, bevat omtrent die bibliotheek een

gewichtig en merkwaardig voorval.

Wat in geen jaren gebeurd was--het _spinnekoppennest_ zou worden

schoongemaakt! Zóó was beslist in eene zitting met gesloten deuren,

welke mevrouw v. N.--met hare meiden en schoonmaaksters had gehouden.

Op een ochtend--ik zat in oude prenten te snuffelen--kwam mevrouw v. N.

binnen. Dat gebeurde nooit of er moest iets bijzonders aan de hand zijn,

want de bibliotheek diende ook voor de plaats, waar belangrijke

aangelegenheden werden bepraat en beslist.

Of mijnheer v. N. eenig voorgevoel had, weet ik niet; maar ik dacht, dat

hij ongerust opzag. Zijne vrouw had den vorigen avond reeds zorg

gedragen, te doen uitkomen, hoe door mijne bekentenis, dat ik den

_Boetius_ had weggenomen, de onschuld der schoonmaaksters triumfantelijk

aan het licht kwam, en mijnheer v. N. had ook zeer wel gevoeld, welk een

krachtig argument tegen deze hem daardoor ontvallen was. Het was eene

welberaamde belegering, die hij nu had uit te staan.

Door zich in de bibliotheek te begeven had zijne vrouw met veel tactiek

den vijand den terugtocht afgesneden. En toen deze aldus ingesloten was,

nam de belegering een aanvang.

Bij het binnentreden haalde mevrouw v. N. veelbeteekenend den neus op.

--Manlief! zei ze, het ruikt hier muf!

--Och! zei bij kregelig.

--De stof ligt duimen dik op alles, hervatte zij, met den vinger eene

kapitale N. schrijvende in de stoflaag, die op den band van een der

boeken lag; en het is hoogst noodig....

--Onnoodig! zeide hij, onnoodig! als het noodig was, zou ik niet zeggen

... maar het is volstrekt onnoodig! En in het vuur der redeneering eene

beweging met den arm makende, deed hij een bundel papieren met een paar

boeken van de tafel vallen. Er ging eene stofwolk van op alsof een kanon

was afgeschoten.

Mevrouw v. N. lachte en wees hem dit.

Maar gelijk het gaat, wanneer onze argumenten wat al te duidelijk

wederlegd worden, wordt men driftig.

--Ik verkies niet, dat je ellendige schoonmaaksters ... riep mijnheer v.

N. uit.

Ik begreep, in mijn hoekje zittende, dat hij verloren was; want als hij

driftig werd, kreeg hij langzamerhand berouw en gaf dan doorgaans hals

over kop alles toe.

Intusschen ging zijne vrouw, na aldus eenige bressen gemaakt te hebben,

van tactiek veranderen.

--Het is hier bedompt, zei ze, en vochtig, het is niet goed voor de

boeken, er moet gelucht worden, waarlijk, ik heb laatst zelf gezien, dat

er vochtvlekken op een band waren.

--Waar, welke band? vroeg mijnheer v. N.

Ja;--dat weet ik niet meer,--waarlijk het is slecht voor de boeken.

Nu eens de stof, dan weer de vochtigheid. O mevrouw v. N., uwe tactiek

geeft zich bloot! Maar haar ega bemerkte de tegenstrijdigheid niet.

_Zou het slecht zijn voor de boeken_? was een klein twijfelduiveltje,

dat in zijn geest binnenkroop.

--Wat een aardig end boekje hebt gij daar! hervatte de verraderlijke

vrouw, een zeer klein in fluweel gebonden boekje in de hand nemende (het

was hoogst zeldzaam). Mijnheer v. N. werd verteederd.

--Zou het vochtig zijn? vroeg hij; zou het goed voor de _boeken_ zijn,

als er werd schoongemaakt? Hij wilde zich eene soort van _honorable

retraite_ verzekeren.

--_Dat zeker_! zei mevrouw doodelijk onverschillig, maar als je niet

wilt, enfin.

--Och, lieve vrouw! zei hij, hare fijne hand streelende, laat je

schoonmaakster maar komen!

Den volgenden morgen kreeg mijn vader geweldig berouw over zijne

zwakheid, maar het was te laat.

Borstels, zeemlappen, raagbollen, rookende potten met zeepsop en

pokdalige sponsen vulden weldra de bibliotheek, en een oogenblik daarna

leverde deze stille rustige kamer een rampzalig schouwspel op, waarnaar

mijnheer v. N. radeloos stond te kijken.

Ramen en deuren werden geopend, oude portretten, al fronsten zij het

voorhoofd in verontwaardiging, door elkaar en het onderstboven in de

gang gezet om te luchten! _Apollo_ en _Diana_ afgeschuierd wordende, de

eerwaardige rug van _Ignatius_ geboend met zeemen lappen, _Bijnkershoek_

en _Flavius Josephus_, _Herodotus_ en _Guicchardini_, door armen met

opgestroopte mouwen uit hunne rustige standplaatsen gehaald om alle

naderhand weder op verkeerde plaatsen neergezet te zullen worden; risten

boeken uit eene onhandige omarming--qui trop embrasse, mal

étreint--uitspattende en van eene hoogte van zes planken neertuimelend,

de _kerkvader Eusebius_ en _Buma's boerenbruiloft_, tegen elkander

geklopt, dat de profane en geestelijke stofwolken door elkander vlogen

en de oude kerkvader in zijn hoornen band ontwricht werd!

Wat eene chaotische omverwerping des choses les plus saintes!

* * * * *

Den geheelen dag was mijnheer v. N. uit zijn humeur, niets was goed,

alles maakte hem kregelig, nergens in huis vond hij iets op zijne

plaats, en als hij het waagde in de bibliotheek te gaan om, iets te

zoeken, keerde hij verschrikt terug voor de norsche blikken der

schoonmakende wandalen. Zoo was het tot 's middags, toen mijnheer Tjilp

kwam eten en zijn kalm en tevreden gelaat zich vertoonde. Toen kwam er

afleiding en de bui dreef langzaam over; ik geloof, dat eene fijne ham

er 's middags het hare toe bijbracht en dat de opvoering daarvan door

mevrouw v. N. behendig berekend was. De goede luim was geheel hersteld,

toen de ham op de tafel kwam.

Maar toen het gerecht afgeloopen was----o! waarom hadden zij de ham maar

niet spoedig weggenomen--daar valt mijnheer v. N.'s blik op het

uitgeknipte papier, dat om het been was gewonden.

Tot onze verbazing zagen wij hem dat er afnemen, het ontvouwen, zijn

bril opzetten en--het scheen een ongeluksdag te zijn.

--Wat is dát! riep hij, hebben zij gezworen zooveel mogelijk van mijne

boeken en papieren te vernielen! Duivelsche ... waar komt dit vandaan

... waar is het verdere....

Ik zal dit gansche drama niet uitvoerig beschrijven. De zaak was deze:

mijnheer v. N. had--het was misschien al drie jaar geleden--uit oude

genealogische papieren eenige belangrijke bijzonderheden opgeteekend

omtrent het huis, waarin wij woonden en zijn verlaten tweelingbroeder.

Mijnheer Tjilp had er al zoo dikwijls over gesproken, en wij waren er

allen nieuwsgierig naar, of liever mijnheer Tjilp en ik alleen, want

mijne moeder bemoeide zich minder met alles, wat tot zulke oude prullen

behoorde; doch allerlei drukten en gebeurtenissen waren tusschenbeide

gekomen, en de zaak was onder een reusachtigen berg van papieren en uit

het geheugen geraakt, totdat op den genoemden middag een fragment van

mijnheer v. N.'s handschrift daarover ontdekt werd ... om het been van

de ham.

De meid werd binnengeroepen, scherp ondervraagd, en door eene zedelijke

pijnbank werd er uit haar getrokken, dat zij eenige losse vellen

schrifts van de schoonmaaksters--al weder die schoonmaaksters!--had

gekregen, die ze bij het reinigen van de bibliotheek hadden opgeredderd.

IJlings werden de overige bladen opgezocht; een, dat reeds op een blaker

lag; een, dat een peperhuis met blauwsteen bleek te zijn geworden, en de

overige werden nog ongeschonden gevonden.

Het duurde eene poos, totdat al de gemoedsbewegingen bedaard waren; doch

toen zijne goede vrouw en ik onzen lach onmogelijk langer bedwingen

konden, toen mijnheer Tjilp zeide, dat mijn vader die schoonmaaksters

veeleer dank verschuldigd was, omdat zij de lang verloren papieren

gevonden hadden, toen de onschuldige ham, van haar net geknipt papieren

handvat beroofd, werd weggedragen, toen won het toch de comische zijde

van de zaak, toen vloeiden mijnheer Van N.'s rimpels weg en plooide ook

zijn humoristische mond zich onwillekeurig, en wij lachten hartelijk om

het gebeurde.

Een paar uren later zaten wij in den tuin thee te drinken: mijnheer

Tjilp, dien ik gedurig aanstookte, wees met zijne pijp naar het

nevenhuis en drong, dat mijnheer v. N. ons nu de wedergevonden

aanteekeningen zou voorlezen.

Bella zat intusschen met bloemen te spelen in een perk, dat _haar_

tuintje heette en ik, op mijn eene been zittende in eene geliefkoosde

houding, luisterde gretig naar het verhaal van de tweelinghuizen.

* * * * *

--Het moet al lang geleden zijn, begon mijnheer v. N., als ik het wel

heb in de helft der vijftiende eeuw, toen op dezelfde plaats, waar nu

deze twee huizen staan, twee broeders woonden. Hun vader was een

bouwmeester en word gezegd, geheime krachten en kunsten te bezitten,

zooals dikwijls in die tijden aan de bouwmeesters werden toegeschreven,

alsook de macht om met het bouwen van een huis daar een vloek of een

zegen in te leggen. Hij scheen eenig vermogen te hebben en bouwde op

deze plaats, toen hij oud van dagen was, voor zijne zoons twee huizen.

Deze huizen waren toen veel kleiner dan zij nu zijn en half van steen,

half van hout opgetrokken. Als iets hoogst merkwaardigs er van staat in

onze oudste stadsbeschrijving aangeteekend, dat zij beide tot de

kleinste bijzonderheden juist eender waren.

Het waren volkomen tweelinghuizen, zooals de oude bouwmeester ze ook

noemde, steunende, zooals men zeide, op het in zwang zijnde geloof, dat

al wat tweelingen betrof dubbel geluk ondervond. Het is waar, de

broeders waren geen tweelingen--maar de huizen waren het en dit scheen

genoegzaam. En is het ook niet zoo, dat het huis en de eigenaar, dat hun

beider lot ten nauwste verbonden is? Ziet men niet dikwijls, dat hij,

die zijn voorvaderlijk huis verlaat om een nieuw en hem vreemd te

betrekken, in het oude zijn geluk en genoegen achterlaat? Zóó nauw zijn

huis en bewoner vereenigd, en zoo kon dan ook het gelukkige lot, dat aan

die tweelinghuizen verbonden was, of volgens anderen door den kunstigen

ouden bouwmeester er in was gemetseld, zich mededeelen aan de beide

broeders.

Met nauwlettende zorg waren dan die twee huizen juist gelijkgemaakt, ja

zelfs toen er aan een der bogen boven een venster van het eene een

kleine misstand was, werd dit bij het andere huis evenzoo gemaakt.

De oude bouwmeester word ziek en liet zijne zoons bij zich komen. Hij

hield eene lange bijeenkomst met hen en eindigde met bun deze woorden

toe te spreken:

--Kinderen! zeide hij, gij hebt beiden een schoon en eerlijk bedrijf,

houdt u daarbij, ieder naar zijne wijze, en zoekt uw geluk daarbij, maar

zoekt het niet daarbuiten. Ik druk u vooral deze woorden op het hart:

evenals uwe huizen eender en gelijk zijn, blijft ook gijlieden in

karakter en stand gelijk.

Kende de oude man zoo juist de karakters zijner beide zonen, dat hij ze

aanmaande aan elkander gelijk te blijven, in de overtuiging, dat de

zwakke dan den aard van den betere zou blijven navolgen?

Misschien was dit zijne bedoeling, want beiden waren toen brave kerels,

maar in den eene zat toch de kiem van wat later onrust zou worden en

onvastheid van karakter en neigingen, met de zucht om zich te verheffen.

De oude man intusschen was gestorven, en de broeders leefden in hunne

gelijkvormige huizen. De een was wapensmid, de ander goudsmid.

Wouter, de wapensmid, was een rijzig en sterk gebouwd man, met een open,

gul gelaat, en als de reuzenkracht zijner armen het zwaarste en hardste

ijzer naar zijn wil behandelde, was het vreemd te denken, dat zijn aard

en zijn hart zoo gul en zoo zacht waren.

De goudsmid, die Egbert heette, was een man van eene lange en schrale

gestalte, met een schitterend oog en een immer werkend verstand. In die

dagen was een goudsmid een merkwaardig kunstenaar, die doorgaans tevens

teekenaar en schilder was. Egbert verkreeg ook veel roem in zijn vak;

maar welke kerk of convent ook kon bogen op een schoon gedreven of

besneden stuk zilver of goud van zijne hand, geen was er, wel vijftig

uren in den omtrek, dat een werk kon aanwijzen, zoo kunstig als de

outergereedschappen van het Sint Agnieten-convent in de buurt en vooral

als een uitstekend reliquiënkastje, dat hij pas daarvoor vervaardigd

had. Daar had hij zeer kunstig op gedreven den val der trotsche engelen,

tot groote stichting van allen, die het stuk zagen. Maar hij scheen zelf

weinig daaruit geleerd te hebben, want de groote fout van Egbert was,

dat hij nooit tevreden was met zijn staat, dat hij altijd hooger op

wilde, en dat hij altijd zijn geluk zocht elders dan het was--want als

hij bereikt had, wat hij begeerde, haakte hij weder naar iets anders.

Dit gaf dikwijls aanleiding tot ernstige gesprekken tusschen de beide

broeders en vaak moest meester Wouter zijn hoofd schudden en zeggen:

Broeder! denk aan de woorden van onzen vader.

Meester Egbert had eene jonge vrouw, die hem met hart en ziel beminde,

die met zachtheid zijne gebreken zocht te temperen en verschoonde, en

wier trots en roem het was, de kunst van Egbert te hooren bewonderen.

Haar zacht en liefelijk gelaat had dikwijls tot model gestrekt voor de

Madonna's van meester Egberts penseel, en in al de huizen en stulpen van

bedroefden en armen ging er menige bede en dank tot de Moedermaagd op

voor de liefderijke hulp en vertroosting, door Egberts vrouw

aangebracht. Had het in haar aard gelegen, dat hare weldaden niet zoo

stil en geheim plaats hadden, het algemeene gevoelen had haar in haar

leven reeds eene heilige gewaand. En eene schutsheilige scheen zij wel

te wezen voor het huis van meester Egbert en een goede genius voor

dezen. Helaas! waarom besefte hij zoo weinig het geluk, dat hij had

kunnen genieten! Vreugd en welvaart hadden dan in zijn huis kunnen

wonen, en het door haar een gelukkig huis kunnen maken. Maar Egberts

geest en lust waren even vast als de windvaan op den spichtigen toren

van het Sint Agnieten-convent. Nu eens zocht hij in het mystieke der

hooge kunst zijn geluk, dan liet hij dit weder varen om zich met

smeltkroezen en fornuizen bezig te houden om goud goud te maken, in

plaats van het met zijn talent te versieren. Soms, waren er ook tijden,

dat hij zich geheel overgaf aan feesten en drinkgelagen met de lustige

snaken uit het St. Lucasgilde.

Intusschen als zijne vrouw hem weder tot de kunst aanspoorde en hem voor

een tijd van zijne veranderlijke levenswijze afbracht, dan oefende de

kunst haar veredelenden en verheffenden invloed op hem uit, leidde

werkzaamheid hem tot betere gedachten en gedrag en bracht zijn

wispelturigen geest weder tot eene kortstondige rust.

Maar het leed niet lang.

Eens begon hij te begrijpen, dat voor een man als hij zijne woning veel

te onaanzienlijk was. Hij liet werklieden komen. Vruchteloos waren de

tranen zijner vrouw. Vruchteloos de vermaningen van Wouter, die in ernst

toornig was over die schending van den wil huns vaders.

Het nederige huis werd opgetrokken met een hoogen gevel met verschillend

beeldhouwwerk, de oude venstertjes door grootere met bogen versierde

kruiskozijnen vervangen, en het nederige uithangbord van Egberts

bedrijf, een vergulde beker, weggenomen.

Trotsch stak nu het rijzige huis af bij zijn tweelingbroeder, die met

zijne kleine ruitjes, zijne smalle ramen, zijn eenvoudigen houten gevel

en het groote zwaard, dat als een teeken van des bewoners bedrijf aan

eene lange ijzeren stang uit den gevel hing, en zeer nederig uitzag.

Sommige van Egberts bekenden schudden bedenkelijk het hoofd en

mompelden: Alle geluk is sinds dien tijd van Egberts dak voorgoed

gevloden!

De zwaluwen, die bij de verbouwing verjaagd waren, kwamen ook niet

terug, en de ooievaar, dat teeken van geluk, die op den schoorsteen

placht te nestelen, was weggebleven.

* * * * *

In het kleine huis van meester Wouter was daarentegen alles vroolijk en

gelukkig. Wouter had eene kloeke vrouw, en als zijne zes kinderen te

hard schreeuwden, beukte hij wat harder op de stalen platen van harnas

of stormhoed en overstemde hun geschreeuw.

--Gegroet, meester Wouter! zei een ruiter, die het huis binnentrad, uwe

werkplaats is als vanouds weer een lust om te zien!

Wouter was aan het zingen.

O nachtegael, clein voghel,

Woudt ghij der mijn bode zijn,

En vliegen tot den ruiter

Den allerliefsten mijn.

zong meester Wouter, uit het oude, toen nieuwst in zwang zijnde liedeke,

tot hij, den vreemde ziende, ophield en dezen zijne ruwe hand toestak,

die de ander gaarne drukte, al was ze met roet en kool bezwart.

--Ha! zei hij, oude vriend, welkom weer in het lieve land! Geluk, dat u

de vijandige kolven en zwaarden gespaard hebben--al hebben zij de

rusting deerlijk gehavend.

--De rusting was beproefd, want ze is van meester Wouter, zei de andere,

en onder allerlei uitroepen van bewondering en goedkeuring voor wat hij

met aandacht beschouwde, ging hij den winkel rond, langs welks wanden

glinsterende rustingen en halsbergen, en verschillende soorten van

zwaarden, daggen en knijven hingen. Het was ook voor een krijgsman een

lust om te zien, hoe alles er keurig en sterk uitzag, en menig ruiter,

die voor de deur ophield om een schalm in zijn maliënkoker of een bult

uit zijn stormkap te laten slaan, liep met genoegen de werkplaats rond.

--Hoe maakt meester Egbert het? vroeg de ruiter.

Wouter antwoordde eerst niet, de glimlach verdween van zijn gul gelaat.

--Treurig, treurig! zei hij eindelijk, de zware hand vertrouwelijk op

des anderen schouder leggende; gij kent de geruchten, dat er op

verscheidene plaatsen onnoemelijke schatten in de aarde verborgen

zitten. Nu heeft hij zich in het hoofd gezet, daarnaar te gaan zoeken.

Eer- en geldzucht waren altijd zijne gebreken, en nu zet hij alles op

het spel om die schatten te vinden. In verre landen, over de zee zelfs,

heeft hij al gereisd, maar altijd tevergeefs; hij wroet overal de aarde

om, en, de hemel vergeve het mij, zeide hij zich kruisende, maar ik

geloof, dat hij nu heult met den Booze.

En fluisterend ging hij voort:--Hij zoekt nu allerlei toovermiddelen en

bezweringen, en lieden van het land hebben hem te middernacht in

verdachte heuvels zien graven en in kolken en waterplassen zien

visschen. En dan zeggen zij, dat hij niet alleen is, maar dat er een in

een mantel gewikkelde persoon bij hem staat! Onze Lieve Vrouwe behoede

hem!

Werkelijk was het sinds geruimen tijd de rustelooze bezigheid van

Egberts leven, dien schat te zoeken, dien zijne verbeelding hem in al

zijn schitterenden glans voorspiegelde. Eene koortsachtige prikkeling

joeg door zijne aderen, nog te meer door de aanhoudende teleurstelling

aangevuurd, en weldra maakte hij zijn gezin en zijn leven tot het

rampzaligste, wat men denken kon.

Zijne vrouw bezweek onder dit leed, en zijne kinderen werden door

meester Wouter opgenomen.

Daar zat dan die man, vóor zijn tijd een magere grijsaard, te peinzen

aan den eenzamen en uitgedoofden haard. In de naaste kamer lag zijne

vrouw op het bed, waarop zij de rust was ingegaan. Allerlei akelige

beelden zweefden den peinzenden grijsaard voor den geest.

Zijn leven onnut doorgebracht, zijn geluk en dat van zijn huis door

eigene hand verwoest, zijne kunst verwaarloosd, zijn geest verstompt!

Bij dien eenzamen, uitgedoofden haard gezeten, in het stille uur van den

nacht, hoorde hij nu buiten een voetstap en eene hand aan de klink der

deur. Hij nam den ijzeren bout van de deur af.

Op dit oogenblik, zegt de sage, dat er een rijzig man in een langen

mantel gewikkeld, binnentrad.

Deze persoon wenkte, hem te volgen naar de kamer, waar de doode lag. Hij

schoof de gordijn der sponde ter zijde en ontblootte de borst van de

ontslapene. Daarop een ontleedmes van onder zijn mantel halende, sneed

hij de borst open, en het hart er uit nemende, legde hij het op de

tafel.

Egbert stond te klappertanden: toen zag hij den onbekenden man het hart

van zijne vrouw openen en er iets uit nemen, dat het flauwe licht der

eenige kaars verdoofde en het gansche vertrek verlichtte met een

schitterenden glans. Het was een fonkelende diamant, zoo zuiver van

water en zoo groot als de aarde nooit had voortgebracht. De rampzalige

man strekte er gretig de handen naar uit, maar de onbekende hield hem

terug.

--Gij hebt altijd naar een schat gezocht, zeide de vreeselijke

onbekende, die u rijkdom en geluk zou geven! Hier hadt gij moeten

zoeken!

Weer strekte de grijsaard de gretige handen uit naar het edelgesteente,

hij greep het--maar het verkruimelde tot stof in zijne hand.

Met een spottenden lach liet de onbekende hem alleen.

Egbert verdween, en niemand heeft ooit geweten, waar hij gebleven was.

Zijne kinderen werden door meester Wouter verpleegd. Men zegt, dat deze

het huis zijns broeders weder liet veranderen en in zijn vorigen stand

terugbrengen; anderen verhalen, en dit schijnt meer waar, dat de

nakomelingen van de beide broeders, in later tijd, deze twee huizen

lieten veranderen zooals ze tegenwoordig bestaan, weder volkomen gelijk

aan elkander.

De overlevering schijnt ook steeds in die geslachten bewaard te zijn

gebleven, want hoewel de huizen vernieuwd en veranderd werden, elke

verandering geschiedde steeds aan beide huizen te gelijk. Maar altijd

was dat ééne huis in slechten reuk gebleven. Ook zegt men, dat niet

alleen op de afstammelingen van meester Egbert een ongelukkig lot

rustte, maar ook vreemde bewoners, die dit huis betrokken, dat lot

overerfden en ook zij gedoemd waren, hun geluk te zoeken, waar het niet

was, en het voorbij te zien, waar het lag.

* * * * *

Zomers zijn voorbijgegaan met zonneschijn en zingende vogels--winters

zijn weggesmolten met ijs en sneeuw--sinds wij in den tuin zaten te

luisteren naar de woorden van mijnheer Van Nijwoude.

Ik was intusschen de kinderschoenen uit- en de jongelingslaarzen

ingegroeid, en het werd nu bij mijne vrienden eene belangrijke vraag,

wat ik moest worden. Ik was niet weinig verlegen, toen mijn vader mij

eens in de bibliotheek riep en vroeg:

--Jongen! wat wilt gij worden?

Nu moet men weten, dat ik wel verscheidene bepaalde wenschen en plannen

had, als bij voorbeeld, een schoon rijzig man te wezen met lange zwarte

knevels en eene losse bevalligheid van taal en manieren, waar ieder

onwillekeurig door ingenomen werd, zooals mijn neef de student, die

allerlei buitensporigheden bedreef, maar wiens dwaze grillen en

phantastische zotheden ieder onweerstaanbaar deden lachen.

Op andere tijden was er een andere wensch, die zich op den voorgrond

plaatste, namelijk een beroemd schilder te worden, voor wiens

scheppingen de menschen opgetogen zouden staan en wiens genie hen aan de

toovermacht van het schoone zou onderwerpen.

Of ook boeken te schrijven, die tranen van aandoening aan lieve oogen

zouden ontlokken, of waardoor de menschen in hun diepste binnenste

geroerd, waardoor zij veredeld zouden worden.

Verder wilde ik getrouwd zijn en kinderen hebben, en in dichterlijke

tinten zweefde mij het gelukkigste gezin voor oogen.

Met geen van deze plannen, die alle reeds zeer uitgewerkt als idealen in

mijn geest rondzweefden, durfde ik evenwel bij mijn vader voor den dag

komen, daar ik flauw vermoedde, dat deze minder aan de bedoeling zijner

vraag zouden beantwoorden dan de keuze van een bepaald vak. En een

bepaald vak had ik nog niet gekozen, ik had er zelfs nooit aan gedacht,

maar in mijn leeswoede en weetdorst even gretig naar ieder deel van

menschelijke kennis (behalve de edele cijferkunst) de hand uitgestoken.

Ik aarzelde dus.

--Jongen! zei mijn vader nog eens, doorgaans kiezen niet de menschen een

vak, maar een vak kiest hen, doe gij nu eens omgekeerd en kies, wat gij

worden wilt.

--Vader! ik zou wel willen worden--wat gij zijt.

* * * * *

Zooals hij was! Wel hem, die zoo mocht worden; doch ik meende dit toen

niet in die rijke en schoone beteekenis, maar doelde alleen op zijne

wijze van leven en werken.

Eene staatsbetrekking had hij niet meer. Als iemand mij vroeg, wat

mijnheer Van N. thans was, of hij medicus of litterator, rechtsgeleerde,

sterrenkundige, theoloog of philosoof was, ik zou het niet weten: maar

wel, dat er geen tak van menschelijke kennis was, waar zijn geest niet

mede bekend was. De studie van de menschheid en van den mensch in den

ruimsten omvang--_omne quod ad humanitatem pertinet_--dat was altijd

zijn hoofdstreven geweest, en was het nog, wanneer hij thans te midden

van de rijke wereld der boeken, den mysterieuzen draad naspoorde, langs

welken de ontwikkeling van den menschelijken geest voortgaat.

--Wat ik ben: zeide mijnheer Van N. glimlachende. Ja, er is geen

gelukkiger leven voor den geest dan om in de onuitputtelijke mijnen der

wetenschap te graven en te werken. Dwazen zijn het, die op de

boekenwereld en boekengeleerdheid smalen en ze dood noemen: hoe zal men

ons _geestelijk zijn_ kunnen bestudeeren, als men niet de historische

ontwikkeling van dat zijn heeft nagespoord in de verledene eeuwen, en

hoe kan men dat anders dan in de boeken? En wat een genot, wat een

licht, wat een troost geeft die boekenwereld! Boeken weigeren nooit

hulp, stellen nooit teleur; met hen behoeft men zich nooit te vervelen

en kwaad te spreken en te babbelen over de nietigheden van den dag, en

Lucas de Penna heeft gelijk, als hij, onder andere schoone lofredenen,

zegt: Boeken zijn een licht voor den geest, zij steunen ons in

tegenspoed, matigen ons in voorspoed, zij zijn gezellige vrienden op

reis, zoowel als thuis, zij....

Maar opeens bemerkende, dat dit alles weinig geschikt was voor iemand,

die een bepaald vak moest kiezen, ver volgde hij na eene korte poos:

--Maar, beste vriend! gij zijt te jong om te leven zooals ik leef. Gij

moet eerst zelfhandelend in het practische leven u bewegen en werken; de

geest kan niet alleen door bespiegeling en overpeinzing gevormd en

gevoed worden. Daarom moet gij een vak kiezen, waarin gij de

maatschappij zult dienen.

--Boeken schrijven, zeide ik, ik wou boeken schrijven--zoo kan ik immers

ook werken en de maatschappij dienen?

Dat gedeelte van mijn vader, waar zijn gevoel, zijn gemoed in zat,

glimlachte en was verheugd, dat er zulk een aard in mij lag, maar het

andere gedeelte, waar zijn verstand in was, schrikte.

--Neen, neen, zeide hij snel, dat meet ge u uit het hoofd zetten,--kijk

eens om u heen, hoeveel duizenden boeken zijn hier en hoeveel millioenen

zijn er al geschreven--en zoudt ge denken, dat het noodig was, dat

aantal ongeroepen nog te vermeerderen?

Daarover had ik niet gedacht, maar ik antwoordde toch boud weg:--Maar

als ik geroepen ben?

Mijn vader glimlachte, dat is eigenlijk: de eene helft glimlachte, maar

de andere helft zeide:

--Geroepen? Ja, maar weet je het onderscheid wel tusschen roeping, dat

is krachtige, zichzelf bewuste overtuiging, en dat wat slechts lust of

neiging is?

--Studeeren dan, zei ik eindelijk, onderstellender wijze.

--Studeeren dan, herhaalde mijn vader, ik heb altijd gehoopt, dat ge

daarin lust zoudt hebben; maar in alle geval, bedenk je vrij en handel

naar de inspraak van je verstand--en je hart, je hart ook, want die twee

moeten elkander altijd trouw vergezellen.

Zoo liepen de eerste beraadslagingen over mijn vak af.

--Phoe! zeide mijnheer Van N. naderhand, met een lachende zucht, tot

zijne vrouw, daar heb ik de zwaarste taak gehad, die gij bedenken kunt,

verbeeld u, dat de jongen, die dol is op boeken, zelf een schrijver wil

worden--en dat _ik_ daarin om zijn bestwil zijne drift heb moeten

matigen!

* * * * *

Intusschen steeds onbepaald omtrent die keuze, zit ik druk in de

classici.

Ik ben met Homeros bezig.

[Grieks: Polyphloisboion tha]

Maar ik heb eene groote afgetrokkenheid.

Welk een geestdriftvolle vereerder van de oude classici ik vroeger was,

en hoe gelukkig ik mij gevoelde _in angello cum libello_, thans werd

niet alleen het classicisme geheel ter zijde en weggedrongen, maar begon

de levensvolle en rustelooze geest ook de boekenwereld te verlaten. Eene

andere wereld en een ander leven, de levende wereld en de beweging om

mij heen, werkten sterker op mij en trokken mij nu geheel aan.

In dat tijdstip, waarin ik toen was, heeft er eene physische en moreele

gisting plaats in den mensch, eene kentering van het tij dat hem een

tegenovergestelden kant opstuwt. In elken leeftijd is een zekere eb en

vloed onzer vermogens, maar nooit is die zoo sterk en voortdurend dan

als wij het eerst van onze krachtige jonkheid bewust worden. Daar nieuwe

behoeften zich sterk doen voelen, verzwakken de oude banden en vormen.

Dit wegslaan van alle dijken en dammen, het krachtige, frissche, nieuwe

van het jonge leven, dat wij intreden, bij de eerste zelfbewuste

ontwikkeling onzer vermogens, is het, dat die plotselinge kentering in

ons levenstij veroorzaakt. Ons oordeel (critiek) is met ons den

kinderschoenen ontwassen en staat op eigen beenen, het maakt weldra

allerlei _tours de force_, zoowel om zijne kracht te beproeven, als om

die te toonen. Dan breken wij alles af of tornen en twijfelen aan alles.

De onbesuisde soort van critiek van het ontwakend en voor het eerst

zelfdenkend verstand bezit slechts een breekijzer om te sloopen, geen

troffel om te effenen en op te bouwen. Het gaat met de groote

omwentelingen der volken evenzoo; zij zijn slechts de pogingen der massa

om zelf te denken en voor zichzelf te handelen.

Och, angstvallige, en bedeesde zielen! schudt het hoofd niet om de

verdorvenheid van het menschelijk verstand en de razernij der critiek.

Het is het natuurlijke proces van zelfontwikkeling, gelijk dit onder de

algemeene ontwikkeling plaats heeft.

En als mijne moeder soms beducht was om mijne hyperheterodoxe en

paradoxe stellingen, zeide mijn vader:

--De natuur moet haar loop hebben, en evenzeer de ontwikkeling van den

geest: laat hij gerust alles afbreken, hij zal het later zelf weer

opbouwen; maar dit jongen, zeide hij ernstig tot mij, dit eene moet gij

altijd vasthouden

Heart within and God overhead.

Zoo liepen mijne gedachten spelen en ik geloof, dat er gemiddeld wel een

kwartier tijdsruimte lag tusschen elk woord, dat ik schreef. Nu eens

denk ik aan mijn toekomstig vak en werk onderwijl aan het beschaven van

mijne nagels, dan aan mijn toekomstig leven en pas intusschen mijne

nieuwe laarzen aan: en steeds komen nieuwe visioenen en andere

voorwerpen mij aan en van Homerus aftrekken, zoodat het maar niet verder

komt dan

[Grieks: Polyphloisboion tha]

--Naar den duivel de doode dichteren zijne doode taal, roep ik uit, het

leven op de straat trekt meer mijne belangstelling.

En ik kijk naar de mooie meisjes, die voorbijkomen, vooral eene, die

dagelijks langs ons huis gaat en die somtijds opkijkt naar mijn raam,

misschien eene reden, waarom ik haar boven allen verkies.

Als het een weinig geregend had en er kleine plassen lagen, was het

vooral aardig de physionomieën der verschillende vrouwenvoeten te

bestudeeren. Dan vooral werden deze zichtbaar. Dan zag ik, welke er op

de hielen liepen met opgewipte toonen, welke er klauwden en naar binnen

draaiden bij elken stap, of plomp en smakeloos werden nedergezet. Zoo

ontdekte ik, dat het meisje met de slanke gestalte, ook lieve

welgemaakte voeten had, hoogst bevallig en flink van beweging. Er zat

stijl in die voeten en hun gang. Daar zie ik weder haar vluggen tred in

de verte, ik zie het prettige gezichtje naderen: zij vat de rokken op en

stapt behendig tusschen al die kleine meeren door. Als zij voor mijn

raam is, zal zij wel eens opkijken--maar neen, zij heeft het te druk met

de plasjes te mijden--zij geeft er meer om, hare laarsjes--zij zijn

netjes, dat beken ik voor dat slijk te vrijwaren, dan om mij--bah! ik ga

mijne pen in den bitteren inkt doopen, maar wacht weer zoo lang, dat zij

er in gedroogd is, als ik wil beginnen te schrijven.

Wat is natuurlijker dan de pen weer neder te leggen, te meer daar er een

paard komt aandraven? Ik loop dus naar het venster, en nadat ik het

opschrift van het uithangbord schuin over ons van achteren naar voren

gespeld en gelezen heb, blijft mijn oog rusten op datgene, wat het paard

op straat heeft achtergelaten;--dan kijk ik naar de musschen, die er

haar voer uit pikken, en de kat, die ze beloert, en den hond, die de kat

wil grijpen--totdat paard, musschen, kat en hond, alle verdwijnen. Ieder

van hen schijnt een bepaald doel en een bepaald vak te hebben--ik alleen

niet, en ik ben nog altijd aan

[Grieks: Polyphloisboion tha]

Ik voeg er nu [Grieks: la] bij, maar het is of de duivel er mee speelt

vandaag. Daar komt een klein beestje, een hout- of boekluisje of een

dergelijk ongewerveld iets, over het papier en in de richting van mijne

pen wandelen. Natuurlijk houd ik op met schrijven, om zijn gang na te

gaan, en ook om het niet te vermoorden. Ik volg het, zoals het dwars

over verba, substantiva, komma's en verdere leesteekens heenloopt, net

als mijne goede moeder, wanneer zij iets uit de courant voorleest. Wat

of wel het vak en het doel van zulk een beest zou zijn? Door een

vergrootglas zie ik zijne acht beenen haastig voortspoeden als moest hij

een brief op de post brengen of iemand inhalen, dien hij spreken moest;

maar terstond keert hij terug alsof hij iets vergeten heeft en wandelt

met dezelfde haast in eene tegenovergestelde richting. Eindelijk komt

hij in het laatst geschreven woord en stapt in de nog natte _a_, waarin

hij blijft staan en al het bittere van den inkt en van zijn aardsch

bestaan overdenkt.

Eindelijk neemt hij een kloek besluit en tot over zijne kuiten in de

inktbeek stappende, komt hij er uit en gaat verder.

Nu is hij op het witte papier--eene uitgestrekte vlakte ligt voor hem

als eene onafzienbare witte woestijn. Met zijne voorbeenen krabt hij

zich achter de ooren, waaruit blijkt (evenals bij een mensch), dat hij

zich bedenkt, en terwijl niets hem hindert dan de vezeltjes van het

papier en geene letter hem in den weg staat, gaat hij met drift één kant

op om een oogenblik daarna weer om te keeren en met dezelfde drift een

gansch anderen kant heen te loopen. Waarom gaat hij nu niet rechtstreeks

op zijn doel af zonder die duizend gekke slingers te maken?

Terwijl ik met ingespannen genoegen hiernaar zat te kijken kon ik niet

nalaten, hem een beetje te plagen. Ik blaas dan groote rookwolken boven

hem uit, die zich als eene donderbui boven het hoofd van den wandelaar

verzamelen. Hij staat stil en peinst blijkbaar.

Zoo hij een geoloog is, zal hij peinzen over den dampkring en zijne

werking op de aarde--zoo hij een alledaagsch en onwijsgeerig beest is,

zal hij denken, dat er een onweer opkomt en zich naar huis spoeden, daar

hij geene parapluie bij zich heeft. Eindelijk blaas ik de rookwolk weg

en zie ik hem met dezelfde besluiteloosheid heen en weder scharrelen....

* * * * *

Intusschen ligt de weide wereld even wijd voor mij open als het blanke

papiervlak voor het houtluisje; even besluiteloos als hij ijl ik in

gedachten nu her--en derwaarts; even weinig als hij weet ik den weg,

dien ik zal kiezen.

In het leven gaat het den menschen zoo dikwijls evenals dat kleine

beest; zij weten niet altijd, waar zij heen willen en er overvalt hen

wel eens eene donderbui, zonder dat zij eene parapluie bij zich hebben.

Ik geloof, dat ik nog met dat beest zou bezig zijn, als mijnheer Tjilp

met zijne viool daar niet aankwam.

* * * * *

De vraag, wat zal mijn toekomstige werkkring zijn? begint zich

intusschen sterker, veelzijdiger en onder gedurig andere gestalten aan

mij voor te doen, want hoe langer wij over eene zaak denken, des te

omvattender en uitgebreider wordt zij. Zoo was deze zaak niet meer

alleen eene vraag van broodwinning, maar had zij eene spiritueele

uitbreiding gekregen en klonk nu: welke is de richting en de behoefte

van mijn geest.

De wildste droomen--en de naakste en koudste terugkeer daarvan; nu eens

jeugdige onbezonnenheid en overmoed--dan de voorloopers reeds van de

critiek en het beredeneerde van den man; zal ik een gevoelsmensch worden

of een verstandsmensch? Is de materiëele wereldbeschouwing de ware, of

de spiritueele? De reëele of de ideale? Is er slechts stof hierbeneden

en cijfers, of is er ook geest en poëzie? En stormachtig baant bij

wijlen de hartstochtelijke zucht zich een weg: God, o God, wat is de

waarheid?

Dat alles doet zich aan mijn geest voor, niet met die bewustheid,

waarmede ik het nu stel, maar verward en in onophoudelijken strijd.

Onder deze indrukken ben ik niet meer de wilde speelmakker van Bella en

beschouw haar niet langer als een jongen met rokken. Ik moet ook nog

opmerken, dat ik sinds eenige weken met verwondering ontdekt heb, dat

Bella bijzonder mooi wordt. Waarom ik dit niet vroeger gezien heb,

begrijp ik niet.

In plaats van met haar te vechten en te draven, wandelen wij dikwijls

deftig samen, en praten en redeneeren, waarbij ik haar ongewone vlugheid

en verstand bewonder en benijd.

Als wij in het bosch wandelen, is er eene uitgezochte plek, op een

kleinen, groenen heuvel, waar wij dikwijls in het gras gaan zitten,

onder drie stokoude eiken,

ros van het zomerzonneroosten,

zoo oud, zoo oud, dat het moeilijk viel te denken, dat zij ook slechts

drie eikels of drie jeugdige loten geweest waren.

Hoeveel menschen hadden die eiken al onder hunne takken gezien!

Geslachten opgekomen, voorbij en te niet gegaan. Kinderen hadden zij

onder hunne schaduw zien spelen en zich verschuilen achter de stammen.

Jongelingen, den arm om eene fijne leest geslagen en teedere beloften

uitsprekende.

Schilders, die de natuur bestudeerden en roem zochten.

Wijsgeeren, die den roem versmaadden--om zich een naam te maken.

En zooveel meer hadden zij gezien, die oude eiken. En intusschen rolde

de wereld steeds voort, en zij werden ouder en ouder, en die kinderen

waren ook ouder geworden; en die jongelingen hadden hunne belofte

vergeten of gehouden, maar waren nu zelf vergeten. Altijd geslachten,

die voorbijgingen om plaats te maken voor de nieuwe, zooals de dorre

gele bladeren voor de groene.

--En hoeveel namen en letters staan er in gesneden! zei Bella. Willen

wij ook onze namen er in snijden?

--Verliefden, antwoordde ik, en vrienden hebben er letters in gesneden

met harten er omheen, maar de tijd heeft die boomen ouder gemaakt, en

die harten en letters zijn geheel vergroeid en onkenbaar. Hoe zouden, de

harten dier menschen nu zijn? Zou nog altijd die W in het hart van H, en

die H in het hart van W staan, als voor jaren?

Is DINA nog altijd de geliefde klank voor hem, die dezen naam daar

zette, of is ook in zijn hart, evenals in dat op den ouden stam, die

naam nauwelijks leesbaar meer, zoodat men hem nu veeleer voor DORA zou

houden?

Is de eeuwige cirkel om die twee letters daar, in gulle jeugd gezet, nog

altijd gesloten? Of is die hand gebroken en heeft de wereld eene kloof

tusschen hen gezet, even diep als de scheur in den ouden eikenbast,

waarop die twee letters staan?

--Wat ben je vandaag wantrouwend en zwart! zei Bella.

--Zoo is de wereld, sprak ik.

--Als je haar zoo wilt beschouwen, ja! Wil je onze namen niet snijden?

--Bella, zeide ik peinzend, ik twijfel zeer, of er wel verbeelding en

gevoel bestaan, en of dat niet maar ijdele herschenschimmen zijn!

Bella nam een grooten doorn en stak daarmede in mijn been.--Ai! riep ik,

wat wil je?

--Zien of je gevoel hebt: gelukkig bestaat het toch nog.

--Neen, zeide ik, het hoofd schuddende,--kijk! die oude boomen zijn drie

grijze wijsgeeren, die minachtend op al de nietigheid om hen heen

neerzien.

--En ik, zeide zij, vind ze als drie oude aartsvaders, die zegenend

hunne armen over alles uitbreiden. Waarom zouden wij ook niet liever

vrede hebben met alles, daar wij weten, welk eene heerlijke harmonie in

alles heerscht, als wij ze maar niet dom voorbijzien?

Toen wij tehuis kwamen, vonden wij er mijnheer Tjilp en dokter Vijzel,

en allen in een druk gesprek, waarvan wij het laatste gedeelte

bijwoonden.

* * * * *

.......................................................................

.......................................................................

--Neen, vriend Van Nijwoude, zei dr. Vijzel, neen, gekker voorwerpen dan

de wijsgeeren ken ik in de wereld niet, en het tooneel van hunne

dwaasheden is nog te zotter, daar zij zich juist altijd verbeeld hebben

de eenige ware wijzen te zijn; maar men kan altijd blijven zeggen:

_barbam et pallium video, philosophum nondum video_! Het is nog altijd,

vervolgde hij, aan het einde van dezen zin het deksel zijner snuifdoos

met een krachtigen tik toeslaande, als sleet hij deze woorden

onherroepelijk er in op, het is altijd de oude historie van Thales, die

zóó naar de sterren keek, dat hij in een put viel: altijd blijven zij in

putten vol dwaasheden vallen, terwijl zij het abracadabraschrift der

sterren willen lezen.

--Zij hebben de waarheid niet altijd gevonden, zeide mijnheer Van N.,

maar wij mogen ze toch roemen, omdat zij er naar gezocht hebben.

--Hunne groote fout, zei mijnheer Tjilp, was hun overmoed: zij meenden

uit de verstandelijke redeneering, uit een syllogisme alles te kunnen

verklaren.

--Neen, hunne groote fout was, dat zij in bespiegeling en verbeelding

omdoolden, zeide dokter Vijzel, in plaats van in de praktijk en bij het

materiëele te blijven. Er is maar ééne school geweest, die op den waren

weg was, de stoïcijnsche. De Stoïci waren geen ijdele maankijkers en

droomers, zij verloren zich niet in dolle bespiegelingen en

metaphysische onzinnigheden, mijnheer! Zij waren mannen van het

positieve, dat is wat niet in verbeelding, maar wat in werkelijkheid

bestaat.

Ho! ho! dokter! riep mijnheer Van N.--met warmte; de drommel hale je

Stoïci, die waren het verst van allen van de waarheid; zij zijn in de

dwaze meening vervallen, dat de mensch te volmaakter zou wezen, hoe meer

hij al zijne gevoelswerkingen en aandoeningen uitroeide, ergo

verloochenen zij een....

--Phoe! phoe! viel dokter Vijzel hem in de rede, phoe! is er iets dwazer

dan gevoel en verbeelding, is er iets, dat den mensch meer op een

dwaalspoor brengt; dat het, verstand meer benevelt? Neen, als men eens

door een scheikundig proces al dat gevoel en die verbeelding uit het

menschdom destilleeren kon en ze in een hermetisch gesloten flesch

bewaren met het opschrift: _Hier ligt de dwaasheid der wereld

begraven_,--kijk, dan zou het menschdom oneindig wijzer en beter wezen.

Er is een Stoïcus, ik weet niet wie, en dat doet er ook niets toe, die

in vier regels het beste recept heeft geschreven om gezond naar lichaam

en ziel te leven, dat ik ooit gezien heb:

_Gaudia pelle_, zegt hij,

_Pelle timorem_

_Spemque fugato_

_Nec dolor adsit;_

dat is: een mensch, die volmaakt gezond van lijf en verstand, en dus

gelukkig wil zijn, moet geen hoop en geen vrees, geen vreugd en geen

leed gevoelen.

--Dat recept is van _Boetius_, zeide mijnheer Van N.; je vindt het in

zijn _consolatio philosophiae_.

--Dat is eene verfoeilijke leer, zeide mevrouw Van N., er zich in

mengende, en die dat gezegd heeft is zeer te berispen,--Boetius!

_Boetius_? is dat niet dat boekje, daar je zooveel beweging over gemaakt

heb?

--Hm! zeide mijnheer Van N., tot wien deze vraag gericht was, ja, dat

was dat boekje....

--Dat gij, zei mevrouw Van N., met een verwijtend gewicht van honderd

pond op dat woord, dat gij zulk een afschuwelijk boek zóó vereert!!...

dan was het waarlijk maar goed, als de schoonmaaksters het werkelijk

gestolen of liever vernield hadden!

--Een _incunabel_, een kostbare, druk, een der oudste in ons land! riep

mijnheer N. met schrik over het wandalisme zijner vrouw.

Intusschen had dokter Vijzel met een triomfant gelaat zijne laatste

onomstootelijke redeneering weer met een vervaarlijken slag op het

deksel, onherroepelijk in zijne snuifdoos weggelegd. Maar nu zullen wij

zien, hoe mijnheer Van N., die sinds geruimen tijd op hem gemikt had,

als iemand, die opeens een beslissenden slag wil slaan, en die hem nu

eindelijk had, waar hij wilde, die snuifdoos zou openen, om al die

onherroepelijke uitspraken van den dokter te verpletteren. Hij vergat

dus het door zijne vrouw opgeworpen incident, en met een glimlach de

vingers uitstekende om een snuifje van den dokter te nemen, zeide hij na

het plechtig opgesnoven te hebben:

--Pyrrho was een zeer groot wijsgeer, in Alexanders tijd; hij was de

grootste van de sceptische en aporetische philosofen. Hij beweerde de

akatalepsie, dat is de onbegrijpelijkheid en onzekerheid van alle

dingen, en leerde, dat de mensch, wel verre van den invloed van gevoel

en hartstochten op zich toe te laten, daarvoor geheel ontoegankelijk

moest zijn. Hem zelven was alles gelijk en onverschillig; hij haatte

niet en beminde niet en maakte voorkeur tusschen niets ter wereld, en ik

twijfel niet of hij zou het volkomen eens geweest zijn met de woorden

van Boetius, of liever (want Boetius meende dit eenigszins anders) met

het recept, dat dokter Vijzel daarvan gemaakt heeft. Hij was zoo

volkomen onverschillig en had zoo weinig gevoeligheid, dat hij eens zijn

leermeester Anaxarchos in een put ziende liggen, voorbijging zonder hem

te helpen.

--Dat is consequent van hem, merkte dokter Vijzel op.

--Welke menschen! zei mevrouw Van N. En staat dat nu in al die boeken,

waarmede gij zoo dweept?

--Pyrrho dan, vervolgde mijnheer Van N., nog eens in dokter Vijzels

snuifdoos tastende en het snuifje tusschen vinger en duim houdende, als

had hij des dokters systeem nu bij den nek, Pyrrho dan, die, zooals wij

gezien hebben, behoorde tot hen, die het gevoel veroordeelen en alle

aandoeningen voor het denken doen wijken, wandelde eens en werd door een

hond aangevallen. Hij liep weg on klom in een boom, en toen zijne

metgezellen hem met recht uitlachten en dit niet overeenkomstig zijne

leer vonden, zeide hij:--[Grieks: chalepon esti ton anthroopon ekdynai],

dat is: _het is moeilijk den mensch uit te trekken_.----Ik weet het

niet, maar zou er wel ooit scherper satire op het besproken systeem en

op Pyrrho's leer gemaakt zijn, dan die Pyrrho zelf daarop met daad en

woord maakte, toen hij benauwd _pro tibiis suis_, onwillekeurig toonde,

toch ook aandoeningen en gevoel te hebben----al was het dan maar in

zijne beenen!

* * * * *

Ik zwerf in deze dagen gaarne alleen wet mijne gedachten; want er zijn

gewaarwordingen en aandoeningen in onze ziel, zoo fijn als zeepbellen,

die bersten, als men ze aan een ander zou willen teruggeven; er zijn

snaren in ons gemoed, zoo teer als spinrag, die breken zouden, als men

ze aanroerde.

Nu voel ik mij aangetrokken door de zee, die in harmonie is met de

onbestemdheid en rusteloosheid mijner gedachten.

Ik kijk dan naar dien ronden horizon, waarvan ik het einde niet ken, en

die weer verder is, als ik hooger klim; dien hemel, die er op schijnt te

rusten; dat altijd aankomen van golvengroepen--wie weet van waar en

waarheen?--, die aanrollen op het strand, gestuwd door eene kracht, die

mij onbekend is, om straks weer terug te glijden. Alles onbestemd en

oneindig. Ik hoor naar het gefluister der golven in eene taal, die zij

meebrengen van wie weet welke geheimzinnige streken.

Hoor het levenslied der golven, dat mijne ziel en zij elkander

beurtelings toezingen:

Als de deinende zoo is het leven;

Steeds rusteloos wentelt en stuwt

Nu de vloed dan de ebbe der wereld

Golf op golf als geslacht op geslacht.

Zoek er niet naar de bronne die waatren

Of de veer, die het alles beweegt;

De verschijnselen, nooit de verklaring,

Zijn den denker ten schamelen oogst

Hoe die golven den oever bereiken

Waar een andere nutteloos breekt

Hoe die eene zich heft naar de hoogte,

En er praalt in de glanzende zon.

Waar die andre verzinkt in de diepte--

Ik vraag het vergeefs;--maar het fluistert:

Een verborgene macht, die ze voortdrijft,

En maar één bestemming haar wet.

Dus voort met de golven des levens,

Niet _vragen_, maar _doen_ is uw taak;

Aan het lot of gij needrig verdwijnen

Of fonkelen zult in het licht.

Aan het werk! Wat er schitter of kwijne,

Het is ééne beschikking die heerscht

En ons drijft naar den eeuwigen oever,

Waar de vraag is: wat brengt gij hier aan?

* * * * *

De zilte lucht wekt mij op en spant het geheele organisme, en bij het

gefluisterde lied der golven verheft, zich de geest. Hij vormt zich

plannen voor de toekomst, plannen van moed, van veredeling, van alles

omvattenden arbeid des denkers, droomen van roem; de blik verlengt zich

tot in eene schoonere wereld, totdat de ziel, in een gevoel van

overmoedige stoutheid, een fier welbehagen voelt in zichzelve, als had

zij reeds die verhevene idealen vervuld.

O, edele zelfverheffing der ziel, wat anders zijt gij dan poëzie?--Ja,

ik voel, dat zij bruist in mijn geheele wezen. Maar leeft zij er alleen

als eene gaaf om haar te voelen, of zal ik ze ook kunnen uitstorten en

zal de vormkracht van den geest sterk genoeg zijn om die aandoeningen

van denken en voelen te belichamen?

De tijd zal het uitwijzen, maar niet alleen in dit laatste, ook in het

eerste geval is die gaaf een hemelsch geschenk aan den mensch, dat met

eene liefelijke muziek zijn gansche leven zal kunnen vervullen.

Doch er was weldra wat meer te doen dan te mijmeren en te wandelen. Het

was nu bepaald, dat ik studeeren zou, en wel in de ------ maar wat kan

het u schelen, waarin....

Daar ik een examen moest afleggen om aan de academie toegelaten te

worden, moest ik nog veel werken, totdat ik op het laatst tot

overloopens vol was gegoten met de daartoe benoodigde wijsheid. Nadat

alzoo mijn hoofd vol was gepakt, werd ook mijn koffer gepakt.

Ik ben daarbij bepaald tot het besluit gekomen, dat mijn hoofd toen de

meest verbazende gelijkenis moest hebben met een koffer.

Die vergelijking moet ik noodwendig wat uitpluizen om daardoor die

verbazende gelijkenis aan den dag te doen komen.

--Maar een koffer is een parallelepipedum, en een hoofd is een bol, zegt

Criticaster.

--Vooreerst, mijnheer, spreek ik niet tegen u--en ten tweede spreek ik

niet van _uitwendige_ gelijkenis. En toch, zou ik ook voor het

uitwendige genoeg punten van vergelijking kunnen, vinden: b.v., mijn

koffer is bedekt met leer: leer, mijnheer, is een weefsel, geheel gelijk

aan het weefsel onzer huid, de huid, die mijn en uw hoofd, indien gij

ten minste niet gescalpeerd zijt, bedekt; mijn koffer en mijn hoofd zijn

dus met hetzelfde weefsel bekleed, welk weefsel op zijne oppervlakte

weder bij beide met een ander gelijksoortig, het celweefsel van het

haar, is begroeid: alleen bij den eene (het is een ouderwetsche koffer)

is het rood en wit koehaar, en bij het andere menschenhaar.

En mocht nu voor het overige, wat den parallelepipedischen en den

bolvorm aangaat, de vergelijking in vele punten falen--hebt gij Homeros

gelezen?--welnu, gij zult bij hem kunnen opmerken, dat het tot het wezen

eener vergelijking behoort, dat zij niet in alle deelen doorgaat.

Maar nog eens, ik sprak niet van _uitwendige_, maar van _inwendige_

gelijkenis.

Van mijne jeugd af werd mijn koffer--ik meen mijn hoofd--steeds gevuld:

ik kan niet opnoemen, wat er al zoo inging, maar dat is zeker, dat het

boeltje goed werd aangestampt en de hoekjes gevuld. Maar toen het op het

laatst liep, was er dikwijls een gevecht tusschen mijne meesters over

den voorrang; de een nam te veel plaats in naar den zin van den ander,

ieder wilde de beste plaats voor _zijne_ goederen, en ieder wilde zijn

goed bovenop leggen, dat het niet door de zwaarte van het overige wierd

gekreukt. Het was verder weer natuurlijk volgens de _koffer-logica_, dat

zij zooveel inpakten als zij konden, daar zij het allen op dit ééne punt

eens waren, dat, hoe meer er in een koffer is, des te meer er ook uit

kan komen.

Zij rekenden er evenwel niet op, dat de bodem er wel eens uit kon vallen

of breken.

En mijne goede moeder, die ook zoo bezorgd was om toch van alles in mijn

hoofd--ik meen in mijn koffer te pakken.

Zoo werden dan mijn hoofd en mijn koffer ongeveer eveneens behandeld en

volgepropt, en beide naar de stad X geadresseerd, om daar uitgepakt te

worden.

Te X werd ik uitgepakt, als een reiziger aan de grenzen: de hooggeleerde

douanen snuffelden en doorzochten of alles in orde was, voordat ik met

mijn boeltje veilig de grenzen der wetenschap over mocht.

Maar wat mij zoo vaak, als ik op reis was, gebeurd is, dat ik behoefte

had aan iets, dat onder in mijn koffer zat of maar niet te vinden was,

geschiedde evenzoo bij mijn examen.

Telkens zat ik te zoeken naar een stuk geschiedenis, dat misschien onder

een hoop mathesis lag--of naar eenig taalkundig ondergoed, waarvan ik

niet meer wist, waar ik het gelegd had. Ook bemerkte ik, dat ik eene

menigte zaken bij mij had, die niet noodig waren, en aan den anderen

kant soms vergeten had, mee te nemen, wat volstrekt onmisbaar bleek.

Evenwel was het vrij goed afgeloopen en werd ik over de grenzen der

wetenschap toegelaten.

* * * * *

De laatste avond tehuis! Wat een zonderling gemengd gevoel bevat dit

oogenblik voor een jongen! Voor de ouders is er alleen verdriet. Maar de

jongen vol vuur en levenslust, wien de wanden der ouderlijke woning te

eng worden, die de wieken wijder uit wil slaan, voor wien de wereld een

tooverparadijs is, vol half bekende, en daarom des te aanlokkender

genoegens, die zich de grootsche gestalten der edele vriendschap en

liefde, van moed, roem en eer met de schitterendste kleuren heeft

afgemaald--een jongen, voor wien alle geluk reeds bevat is in dat ééne

tooverwoord _vrijheid_! O, hoe anders, hoe gemengd zijn zijne gevoelens,

als hij die wereld in zal treden!--Hoe trouw en braaf zijn hart, hoe

edel zijne beginselen ook zijn, met hoevele banden hij ook in warm geval

gehecht zij aan zijn ouderlijk huis, het oogenblik, dat hem vrij zal

maken, dat hem in dat tooverland zal voeren, is te aangrijpend, te sterk

prikkelend, om niet op te wegen tegen het verdriet van scheiding, en om

dat verdriet niet terug te drijven en alleen geluk voor te spiegelen.

De laatste dagen tehuis waren in drukte van allerlei aard

voorbijgevlogen; den allerlaatsten dag had mijne moeder nog eenig geld

van haar en eenige flesschen lekkernijen en besten wijn bij mijn goed

gepakt, hetgeen ik eerst naderhand bemerkte; toen was eindelijk alles

klaar en hadden wij niets meer te doen, dan te wachten, dat de avond zou

omgaan.

O, hoe pijnlijk was die avond, met dat gesprek, dat maar niet vlotten

wilde en die nietsbeduidende woorden en zinnen.

Er zaten daar niets dan lichamen om de tafel, ieders geest was afwezig,

ieders gedachten hadden hare eigene bezigheden. Men wilde niet over het

afscheid spreken en alleen daaraan dacht de geest--men wilde over iets

onverschilligs spreken en niets van dien aard kon den geest boeien.

Algemeene stilte.

--Wat waait het, zei mijnheer Tjilp om iets te zeggen.

--Ja, zei mijne moeder.

--Ja, zei mijn vader in een anderen toon.

--Ja, zei ik, weder in eene andere toonwijziging.

Lange stilte.

Ik verliet even de kamer om nog eens naar mijne koffers te zien, die op

mijn werkkamertje gepakt stonden.

Ik hoorde een voetstap.

Mijne moeder drukte mij in hare armen.

--Kind, lieveling! pas toch braaf op en denk altijd om ons....

Haar gemoed was te vol om meer te zeggen. O, hoe ondankbaar, hoe

ellendig vond ik mij, dat ik zelfs toen niet met droefheid naar de

toekomst zag en niet liever wenschte te blijven!

Toen wij weder terugkwamen, werd het gesprek niet levendiger.

Mijn vader bleef peinzend voor zich staren.

Mijnheer Tjilp zeide nogmaals, geloof ik, dat het zoo woei.

Mijne moeder werkte met neergeslagen oogen.

Bella was treurig, omdat zij een vriend en makker verloor.

En ik?...

Ook voor mij waren de ouderlijke wanden te eng, ook ik wilde de vrije

vleugels wijder uitslaan: ik was verheugd, dat ik eindelijk die wereld

in zou stevenen, waarvan zoovele idealen voor mijn geest heenzweefden,

die wereld, waarvan ik niets dan den boom der vrijheid zag en de zon des

geluks, die mij voor het hart niets dan verhevene gevoelens, voor den

geest niets dan roemrijk voedsel beloofde; was het wonder, hoewel de

droefheid om mij heen wel weerklank in mijn hart vond, was het wonder,

dat dit alles op mijne gloeiende verbeelding te sterk werkte dan dat ik

niet verheugd zou zijn?

O wonderlijk samenstel van het menschelijk hart! dacht ik een paar dagen

later. Te midden van de droefheid rondom mij had dat hart gebonsd door

het gelukkig vooruitzicht, en nu dat vooruitzicht niet meer vóór mij

ligt, maar ik er middenin ben, is door mijne vreugde een weemoedige

draad heengeweven.

Was het, omdat ik naar huis terugverlangde? Neen. Maar omdat elke

verandering van levenstoestanden, hoe men er ook naar gewenscht hebbe,

iets weemoedigs bevat.

Het is hierin ook waar, wat de oude Montaigne zegt: _La naissance,

nourissement et augmentation de chasque chose, est l'altération et

corruption d'une autre_.

De nieuwe toestand ontstaat uit den dood van den vorigen. Men kan geen

jongeling worden, voordat het kind in ons gestorven is. Men kan geen man

worden vóór den dood van den jongeling in ons. Dat sterven en verdwijnen

is weemoedig, het geeft het besef, dat er iets in ons voorbij is, dat

nooit weerom komt.

Zoo was het ook bij mij. Hoe sterk--de jongeling verlangd moge hebben,

de wijde wereld in te gaan, wanneer hij van eenvoudig _kind zijner

ouders_, burger wordt in de maatschappij om te trachten _man_ te worden,

voelt hij toch een stuk van het geheel, dat zijn leven uitmaakt, achter

zich afbrokkelen en verdwijnen in de diepte.

En zóó gaat het in het vervolg; telkens, als iets nieuws een later

tijdvak in ons leven geboren wordt, sterft er iets af, dat wij nooit

weer kunnen terugroepen of aanschouwen zullen.

* * * * *

's Avonds te tien uren moest ik op den postwagen wezen.

Een laatste glas wijn word tot mijn afscheid gedronken. Toen word het

ook mij beklemd in de keel.

Mijn vader--gij zoudt u bedriegen, als gij verwachttet, dat hij een

aanspraak hield met lessen van levenswijsheid, of vol gevoelige

oratorie; hij gaf mij geen kaart van de klippen, die ik te ontzeilen en

de gronden, die ik te mijden had.

Wien het tegen moge vallen, of wie het koud vinde--treffender dan alle

welsprekendheid waren een paar gefluisterde woorden van liefde beter dan

alle vertooning een eenvoudige omhelzing en handdruk.

Ik stond buiten het huis en de koude lucht woei mij tegen. Koude

voorproef van den dampkring der onverschillige wereld, die mijne tranen

droogde.

Ik stond buiten, en die koude lucht woei de warme en teedere indrukken

weg en maakte mij weder verheugd en opgewonden.

Woei zij ze geheel weg?

--Neen--zij deed ze zich slechts verschuilen, en in stilte bleven zij

voortbestaan; want jaren later nog bestonden zij en ook nu komt er wel

eene aandoening op, als ik ze herdenk.

* * * * *

En hiermede sluit het eerste deel van mijn _Levensboek_.

De volgende bladen behooren hier niet tehuis. Die wij nu hebben

omgeslagen maken deel uit van een afgeloopen tijdperk; wat verder ligt,

is of nog te versch of in wording.

O, hoe gaarne beschouw ik dat Eerste Boek! Met wat een wellust herdenk

ik dien vorigen kring, waarin ik mij bewoog, en geheel die liefelijke

omgeving, in al haar reinheid, frischheid en eenvoud, beschermen door

den gloed der huiselijke genegenheden, onbesmet en onberoerd door het

woelen en zwoegen en strijden van het latere leven.

Wat zijn zij diep en duurzaam, de indrukken in dien tijd ontvangen, wat

zijn ze levensvol en frisch!

En dan, wat elken denker de oogen telkens naar dat tijdperk moet doen

heenwenden, het is daarin, dat de ziel zich heeft beginnen te vormen,

dat de geest eene beslissende, dikwijls voor het leven beslissende,

richting heeft genomen. Het is dus eene onmisbare bron voor de

verklaring van ons geestelijk zijn.

Het is ook goed, de herinnering aan dien tijd in ons levendig te houden,

omdat de jongelingsleeftijd een bestanddeel bevat, dat wij niet in ons

moeten laten versterven. Het is dat edel vertrouwen en dat geloof aan

eene ideale zijde van het leven, waaruit zijne poëzie, zijne illusiën en

inspiraties, zijne ontvankelijkheid voor alles wat edel, waar en schoon

is ontspruiten. Daarom is het zoo heilzaam, dien tijd te herdenken, als

de strijd van het leven dat deel wel eens doet verzwakken, en dáárin is

het geheim van het aantrekkelijke, dat in die herdenking gelegen is.

Wee den mensch, die dit alles later als niets dan ijdel

verbeeldingsbedrog gaat beschouwen, want zijn zedelijk en geestelijk

wezen is dor als het zand.

Gezegend zij die tijd met al de beelden, die er bijhooren.

* * * * *

Er zijn altijd lezers of lezeressen, die, nieuwsgierig en ongeduldig,

even, even maar het einde van het boek willen inzien, al ware het alleen

om gerust te zijn, dat zij niet sterft, of om te zien of de boosheid

niet gestraft en het misverstand niet opgehelderd zullen worden, _en of

zij elkander nog krijgen_.

Zulken heb ik ook ontmoet, die ongeduldig de vingers uitstrekten naar de

verdere bladen van het Boek, dat ik hun liet zien.

Dat ik ze waarschuwde voor berouw of hen vermaande, met geduld den groei

en de ontwikkeling der verdere toestanden en denkbeelden te verbeiden,

baatte niet, en ik zou bijna boos op hen geworden zijn, als ik niet

bijtijds bedacht had, welk een onwederstaanbare aandrang ons armen

stervelingen eigen is om de toekomst vooruit te loopen en haar sluier op

te heffen.

Daar hebt gij dan nog enkele kijkjes in de verdere bladen, u ten beste

gegeven, die het verlangt. De overigen mogen er gerust uitscheiden; wij

leven in een vrij land.

* * * * *

Gezegend, zeide ik, gezegend die vroegere tijd, met al de beelden, die

er bij behooren!

O, blijft dan om mij heen, gij liefelijke gestalten, mij eens zoo

dierbaar in de werkelijkheid en waarvan sommige nu nog alleen dierbaar

zijn in de herinnering; blijft om mij heen, zooals gij u bij het licht

van het haardvuur voor het oog der herinnering afbeeldt!

Blijft als mijne ziel u weder oproept! O, thans is zooveel, dat eens

_tegenwoordig_ was, _verleden_ geworden------, hier is de oude

bibliotheek--nu zit ik op mijne beurt er te schrijven en zie naar dien

hoek, waar, aan den voet van een der kasten, eens een jongen zat, _in

angello cum libello_[4]; die bibliotheek, waar zoovele van mijne

denkbeelden en indrukken, als ik ze naspoor, blijken ontvangen en

ontkiemd te zijn, waar gewichtige toestanden van mijn leven zijn

beslist, waar op alle planken herinneringen zitten en mij toewenken en

verhalen van vroegere dagen.

Waar is het edele hart, dat in die dagen hier klopte? Waar is de diep

doordringende, de veel omvattende, de wijsgeerige geest, die hier

werkte?

...........................................................................

...........................................................................

En daar ginds staat de oude met marmerpapier beplakte doos. Toen ik op

de kamer van haar vorigen eigenaar kwam, zooals ik beloofd had, heb ik

ze opengedaan en de viool gevonden met drie gesprongen snaren: ik heb ze

in de hand genomen en getokkeld op de laatste snaar, doch haar

trillende, weemoedige toon, eenstemmig met dien van mijn gemoed, trof

het oor niet meer, waarvoor hij gewoon was te klinken. Dat gevoelige

zintuig was nu gesloten voor deze, en misschien geopend voor hemelsche

klanken. Zou het nu voldoening smaken, dat fijne gevoel voor het

schoone?

Ik heb toen de viool in de bordpapieren doos gelegd, om ze mede te nemen

als een aandenken, en zoo staat zij daar, stoffig als de herinnering aan

dingen, die niet meer zijn.

........................................................................

........................................................................

Maar, waar dwaal ik heen! De gedachten schieten te veel vooruit, en de

vingers grijpen te ver in de bladen van het Boek, dat ik in handen heb;

de enkele bladzijden, die ik beloofde u nog te laten lezen, liggen niet

zoo ver in het boek en zijn van vroolijker aard.

Vijf jaren waren voorbijgegaan, waarin ik maar bij tusschenpoozen te

huis was geweest, toen ik eindelijk weder het eene van de tweelinghuizen

binnentrad.

Voor mij--wat een druk bewogen tijd, wat een tijd van ontwikkeling en

verandering, waarin nu eens gedwaald, dan weer teruggekomen was, waarin

zich de geest uit een rusteloozen chaos gevormd had, niet tot een

stilstaand water, want de geest staat nooit stil, maar tot een stroom,

die eene vaste richting heeft aangenomen. Maar wat al veranderingen in

vijf jaren!

Doch dat oude huis stond daar nog altijd rustig en onveranderd, rustig

als de ziel der bewoners: zijn spitse gevel wees ten hemel, evenals het

gemoed der bewoners, zijne glazen glinsterden vriendelijk en helder als

hunne oogen, zijne deur was gastvrij als hun hart: zijn uiterlijk was

altijd even net naar den aard mijner moeder, maar altijd even

ouderwetsch (behalve de groote ruiten, want mijnheer v. N. was een

vriend van licht) naar de onwrikbare begeerte mijns vaders. Mijnheer en

mevrouw v. N., waren dezelfde als altijd, met dit onderscheid, dat zij

jonger schenen te worden, toen ik te huis kwam.

Ik was geen halven dag in huis, of mijn vader had mij allerlei zeldzame

boekskens laten zien, nieuwe aanwinsten. Mijnheer Tjilp, oude trouwe

vriend, was er ook en vroeg, hoe mijne viool voer.

En Bella?

Wat bloost zij, als ik haar een welkomskus geef! en wat ziet zij telkens

steelsgewijze naar mij--ja, ik bemerk het wel--om te zien, hoe die

vroegere broeder en speelmakker van haar nu is.

Wat schoone maagd is er geworden van het kleine, tengere, zwarte kind!

Zij is nu twintig jaar, maar de omstandigheden harer kindsheid hebben

haar verstand vroeg gerijpt. De zwarte haren hebben den gloed van

gitten, met een nauw merkbaren bruinen weerschijn; de donkere oogen, in

helder en zacht blauw liggende, worden door lange pinkers in fluweelen

schaduwen en diepten gehuld of schitteren helder en lief in het licht.

Het geheele gelaat doet denken aan den heerschenden toon in Rembrandts

stukken en men zou in sommige oogenblikken geneigd zijn, haar als eene

schepping van zijn penseel te beschouwen.

Zoo vond ik het te huis.

* * * * *

Wat ik mij verbeeld had omtrent Bella's vader en zijn levenslot was

behoudens een paar omstandigheden geheel verkeerd geweest. Hij was niet

gestorven. Toen de eerste vreemdheid onzer hernieuwde kennismaking

voorbij was, verhaalde Bella mij veel over hem. In zijne legende der

tweelinghuizen, had mijnheer v. N. op Bella's vader gedoeld en in

meester Egbert den rusteloozen zoeker geteekend. Hij had aldus gebruik

gemaakt van eene oude legende, die waarlijk veel overeenkomst van

toestanden aanbood.

Evenals meester Egbert was deze man--hij heette de heer Van

Randenrode--de wereld rond geweest in rustelooze omzwervingen, overal

geluk, rijkdom en eer zoekend, terwijl hij het eerste zeker te huis had

kunnen vinden en de beide laatste in zijne wilde ondernemingen versmeet.

Zijne vrouw was eene Engelsche; zij was te fijn van ziel en van gestel

om onder de veranderlijke nukken en bij den onbezonnen en wisselzieken

aard van dezen man te kunnen blijven leven. Zij was gestorven, hem een

klein kind achterlatende. Met dit kind was hij opnieuw de wereld door

geweest, nu eens in Spanje, later in Indië zijn geluk beproevende, maar

overal door dat hem telkens ontwijkende geluk verlaten. Na eene reeks

van rampen, na het verlies van zijne laatste middelen, van zijn goeden

naam, van zijne eer, van alles, behalve van zijne kleine Bella, was hij

eindelijk, als een bedelaar bijna, terechtgekomen in het huis naast ons.

Wat ik nu eerst hoorde, dat huis was toen in mijns vaders handen geraakt

en die edelmoedige man had den ongelukkige daar eene rustplaats

geschonken, waar hij onder dak kon komen, totdat hij hem op eene andere

wijs zou kunnen helpen. Want verdere en betere hulp wilde hij hem

verschaffen. Het gelukte hem, den ongelukkige de middelen te bezorgen

(en voor hoeveel, wat het geldelijke aangaat, heeft mijnheer v. N. nooit

aan zijne vrouw durven bekennen; hij was soms zoo onberedeneerd

edelmoedig, dat hij zich schaamde!) om nog eenmaal, na zooveel zware

beproevingen, zijn fortuin te gaan zoeken in Amerika.

Maar nu moest bij Bella achterlaten--het was een uitdrukkelijk beding.

Bella was de oogappel, de afgod van haar vader, en die man voelde zich

het bitterst ongelukkig, toen mijn vader de wreedheid had, zooals hij

het noemde, op die voorwaarde aan te dringen. Maar mijnheer v. N. was

onverbiddelijk; hij zeide den heer Van Randenrode, dat hij aan de

nagedachtenis zijner vrouw, dat hij aan zijn kind verschuldigd was, als

eene expiatie van al zijne dwaasheden, deze opoffering te doen, dat het

kind niet mocht gewaagd worden aan de onzekere kansen, die hij nu stond

te ondergaan--dat het kind in hemzelven altijd een vader en in zijne

vrouw eene trouwe moeder zou hebben. Tranen en smeekingen baatten niets.

Zoo werd Bella bij ons gelaten. Haar vader was alleen de wijde wereld

ingetogen. Ongelukkig de man, die zoo laat, die met grijze haren zijn

levensloop nog eens beginnen moet!

Hij had het geluk, op zijn pad een man te ontmoeten, die dat wilde en

rustelooze karakter, dien wisselzieken geest eenigszins tot zelfkennis

en verandering bracht. Eene vereeniging van edele mannen nam den

verdwaalden broeder op; hij ontving de stoffelijke hulp, die het eerst

noodig was, en later zedelijke ondersteuning; een gelukkige keer nam

eindelijk in hem plaats, en na een twaalftal jaren, jaren van beproeving

en van harden arbeid, was hij in staat, zich met eer en

onafhankelijkheid in de maatschappij te bewegen.

Sommige van deze omstandigheden had ik van mijn vader, andere van Bella

vernomen, die ze mij verhaalde, toen wij eens eene lange wandeling

deden.

Hare wangen gloeiden van het vuur, waarmede zij gesproken had. Wat eene

teederheid was er in den klank van hare stem, als zij van mijnheer en

mevrouw v. N. sprak, en als zij herinnerde, wat zij voor haar vader en

voor haar, arme, gedaan hadden. En hoe zij getracht had, dit te

beantwoorden en hoe zij gebeden had om zegen over hare weldoeners!

O, zegen op u, dacht ik, zegen op u, Bella! voor alles, wat gij in het

huis mijner ouders voor hen geweest zijt, zegen op u, voor de liefde en

zorg, waarmede gij ze omringd hebt, toen ik weg was, voor de

vroolijkheid, die altijd was, waar gij waart, voor den lieven klank uwer

stem, aan wier toon men de stemming uwer ziel kon kennen!

Of deze gedachten duidelijk genoeg in mijne oogen te lezen stonden, toen

ik ze lang op haar vestigde, terwijl zij sprak, weet ik niet, maar zij

sloeg de hare neder.

--Bella, zeide ik, weet je wel, toen je een klein meisje was, dat ik je

eens in het gras met die rozen zag zitten spelen?

Zij lachte zoo welluidend, dat de vogels in het bosch gingen medezingen.

--Ja, zeide zij, en een wonderlijk, eigenzinnig kind was ik toen! Zou je

gelooven, vervolgde zij opeens ernstig, dat ik toen een bepaalden afkeer

had van alles, wat gewoon was: speelgoed, gewoon speelgoed, daar een

ander kind gelukkig mee zou geweest zijn--het is waar, ik heb het zelden

gehad----maar ik had het toch niet willen hebben, ik moest iets vreemds

hebben, iets, dat mijn eigen was, dat ik zelf en alleen koos: zoo was

het met alles. Ik was een eigenzinnig, zonderling klein kind; ik hoop

niet, dat die trek mij bij is gebleven, want ik heb een afkeer van

vrouwen, die opzettelijk zonderling willen zijn; de vrouw moet het

gewone leven niet versmaden, zij moet er niet buiten of boven willen

staan, maar zij moet dat juist verhoogen, veredelen, en dan wordt het

vanzelf minder plat en prozaïsch!

Ik glimlachte om het vuur, waarmede zij sprak.

--Lach je mij uit? vroeg zij met een opgeruimd gelaat.

--Ik glimlach, zei ik, maar het is uit genoegen; ik bewonder je--ik maak

nooit complimenten--dat je eene zoo juiste beschouwing hebt van het

leven en van de wijs om het te veredelen; vrouwen vallen meest in

uitersten; of zij maken zich weinig beduidend en alledaagsch, of zij

zijn altijd in de wolken en geneigd tot mysticisme.

Zeker, wat er verkeerd en ziekelijk is in de eigenschap, die zij

bedoelde, had zij niet, maar het goede, het gezonde er van had zij; het

was het afwijken van den gewonen flauwen sleur, een eigenaardig zijn en

denken, met eene zachte tint van eigen geestigheid overgoten, genoegzaam

om aardig en bekoorlijk te zijn zonder te hinderen.

Zoo wandelden wij voort, pratende en gaande over de oude plaatsen onzer

jeugd. Bella sprak mij daarop van mijne ouders, mijne moeder noemde zij

ook altijd moeder; zij vertelde, hoe zij den lieven ouden het leven

gemakkelijk en genoeglijk trachtte te maken, hoe zij den ouden heer op

allerlei wijzen plaagde met zijne boeken, maar hoe zij ook, wanneer het

noodig was, de _preciosa_ daaronder zelve voor hem schoonmaakte; en

duizend kleine omstandigheden meer, onbelangrijk voor een derde, maar

boeiend voor mij.

Er was een aardig mengsel van heldere vroolijkheid en van ernst in

Bella, en de overgangen van de eene naar den andere dikwijls snel en

onverwacht; er was eene losheid en natuurlijkheid in haar, die men in

onze maatschappij, waar vooral meisjes zoo naar geijkte, conventioneele

vormen en in aangeleerde manieren gedresseerd worden, niet altijd met

kieschheid en fijne beschaving vereenigd vindt.

Wat bovenal in dit meisje zoo bekoorde, was eene frischheid, frischheid

van geest en gemoed, in haar gansche wezen en handelen.

Ik geloof, dat ik hierover lang liep te denken, en ik werd opeens wakker

door een vroolijk gelach van Bella, toen ik op het punt was, door mijne

afgetrokkenheid in eene beek te stappen.

--Waar denk je over? vroeg zij.

--Ik denk er over, zei ik, dat wat ik eens over je gedacht heb, is

uitgekomen.

Zij keek mij vragend en glimlachend aan.

--En dat is?

--Dat, waar je ook wezen zoudt, bloemen uit je voetstappen zouden

ontluiken.

--O, o! lachte zij, ik dacht, dat je nooit complimenten maakte?

* * * * *

Mijnheer Van Randenrode zou terugkomen! Op een ochtend ontvingen wij de

brieven: een was er aan mijnheer v. N. en een aan Bella gericht. Hij

schreef, dat hij met het vermogen, dat hij nu bezat en met de

betrekkingen, die bij in Amerika had aangeknoopt, zich nu ook in het

moederland een eervol bestaan kon verschaffen. Er sprak evenwel geene

zelftevredenheid uit den brief, er was iets weemoedigs zelfs in de

kalmte en vastberadenheid van den schrijver, en men voelde, dat dit

zwaar beproefde en daardoor gelouterde karakter geleden had onder die

verbuiging naar het goede, en wel kalmte, maar geen vroolijke

opgewektheid meer zou kunnen verkrijgen.

Aan Bella schreef hij evenwel anders; de woorden, die hij aan haar

richtte, schenen, door het vooruitzicht van haar weder te zien, meer

gloed te ontvangen: het was of zij, zelfs zoo uit de verte, ook haar

zonneschijn--invloed uitoefende. Bella las ons gedeelten uit die bladen

voor; zij waren vervuld van vreugde over zijn terugkeer, hij kon het

niet langer uithouden, hij moest zijn land, zijne weldoeners, maar

bovenal zijn klein, wonderlijk, geestig kind (de man verbeeldde zich

haar nog altijd als het kind, dat hij achterliet), terugzien. Bij die

gedachten scheen zijn gemoed overgevloeid te zijn, en de warmste woorden

waren niet voldoende, als hij van mijnheer en mevrouw v. N. sprak.

--Tut, tut! dwaasheid! zei mijnheer v. N.

Maar toen Bella voortlas en mevrouw v. N. omhelsde, bedierf deze het

boordje, dat zij opzette, en toen zij nog meer las, en daarop haar arm

om het grijze hoofd van mijnheer v. N. sloeg, zeide deze weer:

--Tut, tut, dwaasheid, genoeg, genoeg. En hij lachte, maar met een traan

in zijn oog.

* * * * *

Op een ochtend nam mijnheer v. N. mij vertrouwelijk onder den arm,

zooals hij gewoon was, nu ik man was geworden, en Bella mede noodigende,

gingen wij te zamen naar het nevenhuis.

--Ik wil het geheel laten opmaken, zei mijnheer v. N., maar in ouden

stijl natuurlijk, en de beide huizen moeten elkander blijven gelijken:

den spitsen gevel zullen wij behouden, den weerhaan zullen wij weder

laten draaien; groote ruiten zullen er in moeten, hm! ja, het staat

anders aardig die kleine ruitjes, maar achter boven wilde ik ze behouden

voor de aardigheid, vindt je het goed?

--Ik? zeide ik lachend; maar, vervolgde ik, zal Bella's vader hier komen

wonen?

--Neen, zei mijn vader, die zal zich in eene handelsstad moeten

vestigen.

--Gaat gij dan het huis verhuren, dat gij het zoo laat opmaken?

--Neen, antwoordde hij, maar laat ons binnengaan.

Werklieden waren reeds bezig met behangen, schoonmaken, timmeren, enz.

Wij kwamen in de achterkamer, die op den tuin uitzag, een groot vierkant

vertrek.

--Kijk, zeide hij, eene prettige kamer zal dit wezen! De drie ramen

zullen tot den grond worden verlaagd: wat een gezellig vertrek voor een

gelukkig gezin, 's winters bij dien breeden marmeren schoorsteen, 's

zomers met die wijd geopende ramen, waardoor men de kinderen in den tuin

zou kunnen zien dartelen, ziet, met eenige vernieuwing.... maar zou dat

goudlederen behangsel niet behouden kunnen worden, wat denk je? vroeg

hij, in vrees over zijn goudlederen behangsel.

--Mij dunkt, de huurder moet er maar genoegen mee nemen; ik geloof

zelfs, dat dit behangsel _behoort_ behouden te worden, omdat het geheel

met den stijl der betimmering overeenkomt, ik zou zelfs dien ouden

schoorsteen willen behouden....

--Ja? ja? zei mijnheer v. N., en hij bloosde van welgevallen; dus neem

je er genoegen me.... zou je het goed vinden, dien stijl te behouden?

Ja, ja, die stijl is toch aardig! En hij liet met een glimlach en een

komiek genot zijn blik gaan langs de met dikbeenige engeltjes versierde

zoldering, de rijke tinten van het goudleer en het weelderige loof--en

krulwerk om lijsten en paneelen.

--Maar lage ramen, niet waar? Waarom zouden wij geen nieuwe en oude

vormen kunnen vereenigen, mits er harmonie zij?

Wij moesten boven ook alles in oogenschouw nemen. De bloedvlak in het

kleine kamertje met haar verschrikkend verhaal vond ik niet: alleen was

er ergens eene oude inktvlak op den vloer, die misschien aanleiding tot

het verhaal gaf. Het spijt mij voor het romantische gedeelte van deze

bladen, als dit de prozaïsche oplossing is.

Mijnheer v. N.'s gedrag en handelwijs omtrent dat huis ging evenwel

voort niet minder raadselachtig te zijn. Hij had blijkbaar een

plannetje, en ik geloofde doorgaans, dat hij het wel voor mijnheer Van

Randenrode bestemde. Soms schoot er pijlsnel en schuw wel eens eene

andere gedachte in mijn hoofd....

Maar neen, hoe was het mogelijk, dat hij zoo diep in mijne ziel had

kunnen lezen, dat bij had kunnen lezen, wat voor mij zelven nog

onbestemd en nauwelijks leesbaar was?

Maar toen de tijd naderde, dat mijnheer Van Randenrode zou terugkomen,

toen zijn schip binnen was, toen hij bij ons was en de eerste dagen van

verwarde vreugd en drukte voorbij waren gegaan, en er geen sprake was,

dat hij naast ons zou komen wonen, toen er geheimzinnige beraadslagingen

werden gehouden in de bibliotheek, toen.... en er nog zooveel gebeurde,

dat ik niet zal vertellen, toen, ja toen----

--Och! zei een der nieuwsgierige lezers, het boek toeslaande (ik wist

het wel, dat, als hunne nieuwsgierigheid voldaan was, zij de spijt, die

volgt op de voldoening van eene dwaze neiging, op mij zouden wreken),

och, zei die persoon, het zal wel weer zóó uitdraaien, dat Bella en

hij....

Welnu?

Vogels van diverse pluimage · 第 15 / 29 题